Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIBLIOTHEEK

VnJdag, i Mei 1905

N° 7890

WEEKBLAD VAN HET RECHT

VIJF • ®V' ZESTIGSTE JAARGANG

JUS ET VERITAS

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post fl 1, behalve het Register. — Prijs der advertentièn, 1—6 regels f 1.45, elke regel meer 20 cents. — Rechterlijke uitspraken ter plaatsing franco aan de Uitgevers, Boekhandel v/b Gebr. Belinfante, te 's Gravenhage (2« Wagenstraat 100); andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht (Stationstraat 11).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 9 Maart 1903.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting. &aadsheeren, Mrs. : Jhr. B. C. de Jonge, A. P. Th. Eyssell, S. M. S. de Ranitz, E. W. Güljé, A. M. van Stipriaan Luïscius en A. Telders.

De gedaagde in het onteigeningsproces, die genoegen neemt met het bij de dagvaarding ter voldoening aan art. 22 der onteigeningswet gedaan aanbod, kan niet in de kosten van het geding worden veroordeeld.

Immers art. 50 der voormelde wet geldt geenszins voor die gedingen, waarin de verweerder door dadelijke aanneming van het aangebodene bij dagvaarding en toestemming in hetgeen daarbij van hem gevorderd is het zijne heeft gedaan om de voortzetting van het geding te voorkomen.

A. Wauters, bargeschipper, wonende aan boord van zijn vaartuig, thans liggende te Sas van Gent, alwaar hij; zijn hoofdverblijf heeft-, eischer, advocaat Mr. J. H. Telders, (gepleit door Mr. P. Dielemans, advocaat te Middelburg),

tegen

Den Commissaris der Koningin in de provincie Zeeland', verweerder, advocaat Mr. W. Thorbecke.

De proc.-gen. Polis heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren)

Het eenige middel tot staving dezer voorziening aangevoerd, is: Schending en verkeerde toepassing van de art't. 4, 17, 18, 24, 27, 50 der wet van 28 Aug. 1851 (Stbl. n°. 123 en 56 B. R. — omdat de Rechtbank, ofschoon vaststaat, dat de oorspronkelijke gedaagde had verklaard het aanbod van den oorspronkelijken eischer gaaf en onvoorwaardelijk aan te nemen, den oorspronkelijken gedaagde heelt veroordeeld in de kosten van het geding.

Het middel vindt steun in de jurisprudentie van dezen Raad, nl. in de arresten van 30 Nov. 1863 (v. d. Honert- Burg. regt, Dl. 28, blz. 123) 31 Jan. 1877 (R. Dl. 115 § 15, blz. ±16 envlg) en 11 April 1882 (R. Dl. 130 § 45). Het arrest van 30 Nov. 1863 werd gewezen in overeenstemming met de conclusie van den Procureur-Generaal van Maanen.

Bij het arrest van 1882 besliste de Raad, dat art. 50 O. W. alleen betreft het geval dat hetzij een niet aangenomen aanbod, hetzij meer of minder dan zoodanig aanbod wordt toegewezen bij het vonnis, dat daardoor een einde maakt aan een tusschen partijen bestaand geschil, maar dat, waar niettegenstaande het aanbod is aangenomen, het geding wordt voortgezet, dit alleen geschiedt in het belang der onteigenende partij, die daarvan dan ook de kosten moet dragen.

Nu zal ik hier niet alles herhalen wat ter adstructie van die stelling in de aangehaalde arresten en de daartoe betrekkelijke conclusiën is aangevoerd, maar mij; bepalen tot de wederlegging van hetgeen ter bestrijding van '& Raads jurisprudentie voor den verweerder is in het midden gebracht. En dan ontmoet ik in de eerste plaats de uitlegging door den verweerder aan art. 22 der Onteigeningswet gegeven. De verplichting bij dat artikel op straffe van nietigheid opgelegd zou niet de strekking hebben de onteigend wordende partiji alsnog in d'e gelegenheid te «tellen zich met den onteigenaar te verstaan, maar de verplichting om in de dagvaarding een aanbod te doen zou slechte ten doel hebben een grondslag te bekomen voor de beslissing omtrent de kosten. Die bewering zou juist zijn indien art. 22 inhield, dat de dagvaarding het bedrag, d'at overeenkomstig art. 17 aangeboden is, moet vermelden, maar zoo luidt art. 22 niet; het wil dat de dagvaarding vermelde de som welke als schadeloosstelling aangeboden wordt ; bij/ de dagvaarding moet' dus een aanbod worden gedaan, en ik zeg het den proc.-gen. van Maanen na: aangeboden zal toch wel in goed nederduitsch te kennen geven dat e n d' e som kan aannemen; want wat beteek e n t een aanbod, dat men niet kan aannemen? -Aldus begrepen past art. 22 ook in het stelsel der wet, die, billende dat alvorens het proces zal worden gevoerd' eene minnelijke schikking zal worden beproefd, aan haar stelsel getrouw blijft door voor te schrijven, dat in d'e dagvaarding, duis nog vóór elke verdere akte van procedure, eene laatste poging zal Worden gedaan om het goed in der minne te verkrijgen, en, z°o mogelijk de voortzetting van het proces te voorkomen. En daarom zou dan ook de wetgever den gedaagde, die door aan^ming van het hem vóór de dagvaarding gedaan aanbod Zxch kan vrijwaren tegen eene veroordeeling in de kosten, die het s^volg Van een proces zou kunnen zijn, hem die bevoegdheid hebben willen ontzeggen zoodra de dagvaarding beteekend is, ^aar nog op geenerlei wijze is voortgeprocedeerd ?

Dat bij de uitlegging door den verweerder aan art. 22 gegeven de onteigenende partij; het altijd in hare macht heeft door let doen van een zeer hoog aanbod de veroordeeling in de koste& van de onteigend wordende partij; te verkrijgen, wordt door «en verweerder ontkend. De verweerder meent, dat de in de dagvaarding te vermelden som altijd' gelijk moet zijn aan de 'n der minne aangebodene, en dat, wanneer meer wordt aanS^bod'en, de onteigenende partij moet geacht worden..geene, althans geene ernstige poging tot minnelijke schikking gedaan

te hebben, wat, volgens den verweerder, dë niet ontvankelijkheid van hare vordering ten gevolge zou moeten hebben. Maar ook dat houd ik voor onjuist, omdat, zooals ik reeds opmerkte, het niet te rijmen is met de woorden van art. 22, dat niet spreekt van de vermelding der som dis aangeboden is. maar vermelding der som die aangeboden wordt en het niet aangaat buiten dë wet middelen van niet ontvankelijkreid' aan te vullen.

En wanneer de onteigenende partij, ondanks de aanneming van het aanbod, om welke reden dan ook, mocht goedvinden, om, zooals deze onteigenende partiji gedaan heeft, het proces voort te zetten, dan zal toch dë gedaagde niet in de kosten kunnen veroordeeld worden, omdat het niet te veronderstellen is dat de wetgever kan hebben gewild, dat de onteigend wordende partiji de kosten zal hebben te -ragen van een geding, dat niet ten haren bate en ook niet om een einde te maken aan eenig tusischen haar en de onteigenende partij bestaand geschil gevoerd wordt.

En daarom meen ik dat de Rechtbank in deze art. 50 O. W. verkeerd heeft toegepast en strekt zijne conclusie tot cassatie van het beklaagde vonnis, doch alleen voor wat betreft! de uitspraak over de kosten, en dat de Raad den verweerder zal veroordeelen in de kosten van eersten aanleg, alsmede in die in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz. ;

Overwegende dat tegen het vonnis, den 28sten Jan. 1903 door de Arrond.-Rechtbank te Middelburg tusschen partijen gewezen, als middel van cassatie is voorgesteld : Schending en verkeerde toepassing van de artt. 4, 17, 18, 24, 27, 50 der wet van 28 Aug. 1851 (Stbl. n°. 125), art. 56 B. R., omdat de Rechtbank voormeld, ofschoon vaststaat, dat de oorspronkelijke gedaagde had verklaard het aanbod van den oorspronkelijken eischer gaaf en onvoorwaardelijk aan te nemen, den oorspronkelijken gedaagde heeft veroordeeld in de kosten van het geding;

O. dat- blijkens; het bestreden vonnis, verwijzende naar het na te noemen interlocutoir, de verweerder in cassatie den eischer in cassatie heeft gedagvaard om ten name en behoeve van den Staat te hooien uitspreken de onteigening van onroerend goed kadastraal ten name van dien eischer staande, zulks tegen betaling van f900 of zoodanige andere som alsi de Rechtbank verschuldigd zal oordeelen, een en ander met zoodanige verdere conclusie als bij' art'. 24 en volgende der Onteigeningswet is voorgeschreven, en dat. bij die dagvaarding, na vermelding van een bij exploot van één Maart 1902 gedaan aanbod, aan den

eiscner m cassatie als scnaaeioosstelling op den voet der wet andermaal is aangeöoden een bedrag van f 900;

dat d'e eischer in cassatie bij conclusie van antwoord heeft verklaard dat hij, de aangeboden schadeloosstelling voldbende achtende, dat aanbod gaaf en onvoorwaardelijk wenscht aan te nemen en niet eenig bezwaar maakt tegen al wat van hem gevorderd wordt, doch verzoekt buiten kosten te mogen blijven, eoncludëerend dat de Rechtbank hem akte zal verleenen van zijne aanneming en zich verder refereerehd aan haar oordëel;

dat de Rechtbank bij interlocutoir vonnis van 8 Oct. 1902 de gevraagde akte heeft verleend' en, met aanhouding der uitspraak omtrent de kosten, heeft gedaan de bij art-. 27 der Onteigeningswet omschreven benoemingen;

en dat zij bij haai- thans bestreden eindvonnis, beslissende dat hjjt bij dagvaarding aangeboden bedrag als schadeloosstelling aan den onteigende moet warden uitgekeerd, geen termen aanwezig heeft geacht tot voldoening aan zijn verzoek omtrent de kosten, weshalve zij, met uitspraak der onteigening en bepaling der schadeloosstelling op f900 den eischer in cassatie heeft veroordeeld' in de kosten der procedure ;

dat laatstvermelde beslissing waartegen het cassatiemiddel is gericht, hoofdzakelijk hierop steunt dat in art'. 50 der Onteigeningswet met „verweerder" wordt aangeduid niet degeen, die zich tegen den eiseh verweert', maar degeen die door de eischende partij, in rechte is geroepen en het d'es wetgevers bedoeling niet kan zijn geweest d'at de onteigenende partij, die door de onmogelijkheid om eene overeenkomst te treffen genoodzaakt is geworden om de onteigening in rechte te vragen en daar hare vordering toegewezen ziet, de proceskosten zou moeten dragen ofschoon ziji in het gelijk wordt, gesteld;

O. hieromtrent, dat, al heeft de onteigende partij, door zich vóór de dagvaarding niet te laten vinden tot eene overeenkomst, een eiseh in rechte tot het uitspreken der onteigening noodzakelijk gemaakt, deze omstandigheid in het stelsel der Onteigeningswet nog niet hare veroordeeling in de proceskosten noodwendig- medebrengt en die noodwendigheid' evenmin hieruit voortvloeit dat. de eischer op dit hoofdpunt van dën eiseh wordt gesteld in het gelijk, vermits naar de artt. 24 tot 2.7 der wet het uitspreken van onteigening niet kan worden geweigerd wanneer alle daartoe voorgeschreven formaliteiten zijn, vervuld en ook geene gronden als in art- 26 aangeduid eene andere uitspraak noodzakelijk maken, terwijl niettemin, blijkens art. 50, noch het een of het ander verhindert, dat eene veroordeeling in dë kosten den eischer treffen kan;

dat art. 22 der wet op straffe van nietigheid een bepaald aanbod bij de dagvaarding wil gedaan hebben en dit voorschrift, zal het niet alle beteekenis missen, medebrengt dat bij aanneming van dit aanbad en de daardoor gebleken wilsovereenstemming tusschen partijen omtrent het cijfer der schadeloosstelling eene verbintenis ontstaat: voor den gedaagde om zich met dit cijfer tevreden te stellen en voor den eischer om geen minder bedrag uit te keeren als onteigeningsprijs;

dat dit nog wordt bevestigd' door het onmiskenbaar verband van art. 22 met de artt. 17 en 18, waaruit blijkt, dat het bij dagvaarding gedaan aanbod is eene laatste poging om het te onteigenen perceel buiten verdere procedures te verkrijgen, indien de vroegere door de wet voorgeschreven poging ter bereiking van dat door den wetgever gewenschte doel is mislukt;

dat het na zulk eene aanneming voortzetten van het geding door den eischer wel, overeenkomstig het reeds overwogene,

ten gevolge kan hebben dat hij een vonnis van onteigening verkrijgt en dat dit wordt uitgesproken tegen eenen verweerder in den zm eener in rechte geroepen partij, maar niet dat. hij dit verkrijgt op kosten dezer partij, welke — zooals hier feitelijk vaststaat — tijdig aannemende wat haar bij1 dagvaarding werd aangeboden en geen bezwaar makende tegen iets wat van haar gevorderd werd, op die dagvaarding niet in het. ongelijk wordt gesteld;

dat zulks ook niet volgt uit liet voorschrift van art. 50 der Onteigeningswet, vermits aldaar slechts wordt gegeven een regel voor die gedingen, welke uit hoofde d'er houding van de gedaagde partij in eene niet in haar belang aangevangen rechtsvordering moeten worden vervolgd tot op einduitspraak, geenszins voor die waarin de verweerder door dadelijke aanneming van het aangebodene bij dagvaarding en toestemming in hetgeen daarbij van hem gevorderd is het zijne heeft gedaan om voortzetting van het geding te voorkomen;

O. dat dus het midd'el van cassatie is gegrond;

Vernietigt het beklaagde dën 28sten Jan. 1903 tusschen partijen door de Arrond.-Rechtbank te Middelburg- gewezen vonnis, doch alleen voor zoover de eischer in cassatie, gedaagde tot onteigening, daarbij' is veroordeeld in de kosten van liet geding;

En te dien aanzien krachtens art. 105 R. O. recht doende ten principale:

Gezien behalve de reeds aangeliaald'e wetsbepalingen, art. 56 B. R. ;

Veroordeelt, den verweerder in cassatie, gelijk deze procedeert, in de kosten van het bij voorzegde Rechtbank gevoerd geding, daaronder begrepen die, welke bij de interlocutoire uitspraak van 8 Oct. 1902 zijn gereserveerd;

Veroordeelt den verweerdër in cassatie gelijk hij procedeert, in d'e kosten va.n cassatie.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 2 Maart 1903. Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

Raadsheeren, Mrs.: A. A. de Pinto, Jhr. P. R. Feith, A J. Clant van der Mijll, A. Telders, Jhr W. H. de Savornin Lohman en A. P. L. Nelissen

Uit den aard der zaak mag deerkenle s van den beklaagde ingevolge art. 407, 4° Strafvord. alléén als bewijsmiddel in aanmerking komen, voorzoover zij loopt over feiten, door beklaagde persoonlijk verricht of door hem waargenomen.

Dit is niet het geval met de verklaringen van den requirant, dat hij en zijne mededaders zich ter plaatse, waar het misdrijf is gepleegd bevonden buiten weten van den rechthebbende, en dat zijne mededaders de bedoeling hadden de gestolen voorwerpen te gelde te maken en de opbrengst er van te deelen.

6. F. M., oud 24 jaren, geboren te Londen, wonende te Frankfort a/d. Ma.in, zonder beroep, is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 Dec. 1902, voor zoover hij daarbij werd veroordeeld, bij welk arrest werd bevestigd een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Haarlem van 16 Oct. 1902, waarbij req., met vrijspraak van een deel der aanklacht, werd schuldig verklaard: 1°. aan diefstal waarbij de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak; 2°. aan diefstal door twee of meer vereenigde personen, waarbij de schuldigen zich den toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en inklimming, gedürende den voor de nachtrust bestemden tijd in eene woning door iemand die zich daar buiten weten van den rechthebbende bevindt, en met toepassing der artt. 310, 311, 47, 57 Strafrecht, werd veroordeeld tot eene gevangenisstraf voor den tijd van zes jaren, met bevel deels tot teruggave deels tot vernietiging der overtuigingstukken gelijk in dit vonnis nader omschreven.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Melissen, en het. beroep was toegelicht namens den req. door Mr. W. Fbancken, advocaat te 's Gravenhage, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen :

Edele Hoog Achtbare Hteren 1

De req., veroordeeld onder meer ter zake van diefstal door hem met- eenige ongenoemde personen gepleegd, stelt alte eerste cassatiemiddel: Schending van art. 391, 392, 403 en 407, 4° in verband met art. 247 Strafvord., door te bevestigen het vonnis dat beschouwt, als bekentenis en bezigt als bewijsmiddel de verklaringen van den req. :

a dat hij en de voornoemde anderen zich bijt en in voornoemd badhuis bevonden buiten weten van den rechthebbende;

b d'at hij noch een der anderen eenig recht op voornoemde goederen hadden;

c dat zij die hebben weggenomen met de bedoeling die te gelde te maken en de opbrengst te deelen.

Dat bij het in appel bevestigde vonnis aan hetgeen de beklaagde heeft bekend alleen de waarde van eene als aanwijzing gebezigde erkentenis wordt toegekend, doet in deze niet af, daar d'e jurisprudentie (laatstelijk bevestigd in 's Hoogen Raads arrest van 25 N"ov. 1901, Rspr. 189 § 34, W. 7698) zoowel van de erkentenis als van de bekentenis eischt, dat zij loopen over feiten die de beklaagde zelf gehoord, gezien en ondervonden heeft.

Sluiten