Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er toe moge kunnen besluiten art. 358bis terug te nemen, totdat de rechtspositie van ambtenaren en beambten, ook van die bij den spoorwegdienst, beter dan thans zal zijn geregeld.

HOÜGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 23 Januari 1903.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting.

Raadsheeren, Mrs. : Jhr. B. C. de Jonge, A. P. Th. Eyssell, E. W. Gtjljé, A. M. van Stipbiaan Lttïscitjs, A. Telders

en Jhr. S. Lam an" Trip.

Uit de omstandigheid, dat bij interlocutoir vonnis des eersten rechters het bewijs door getuigen was toegelaten, dat sommige zaken in deze door bestemming onder onroerende waren te begrijpen, volgt niet, dat de rechter hieromtrent in strijd met het 2e lid van art. 1944 B. W. bijzondere meeningen of gissingen van getuigen zoude hebben aan te merken als getuigenissen.

P. Vermue Jzn., landbouwer, wonende te Biezelinge, gemeente

Kapelle, eischer, advocaat Mr. J. Last, tegen

F. Butler, landbouwer, wonende te Rittliein, verweerder, advocaat Mr. J. Limburg.

De proc.-gen. Polis heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Ueerenl

De eischer heeft bij het Kantongerecht te Goes van den verweerder gevorderd' schadevergoeding tot een bedrag van f185, ter zake van twaalf onrechtmatige daden, die de verweerder zou hebben gepleegd bij het verlaten eener hofstede, die hij aan den eischer had verkocht. ISTa getuigenverhoor oordeelde de kantonrechter negen van de gestelde onrechtmatige daden bewezen en veroordeelde den verweerder te dier zake tot eene schadevergoeding van f 160; doch in hooger beroep werd door de Rechtbank de ingestelde vordering voor zeven van de door den kantonrechter bewezen geoordeelde onrechtmatige daden, als niet bewezen, ontzegd en de verweerder ter zake van de twee onrechtmatige daden, die de Rechtbank wel bewezen oordeelde, veroordeeld' tob schadevergoeding op te maken bij staat, met verwijzing van den verweerder in een zesde, van den eischer in vijf zesden van kosten van het rechtsgeding.

Tegen die uitspraak, die op zuiver feitelijke gronden berust, is één middel voorgesteld, waarbij; schending en verkeerde toepassing beweerd wordt van de artt. 161 Grondwet, 20 R- O., 45, 48, 59, 534, 339 B. R., 562, 563, 1401—1403, 1902, 1907, 1941, 1942, 1943, 1944, 1945, 1960, 1961, 1962, 1953, 1958 B. W. en zulks om zes redenen.

De lsbe is ,,dat de Rechtbank wat reeds bij1 in gewijsde ge gaan interlocutoir vaststond en uitgemaakt was, niet als zoodanig heeft beschouwd en in hooger beroep heeft berecht wat daarvoor niet meer in aanmerking mocht komen, onder meer het door getuigen bewijsbare van wa.t al of niet door bestemming onroerend goedi is.

Wat de eischer daarmede bedoelt is niet duidelijk, maar dat de rechter, omdat bij interlocutoir vonnis bewijs door getuigen is toegelaten van het feit dat iets door bestemming onroerend goed is, nu ook met betrekking daartoe als getuigenissen zou moeten laten gelden bijzondere meeningen of gissingen van getuigen, dat is met het oog op art. 1944 B. W. niet vol te houden.

De tweede grond van, het middel is, ,,dat de Rechtbank niet aanneemt wat authentiek volgens vonnissen des eersten rechters wais geconstateerd". Wati dat echter was, dat zegt de eischer niet en daarom moet dit beweren buiten beschouwing blijven".

In de derde plaats moet als grief dienst doen de bewering, ,,dat de Rechtbank feiten, onder anderen het in het aangevallen vonnis sub 2 vermelde, onbewezen heeft verklaard zonder aanvoering van grondlen, alzoo ook zonder dat blijkt dat is gelet op hetgeen duidelijk van elders aangaande de zaak in het geding bekend was en zonder dat is acht gegeven op getuigenissen door samenloop en verband de daadzaken stavende . Maar bezwaren van feitelijken aard kunnen in cassatie niet worden geopperd en wel gemis van motiveering, niet onvoldoende motiveering van een vonnis kan schending van artt. 20 R. O. en 161 Grondwet opleveren.

De vierde grond van het middel is zoo vaag dat hij niet in aanmerking komen kan. Want wat bedoelt de eischer er mede welke getuigenissen heeft hij' op het oog wanneer hiji zegt dat ,,de Rechtbank d'e reden van wetenschap, waarmede de getuigenissen bekleed zijn, voor bijzondere meeningen of gissingen heeft gehouden, althans dit heeft aangenomen op wat grond dan ook aangaande getuigenissen welke alle bewijskracht hadden" ? Ik begrijp het niet.

Even fraai is de vijfde grond: ,,de Rechtbank heeft ten onrechte bekentenissen gesplitst". Die bekentenissen had de eischer dan moeten aanwijzen, maar dat zou hij niet hebben kunnen doen omdat er geene ten nadeele van den eischer in cassatie gesplitste bekentenissen in het vonnis te vinden zijn.

En allerzonderlingst is de zesd'e grond van het middel, dat de Rechtbank ,,geint. niet heeft gehoord, althans door niets heeft doen bljjken te hebben gelet op het door geint. aangevoerde omtrent de bedragen en specificaties der kosten, schaden en interessen en het ook volgens het vonnis in eersten aanleg geheel niet weersprokene hiervan door app., welke van zelf onwillekeurige emissie de Rechtbank ook zal geleid hebben tot de kosten condemnatie, zoo onbegrijpelijk, omdat de twee ook volgens de Rechtbank bewezen onrechtmatige diaden veel meer schaden hebben berokkend dan al de andere gestelde veel geringere feiten samen".

Is dat eene klachte over onvoldoende motiveering, dan geldt ook daaromtrent datgene wat ik met betrekking tot den 3den grond van het middel reeds opmerkte; en meent de eischer dat de uitspraak over de kosten niet aldus had mogen luiden, waar is dan het wetsartikel dat door die uitspraak geschonden is?

Ik concludeer tot verwerping van het beroep met veroordeeling van den eischer in de kosten.

De Hooge Raad enz. ;

Overwegende dat bij' het vonnis, door de Arrc-nd.-Rechtbank te Middelburg den 2den April 1902 tusschen partijen gewezen — met vernietiging van het vonnis van den kantonrechter te Goes van 20 Aug. 1901, voor zoover daarbij den eischer zijne vordering is toegewezen — den eischer zijne vordering, betrekkelijk de twee in het. vonnis der Rechtbank bewezen verklaarde onrechtmatige daden van den verweerder is toegewezen, hem zijne meerdere vordering is ontzegd! en de verweerder is veroordeeld tot vergoeding aan den eischer van de door de twee, voormelde onrechtmatige daden hem veroorzaakte schaden, op te maken bij staat, met veroordeeling van den eischer in vijf zesden en van den verweerder in een zesde der kosten van beid'e instantiën;

Q. dat tegen dit vonnis der Rechtbank is aangevoerd als middel van cassatie : Schending en verkeerde toepassing van de artt. 161 Grondwet, 20 R. O., 45, 48, 59, 334 en 339 B. R., 562, 563, 1401—1403, 1902, 1907, 1941, 1942, 1943, 1944 en 1945, 1960, 1961 en 1962, 1953 en 1958 B. W., omdat de Rechtbank:

ten eerste: wat reedis bij in, gewijsde gegaan interlocutoir vaststond en uitgemaakt was, niet als zoodanig heeft beschouwd en in hooger beroep heeft berecht, wat daarvoor niet meer in aanmerking mocht komen, o. in. het door getuigen bewijsbare van wat al of niet door bestemming onroerend goed is;

ten tweede: niet aannam wat authentiek volgens' vonnissen des eersten rechters was geconstateerd;

ten derde: feiten, o. a. het in het aangevallen vonnis sub 2 vermelde onbewezen heeft verklaard zonder aanvoering van gronden, alzoo ook zonder dat blijkt, dat is geleti op hetgeen duidelijk van elders aangaande de zaak in het geding bekend was en zonder dat is acht gegeven op getuigenissen door samenloop en verband de daadzaken stavende;

ten vierde: de reden van wetenschap waarmee de getuigenissen bekleed zijn voor bijzondere meeningen of gissingen heeft gehouden, althans dit heeft aangenomen op wat grond d!an ook aangaande getuigenissen, welke alle bewijskracht hadden; ten v ij f d e : ten onrechte bekentenissen heeft gesplitst; ten zesde: geïntimeerde niet heeft gehoord, althans door niets heeft doen blijken te hebben gelet op het door geint. aangevoerde omtrent de bedragen en specificaties der kosten, schaden en interesten en het ook volgens het vonnis in eersten aanleg geheel niet weersprokene hiervan door app., welke vanzelf onwillekeurige omissie der Rechtbank ook zal geleid hebben tot de kost-en-condemnatie, zoo onbegrijpelijk, omdat de twee ook volgens d'e Rechtbank bewezen onrechtmatige daden veel meer schaden hebben berokkend dan al de andere gestelde veel geringere feiten samen;

O. ten aanzien van dit middel: wat betreft het eerste deel:

dat uit de omstandigheid, dat bij interlocutoir vonnis des eersten rechters het bewijs door getuigen was toegelaten, dat sommige zaken in deze door bestemming onder de onroerende waren te begrijpen, niet volgt, dat de rechter hieromtrent in strijd met het 2de lid' van art. 1944 B. W. bijzondere meeningen of gissingen van getuigen zou hebben aan te merken als getuigenissen, en dat door de verdere bewoordingen van dit deel van het middel geen andere grief des eischers wordt duidelijk gemaakt.;

Wat betreft het tweede deel:

dat niet blijkt, waarop hiermede wordt gedoeld;

Wat betreft het derde deel:

dat ten aanzien van de tweede en andere den eischer ten laste gelegde daden gemotiveerd is beslist, dat zij niet waren bewezen, dat een nader feitelijk onderzoek hieromtrent in cassatie niet kan plaats hebben en over onvoldoende motiveering almede niet kan worden geklaagd in cassatie; Wat betreft liet vierde deel:

d'at de eischer hierbij schijnt te verlangen nadere toetsing van het door getuigen verklaarde, aan welk verlangen echter in cassatie niet kan worden voldaan ;

Wat betreft het vijfde deel:

dat de Rechtbank bekentenissen alleen heeft gesplitst, waar dé valschheid der bijvoeging was bewezen en de eischer zich over die splitsing moeielij'k kan beklagen, omdat zij geschiedde ten zijnen voordeele;

en wat betreft het zesde deel:

dat, zo» de hier gevoerde onduidelijke beschouwingen bedoelen klacht over onvoldoende motiveering, moet worden herhaald, dat hierover in cassatie niet kan worden geklaagd, terwijl de eischer voort® heeft verzuimd, althans tot inleiding eener klacht omtrent de uitgesproken veroordeel'ing in de kosten, art. 56 B. R. bij zijn cassatiemiddel aan te halen;

O. dat dus dit middel in al zijne deelen is ongegrond; Verwerpt. het beroep;

Veroordeelt den eischer in de kosten van cassatie.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 's HERTOGENBOSUH.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 3 Februari 1903.

Voorzitter, Jhr. Mr. P. van Meeuwen.

Raadsheeren, Mrs : Jhr. o. de Marees van Swinderen, A. J. L. Nijpels, A. Baron van Styrcm on J. A. A. Bosch.

Daar eene overeenkomst van borgtocht is van informeelen aard, komt het er niet op aan in welke bewoordingen die overeenkomst is vervat, wanneer slechts duidelijk blijkt, dat partijen beoogden eene overeenkomst van borgtocht aan te gaan.

Met de vordering nin rechtenwaarvan art. 1286 al. 3 B. W. spreekt, is uitsluitend bedoeld eene vordering voor den Nederlandschen rechter ingesteld, zoodat de appellant zich terecht gegriefd acht, nu de eerste rechter daarmede heeft gelijkgesteld eene vordering voor den buitenlandschen rechter gedaan.

L. E., rentenier, wonende te Helden, appellant, procureur Mr. L. Rits,

tegen

H. C., weduwe J. E., koopvrouw, wonende te Antwerpen (België), geintimeerde, procureur Mr. R. Tilman.

Het Hof;

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

In rechten:

Overwege-iide dat de app. in de eerste plaats als grief tegen het beroepen vonnis heeft bijgebracht, dat de eerste rechter ten onrechte zou hebben aangenomen, dat uit het dooi* geint. geproduceerde boven in zijn geheel weergegeven stuk, blijkt van eene borgtocht ter concurrentie van fres. 24000 van app. voor A. L. F. ten bate van geint. en niet van eene principale verbintenis van app. om van de schuld van A. L. E. fres. 24000 voor zijne rekening te nemen, eene verbintenis die, ook omdat van geene schuldoorzaak blijkt, neer zou komen op eene schenking, die, ais zijnde niet bij no-tarieele akte gedaan, nietig zou zijn;

O. omtrent deze grief, dat naar 's Hofs oordeel met juistheid door de Rechtbank is beslist, dat uit gezegd stuk blijkt, dat app. zich verbonden heeft om, mocht A. L. E. zelf niet betalen, fres. 24000 van diens schuld aan geint. te zullen betalen en dus ter concurrentie van dat bedrag voor gezegden hoofdschuldenaar borg te blijven, terwijl de toetreding van geint. tot die overeenkomst niet kan worden betwist, nu zij, gelijk tusschen partijen vaststaat, dat stuk van app. aannam en er nu gebruik, van maakt in rechten ;

dat app. hiertegen wel heeft aangevoerd, dat deze opvatting zou zijn uitgesloten, doordat in het geheele stuk niet van „borgtocht" wordt gerept, echter ten onrechte, wijl borgtocht i® eene geheel informeele overeenkomst en dus voor hare totstandkoming de woorden waarvan partijen zich bedienen onverschillig zijn, mits er slechts uit blijke van der partijen bedoeling om dé overeenkomst omschreven in art. 1857 B. W. aan te gaan, watgelijk gezegd naar 's Hofs oordeel in dit geval moet wórden aangenomen; eene beschouwing, waarmede geen verandering wordlt gebracht doordat deze overeenkomst te Exel in België tot stand kwam en dus wat den vorm betreft door de Belgische wet beheerscht wordt, wijl die wet in dit opzicht, geheel gelijk is aan de onze ;

dat des appellants opvatting als zoude uit het geproduceerde stuk blijken van eene principale verbintenis tot betaling van een deel der schuld van A. L. F., reeds moet worden verworpen, als zijnde die opvatting niet vereenigbaar met de boven vastgestelde beteekenis van dat stuk, maar dat ook onafhankelijk daarvan die opvatting is blijkbaar onjuist, wijl dan conform art. 1449 pr. j°. 3° B. W. noodig zou zijn, dat A. L. P. van zijne verbintenis, voor wat aangaat die fres. ^.4000 ontslagen werd, wat zoo weinig in de bedoeling van partijen lag, dat app. zelf beweert, dat E. oip dat bedrag in ieder geval zou moeten afbetalen, liet hem komende uit. de nalatenschap van zekere J. F. • terwjjl daarenboven van het accessoire karakter der door app. aangegane verbintenis onweerlegbaar blijkt uit het geproduceerde stuk in zijn geheel genomen, wijl daarin de app. zich uitdrukkelijk voorbehoudt, om het bedrag der schuld van A. L. F. aan de geint. nader te bediscussieeren en vast te stellen, wat alleen zin kan hebben in de veronderstelling, dat zijne bij dat stuk aanvaarde verplichtingen afhankelijk werdën gesteld van den omvang der schuld van dien F. aan geint. ;

dat» waar van de door app.. beweerde zelfstandige verbintenis niet blijkt, van zelf vervalt zijne bewering, dat die verbintenis zou daarstellen eone schenking, die voor den vorm nietig zou zijn, terwijl de stelling, da.t. hier alleen aan eene schenking ge. dacht zou kunnen worden, omdat van geene schuldoorzaak blijkt, wel niet ernstig gemeend zal zijn; dat dus deze grief is ongegrond ;

O', dat de app. in de tweede plaats als grief tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd', dat dë Rechtbank de vordering ontvankelijk heeft geacht, niettegenstaande des appellants beroep op het voorrecht van uitwinning;

dat echter deze grief volkomen ongegrond is ter afdoende weerlegging ervan kan word'en volstaan, met. eene eveneens door de Rechtbank gedane verwijzing naar de bepalingen der artt. 1870 en 1871 B. W. ;

O. dat. al even ongegrond is de door den app. voor het eerst in hooger beroep bijgebrachte bewering, dat. de vordering zou zijn niet-ontvankelijk, omdat, niet blijkt van eene ingebrekestelling van den hoofddebiteur A. L. F. ;

dat toch, daargelaten dat. dit. middel niet in dezen stand der zaak kon worden bijgebracht, de betalingsplicht van den borg ontstaat door het enkele in dit geding vaststaande feit, dat de hoofdschuldenaar niet betaalt, geheel onafhankelijk van de vraag of hij te dier zake in gebreke is gesteld;

Of. dat de app. in de derde plaats zich geg"iefd' acht, doordat d'e vordering gegrond' is geoordeeld, niettegenstaande blijkens de geproduceerde akte de betalingsplicht slechts was aanvaard onder de voorwaarde, dat de schuld van A. L. F. niet vóór

Aug. lo95 was betwist en dus, — nu die betwisting blijkens een m ged'rig^gebracht exploit, van dagvaarding had: plaats geliad op óü Juli 1895, — ook moest worden aangenomen, dat. d!e betalingsplicht niet bestond, zeker niet zoolang na de betwisting het bedrag der schuld niet nader was vastgesteld-;

0/irw|renl r'ftze krr'eL dat inderdaadl de verplichting van fres'. 24000 te betalen door den app. niet gaaf en onvoorwaardelijk werd aanvaard, maar afhankelijk werd gesteld van eene als mogelijke veronderstelde nadere vaststelling van het. bedtag der schuld van A. L. F. aan geint., met dien verstande, dat het initiatief tot die nadere vaststelling zou moeten uitgaan van gezegden F. en zou moeten zijn gedaan vóór 1 Aug. 1895; dat het. nu duidelijk is, dat aan die bepalingen in hun onderling verband geene andere beteekenis kan worden toegekend, dan da.t aan A. L. F. de gelegenheid werd gegeven om vóór 1 Aug. 1895 een gewijzigd bedrag zijner schuld aan geint. te doen vaststellen, met dit gevolg dat het. vaststellen van een minder bedrag dan van invloed zou kunnen zijn op den omvang der door app. op zich genomen verplichtingen, zoodat niet het enkele feit der betwisting, zooals app. wil, maar het. resultaat dier betwisting van invloed zou kunnen zijn op des appellant® verplichting tot betaling van fres. 24000; dat echter app. minder uit het geproduceerde stuk zelf, dan uit eene door hem geteekendie op den achterkant van het stuk gestelde aanteekening wil zien afgeleid, dat zijne verklaring der even besproken reserve de juiste is, doch ten onrechte; dat toch wel aan app. kan worden toegegeven, dat die aanteekening, als zijnde reeds op het stuk gesteld toen geint. het van app. aannam, een onderdeel van het stuk zelf uitmaakt en dus zoo goed a.ls elk ander onderdeel er van voor de vaststelling van deszelfs juisten zin beslissend kan zijn, maar appellants waardeering der strekking dier aanteekening klaarblijkelijk op dwaling berust; datimmers die aanteekening niets anders inhoudt dan dat het recht van betwisting van de schuld van A. L. F. aan geint.., in het stuk zelf alleen toegekend aan F., ook zal toekomen aan app. zonder dat in de aanteekening ook maar met. een woord gerept wordt van de gevolgen in het stuk zelf aan die betwisting toegekend, zoodat onaannemelijk is. dat met. de aanteekening bedoeld' zou zijn juist omtrent dit gewichtig punt stil-

Sluiten