Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 r\ fw in i • ■ ^

<■ i ii i^im' r m ■ i' Hiiririi'i '■ mi ■ 'k

^7 WW* * Jl

N° 7861

WEEKBLAD VAN HET RECHT

VIJF - EN - ZESTIGSTE JAARGANG

JUS ET VERITAS

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post fl 1, behalve het Register. — Prijs der advertentién, 1—6 regels f 1.45, elke regel meer 20 cents. — Rechterlijke uitspraken ter plaatsing franco aan de Uitgevers, Boekhandel v/b Gebr. Belinfante, te 's Gravenhage (Ie Wagenstraat 100),- andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht (Stationstraat 11).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 30 October 1902.

Voorzitter, Mr. .1. C. J. Ridder van Rappard. Raadsheeren, Mrs.: W. J. Karsten, H. van Manen, A. van Laer en Ph. A. J. Boüvin.

Wel heeft — reeds van rechtswege — samenvoeging plaats gehad van de hoofdzaak en de zaak in vrijwaring, m. a. w. de junctie, maar uit appellants judicieele houding blijkt dat hij zich niet heeft gevoegd in het tusschen de hoofdpartijen gevoerd proces, in den zin, waarin art. 72 en 285 B. R. van voeging gewagen.

H. W. Breemeyer, vroeger wonende te 's Gravenhage, thans te Bussum, appellant, advocaat en procureur Mr. J. Planthnga

tegen

De firma S. Maisonpierre te 's Gravenhage, geïntimeerde, advocaat en procureur Mr. D. S. van Emden,

en tegen

A. Mayer en H. J. Laverge te Amsterdam, mede-gei ntimeerden, advocaat en procureur Mr. D. van der Goot.

Het Hof;

Gehoord1 partijen;

Gezien de stukken voor zooveel noodig geregistreerd; Ten aanzien der daadzaken en in eersten aanleg gevoerde procedures ;

Overwegende dart het Hof zich gedraagt aan en overneemt, de daartoe betrekkelijke overwegingen, voorkomende in liet op 15 Mei 1901, door de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage, tusschen

partijen gewezen vonnis, waarvan het dictum luidt: enz. ;

O. dat de app. Breemeyer van dit vonnis is gekomen in hooger beroep, en dat partijen, na wederzijds haar sustemuen te hebben uiteengezet en toegedicht in haar in hooger beroep gewisselde schrifturen, hebben geconcludeerd' gelijk in het slot daarvan vermeld staat;

In rechten:

O. allereerst met betrekking tot de, dooi' de geïntimeerden Mayer en Laverge, opgenomen exceptie van gedeeltelijke nietontvankelijkheid van het hooger beroep, dat deze den Hove gegrond voorkomt;

dat toch in het vonnis a quo, waarvan zonder eenige beperking hooger beroep is ingesteld, twee afzonderlijke en geheel op zich zelf staande uitspraken worden aangetroffen, eenerzij,da een uitspraak in het oorspronkelijk geschil tusschen de eischeres Maisonpierre en de gedaagden Mayer en Laverge, de hoofdzaak betreffende, anderzijds een beslissing in het geding in vrijwaring, tusschen Maisonpierre, als eischeresse in vrijwaring, en Breemeyer, als gedaagde in vrijwaring, gevoerd;

O. dat de laatstgenoemde is een interlocutoire, doch de eerstbedoelde — wat app. bij pleidooi trouwens ook toegaf — is een zuiver praeparatoire, waarvan, ingevolge dei wet, niet afzonderlijk doch slechts tegelijk met het. eindvonnis kan worden geappelleerd ;

O. dat hieruit volgt, dat het door Breemeyer van het vonnis in zijn geheel ingesteld hooger beroep, is niet ontvankelijk voor zoover het mede is gericht tegen de voorzegde praeparatoire uitspraak, afgescheiden nog van een tweeden grond voor die partiëele niet-ontvankelijkheid, welke thans buiten beschouwing kan blijven;

Q. voorts wat de zaak zelf aangaat, dat de a,pp., in zijn conclusie van eisch in hooger beroep, twee grieven tegen het beroepen vonnis voordroeg, luidende:

1°. dat de Rechtbank ten onrechte lieeft beslist, dat hiji (gedaagde in vrijwaring) zich nie t in dè hoofdzaak heeft gevoegd; en

2°. dat de Rechtbank ten onrechte aannam, dat hij, als gedaagde in vrijwaring, niet heeft waar gemaakt — gelijk de vrijwaringsactie ten doel heeft — tegenover de eischeresse in vrijwaring, het verbonden zijn der gedaagden in de hoofdzaak, in casu het gebonden zijn van de gedaagden, tegenover de eischeresse, aan het door app. namens hen gesloten contract;

Ad Ium:

O. dat deze bedenking geacht zou kunnen worden enkel te zijn gericht tegen de door de Rechtbank in de hoi of d zaak gegeven praeparatoire beslissing, waarin de dooi' den app. gewraakte stelling immers staat te lezen, in welk geval, omdat de app. in het van die uitspraak ingestelde hooger beroep nietontvankelijk behoort te worden verklaard, het Hof deze grief zou hebben voorbij, te gaan;

dat evenwel de conclusie van eisch in appel ook zóó kan worden opgevat, dat het in appellant® bedoeling lag deze grief óók aan te voeren tegen dte door de Rechtbank in het geding in vrij waring gegeven, interlocutoire uitspraak, waaraan toch de door app. bestreden stelling, dat hij zichi in de hoofdzaak niet heeft gevoegd, inderdaad en wel in de eerste plaats, ten grondslag ligt, en het Hof hierin aanleiding vindt, de gegrondlleid van dit bezwaar van den app. toch te onderzoeken;

Q. dan te dien opzichte, dat het ten deze alléén aankomt op de vraag, of het oordeel der Rechtbank, dat de app., als gedaagde in vrijwaring in het tusschen partijen in de hoofdzaak aanhangig geding, zich niet heeft gevoegd, juist is;

O. dat die vraag zonder twjjfel toestemmend moet wordten

beantwoord, en de app., ter ondersteuning van zijn tegenovergestelde zienswijze, volmaakt vruchteloos zich beroept op een door hem in 't. geding gebracht extract audientieblad van de zitting der Rechtbank a quo, van 19 Dec. 1899, waajrin wordt vermeld dat de Rechtbank gelastte de voeging van de hoofdzaak met het geding in vrijwaring;

Q. dat app., dit doende, blijk geeft geen onderscheid te maken tusschen de eenvoudige processueele s a m e nvoeging van de hoofdzaak en dei zaak in vrijwaring, welke reeds van rechtswege plaats heeft en waartoe derhalve 'si rechters tusschenkomst niet eens wordt vereiseht, met andere woorden dte junctie, die niet anders dan een gelijktijdige behandeling van beide zaken beoogt en tengevolge heeft, en de voeging waarvan art. 72 B. R. gewaagt, die dezelfde is waarvan in art. 285 B. R. wordt gesproken, en die hierin bestaat, dat een derde zich partij; stelt in een aanhangig geding, en, ter behartiging van zijn eigen belang, aan den strijd tusschen de hoofdpartijen deelnemende, bij één harer zich aansluit, die steunt en haai- slagen tracht te bevorderen ;

O. dat van een voeging in dien zin, in de door den app. in de vorige instantie genomen conclusiën — de eenige stukken waarin het antwoord op de gestelde vraag; is te zoeken — geen spoor is te vinden, en daaruit zelfs veeleer het tegendeel valt af te leiden;

dat den Hove bijl inzage dier schrifturen namelijk is gebleken : vooreerst, dat de app., als waarborg, in den text zijner conclusiën, een geheel afgezonderde en zelfstandige stelling inneemt, en, geenszins zich scharende aan de zijde van één der partij;en in de hoofdzaak, beurtelings ieder harer aanvalt en bestrijdt, en dientengevolge met zichzelf in tegenspraak geraakt — ten andere, dat hij ook in de slotsommen zijner' conclusiën nimmer partij kiest voor of tegen één der in die hoofdzaak gedingvoerende partijen, doch bloot ten behoeve van zich zelf concludeert — en eindelijk, dat hij, in zijn conclusie van 6 Nov. 1900, allen twijfel omtrent het door hem ingenomen standpunt zelf wegneemt, door te verklaren: „dat hij, staat buiten den strijd

oie u» uooiupaiujen veraeeldi nouat ;

O. da,t waar de app. die judicieele houding aannam, door den eersten rechter ook met volle recht werd geoordeeld, dat hij zich n i e t heeft, ,g e v o e g d' in het tusschen de hoofdpartijen gevoerd proces, en zijn eerste grief mitsdien is ongegrond ;

Ad Uum:

Q. dat app. daarmede blijkbaar het oog heeft op hetgeen te lezen is in het 2de en 3de lid van dte eenige overweging waarop des eersten rechters; uitspraak in het vrij vvar.ii i gsproees berust, doch dat, het Hof, met de daarin voorkomend© beschouwingen zich geheel vereenigt en bijgevolg ook dit bezwaar van den a.pp. niet kan worden gedeeld ;

O. dat hij, bij conclusie van eisch in appel, daartegen wel in 't midden bracht: dat in het geding waren drie, partijen, die tegenover elkander stonden en over en weer hebben geconcludeerd, en de Rechtbank dus had behooren te onderzoeken welke de kracht was van het betoog van den app. tegen de oorspronkelijk gedaagden — maar dat die bewering niet opgaat, juist omdat de app. in dte hoofdzaak niet is geweest gevoegde partij ;

dat app. dan ook geheel ten onrechte spreekt van één, tusschen drie partijen gevoerd proces, hetgeen toch slechts dan 'tgeval geweest zou zijn als hij, in de tusschen de beide geïntimeerden aanhangige procedure, als gevoegde partij' ware opgetreden, terwijl thans, nu hij; zulks naliet, de Rechtbank had te vonnissen in twee, bloot formeel zaamgevoegde procedures, elk tusschen twee partijen ;

dat het nu wel geen betoog behoeft, dat de Rechtbank volkomen terecht, bij de beslissing over het vrijiwaringsgeding, geen rekening hield met voor dit geding irrelevante sustenuen van dein waarborg, welke den gewaarborgde,, ten wiens aanzien hij zich nu eenmaal als lasthebber had gedragen, niet aangingen, en die hij, had hij slechts van de hem aangeboden gelegenheid gebruik gemaakt en in de hoofdzaak Zich gevoegd en partij gesteld, tegenover ieder der partijen in de hoofdzaak had kunnen doen gelden en, des vereiseht, waar maken;

Q. dat uit al het voorafgaande volgt, dat de app. met het aangevallen vonnis niet kan zijn bezwaard en dit althans voor zoover het aan 's Hofs beoor'deeling is onderworpen, behoort te worden bevestigd;

Gezien art. 56 B. R. ;

Recht doende op het ingesteld hooger beroep,;

Verleent akte waarvan akte is gevraagd;

Verklaart den app. niet ontvankelijk in zijn hooger beroep voor zoover het is gericht tegen: de in het, in den aanhef deze» vermelde, beroepen vonnis voorkomende praeparatoire uitspraak in de hoofdzaak;

Bevestigt dat vonnis voor het overige, met dien verstande evenwel, dat de geint. Maisonpierre, ter raadkamer der Rechtbank zal hebben te verschijnen, tot het ondergaan van het door de Rechtbank bevolen verhoor op vraagpunten, op, den dag en het uur, ten verzoeke van de meest gereede partij, nader door dé Rechtbank te bepalen;

Veroordeelt app. in de kosten van het hooger beroep1, met inbegrip der verschotten tot de uitspraak dezes begroot, op' f 175 aan zijde der geintimeerden Mayer en Laverge en op f100 aan zijde der geint,. Maisonpierre.

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM.

Kamer Tan Strafzaken.

Zitting van den 23 December 1902.

Voorzitter, Mr. W. R. op ten Noort.

Raadsheeren, Mrs.: A. Teixeira de Mattos, F. A. van Leeuwen, A. J. Karseboom en Th. J. Hoppe.

Advocaat-Generaal, Mr. J. C. Baron Bato.

Verdediger, Mr. B. E. Asscher.

Art. 183 der Alg. Politieverord. van Amsterdam dd. 5 Mei 1902 is in het belang der openbare zedelijkheid en gezondheid.

De gemeentewetgever van Amsterdam heeft derhalve door dat artikel in het leven te roepen, de hem bij art. 185 der Gemeentewet gestelde grenzen niet overschreden.

De beklaagde had de beschikking over eene inrichting ah bedoeld bij gemeld art. 183.

Dat artikel is niet in strijd met art. 250 Strafrecht.

De vraag of eene gemeenteverordening, zonder in strijd te komen met eene wet, een algemeene maatregel van bestuur of eene provinciale verordening, de bij art. 150 Gem.wet gestelde grenzen overschrijdt, staat alleen ter beoordeeling van het administratief gezag.

De artt. 183 en 184 der meergemelde verordening hebben dan ook verbindende kracht.

B. en W. ontleende aan art. 180 f> art. 179 Gem.wet de bevoegdheid de in art. 184 der meergenoemde verordening bedoelde sluiting te gelasten.

De wijze waarop in casu B. en W. van Amsterdam de hier bedoelde inrichting hebben gesloten, is niet in strijd met art. 625 B. W.

(Zie het vonnis a quo in W. 7820).

Het Hof enz.;

Geizien het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam recht dbende in strafzaken, op den 16den Oct. 1902, in eersten aanleg gewezen in de zaak van G. R-, oud 52 jaren, van beroep hotelhouder, geboren te Parijs en wonendte te Amsterdam, in vrijheid, waarbij deze met toepassing van artt. 216, 219 Strafvord. van het hem ten laste gelegde is vrijgesproken, met last enz. ;

Gezien enz.;

Gehoord het verslag, ten deze uitgebracht door den benoemden raadsheer-rapporteur Mr. Th. J. .hoppe;

Gelet op het onderzoek in de terechtzitting;

Gehoord het requisitoir van den Procureur-Generaal, daartoe strekkende: dat het Gerechtshof voornoemd, recht dbende op het hooger beroep, het voormelde vonnis zal bevestigen onder aanvulling der motieven met deze overweging, dat de bij het vonnis bedoelde verbodsbepaling evenmin iets gemeen heeft met de huishouding der gemeente;

Gelet op de verdediging door en ten behoeve van den beklaagde voor dten Hove gevoerd;

Overwegende, c&t het Hof zich niet met het beroepen vonnis vereenigt,;

O. immers dat aan beklaagde bij introductieve dagvaarding is ten laste gelegd enz. ;

O. dat 1°. door dte erkentenis van beklaagde sub a en de getuigenverklaringen sub la, 2a. en 3 wettig en overtuigend is bewezen, dit beklaagde zoowel vóór als op dten 24sten Juni 1902 in het perceel 229 Nieuwe Zijds Voorburgwal te Amsterdam, waarover hij de beschikking had, bij herhaling en uit winstbejag aan anderen de gelegenheid gaf om onderling ontuchtige handelingen te plegen, zooals bij introductieve dagvaarding is gesteld, terwijl tevens door die bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen, dat gemeld perceel als een voor het publiek toegankelijke inrichting moet wonden aangemerkt;

2°. door de erkentenis van beklaagde liiervoren sub b gerelateerd en de aanwijzingen voortvloeiende uit en overeenstemmende met o, de getuigenverklaringen sub 16 2 6 en 4; en

6 het hiervoren medegedeelde ambtseedig proces-verbaal wettig en overtuigend' is bewezen, nevens de schuld' van beklaagde daaraan, dat beklaagde ten tijde en ondter de omstandiighedten als bij de introductieve dagvaarding is Vermeld', de daarbij; omschreven bekendmaking van wege het bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk onleesbaar heeft gemaakt en beschadigd en wel met het oogmerk o,m de kennisneming cföarvan te beletten, al hetgeen aan beklaagde bij introductieve dagvaarding is ten laste gelegd;

>Q. dat ten onrechte in het beroepen vonnis is beslist, dat beklaagde voorzegde bekendmaking onleesbaar makende, niet kan gezegd worden wederrechtelijk te hebben gehandeld op grond dat Burgemeester en Wethouders bedoelde bekendmaking dbende, krachtens eene niet bindend1© bepaling der verordening de bevoegdheid daartoe misten, omd'at de gemeenteraad door na te melden artikel in het leven te roepen, heeft, willen verbieden en niet de daad verboden heeft niet, alleen het geven van gelegenheid tot het plegen van ontucht in eene voor ieder toegankelijke inrichting en derhalve deze verbodsbepaling niet meer betreft dte openbare oirde, zedelijkheid en gezondheid, met het oog, waarop de gemeentewetgever verordeningen mag maken;

O. toch, dat, zooals reeds hiervoren is overwogen, het in deze geldt een voor het publiek toegankelijke! inrichting, gelegen binnen de gemeente Amsterdam en art. 183 voorkomende in hoofdstuk IV der ATgemeene Politieverordening van Amsterdam dd. 5 Mei 1902, waarbij het is verboden in eenige inrichting, waarover men de beschikking heeft, hetzij bij

Sluiten