Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 25 November 1901

N°. 7666.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

DRIE-EN-ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentièn, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (2e Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

Het lertjlai van lei Minister van Jislitie.

i.

De Minister van Justitie heeft in de inleiding der algemeene beschouwingen zijner in ons vorig nommer medegedeelde memorie van antwoord bereidwillig voldaan aan den in het Yoorloopig Verslag der Tweede Kamer uitgedrukten wensch om «in algemeene trekken de plannen» aan te geven «voor zijne werkzaamheid op wetgevend gebied», maar ging verder niet in op het verlangen om «in eenige bijzonderheden» te treden, zoowel omtrent de volgorde, die zal worden in acht genomen «als omtrent den vorm waarin en de wijze waarop voorziening zal worden getroffen». Het wil ons dan ook voorkomen, dat men door «de korte schets van zijn werkplan» niet veel wijzer is geworden dan men van te voren reeds was.

Waarop komt het neder? Wat wordt voor het oogenblik alleen op eenigszins stellige wijze toegezegd?

De Minister zal «allereerst zijne krachten wijden aan «het, in samenwerking met zijne ambtgenooten wien «zulks aangaat tot stand brengen van de wet tot uit«voering van art. 75 der Ongevallenwet 1901 en van «het Wetboek van Militair Strafrecht en de wet op de «krijgstucht benevens aan de uitvoering der Kinder«wetten».

Nu, dat de reeds voor ruim een half jaar vastgestelde en in het Staatsblad afgekondigde «Kinderwetten» zoo spoedig mogelijk zullen worden «uitgevoerd» — bedoeld is «ingevoerd» — behoefde nauwelijks te worden gezegd. Wat hier verder wordt medegedeeld over de militaire ontwerpen, ligt voor de hand en was daarenboven reeds bekend uit de Troonrede. Het eenige novum in het ministerieel programma is de regeling van de admini¬

stratieve rechtspraak, maar die regeling, waarin ook andere departementen van algemeen bestuur voor een belangrijk deel betrokken zijn, was mede reeds toegezegd in de Troonrede.

Hoe omvangrijk en gewichtig dit onderwerp van wetgeving zij, ook na de uitmuntende voorbereiding in het rapport der staatscommissie van 1891 en al wat daarover in verschillenden zin is geschreven, de Minister zal zich daarop alléén niet blind turen. Het is zijn voornemen om, terwijl de regeling der administratieve rechtspraak wordt bearbeid «van tijd tot tijd, zonder reeds «nu de volgorde te bepalen, eenige ontwerpen van wet «de Kamer te doen bereiken». Toch blijkt van den voorrang, door den Minister aan het eene onderwerp boven het andere toegekend en middellijk dus ook van de volgorde, waarin eventueel de van zijn departement uitgegane ontwerpen bij de Kamer zullen inkomen, wel iets uit het vervolg der memorie, dat de antwoorden inhoudt op het verhoor op vraagpunten van wetgevenden aard, waaraan de Kamer jaarlijks den Minister van Justitie pleegt te onderwerpen. Het is daarom, en meer nog om eenigszins op de hoogte te komen van de denkbeelden van den heer Loeff over min of meer gewichtige onderwerpen van wetgeving, van belang, de algemeene beschouwingen der memorie van antwoord, in ons vorig nommer geheel afgedrukt, nog eens in hoofdzaak te resumeeren, onder toevoeging, waar het pas geeft, van enkele bescheiden opmerkingen onzerzijds. Wij volgen bij deze resumtie de memorie niet op den voet, maar brengen de daarin verspreide inededeelingen en beschouwingen onder enkele rubrieken.

Burgerlijk Wetboek.

Het uitzicht op voorstellen tot wijziging van B. I en B. II van dit wetboek naar aanleiding van de daartoe betrekkelijke ontwerpen der staatscommissies van 1880 en 1887 kan «on dit ooorenhlik niet worden crenneriHïi

^ 0 0—1—

Dit is begrijpelijk, met het ou-g op den overvloed van wetgevend werk, bij het Departement van Justitie aanhangig, begrijpelijk ook in verband met de ingrijpende wijzigingen, voor weinige maanden in B. I. van het B. W. gebracht bij de wet van 6 Februari 1901 (Stbl. no. 62), eene der zoogenaamde «kinderwetten», tot welker invoering «zoo spoedig mogelijk» zal worden overgegaan. Hoe wenschelijk dat is, bleek onlangs nog uit 's Hoogen Raads arrest van 7 November jl. (W. 7662), door ons besproken onder de Berichten en Mededeelingen van W. 7664. Met matige ingenomenheid vernemen wij daarom des Ministers «verzekering, dat bij de «vaststelling van het tijdstip der inwerkingtreding» ook van deze wet «rekening zal worden gehouden met den «eisch, dat dergelijke ingrijpende wijzigingen in onze «wetgeving niet behooren in werking te treden dan na «dat het tijdstip van invoering, een behoorlijk langen tijd «vooraf, bekend is gesteld». Wij zien dit niet in. De bedoelde wet is bereids voor meer dan een half jaar in het Staatsblad afgekondigd. Het is dus reeds lang van algemeene bekendheid, welke wijzigingen in de regeling der ouderlijke macht en voogdij voor de deur staan. Als nu eindelijk, misschien na verloop van nog een half jaar, de dag der invoering zal zijn vastgesteld, is het dan noodig, dat nog «een behoorlijk lange tijd» verloope voordat de wet werkelijk van het papier in het leven treedt? Wij bogrijjym dit niet evenmin als het ons duidelijk is, dat de Minister, die zelf lid was der commissie van rapporteurs over het na eene breedvoerige schriftelijke gedachtenwisseling tusschen de Tweede Kamer en de Regeering in staat van wijzen gebrachte wetsontwerp betreffende den rechtstoestand van onechte kinderen, het antwoord op de vraag, of van hem een voorstel tot wederindiening van dat door hem ingetrokken ontwerp, gewijzigd of ongewijzigd, te wachten is, — «schuldig moet blijven tot hij gelegen«heid zal hebben gehad een nauwgezet onderzoek om«trent dit punt in te stellen».

Onder de door den Minister kort na zijn optreden met Koninklijke machtiging ingetrokken wetsontwerpen van zijn ambtsvoorganger behoort dat tot aanvulling der, het is algemeen erkend, geheel onvoldoende bepalingen van B. III T. VII Afd. V B. W. omtrent huur van dienstboden en werklieden. Die intrekking kon zeker niet beteekenen, dat de regeering haar handen van dit onderwerp aftrekt. Immers, in de Troonrede was reeds gezegd, dat «het arbeidscontract» nadere regeling eischt. De Koninklijke toezegging wordt thans bevestigd door de verzekering des Ministers : «dat hij de regeling van

«het arbeidscontract, ook met het oog op het euvel der «gedwongen winkelnering, zoo spoedig mogelijk zal ter «hand nemen». Wij vernamen dit met genoegen, maar hopen daarbij, dat de «sympathie», die de Minister nu «in het algemeen» gevoelt voor het stellen van straf op het tusschentijds ontslaan van een arbeider «om «reden dat hij is lid van een vertegenwoordigend lichaam «of van eene kamer van arbeid», bij de door Zijne Excellentie toegezegde nadere overweging van «het aangegeven denkbeeld», dat ons geheel verwerpelijk voorkomt, aanmerkelijk zal bekoelen.

Wat eindelijk betreft B. IV van het B. W. behoeft met het oog op het slot van het hoofdartikel van W. 7640 nauwelijks te worden gezegd, dat wij met genoegen kennis namen van des Ministers mededeeling, dat hij zich reeds heeft gezet tot het onderzoek van de onlangs gepubliceerde ontwerpen der in 1899 ingestelde staatscommissie tot herziening van de bepalingen omtrent het bewijs in burgerlijke zaken, en dat «hij hoopt bin«nen korten tijd (1) tot de beslissing te kunnen «komen welk gevolg aan de voorstellen der commissie «behoort te worden gegeven».

(1) Wij spatieeren.

Burgerlijk proces.

Het begrootingsverslag zwijgt in het algemeen over dit belangrijke onderwerp. Voor den Minister bestond er dus ook geen aanleiding om zijne denkbeelden daarover uit een te zetten. Onder deze rubriek kan hier dus alleen worden gebracht des Ministers toezegging, dat hij spoedig de gelegenheid hoopt te vinden om zijne aandacht te wijden aan het met vele andere ingetrokken ontwerp van wet tot wijziging en aanvulling van het Wb. v. B. Rv. Men heeft hier te doen met een oud wetsontwerp, der Tweede Kamer reeds aangeboden bij Koninklijke Boodschap van 14 April 1898, waarover eene zeer breedvoerige schriftelijke gedachtenwisseling plaats had (2). Bestemd om aan het bij de Vet van 31 December 1897 (Stbl. no. 275) goedgekeurde Haagsche verdrag van 14 November 1896 volle werking te verzekeren, is het uit zijn aard urgent, te meer als men met den Minister «aan gegronden twijfel» onderhevig acht de door ons niet onjuist geachte meening, dat het bij de wet goedgekeurde tractaat ten aanzien van de twee meest aangelegen punten, die het betreft, de cautie en den lijfsdwang, in Nederland werkt ook voordat de tekst van het Nederlandsche wetboek daarmede in overeenstemming is gebracht.

Handelsrecht.

Een der oudste en meest constante nommers op het jaarlijks in het begrootingsverslag den opvolgenden Minister van Justitie aangeboden verlangenlijstje is wel eene nieuwe regeling der naamlooze vennootschappen. Een daartoe betrekkelijk wetsontwerp, dat menige verbetering, thans nog altijd in spe, inhield, afkomstig van den Minister Jolles «bereikte» reeds voor een dertigtal jaren (in 1871) de Tweede Kamer, maar verongelukte tengevolge van een heel boos Voorloopig Verslag. Porro nihil actum. Wel behoorde tot de wetsontwerpen, dooide staatscommissie van 1879 voor haar ontbinding in 1890 den Koning aangeboden, er ook een betreffende de vennootschap in het algemeen en de naamlooze in het bijzonder, maar ook daarvan [kwam weder niets. Nu werd in het begrootingsverslag nog eens gevraagd «of bij het ontwerpen der gewenschte regeling niet ge«bruik zoude kunnen worden gemaakt» van het ontwerp van 1890. Zeker wel, antwoordt de Minister, maar daarbij bleef het. Zoo heel erg schijnt de heer Loeff den toestand hier te lande ook niet te vinden in vergelijking met andere landen, waar de wetgeving uitvoeriger en gestrenger is, maar «allerlei zwendel op dit gebied vaak grooter afmetingen heeft aangenomen» dan in Nederland. Heel klemmend is dit argument niet. Verder schijnt het ons ook een nogal schrale troost dat «wanneer» — zonder eenige nadere aanduiding van dit tijdstip — «de herziening van het Wetboek van «Koophandel omtrent de naamlooze vennootschappen «ter hand wordt genomen, ongetwijfeld de noodige aan-

«dacht aan de in het Voorloopig Verslag vervatte be«schouwingen (zal) worden geschonken». Tot deze beschouwingen behoort onder meer eene herinnering aan den onzekeren rechtstoestand van alle naamlooze vennootschappen, die niet eene eigenlijke handelsonderneming tot voorwerp hebben, en op welker «akte van oprichting» niettemin altijd maar door op voordracht van den Minister van Justitie de Koninklijke bewilliging wordt verleend. Voorziening in dat ook door ons meermalen (3) in het licht gestelde «euvel» is en blijft urgent, hoewel men haar naar het schijnt ook van dezen Minister in den eersten tijd niet te wachten heeft.

Ook de wensch naar herziening van het Tweede Boek

(2) Zie W. 7106, 7107, 7255, 7256, 7427 en 7450, onder de rubriek "Wetgeving, benevens de Berichten en | Mededeelingen. van W. 7641.

(3) Zie laatstelijk het hoofdartikel in W. 7546.

Sluiten