Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INGEZONDEN BIJDRAGEN.

LEGISTERY.

In W. no. 7679 berijdt Mr. G. van Kossem zijn geliefd stokpaardje, dat antwoordt op den naam : gerechtelijke rangregeling. Ditmaal moet het de Haagsclie Rechtbank ontgelden, die zich onderstond te vonnissen in een zin, afwijkend van de rechtsleer van den H. R., en nog wel door den Hove in Den Haag hare zienswijze bevestigd zag.

De zaak zelve gaf mij niet de pen in de hand, hoe zeer ik geenszins wensch te verhelen, dat ik, te haren aanzien, niet sta aan de zijde des geachten schrijvers. Wel echter deed het een paar van diens opmerkingen, welke, door nadrukkelijk protest onweersproken, kans zouden hebben als gangbare munt in onze sedert lang vermolmde methode van wetsvertolking te worden

ingelijfd.

Met cursiveering mijnerzijds, zegt de heer Van Rossem : „.Ueze methode van wetsinterpretatie is zeker niet de gebruikelijke. Tot nog toe concludeerde men uit de letter en de geschiedenis der wet tot haren geest. De Rechtbank doet echter het omgekeerde. 2 ij bouwt den geest op uit onuitgesproken en daarom betwistbare algemeens beginselen en stuit zij daarbij op bezwaren, dan worden die op zijde gezet door hier eene nieuwe wetsbepaling te fingeerein en, elders een bestaande bepaling met hare wordingsgeschiedenis over boord te werpen. Die geest is wel gewillig.''

Het wil mij voorkomen, dat de schrijver moeite hebben zou dat: „fingeeren" en die.averij-grosse waar te maken. Leest men Voor het een en het ander, dat de Rechtbank den omgekeerden (dan den, volgens den schrijver, gebruikelijken) weg heeft gevolgd, alzoo de wetsexegese heeft geadapteerd aan de voorop gestelde algemeene rechtsbeginselen, dan is men nader bij de waarheid.

Voor die methode echter zijn wij — helaas ! ik kan niet zeggen : jongeren, maar — nieuweren, de Rechtbank dankbaar. Van de gronden, waarop die dankbaarheid steunt, kan de schrijver lichtelijk rekenschap zich geven, indien het hem behaagt een blik te werpen in het slotgedeelte van mijn : Rechter en Wet. (Den Haag 1900) II, blz. 1400 vlg.

Dat de legisten op de daar aangeprezen, door den schrijver afgekeurde, door de Rechtbank gevolgde, methode van uitlegging smalend neerzien, is waarlijk mij niet onbekend. „Onuitgesproken en daarom betwistbare algemeene beginselen" kunnen, volgens hen, 'srechters plechtanker niet zijn. De uitgesproken en daarom onbetwistbare wet is veel veiliger toevlucht. Welke onverstoorbare jeugd eene beminnelijke illusie toch behouden kan !

Des schrijvers slotzinsnede luidt: ,,Moge de H. R. ons nu voor goed rust en zekerheid hergeven!" Ik wachtte haar, die slotzinsnede. Zij is schier, zeide ik, de kroon van ganscli het redebeleid, had niet een Kamerlid het woord in opspraak gebracht. De rechter, die leunt en steunt op de kruk der wet, ziet reikhalzend uit naar den leiband des hoogsten wetsvertolkers. In rust en zekerheid" gaat voor hem op recht en rechtsbedeeling. " Welnu, valscli is die leer, hoe schijnschoon zij zich aankondige. De rechter, die rust zoekt, en niet recht; — de rechter, die afschrijft en'niet oordeelt; —- de rechter die zich richt en niet berecht; — die rechter miskent niet slechts zijne roeping, hij treedt haar met voeten. Yoor den rechter bestaat de Hooge Raad niet. Hem is het hoogste rechtscollege wat de wet wat de rechtsgeschiedenis, wat de rechtsbronnen zijn : leiddraad tot eigen rechtsvinding. Ging deze schat der Nederlandsehe magistratuur te loor, „rost en zekerheid" waren te duur gekocht en betaald.

In dit verband een woord tot u, de Pinto, onder wiens schild ik zoo menigmaal hier ben opgetreden en die gereed staat den dierbaren akker aan jeugdiger krachten ter ontginning over te

laten. .

Blijft het interim van mijn onvergetelijken vriend Belinfante buiten beschouwing, uw geslachtsnaam is aan dit blad onafscheidelijk verbonden.

Uw geslachtsnaam, maar ook uw persoonlijke geest. Rechter zijt ge, niet slechts in raad- en audiëntiezaal, maar ook in uwe pennevruchten, ook in uwe beschouwingswijs van doctrine en maatschappij. ...

Waarin des rechters kenmerk bestaat? Mnns bedunkens m zijne volmaakt ongerepte, hooggestemde karaktervolle zelfstandigheid. Niet betweterij, niet laatdunkendheid, niet aanmatiging, maar zelfstandigheid: impavidum ferient ruinae.

Zij is van het recht de diepste kern, van den rechter de meest onwaardeerbare eigenschap. Noch rechts, noch links — zóó het recht. Alleen mijne conscientie — zóó de rechter.

Recht is niets, als het niet opwaarts voert. Rechtsbeoefening is niets, als zij niet staalt, niet ontoegankelijk maakt voor iedeiren waan van den dag, voor iedaren wind van leering.

Aldus gingt en gaat gij voor. Dat het u gegeven zij nog lang anderen, aldus ook hier, te zien volgen.

Amsterdam, 25 Dec. 1901. J. A. Levy.

Den heer Levy mijn dank voor het zoo spontane woord van vriendelijke waardeering in het laatste nommer van het „Weekblad", dat onder mijne redactie het licht ziet. Ik stel dit woord van zijne zijde op hoogen prijs, al meen ik, dat hij mijne diensten in den kamp om het recht, waaraan ik alleen op het. Plein in den Haag als rechter, elders slechts ais eenvoudig medestrijder deelneem, te hoog aanslaat. A. A. D. P.

ACADEMISCHE LITERATUUR.

F. B. Enthoven. Studie over het anarchisme van de daad ; Amsterdam, 1901 ; 270 blz.

Met groote vreugde heb ik de verschijning van dit proefschrift

begroet. .

Het ligt daar vóór mij als een werk van volharding en talent, een werk tevens van beteekenis. Volharding toont de deugdelijke bewerking van het omvangrijk materiaal, het verzamelen van de historische gegevens, het- streven naar volledigheid. Talent spreekt vooral uit die bladzijden, waarin eenige; anarchisten ons geschetst worden., personen zeer weinig sympathiek, maar de belangstelling van den criminoloog in hooge mate waard. En de beteekenis van het werk zou ik vooral willen zoeken in de behandeling van de oorzaken der daden welke, zooveel verontwaardiging wekten, oene behandeling welke den schrijver in aanraking bracht met het zoo moeilijke vraagstuk van de opruiing.

Nadat in Hoofdstuk I (blz. 1—11) een blik is geworpen op de hoofdbeginselen der anarchistische leer in hare twee hoofd¬

vormen individualisme en c o m m anisme, volgt in het , tweede Hoofdstuk (blz. 12—94) het uitvoerig historisch Overzicht. Hoofdpunten zijn daarbij de periode van 1872—1876, zijnde , de wordingsperiode van het anarchisme, in het Zuiden van Europa; de allengs over Europa en America zich uitbreidende , beroeringen., gevolgd door een tijdperk van betrekkelijke rust; en dan van 1891—1895 de uommenepidemie, welke met name in Frankrijk en België woedde en welker einde" moet worden toegeschreven gedeeltelijk aan de strenge maatregelen door de regeeringen tegen de anarchisten genomen, maar vooral aan da hervorming van het communistisch in het individualistisch anarchisme.

Na deze dubbele inleiding — theoretisch en historisch — komen wij nu in het derdei Hoofdstuk (blz. 95—149) tot de kern van het onderwerp: het anarchisme van de daad. En aanstonds treft ons hier deze gedachte., die wij later zullen terugvinden en als de hoofdgedachte van het werk kan worden beschouwd: de hoofdschuldigen zijn de „théoréticiens de la propagande par 1e fait", zij die aansporen tot geweld en dei gepleegde, daden verheerlijken, en die staan tusschen de zuivere theoretici en de mannen van de daad. Wat de propaganda van de daad aangaat, welke is of destructief (vernielen van. goederen en plegen van. gewelddaden tegen menschen) öf ravindicatief (diefstal als anarchistisch propagandamiddel), wordt da eerste soort het uitvoerigst besproken, en wordt met name stilgestaan bij de meest geruchtmakende uiting van die propaganda.: de anarchistische aanslagen. Geschetst worden die aanslagen in karakter (geen complot, hoogstens eene stilzwijgende overeenkomst) en strekking (zoowel propaganda als. eene wraakoefening tegenover de geheele bourgeoisie). Gewezen wordt op het verschillend oordeel der anarchisten zeiven over de aanslagen, terwijl zij allen hierin overeen stemmen, dat zij za verklaarbaar vinden. Duidelijk wordt aangetoond, dat als propagandamiddel de aanslagen zijn mislukt, dat juist z ij het anarchisme veel nadeel hebben berokkend. Eindelijk wordt een paralel getrokken tusschen de aanslagen der anarchisten en die der „régicides" in vorige eeuwen en de groote overeenkomst in het wezen van die aanslagen aangetoond.

Dit laatste punt vormt als vanzelf den overgang tot. het tweede hoofddeel van het geschrift, waarin de „anarchisten van de daad" (Hoofdstuk IV, blz. 150—216) aan ons oog voorbijtrekken. Vier hunner heeft schrijver daarin uitvoerig besproken: Ravachol, Vaillant (ontploffing van eene bom in de Chambre des Députés), Hemry (ontploffing van eene bom. in het Café Terminus)) en Caserio^, den moordenaar van Camot. Van deze vier moet Ravachol niet als anarchist worden beschouwd: hij was een gewoon misdadiger, die zich „hulde, in den mantel der anarchie". Op de drie anderen vestigen wij dus onze aandacht. Vooreerst om de vraag der toerekeningsvatbaarheid, welke bepaaldelijk hier hare groote beteekenis heeft. Die vraag doet zich voor bij Vaillant, door Lombroso genoemd een déséquilibré, ,,un vrai fanatique, dont les haines s'expliquent par 1'héridité et par les malheurs", maar dia toch als toerekeningsvatbaar misdadiger schijnt te moeten worden beschouwd; met deze bijzonderheid, dat bij hem de „criminalité objective" de overheerschenda is. Zij. doet zich voor bij Hemry, die. door den in liet strafgeding gehoorden deskundige niet voor geheel krankzinnig, maar ook niet voor toerekeningsvatbaar werd gehouden, „atteint d'une sorte de folie de grandeur, dei la folie des grandeurs posthumes, de celle d'Erostrate". En nog meer op den voorgrond treedt zij bij Caserio, epilepticus volgens Lombroso., die zijne toerekeningsvatbaarheid in twijfel trekt, thuis behoorende, volgens Dr. Régis niet op het schavot, maar in een krankzinnigengesticht. — Maar naast die vraag staat eene. anderev niet minder moeilijk en voor ons, die „het anarchisme, van de daad" als verschijnsel beschouwen, nog belangrijker omdat zij eene meer algemeene is: welke factoren op den wil van den dader hebben ingewerkt, welken invloed levensomstandigheden en milieu op lièm hebben uitgeoefend, welk aandeel zij in de daad hebben gehad. Welnu! beidrieg ik mij niet, dan is het de verdienste van onzen schrijver, dat hij in zijne levensbeschouwingen op dit punt het volle licht heeft doen vallen. Tieffend in dit opzicht is vooral zijne schets van het leven van Caserio. Wij zien duidelijk vóór ons het beeld van den] zachtmoedige» en reügieusen jongen, die eenmaal priester hoopt te worden, die reeds in zijne jeugd diep wordt getroffen door da ellende, welke hij om zich heen aanschouwt, die op zijn vijftiende jaar in aanraking komt mat de anarchisten en voor wien spoedig het anarchisme eene nieuwe religie wordt. Wij zien hem onder den invloed, komen van de theorieën, hem voorgehouden en gesuggereerd door mannen, die èn in leeftijd èn in ontwikkeling zijne meerderen zijn en daardoor een groot zedelijk overwicht op hem hebben. Zóó zien wij geboren worden de afschuwelijke daad, niet in een oogenblik van groote opwinding bedreven, maar lang voorbereid en kalm overlegd ; zóó zien wij den droomerigein, dweepzieken boerenzoon geworden „cynisch koelbloedig moordenaar".

Die grootei kracht van de suggestie, de machtige invloed van de propagandisten van het woord op den toekomstigen anarchistmisdadiger vormt den overgang vani het vierde tot het laatste Hoofdstuk, aan de bestrijding van het anarchisme gewijd. (1) Verscheidene middelen tot bestrijding worden door schrijver besproken. Vooreerst de (door hem afgekeurde) uitzonderingswetten, speciaal tegen de anarchistische aanslagen gericht. Vervolgens bijzondere maatregelen tegenover de anarchisten, waaronder als internationaal te nemen door ham worden aanbevolen: een speciale p o 1 i t. i e-o r g a n i s a t i e, welke preventief optreedt; de behandeling met gesloten deuren van door anarchisten gepleegde misdrijven, opdat, de door hen zoo gewilde en bedoelde publiciteit worden gemeden; medewerking van de pers in die richting door omtrent dia feiten slechts mededeelingen te doen, welke zuiver zakelijk zijn en haar van overheidswege worden medegedeeld, en ook in liet algemeen geenei besprekingen over daden en personen der anarchisten op tei nemen, behalve van zuiver wetenschappelijken aard. En dan: eene; ruimere omschrijving van de strafbare opruiing. Over dit cardinale punt een afzonderlijk woord.

Schrijver wijst er op, dat ons strafwetboek in afwijking van enkele buitenlandsche wetten mist 1°. de strafbaarstelling van hem, die in het openbaar opruit met gevolg, als medeplichtige of uitlokker; 2°. de strafbaarstelling van niet-oipenbar e opruiing; 3°. de gelijkstelling van. verheerlijking met opruiing. Het ontbreken van de eer stgeooemda strafbaarstelling acht schrijver volkomen gerechtvaardigd. Wat het tweede punt aangaat, wijst hij er op, hoe; toch de anarchistische propagandist, die niet in 't openbaar opruit, volgemsi ons. wetboek als auctor intellectualis kan strafbaar zijn, met name wanneer hij

(1) Eenigszins afzonderlijk staat de bespreking van art. 310 Wetboek van Strafrecht (naar aanleiding van de revindicatieve propaganda van de daad). Schrijver wil den animus lucri faciendi tot element van den diefstal maken, en daarnaast als afzonderlijk strafbaar feit beschouwd zieni de daad. van hem, die wegneemt met oogmerk van eigendomsberooving doch z o nd ei r daarbij eenig voordeel voor zich te beoogen.

opzettelijk een bepaald persoon tot liet plegen van, een strafbaar feit uitlokt door misleiding of — volgens het, ontwerp-Novelle — door voorspiegeling van te verwachten voordeelen. Juist de m i sleiding acht hij een door de. propagandisten vaak gebruikt opruiingsmiddel: het opwekken op valsche gronden van klassenhaat. In het oog dient m. i. echter te worden gehouden, dat tiet aanwezig zijn van de „valsche gronden" subjectief moet worden beoordeeld, d. w. z. naar de overtuiging van den propagandist; is deze te goeder trouw, dan zal hij niet als misleider kunnen worden aangemerkt, ook a.1 mocht de rechter van oordeel zijn, dat hij op valsche gronden tot klassenhaat aanzette. — Het derde punt, de quaestie van de verheerlijking, schijnt, mij het belangrijkste. Bij de behandeling van dit punt, bij de ontwikkeling van zijn denkbeeld, dat strafbaar worde. gesteld de verheerlijking in 't openbaar van eenig strafbaar feit gericht tegen ht.. mensehelijk leven of van eenig gewelddadig optreden tegen de openbare orde, kon schrijver zich tot eene korte toelichting heipalen, waar heel zijn proefschrift als 't ware ééne toelichting van dit voorstel is, telkens aantoonemde den grooten invloed, welken die verheerlijking op de verfoeilijke aanslagen heeft gehad. Ik voel dan -ook, dat in da aangegeven richting iets moet worden gedaan. En als ik meen nadruk te moeten leggen op den door den schrijver gestelden en m. i. noodzakelijken eisch, dat bewezen moet zijn het oogmerk om door de verheerlijking anderen tot het plegen van dergelijke feiten aan te zetten, door het stellen van welken eisch menig verheerlijker straffeloos zal blijven, dan is dit allerminst om de waarde en da kracht van het voorstel te verkleinen, hetwelk de overweging van den toekomstigen wetgever ten volle verdient.

Dat met een en ander de taak der maatschappij niet, is afgedaan, dat zij tegenover de dieper liggende oorzaken van het anarchisme de bestrijdingsmiddelen heeft te zoeken in ontwikkeling en opvoeding der jeugd en verbetering van sociale, toestanden, heeft onze schrijver aan het slot van zijn werk m. i. terecht doen uitkomen.' Wij nemen hiermede van dat werk afscheid. Maar niet dan na herinnerd te hebben aan de „Aanteekeningen over het proces te Buffalo", van de hand van onzen schrijver in het Weekblad van 16 October 11. <n°. 7649) verschenen, waarin hij — vragende, wanneer eindelijk de „ware schuldigen", de „intellectueele moordenaars" zullen gestraft worden — op zulk eene treffende wijze uiting gaf aan het denkbeeld, dat als de; hoofdgedachte van zijn proefschrift moet worden beschouwd.

den. Haag, December 1901. S. J. M. van Gïettns.

HOOGE RAAD. — BULLETIN.

(BtTRGERL. KAMER).

Zitting van Vrijdag, 27 December.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting.

I. Beëedigd als advocaat en procureur Mr. W. Lunsingli Tonckens.

II. Uitspraak gedaan in zake:

1°. (cassatie). E. J. Elbert, eischer, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen de firma Muller & Co., verweerderes, advocaat Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn. Het vonnis der Rechtbank te Rotterdam vernietigd, het vonnis van den Kantonrechter aldaar bevestigd en de zaak verwezen naar dien Kantonrechter.

2°. (id.). H. F. Wisboom van Giessendam, eischer, advocaat Mr. H. dei Ranitz, tegen C. P. Huyg qq., c. s„ verweerders, advocaat Jhr. Mr. W. Th. C. vam Doorn. Verworpen.

3°. (id.). B. den Exter van den Brink, eischer, advocaat Mr. S. K. D. M. van Lier, tegen R. Bokma o. s. qq„ verweerders, advocaat Mr. H. dei Ranitz en tegen, B. den Exter van den Brink, mede-verweerder, advocaat Mr. S. K. O. M. van Lier. Verworpen.

III. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake:

(cassatie). T. de Kempe, wed. A. Puylaert, eischeres, advo,-

caat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen J. Lernout, verweerder, advocaat Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn. ü.dv.Gen. Noyon. concludeert tot vernietiging van het vonnis der Rechtbank te Middelburg en verwijzing der zaak naar diei Rechtbank. Uitspraak 7 Februari.

IV. Recht op de stukken gevraagd' ini zaka:

(cassatie). A. F. Kerrebijn, eischer, advocaat Mr. J. Addink,

tegen R. Veth, verweerder, advocaat Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn. Conclusie door het Openb. Min. bepaald op 10 Januari.

(Strafkamer).

Maandag, 30 December.

Uitspraak : 1°. H. J. P. c. s. tegen een vonnis der Rechtbank te Haarlem.

2°. J. W. tegen een arrest van het Hof te1 's Hertogenbosch,.

3°. J. B. H. R. tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch.

4°. J. D. H. tegen drie vonnissen van den Kantonrechter te 's Gravenhage,.

5°. A. A. F. tegen twee arresten van het Hof te 'sGra^ venhage,

6°. R. S. tegen een arrest van het Hof te Amsterdam.

7°. W. S. c. s. tegen een arrest van het Hof te Amsterdam.

8°. M. L. M. tegen een arrest van het Hof te Amsterdam.

9°. J. Th. tegen een vonnis der Rechtbank te Haarlem. 10°. A. H. E. tegen een vonnis der Rechtbank te Utrecht. 11°. E. B. tegen een arrest van het Hof te Amsterdam.

Concl. O. M. : 1°. De Off. van Justitie te 's Gravenhage tegen een vonnis in zake: S. v. d. L.

2°. J. C. K. : tegen een arrest, van het Hof ta 's Gravenhage.

Pleidooi : 1°. G. J. J. B. tegen een arrest van het. Hof te Amsterdam, waarbiji hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen ter zake van mishandeling. Rapp. raadsh. Hanlo'. Advocaat. Mr. E. Belinfante.

2°. W. V. tegen een vonnis der Rechtbank te Haarlem, waarbij liij is veroordeeld tot eene geldboete van f 15, ter zaka van: het te Zaandam als schipper, van een stoomboot langs in gebruik zijnde ligplaatsen voor houtvlotten varen met meer vaart dan noodig is om te sturen. Rapp. raadsh. de Pinto. Advocaat Mr. W. C. Bosman te: Alkmaar.

Sluiten