Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11 a

andag,

26 Januari 1903

N° 7849

WEEKBLAD VAN HET RECHT

KWF - EN ■ ZESTIGSTE JAARGANG

JUS ET VERITAS

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post fl 1, behalve het Register. — Prijs der advertentiën, 1—6 regels f 1.45, e/fe regel meer 20 cents. — Rechterlijke uitspraken ter plaatsing franco aan de Uitgevers, Boekhandel T/h Gebr. Belinfante, te 's Gravenhage (ie Wagenstraat 100),- andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht (Stationstraat 11).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 24 December 1902.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninox Liifsting.

Raadsheeren, Mrs. : Jhr. B. O. de Jonge, A. P. Th. Eyssell, E. \V. Guljé, A. M. tan Stipriaan Luïscius, A. Teldbks en Jhr. S. Laman Trip.

Met het recht van den grondeigenaar om op zijn grond zoo hoog te bouwen als lienx goeddunkt is in strijd het door een ander zonder zijne toestemming spannen en gespannen houden van telephoondraden boven dien grond.

De grondeigenaar kan daartegen met eene vordering tot amotie en schadevergoeding opkomen ook voordat hij daardoor in de uitoefening van zijn recht om op den grond te bouwen wordt belemmerd.

De gansche telegraafwet van 7 Maart 1852 (Stbl. no. 48) en dus ook art. 4, ofschoon in hare toepassing niet beperkt tot rijksinrichtingen, stelt alleen bepalingen vast omtrent de internationale en intercommunale electromagnetische verkeersinrichtingen.

(Zie het arrest a quo in XV 7682 en het daarbij bevestigde in W. 7420).

J. H. Tam Boelen® van dei- Haar, particulier, wonende te 'sGravenhage, eiseher, advocaat- Mr. j • Addink, tegen

De naamloo'ze vennootschap Nederlandsche Bell Tefephoon Maatschappij,, gevestigd te Amsterdam, Terweerderesse;, advocaat Mr. W. Thorbecke.

De adv.-gen. Jhr. Bethaan Macaré heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen;

Edele Hoog Achtbare Heerenl

Bij deze Toorziening wordt Uwe beslissing ingeroepen omtrent twee rechtsvragen, die reed» sedert eau twintigtal jaren de gemoederen verdeeld, houden en waarover tot heden dooi" Uwen Baad geen oordeel is: uitgesproken.

Die rechtsvragen zijn:

1°. Of door het zonder vergunning van den eigenaar spannen en gespannen houden van draden over diens erf inbreuk wordt gemaakt op diens eigendomsrecht?

2°. Of de bepalingen dier wet van 7 Maart 1852 tot regeling der gemeenschap door electro-magiieitiseiie telegrafen ook van toepassing zijn op plaatselijke telephoongeleidlingein?

De door Uw College op deze; -vragen tei geTen antwoorden zullen. niet alleen Tan groote beteekenis zijn Toor de geding voerende partijen, doch ook voor de verdere ontwikkeling van het telephoonwezen en daarmede zal ongetwijfeld, rekening wordiein gehouden by da aanstaande behandeling van het bij Koninklijke Boodschap van 18 Sept. jl. ingediende wetsontwerp „betreffende aanleg, exploitatie en gebruik Tan telegrafen en telefonen".

Mochten immers de door U op zuwer juridische gronden te geTen beslissingen het bewijs leveren, dat onze tegenwoordige wetten aan de in het algemeen belang zóózeer gewenschte ont* wikkeling van het telephoonwezen in den weg staan, dan zal daarin voorzeker voor den wetgever een aanleiding gelegen zijn tot wijziging Tan ons bestaand recht en om zorgvuldig te; overwegen, in hoever het nieuw opgekomen algemeen belang beperking noodig maakt Tan het eigendomsrecht, waar zich dit boTen den grond laat gelden,, evenals de uitoefening Tan dat recht Toor hetgeen onder den grond geschiedt reeds binnen zekere grenzen gebracht is bij de wet op dé mijnen van 21 April 1810.

Gelijk m i. volkomen terecht in de zesde overweging van het aangevallen arrest wordt opgemerkt, bevat onze wet geene, stellige bepaling, die een onbetwistbaar antwoord geeft op de eerst gestelde Traag, of door het zonder Tergunning Tan den eigenaar orer diens erf spannen en gespannen houden Tan draden inbreuk wordt gemaakt op diens eigendomsrecht, doch moet het tia geven antwoord afgeleid worden; uit de algemeene beginselen, die den eigendom naar onze wet beiheerschen.

Gelijk U uit dl© pleidooien reeds gebleken en in de overgelegde pleitmemoriën nader aangeduid is, be;staat er over deze Traag eene wij omvangrijke literatuur en heeft men van meer dan eene zijde en langs meer dan eenen weg getracht toot de Traag eene bevredigende oplossing te Tinden.

Terwijl e enigen, steun zoekende bij oude, toot dit geval niet geschreven rechtsadagia, den eigenaar van den grond! tevens een recht van eigendom, of althans een recht van beschikking geven over de luchtkoilom boven zijn erf, een recht, waarvan zij echter noch de wijze van uitoefening, noch de grenzen kunnen aanduiden ; — meenen anderen, dat de eigenaar Tan den grond slechts rechten heeft op de ruimte boren zijn erf, voor zóóver hij de daarop gestelde of nog te stellen gebouwen wil opti'ekken, doch dat ieder ander tot zóólang van die ruimte Boven het erf vrijelijk ook tot blijvende doeleinden gebruik kan Blaken, mits hij geen noemenswaardige schade of belemmering do© ontstaan voor den eigenaar van den ondergrond en vo«diien eigenaar wijke, zóódra deze van zijn recht, om over de ruimte boven zijn erf tot het optrekken van gebouwen of getunmerten te beschikken, gebruik Wil maken.

Deze laatste leer, die ook bij; het aangevallen arrest wordt

gehuldigd, leidt, onvermijdelijk tot de ietwat zonderlinge juridische constructie, dlat eene daad aanvankelijk volkomen rechtmatig, plotseling in eene onrechtmatige; wordt omgezet, zoodra het den grondeigenaar invalt Tan zijn onbegrensd' recht tot liooge;r bouwen gebruik te maken.

Noch die eene, noch de andere leer kan mij bevredigen en liet) komt mij met alle bescheidenheid; vcww, dat hetgeen, zoowel van de eene als van de andere zijde wordt aangevoerd; tot staving dezer opvattingen, wèl bezien niet anders is d'an schermen in de lucht over de lucht.

V oor beide theoriën zoek ik te vergeefs naar steunpunten en juist op dte steunpunten komt het m. i. hier aan. Kunnen draden zonder steunpunten niet door de lucht gespannen worden, ook juridische theoriën dienen op hechte steunpunten te rusten.

Ik heb mij daarom afgevraagd;, of onze wet op dit gebied inderdaad geen steunpunt aanbiedt en ik meen werkelijk zulk een steunpunt gevonden te hebben, dat ik mij zal veroorloven Uwen Raad aan te wijzen.

Ik wensch mij daarbij op den vlakken grond te; houden,, zondter mij te verheffen tot .,1'immense espace d'e ratmosphère libre", waarvan Demolombe gewaagt.

De theorie van de loodlijn verwerp ik, niet enkel omdat ik geen steunpunt zie, van waaruit ik het schietlood op de aardie zou kunnen laten nederdalen, doch vooral omdat eigendom aan ijle, zich elk oogenblik verplaatsende lucht, die; dte; mensoh, zooilang hiji die niet omsloten heeft, niet met het oogmerk om ze voor zich te behouden onder zijne macht kan brengen, mij juridisch ondenkbaar voorkomt, wat niet bezeten kan worden, kan m. i. ook geen voorwerp van eigenctami uitmaken.

OTer dien eigendom Tan een luchtkolom of over dat beweerde beschikkingsrecht over de oneindige ruimte boven den grond zal ik Terder niet uitwijden, omdat, naar het mij Toorkomt, Mr. J. A. Levy op het voetspoor van Gesteirdïng in zijne bekende opstellen over het sprookje van de luchtkolom, het onhoudbare van deae leer reeds op afdoende wijze heeft aangetoond.

Maar met Mr. Levy en zijne aanhangers; kan ik niet meer medegaan, waar zij aannemen dat omdat eigendom aan een onbesloten luchtkolom zich niet laat denken, daarmede ook bewezen is, dat een, boven mijn erf gespannen draad' mijn eigendomsrecht niet krenkt, zoolang ik met mijne bouwwerken niet tegen dien draad' stuit.

Ik heb het straks reeds ge;zegd, ik kan mij van zulk eene voorwaardelijke rechtmatigheid niet goeid rekenschap gieiven.

Indien ik aanvankelijk onbetwist recht had voor mijnen draad bezit te nemen van de daarvoor noodige ruimte, dan mag niemand, ook niet de eigenaar van den ondergrond', mij in dat bezit storen, veelmin mij daaruit stooten,, da,n alleen hij die mocht kunnen aantoonan, dat hij boter reicht heeft, dat hij; dte rechtmatige eigenaar is van de dbor mij in bezit genomen, ruimte.

Die; eigenaar van de ruimte kan volgens de voorstanders; der theorie „Levy" zeker niet zijn de eigenaar Tan den ondergrond, want de aanhangers dezer leer verwerpen met alle macht het denkbeeld, dat de eigenaar van den grond! ook eigenaar zou zijn van de onbesloten ruimte boven den grond.

Waarop steunt dan dei door de voorstanders; van die leer aangenomen in de wet niet nedergesohreven, ook in de wet van 7 Maart 1852 niet opgenomen stelling, dat de rechtmatig gespannen draad; moet wijken, zoodra de bouwplannen van dten grondeigenaar met den draad in botsing komen?

Mijns erachtens op da onbewuste erkenning Tan, den zoowel in ons oud-Hollandsch, als in ons tegenwoordig recht erkenden regel: dat de eigenaar Tan den grond met uitsluiting; Tan iedter ander de1 éénig gerechtigde is, tot liet b'efêimmeren Tam dien grond'.

Al'leén en uitsluitend de eigenaar mag op dien grond of daarboven eenig gebouw werk, getimmerte of toestel plaatsen.

Dat staat met nagenoeg evenzoovele woorden te lezen in art;. 626 B. W.

Dei eigenaar en hiji alleen kan op den grond allei beplantingen en gebouwen stellen, dia hij goedvindt.

In dtezie bepaling ligt; m. i. het steun- en uitgangspunt van eikei theorie omtrent de .grenzen en dien omvang van het recht van eigendom, beschouwd in betrekking tot liet, recht van bouwen of betimmeren.

Ook naar ons recht omvat het „plenum d oiminium" het recht Tan opstal, dlat door Voet in zijne Commentarius ad Pandectas lib. 43 tit. 18, gekarakteriseerd; wordt; als een recht op „omne ^uod supra soli faciem est" en dlat ons Burgerlijk Wetboek in art. 758 noemt een zakelijk, recht om gebouwen, werken of beplantingen op eens anders grond te hebben.

Op dit art. 758 vestig ilk nog bovendien 's Raadfe aandacht, omdat daaruit ook blijkt, dat het woord' „gebouwen" in art. 626 B. W. in zeer ruimen zin is op te vatten en dat daaronder zijn te begrijpen alle werken, toestellen, constructies en g e t i m m a r t e n, waartoe ook diénende.

Het; woord „gebouwen" iin art. 626 is eene minder gelukkige vertaling van het in art. 552 Cod'e Ciivil voorkomende, veel meer omvattende woord, „ c o n s t r u e t i a n s".

Het ware m. i. beter geweest, indien de wetgever zich hier had gehouden aan het oude en beproefdle wooird „getimmerte", dat ook iin dezen zin voorkomt; in de artt. 1280 en 943 van het Ontwerp Burgerlijk Wetboek Tan 1820.

Zoo spreken ook Hugo de Groot (Inleiding tot dte; Hollandscbe Rechtsgeleerdheid boek II deel 1, § 23) en Simon van Leeuwen (Het Rooms-Hollands-Regt, boek II, deel 1, n°. 11) van een aan den eigenaar toekomend! reicht tot onbeperkte betimmering van d'e lucht boven zijn erf.

Dat recht is een uit den aard' der zaak uitsluitend recht, zoodat een ander niet tegelijkertijd' het recht kan bezitten om boven datzelfde erf te timmeren of toestellen te plaatsen.

Uit de;z,a, naar ik meen, voor ons oud1 en heidtendaagsch recht onbetwistbare, waarheid, vloeit nu naar mijne; meening logisch voort, dat zóólang de wet- niet anders bepaald, naar algemeene

rechtsbeginselen niemand boven mijn erf tegen, mijnen wil een net mag spannen, of een toestel of getimmerte mag hebben.

Want wat is een over een stad uitgespreid net van op telephoontorens en telephoonpalen rustende draden anders, dan een groot toestel of getimmerte, dienende om Terbindingen daar te stellen tusscben tal van gebouwen i n de stad.

En al heeft dat net reusachtige afmetingen, waarvan onze voorvaderen zeker nooit gedroomd hebben, met dat al blijft het een samenstel Tan; torens, palen, draden, rekken, dat als één geheel beschouwd niet andere is dan. een Tervaarlijk toestel, werk, constructie of getimmerte;, niet los Tan de aarde zwevende in de lucht, maar wel en ter dlege; aan den grond bevestigd en daarop steunende en het verliest dat karakter Tan getimmerte niet, door dat het niet op alle perceelen, waarover het zich uitstrekt ook steunpunten heeft.

In het. onderhavige geval bijv. hebben de aangeTochten draden geen steunpunt op den grond Taai den oorspronkelijken eiseher, docli dit neemt niet weg, dat de boTen zijn grond gespannen draden deel uitmaken Tan het groote getimmerte, dat men teleplioonnet noemt.

OTer des eischers! grond strekt zich een deel Tan dat getimmerte; uit en de ^crenaar heeft m. i. noch een deel Tan dat getimmerte, noch™en geheel net boven zijn erf te dulden, omdat daardoor inbreuk wordt gemaakt op zijn uitsluitend recht, om zijn grond tel b e; timmer ei n, zooais hem goeddunkt.

Ziedaar m. i. da niet op de ijle lucht, maar op de positieve wet steunende rechtsgrond', waarop de; actie van den eiseher wortelt, en die d'ooir het Hof bij het aangevallen arrest miskend is, waar dit in de 8ste overweging (quoad jus), weigert aan te nemen, dat dooi' het spannen der draden eischers eigendomsrecht is geschonden.

Er is hier wel degelijk inbreuk op het aan den eigenaar alléén toekomende recht van betimmering.

En heb bestaan van die inbreuk is niet., gelijk het Hof bij diezelfde overweging aanneemt, afhankelijk van de vraag, of de eigenaar wel metterdaad van de ongeoorloofde handeling van den derde eeniigen last Tan beteekenis ondterviïidt.

ETnmin als dte eigenaar, die gebruik maakt Tan de bepalingen Tan de artt. 693, 695, 702 of 714 B. W. om zijn nabuur te dwingen tot het opruimen of wegnemen Tan al wat in strijd met de bepalingen Tan die artikelen mocht tot stand gekomen zijn, behoeft te bewijzen, dat hij Tan het onrechtmatig tot stand! geikomun-e eenig tastbaar nadeel of ongerief ondervindt of heeft ondervonden, evenmin is de eigenaar, dia een door een and;er tegen zijn wil op zijn erf gesteld toestel of getimmerte wil yerwijderen, daartoe eerst gerechtigd, wanneer hij kan aantootmn, dat dit vreemde getimmerte hem werkelijk schade of ongerief berokkent.

Immers ontleent hijj zijn recht, om de verwijdering te vorderen, niet aan de hem onrechtmatig toegebrachte schade, maar aan zijn zakelijk recht van eigendom, dat hem die volle en vrije beschikking over zijn erf verzekert.

Dat de; eigenaar door de boven zijn erf gespannen dradien inderdaad wordt belemmerd, wordt trouwens; door het Hof iln de zevende overweging erkend, maar het is van oordteel, dat die belemmering niet als eene belemmering mag beschouwd worden, omdat volgens eenig onbeschreven recht de draden moeten wijken, zoodra da eiseher of diens rechtTerkrijgendien Tan dio bevoegdheden hem bij art. 626 2° en 728 B. W. verleend gebruik zouden willen maken.

Deze redeneering is mij met ellen eerbied niet dtaidfelijk, eene erkende belemmering houdt niet op eene belemmering te zijn, omdat ik onder zekere; omstandigheden hare; opheffing kan vorderen.

Dat de belemmering! van weinig beteekenis zou zijn, zoodat het ehicaneus zou wezen zich daarop te beroep, doet m. i. —, waar het een vraag naar recht geldt, — niet af.

Het geldt hier trouwens wel degelijk een „principiis obs ta".

De betrekkelijk dunne draad groeit, gelijk ieder dagelijks; kan waarnemen, spoedig aan tot een bundel draden Tan eerbiteidwaardigen omTang. Doch buitendien waar is hier de grens?

Waar staat gesohreTen dat de dradten nimmer grooter diameter zullen erlangen, dan ze tegenwoordig hebben?

Nieuwe uitvindingen kunnen het noodig maken, dat aan de draden grooter omvang wordt geigeiven, bijl hoeveel! millimeters dikte zal het spannen daarvan dan een inbreuk op het eigendomsrecht worden?

Terecht is de eiseher hier gedachtig aan de spreuk „dï© men een vinger geeft, die neemt de; hand". De dradeil kunnen mettertijd' kabels, worden en zelfs in stangen omgezet, worden, waarlangs men door1 eliaotrisohe kracht bewogen voorwerpen voortstuwt.

Overweeg ik dit alles, dan acht ik het inderdaad boven twijfel, dat naar algemeene rechtsbeginselen hier indbrdaadl inbreuk is gemaakt op het uit den eigendom: voor den eigenaar voortvloeiende uitsluitende; recht van betimmering.

Dat recht is geen onbegrensd begrip, dat „usque ad coelum" reikt, doch het vindt, — gezwegen van de; wetten en verordeningen, die het bouwen publiekrechtelijk beheerschen, — zijne grens in de wetten dar natuur, die den mensch niet veroorloven met zijne op de aarde rustende bouwwerken en getimmiarten in het oneindige voort te schrijden.

Vrees, dat de getimmerten der menschen te eenijger tijidi die vrije beweging in de luchtruimtei zullen belemmeren., behoeft er daarom niet te bestaan en zeker zal dat geen gevolg zijn van het aanvaarden der door mij zooeven ontwikkelde en, naar ik meen, in de wet wortelende en in haar een steunpunt vindendte theorie, dat de eigenaar noch een geheel getimmerte; nooh een deel van een getimmerte tegen zijn wil boven zijn erf behoeft te dulden, tenzijl eenja .speciale wetsbepaling hem bij uitzondering daartoe verplicht.

Is dit laatste in casu het geval?

Ziedaar de tweede vraag, die in dit geding te beantwoorden is.

Sluiten