Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voeld, slechts geringe schade, geenszins het zinken ten gevolge had;

dat nu verder wel te bewijzen wordt gesteldi, dat het vaartuig in den namiddag van den dag waarop het des ochtends was lens gepompt, in ééns zwaai' lek werd en omstreeks 5 uur zonk en daarbij omsloeg, en het, vaartuig", na boven water te zijn gebracht, bleek een gat te hebben, veroorzaakt door een stoot van buiten af ter plaatse, waar de bodem was verzwakt, door schuld van den machinist;

dat evenwel daarmede geen feiten worden gesteld, waaruit redelijkerwijze zou volgen, dat dit gat, en 't op eens zwaar lek worden en zinken, gevolg was van den 24 uren te voren gevoelden schok, iets wat te meer noodig was, nu uit de te voren gestelde feiten slechts kon blijken van eene geringe schade, als gevolg van dien scliok, en dat het daardoor indringen van het water gemakkelijk kon worden tegengegaan;

dat derhalve door die feiten, ook al waren zij bewezen, en al stond vast de beweerde nalatigheid van den machinist, nog niet zou zijn aangetoond eenig verband tusschen den op 13 April des namiddags te half 5 gevoelden hevigen schok en het op den volgenden dag des middags te 5 uur plotseling zwaar lek worden en zinken van het vaartuig;

dat dus den app. reeds op dien grond zijne vordering moet worden ontzegd en een onderzoek omtrent het, betreffende de beloopen schade, aangeboden bewijs onnoodig is, zoodat liet beroepen vonnis, schoon op andere gronden, moet worden bevestigd ;

Gezien art. 56 B. R. ;

Recht doende op het hooger beroep :

Bevestigd het vonnis, den lOden April 1901 door de Arrond.Rechtbank te Rotterdam tusschen partijen gewezen;

Verwijst geint. iii de proceskosten;

Begroot die, met inbegrip dier verschotten, tot op deze uitspraak aan zijde van app. op f 180.45.

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 28 November 1902.

Voorzitter, Mr. R. van de Werk.

Raadsheeren, Mrs.: D. L. de Leao Laguna, J. G. Vogel, E. Star Busmann en A. J. Roijaards.

Oplichting. — Schadeactie.

Heeft de winkelier, die voldeed aan eene voorgewende bestelling van goederen aan een opgegeven adres, vanwaar de bezorgde goederen, onder valsche voorgevens werden teruggehaald, eene actie tot schadevergoeding tegen den geadresseerde, voor wien die goederen werden aangenomen en weder afgegeven ? — Neen.

J. A. A. Gerritsen, fabrikant en winkelier in gouden-, zilveren-, en diamantwerken, wonende te Amsterdam, appellant, procureur L. Boas,

tegen

Dr. N. J. Rooswinkel, wonende te Amsterdam, geïntimeerde, procureur Mr. F. Vonk de Both.

Het Hof;

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Overwegende ten aanzien der feiten:

dat de fabrikant en winkelier in gouden- zilveren- en diamantwerken, Gerritsen, Dr. Rooswinkel heeft gedagvaard tot af- en overgifte der bij dagvaarding nader omschreven ringen in een breed bandje en twee étuis, gefactureerd tot; een bedrag van f 835, en bij gebreke van dien tot vergoeding van alle kosten en schade en interessen door den eischer, ter zake bij, dagvaarding omschreven, gehad en geleden, en nog te hebben en te lijden, en tot dat einde te betalen de som van f 835 of zoodanige mindere som als de rechter zou vermeen,en te behooren cum expensis en zulks op grond : dat Gerritsen, na ontvangst van een boodschap, luidende: „Wilt u heden avond tusschen half acht en achb uur damesringen met diamant sturen, en daarbij; voegen eene nota van prijzen bij Dr. Rooswinkel, Keizersgracht bij de Leidschegracht n°. 462", in den avond van 21 Maart 1900 aan gemeld adres heeft afgegeven de1 hem toebehoorende, bij dagvaarding omschreven ringen met bandje en étuis, met de gevraagde nota, ten bedrage van f 835, gesloten in een, enveloppe, waarop de naam1, titel en het adres: van Dr. Rooswinkel, vermeld! stond; welke voorwerpen door eene vrouwelijke dienstbode van den Doctor zijn in ontvangst genomen, terwijl diens: echtgenoote bovenvermelde enveloppe heeft geopend, en dte in ontvangst genomen goederen bezichtigd";

dat aan Gerritsen door de dienstbode namens die echtgenoote werd bericht, dat hij: öf denzelfden avond tusschen lialf elf en elf ure, öf den volgenden morgen tusschen acht en negen, ure rapport zou kunnen laten vragen, waarop Gerritsen antwoordde, dat liet, rapport in geen geval 's avonds, maar dten volgenden dag zou worden gehaald, hetgeen aan dei echtgenoot© is bericht;

dat Gerritsen op den aangegeven tijd door een zijner bedienden rapport heeft doen halen, maar noch het goed, noch geld heeft ontvangen, en de doctor, zeifis niettegenstaande sommatie bij exploit van deurwaarder Colder alhier dd. 23 Maart 1900, met de teruggave der goederen in gebreke is gebleven;

O. dat, nadat de gedaagde die vordering had betwist, in hoofdzaak door de gestelde afspraak omtrent, de niet door hem bestelde ringen met het dienstmeisje te ontkennen, en door aan te voeren, dat hij tijdens het uitbrengen van sommatie en dagvaarding geen houder was der ringen, die in dten avond van 21 Maart waren afgegeven, aan iemand', dïe zeide namens eischer te komen, en oip grondi dat; iedere rechtsband tusschen hem en eischer ontbrak —■ de 1ste Kamer van de Rechtbank te Amsterdam, bij1 vonnis van 26 Juni 1901 den, eisoher niet-ontvankelijk heeft verklaard;

Q. dat. de in liet, ongelijk gestelde, partij bij exploit van deurwaarder Colder dd. 12 Sept. 1901, van dat. vonnis is gekomen in hooger beroep, en voor eisoh, overeenkomstig de dagvaarding, heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis e,n toewijzing der vordering cum expensis, onder subsidiair bewijsaanbod voor de met de dienstbode, gemaakte afspraak;

dat geintim,eerde heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis, evenzeer met de kosten;

O. in rechte:

dat de beslissing der Rechtbank in hoofdzaak hierop berust: dat, terwijl noch afgifte werd gevraagd, op grondl dat; geint.

houder zou zijn, noch eene verbintenis uit onrechtmatige daad aanwezig was, noch de aanneming van. het goed verplichting tot afgifte medebracht,, de vordering door app. werd gegrond op de verbintenis tot afgifte, die voor Dr. Rooswinkel zou zijn ontstaan uit de met de dienstbode gemaakte afspraak; dat echter tot de door dïe afspraak tot, stand gekomen overeenkomst, de echtgenoote niet was toegetreden, en dteze in allen gevalle haren man niet kon verbinden;

Cl dat appellant» hoofdbezwaar betreft de verwerping dooide Rechtbank van de bij repliek uitgesproken stelling, dat, het zonder rechtsband afgeven der voorwerpen ten huize van geint. aan zijn adres en aan een zijner dienstboden, en het in ontvangst nemen daarvan, voor geint. eene verbintenis tob teruggave, der voorwerpen aan app. deed ontstaan;

ö. dat het onderzoek naar de juistheid of onjuistheid dier stelling dient te geschieden met het oog op dte omstandigheden van dit proces ;

dat nu in hooger beroep de zaak aldus gelegen is, dat, tusschen partijen eenstemmigheid bestaat hierover; dat iemand in strijd met de waarheid ten name van geint. bij appellant de bovenvermelde bestelling heeft, gedaan, en app. ter uitvoering daarvan de goederen ten huize van geint. aan do dienstbode heeft afgegeven, waarna door diens echtgenoote liet geadresseerde enveloppe met de factuur is geopend, en vervolgens kort daarna liet goed is afgegeven aan bovenbedoelden persoon, die in strijd met de waarheid, opgaf namens app. te komen; terwijl daarentegen geint. is blijven ontkennen het door app. gestelde feit, waarvoor deze subsidiair getuigenbewijs heeft aangeboden, dat hij, het, dienstmeisje zou hebben, gezegd dat eerst den volgenden dag rapport zou worden gehaald;

Q. dat alzoo valt te onderzoeken, of ten gevolge van de aanneming der ringen ten huize van Dr. Rooswinkel voor dezen de verplichting tot afgifte van Gerritsen bestond op een oogenblik, waarop hij niet meer houder der ringen was, terwijl hij daarvan ook niet eigenaar was geworden, noch zich deze, onrechtmatig had toegeëigend;

O. dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord, omdat door de praestatie Van Gerritsen, die ter uitvoering van dé onware opdracht van den bewusten persoon, en dus als zonder rechtsgrond onverschuldigd plaats had, niet slechts de ringen niet van het vermogen van Gerritsen in dat van Dr. Roos,winkel overgingen, maar zelfs die onverschuldigde praestatie geen verrijking, bevoordeeling of bate. voor laatstgenoemde veroorzaakte, zoodat in deze van geen recht van terug vordering van het onverschuldigd betaalde — in hoe uit,gebreide,n zin men dat woord ook moge opvatten — sprake kan zijn;

dat zoodanig recht toch niet betreft het erlangen van vergoeding der schade geleden door hem, die onverschuldigd praesteerdie, maar terug verkrijging van hetgeen een ander1 door onverschuldigde praestatie, en dus zonder rechtsgrond', heeft verkregen ;

O. bovendien, dat al kon worden aangenomen, dat door de aanneming ten huize van geint., de verplichting ontstond, in zekere mate zorg voor die zaak te dragen, dan tocli ook niet in die verplichting de vordering steun kan vinden;

dat toch de afgifte ten huize van geint. aan den bewusten persoon, onder de omstandigheden van deze zaak, niet was zoodanige nalatigheid of onvoorzichtigheid, dat geint. zich tegenover app. niet zou kunnen beroepen op die afgifte als eene omstandigheid, waardoor hij in de onmogelijkheid werd' gesteld verder zorg voor de zaak te dragen; al kan aan a,pp. worden toegegeven, dat het ter hand stellen aan den bewusten persoon ten huize van geint. niet in aanmerking zou kunnen komen als voldoening aan eene eventueele verplichting tot, afgifte, aan appellant ;

O. dat app. heeft aangevoerd, dat de afgifte ten huize van geint. zou hebben plaats gehad op heb voorgeven, dab het goed verkeerd was bezorgd', hetgeen niet te rijmen zou, zijn met, liet vermelden van het aclres; op da enveloppe, en daarom dat voorgeven van afgifte had' moeten weerhouden, maar dat die stelling onjuist is, daar eene vergissing bij het ontvangen eener opdracht ook haar invloed zal uitoefenen op het schriftelijk adres, zoodat verkeerde bezorging en geadresseerde enveloppe wel met elkander zijn te rijmen;

dat evenmin van de afgifte behoefde te weerhouden de gestelde afspraak met het dienstmeisje omtrent het tijdstip, waarop bescheid zou warden gevraagd, althans voor zoover niet die afspraak is te beschouwen (hetgeen bij de behandeling: der tweede grief ter sprake komt) als eene bindende overeenkomst;

dat het, zich toch alleszins laat denken, dab een winkelier voorwerpen van waarde; niet, langer dan noodig is, laat in handen van derden en onttrokken aan eigen hoede, ook al heeft hij aanvankelijk een ander voornemen te kennen gegeven, en zoodanige veranderde houding alleszins verklaarbaar zou zijn ingeval er vergissing bijl het aannemen eener bestelling liad plaats gehad,, welke opvatting men ten huize, van geint. uit den aard der zaak moest hebben;

dat eindelijk vooral in een© groot© plaats heb verkeer ni"t bestaanbaar is zondier tusschenpersonen, van wie noch in het algemeen, noch in dit bepaalde geval, eene schriftelijke of andere ontwijfelbare legitimatie is te vorderen, en app. dan ook zelf blijkbaar die opvatting deelt, daar hij den volgenden moirgen niet persoonlijk kwam, maar door een bediende rapport liet halen ;

dat bij dit alles verder niet uit het; oog mag worden verloren, dat de zorg, die men voor eens anders goed heeft te; dragen, zoo ver niet.gaat, wanneer dat goed, zooals ia deze, zonder eenige aanleiding van den ontvanger, die niets van, de, zaak afweet, bij dezen aan huis wordt bezorgd, dan wanneer men eens anders goed onder zich heeft ingevolge bestelling of eenige andere verhouding uit, overeenkomst aan de aanneming vooraf gaande;

dat dus de eerste grief niet opgaat,;

iOt. dat app. noig subsidiair heeft aangevoerd, dat, hij' zich ook met heb vonnis bezwaard! gevoelt, omdat de Rechtbank niet heeft aangenomen zijne stelling, dat dte vordering afdoen,den steun vond in de gestelde met de dienstbode gemaakt© afspraak.

O. dab voor de juistheid' van die stelling' allereerst noodig zou zijn, ctat die afspraak kon worden opgevat als eene den geint. bindende overeenkomst omtrent, de meergemelde ringen ter waarde van f835, maar in dat geval de ontkende afspraak volgens onze wetgeving niet dooi' getuigen kan worden bewezen, en dus niet als feit in het proces in aanmerking ka,n komen, terwijl, indien in die afspraak geen overeenkomst is te zien, ze wel door getuigen zou mogen worden bewezen, maar zeker niet als grond voor de vordering in aanmerking kan komen;

dat hieruit volgb, dat ook de tweede grief niet opgaat, en het subsidiair bewijsaanbod kan worden voorbijgegaan;

dat in het bij dagvaarding gestelde ook geen© andere gronden voor de vordering gelegen zijn, en app. dus met het vonnis niet is bezwaard;

Gezien art. 56 B. R.;

Recht, doende op het hooger beroep:

Passeert, het bewijsaanbod;

Bevestigt het vonnis door d'e Eerste Kamer van de Rechtbank te Amsterdam op 26 Juni 1901 tusschen partijen gewezen ; Veroordeelt app. in d'e; kosten van het hooger beroep.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ZÜTPHEN. Rechtdoende in Strafzaken.

Zitting van den 17 December 1902.

Voorzitter, Jhr. Mr. J. H. J. C. Martens van Sevenhoven. Rechters, Mrs.: J. L. A. Stolk en T. S. Tromp.

Openb. Min., Mr. van Rijckevorsel,

Art. 252 2° Strafrecht,

Hebben de daders kunnen voorzien, dat ten gevolge van hunne handelingen het kind dronken zoude worden ? — Rechtbank : Neen. Hof : J a.

De Officier van Justitie, ambtshalve eischer,

tegen

1°. J. H. K, 19 jaar, en 2°'. G. J. H., 21 jaar, mattenmakers, wonende te Apeldoorn, gedagvaard ter zake dat zij in dén avond van Zaterdag 4 Oet. 1902 te Apeldoorn be zamen en in vereeniging, althans ieder voor zich afzonderlijk den 12-jarigen E. t. M. hebben dronken gemaakt, door in een tapperij ieder na elkander opzettelijk een glas jenever, althans sterken drank voor bovengenoemden t,. M. te bestellen en aan dezen te doen toedienen, terwijl de eerste beklaagde daarna, meergenoemden t. M. nog heb voor hem, beklaagde; bestemde glaasje sterken drank, opzettelijk heeft aangeboden, al welke glaasjes sterken drank door voornoemden t. M. zijn leeggedronken, met, het gevolg dat deze zwaar beschonken is geworden.

De Rechtbank enz. ;

Gezien enz. ;

Overwegende dat hoewel voor het strafbaar zijn van het, den beklaagden ten laste gelegde feit geen vereischte is;, dat de handeling opzettelijk is geschied, het toch zeer zeker noodzakelijk is, dat de dader moet hebben kunnen voorzien, dat, ten gevolge van zijn handeling het kind dronken zoude kunnen worden;

Q. dat de Rechtbank van oordeel is, dat hiervan in het on derhavige geval geen sprake is, te meer nog daar ter terechtzitting is gebleken, dat, het kind — na, van ieder der beklaagden een borrel te hebben gekregen — geheel uit eigen vrije, wil een gedeeltelijk met sterken drank gevuld glaasje heeft leeggedronken, zoodat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat het kind na het gebruik van twee borrels niet dronken zo,u zijn geweest, maar dit eerst is; geworden ten gevolge van den drank die hij daarna uit, zichzelf, zonder toedoen van beklaagden tot zich heeft genomen;

•Q. dat alzoo, de Rechtbank niet uit; wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft, geput, da,t de beklaagden het hun ten laste gelegde feit hebben gepleegd, zoodat zij behooren te worden vrijgesproken ;

Gezien enz. ;

Spreekt de beklaagden vrij;

Na, ingesteld hooger beroep door het Openb. Min. werd bij arrest van het Gerechtshof te Arnhem dd. 12 Febr. 1903, dit vonnis vernietigd, de beklaagden schuldig verklaard en ieder veroordeeld tot, f 5 boete sub. 10 dagen hechtenis en wel op de onderstaande overwegingen:

O. toch dat, nu bij art. 252 2° Strafrecht strafbaar is gesteld „het dronken maken" zonder eenige; nadere, aanduiding, terwijl het woord opzettelijk, dab in heti ontwerp Strafwetboek achter het woord ,, jaren" voorkwam is vervallen, voor de strafbaarheid van het feit alleen wordt vereischt, dat men heeft kunnen voorzien, dat de persoon wien de bedwelmende; drank wordt verstrekt, door het gebruik er van dronken kan worden;

dat dit naar liet oordeel van het Hof in deze het geval is;

dat toch beklaagden wisten dab indien de een aan t. M. een borrel zoude geven, dit ook de andere zoude doen, waaruit volgt, dat zij dit doend© hem te zamen twee glazen sterken drank gaven, een hoeveelheid, waarvan men kan vermoeden, dat een kind van 12 jaar dronken zal worden waarvoor het niet; ter zake doet dat, t. M. na het gebruik dier twee glazen sterken drank nog een half glas van dien drank zal hebben gebruikt,;

O}, dat het als bewezen aangenomen feit, valt onder het bereik van art. 252 Strafrecht en moet worden gequalificeerd: ..Het dronken maken van een kind beneden den leeftijd van 16 jaar";

O. enz.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE 's GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

(Raadkamer).

Beschikking van den 20 Februari 1903.

Voorzitter, Mr. A. E. Croockewit.

Rechters, Mrs.: C. W. Vollgraff en R. H. A. M. Romme. Officier van Justitie, Mr. E. Z. L. van der Kemp.

Een schuldeischer, wiens vordering niet opeischbaar is, is niet bevoegd de faillietverklaring van zijnen schuldenaar aan te vragen.

Aan de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage.

Geeft eerbiedig te kennen :

C. W. v. d. V., wonende te G., ter zake woonplaats kiezende aan de Heerenstraat n°. 13 te 's Gravenhage ten kantore van den ondergeteekenden procureur;

dat hij' van C. A. H., wonende te L. te vorderen heeft, enz. ;

dat enz. ;

da,t gerequ.estreerde derhalve verkeert, in den boestand van te hebben opgehouden te betalen ;

Sluiten