Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schade circa fr. 45000 en dat die schade geheel te wijten is aan een verkeerde manoeuvre van de sleepboot „Hansweert II", gemaakt door een persoon of personen, voor wier handelingen en verbindtenissen de voormelde eigenaar dier sleepboot aansprakelijk is, zoodat deze gehouden is die schade aan den request-rant te vergoeden" ;

dat hieruit voldoende blijkt, dat van den eischer schadevergoeding "werd gevorderd op grond dat er een rechtsband was ontstaan tusschen hem en den gedaagde daar de eischer, als eigenaar van de „Hansweert II", verantwoordelijk is voor de verbindtenissen ex quasi delicto van den kapitein of de 'Schepelingen van het schip, dat door een verkeerde manoeuvre de aanvaring heeft veroorzaakt, waardoor de schade is ontstaan;

dat., wat het tweede betreft, in het bedoelde request is gesteld : „dat de eischer twee sleepbooten bezit namelijk behalve gemelde sleepboot „Hansweert II", nog een andere genaamd ..Zeelandia"; dat hij de „Zeelandia," sedert, het gebeurde op den 28sten Jan. 11. pour la, forme heeft- ingebracht in een naamlooze vennootschap, van welker 40 aandeelen hij er 36 heeft- en hij de „Hansweert II" in den loop der maand Augustus 11. getracht heeft te Botterdam in openbare veiling te verkoopen, welke verkoop niet is doorgegaan, nadat- door den requestrant conservatoir derden arrest was gelegd onder anderen onder handen en beheer van den kapitein der meergemelde sleepboot „Hansweert II" ■ dat echter die kapitein met die sleepboot- is weggevaren" ;

dat die handelingen, naar onze meening, blijk geven dat er bii den eischer het voornemen heeft bestaan om zijn roerende goederen weerloos te maken en zu-lksi te meer nu ons bij' de behandeling der zaak in kort geding is- gebleken, dat er reeds op den 30sten Jan. 1902 bij, de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen tegen den nu eischer door den nu gedaagde ter zake van vorenomsch,reven aanvaring aanhangig is gemaakt een proces, dat contradictoir is behandeld en waarin op den 17den Juli 1902 door experts een rapport is uitgebracht, waarin zij eenparig van meening zijn, dat- het- ongeval uitsluitend te wijten is aan een onverstandige en met, alle praktijk strijdende manoeuvre van de sleepboot „Hansweert II";

O. dat, vermits niet is gebleken van de ondeugdelijkheid der vordering of van het onnoodige van het beslag er voor de opheffing van het beslag geen grond is;

O. dat subsidiair van ons wordt gevorderd, dat wij zullen bevelen, dat alsnog door den gedaagde zekerheid zal worden gesteld, bij gebreke waarvan het gelegd beslag zal zijn opgeheven ;

dat in de omstandigheden en d'e verhoudingen van partijen, zooals die waren tijdens het indienen van het request tot, het, leggen van het beslag geen veranderingen zijn gekomen en Wij geen termen hebben kunnen vinden om thans te beschikken in strijd met de presidiale beschikking van den 30sten Aug. 11.;

Gezien de artt,. 56, 289 ©n vl-g., 727 en vlg. B. R. ;

Verklaren den eischer niet gegrond in zijn vorderingen;

Ontzeggen hem zoowel zijn primairen als zijn subsidia,iren eisch;

Veroordeelen hem in de kosten van dit rechtsgeding enz.

INGEZONDEN BIJDRAGEN.

NOG EENS DE VORM DER RECHTERLIJKE UITSPRAKEN.

De heer Mr. J. A. Levy deed mij de eer in W. 7893 een en ander in het midden te brengen tegen en naar aanleiding van mijne vluchtige beschouwingen over den vorm der rechterlijke uitspraken in W. 7886, Eenig antwoord wil ik den geachten schrijver niet schuldig blijven.

Toen ik mijne in W. 7886 opgenomen bijdrage inzond, was het mij natuurlijk niet onbekend, dat het Duitsche Rijksgerechtahof (Reichsgericht) zijne ook door mij zoo menigmaal met vrucht geraadpleegde „Entscheidungen" in een anderen vorm pleegt te gieten dan bij ons evenals in Frankrijk en in België gebruikelijk is. De heer Leyy maakt dit nu voor de lezers van het IV. v. h. B. door een voorbeeld, dat hij voetstoots koos, aanschouwelijk. Hij geeft namelijk de analyse van een in revisie gewezen arrest, waarbij liet de rechtsvraag gold, of „een contract van verzekering tot stand (komt), wanneer de onderteekening van de polis en de overhandiging daarvan aan den belanghebbende is geschied door een agent, die wel gemachtigd is tot het bewerkstelligen dezer handelingen, niet echter de opdracht heeft ontvangen tot het afsluiten van het contract". In de aan 's hofs oordeel onderworpen uitspraak was het antwoord op deze vraag afhankelijk gesteld hiervan, of „de eischer de leemte in des agents bevoegdheid gekend had", en werd dus op dit punt een eed opgedragen. De gedaagde verzekeringsmaatschappij, eischeres in revisie, quali ficeerde deze uitspraak als „rechtsirrthümlich" op de in W. 7893 tekstueel medegedeelde gronden. Neen, beslist het rijksgereohtshof: „Der Angriff gehtfehl (1). Der Berufungsriohter ist mit Recht davon ausgegangen, dass es darauf ankommt obund wiedieBevölmachtigungin die aüssere Erscheinung tritt". i

Het zijn de door mij gespatieerde aanvangswoorden, die den heer Levy in verrukking brengen:

„Kan het sprekender ? — want hetgeen volgt is slechts de uitwerking dezer juridische kern. „„Der Angriff geht fehl"",— is het niet als verneemt ge eene explosie, als plaatste het Hof de, aan de zijne, tegengestelde leer voor zich, om met één slag haar af te maken".

Post alia :

„„Der Angriff geht fehl"". Ik zou niet weten, hoe men „„duidelijker"" zou kunnen zijn. Het is een pijl, die treft. Hic haeret. Ons „„overwegende dit, overwegende dat"" kan niet aldus te pletter slaan".

Tot besluit, want ik behoef hier niet alles over te sohrij ven :

„Plaats een „„overweging"" vóór de woorden: „„Der Angriff geht fehl en ge hebt ze omzwachteld en omwoeld".

Ronduit gezegd, ik verklaar mij des heeren Lev y's extase niet. Waarin toch ligt de magische kracht der woorden, waarvoor hij als in aanbidding neerknielt ? Zij bevatten niet een „juridische kern ', maar eene vooropgestelde conclusie, op zich zelf eene opinie zonder argumenten, zooals Thorbecke zoude gezegd hebben, die eerst waarde erlangt door wat er onmiddellijk op volgt, waarin men kan lezen : Warum der Angriff fehl geht. Het ontgaat mij dan ook geheel, waarom de juridisohe kern der rechtsbeslissing zooveel minder goed zou zijn uitgekomen, indien het in den stijl onzer arresten had geluid: „O. dat de grief tegen de bestreden uit-

(1) Ik spatieer.

spraak niet opgaat, vermits de rechter terecht daarvan is uitgegaan, dat het" enz.

Ik zal hierin nu verder niet treden, maar liever kalm afwachten, of de centrale raad van beroep en de beroepsraden het advies van den heer Fokker zullen volgen en, zoo ja, of dan ook de gewone rechter den béstaanden vorm, zooals de heer Levy het uitdrukt, zal losmaken, wat ik vooralsnog zoomin waarschijnlijk als wenschelijk acht.

Hierbij zou ik het kunnen laten, zoo ik niet nog een woord wenschte te zeggen over een en ander, dat de heer Levy niet zoozeer tegen als naar aanleiding van mijne beschouwingen aanvoert, en waarmede ik mij, om dit reeds dadelijk te constateeren, in hoofdzaak vereenig.

De geachte schrijver in W. 7893 heeft geen vrede — hij zoude vermoedelijk zeggen: heeft vrede niet — met de breedsprakigheid, waardoor onze civiele vonnissen zich gewoonlijk — natuurlijk zijn er gunstige uitzonderingen — kenmerken. Ik evenmin. Het kwaad schuilt in den regel, wel niet altijd, in de breede uitspinning der overwegingen, die ter voldoening aan art. 59 Rv. de gronden der uitspraak wat „de daadzaken" (lees in goed Hollandsch : de feiten) betreft „afzonderlijk" behelzen. Ook hier is het gemakkelijker, maar zooals gewoonlijk minder goed lang dan kort te zijn. De wet eischt niet en voor het juiste verstand van het vonnis, is het geenszins bevorderlijk, dat daarin met verspilling van veel gezegeld papier en aanmerkelijke uitzetting der schrijfloonen de inhoud deidagvaarding en der tusschen partijen gewisselde schrifturen schier woordelijk en geheel, dikwijls met allerlei — zooals dan nader uit de rechtsoverwegingen blijkt — niet ter zake dienende beweringen, wordt opgenomen. Integendeel, noodig en alléén noodig is, dat in wat ik nu maar zal noemen de feitelijke overwegingen worde uiteengezet de figuur der zaak, de stand van het geschil tusschen partijen („Thatbestand11), waaraan zich dan logisch aansluiten de rechtsoverwegingen, die tot de beslissing van dat geschil leiden. Bij ons ligt het zwaartepunt van het burgerlijk proces behalve in kantongerechtszaken niet in de mondelinge voordracht, maar in de dagvaarding en in de conclusies van partijen. Met inachtneming van dat verschil tusschen het Duitsche en het Nederlandsche recht, zoude de Nederlandsche rechter naar mijne zienswijze geheel handelen overeenkomstig de ware bedoeling van het gebiedend voorschrift van art. 59 3° Rv., wanneer hij zich hield aan § '284 der Duitsche Civ.proc.Ordnung, voorzoover wij daarmede hier te doen hebben, luidende:

Das Urtheil enthalt.

3. eine gedrangte Darstellung des Sach- und Streitstandes auf Grundlage der mündliohen Vortrage der Parteien unter Hervorhebung der gestellten Antrage (Thatbestand);

4. die Entscheidungsgründe.

Alléén kan ik den heer Levy hier niet toegeven, dat de bij ons gebruikelijke vorm der rechterlijke uitspraken hare beknoptheid, die de duidelijkheid bevordert en eene betrekkelijke volledigheid niet uitsluit, in den weg zou staan. Wellicht zoude de geachte schrijver zich van het tegendeel kunnen overtuigen, wanneer hij in het W. v. h. li. eens nasloeg eenige van de vele arresten, door den Hoogen Raad in eersten aanleg en in revisie gewezen vóór de intrekking van art. 87 R. O. bij art. 1 der wet van 22 Juni 1893, Stbl. no. 93.

Ten slotte doet de heer Levy een beroep op wat hij wel zoo goed is te noemen mijn „zwaarwichtigen steun" voor eene „hervorming" in de constructie der strafvonnissen, volgens hem (wat ik betwijfel) „niet van formeelen, maar van materieelen aard11. Het voorstel komt hierop neder, dat men in omgekeerde orde van wat thans in art. 221 in verband met art. 211 Sv. is voorgeschreven zoude beginnen met hetdictum om dan de motieven te laten volgen, in dezer voege: „de rechtbank spreekt vrij" —, ontslaat van rechtsvervolging? — „of veroordeelt, op gronden enz." Bij vrijspraak is de quaestie van heel weinig belang. Het eenig, in het vonnis uitgedrukt motief, dat daartoe leidt, is gewoonlijk geen ander dan dat het bewijs voor het te laste gelegde feit of van beklaagde's schuld daaraan niet is geleverd. Of dit nu wordt „overwogen" vóór of nadat de president zegt: ' spreekt hem daarvan vrij", zal den beklaagde wel onverschillig zijn, laat mij althans geheel koud. Komt het tot een ontslag van rechtsvervolging, het geval dat in W. 7893 met stilzwijgen wordt voorbjjgegaan, dan vind ik het voor den beklaagde, die ten slotte toch vrij uitgaat, zoo erg niet, dat hij vooraf de dan meestal zeer korte overwegingen aanhoort, waarbij wordt uitgemaakt, dat het bij het dictum niet strafbaar geoordeelde feit bewezen is. Eenig belang heeft dus de zoogenaamde „hervorming" eigenlijk alleen voor de veroordeelden, dat is te zeggen ook weder niet voor allen, want voor de „verstokte recidivisten" of „de habitués van strafgestichten" neemt de heor Levy het niet op, maar voor „den norm, zeg: hen, voor wie de voorwaardelijke veroordeeling wordt verlangd". Voor mij was het eene juist niet aangename verrassing te vernemen, dat de voorwaardelijke veroordeeling door een man van groot gezag op rechtsgeleerd gebied, als ik den zin zijner woorden wel begrijp, wordt verlangd voor alle veroordeelden, die niet zijn gewoonte-misdadigers. Wat daarvan zij, zoolang wij de voorwaardelijke veroordeeling binnen meer of min beperkte grenzen niet hebben, zou ik het maar bjj de oude, logische volgorde in de constructie der strafvonnissen willen laten, alzoo niet de conolusie aan de praemissen willen doen voorafgaan, alléén om de beklaagden niet gedurende de voorlezing der uitspraak, die toch in den regel zoo heel lang niet duurt, in spanning te houden, hoe het wel zal afloopen. Van overwegend belang echter acht ik deze geheele quaestie van orde niet, althans niet van zooveel belang als eene duidelijke, beknopte, allen onnoodigen omhaal vermijdende redactie der strafvonnissen. Daarover heb ik reeds voor meer dan 21 jaren mijne meening gezegd (2), die nog steeds onveranderd bleef. Al naar mate de uitspraken der strafrechters minder wijdloop'ig worden, zal de verplichting om ze aan te hooren, die toch alleen bestaat voor de preventief gedetineerden, minder onaangenaam zijn. In elk geval schijnt het mij eene groote overdrijving hier te spreken van eene „volmaakt noodelooze wreedheid".

lot besluit nog eene opmerking van den heer Levy. waarvan ik maar niet veel zal zeggen, omdat ik er niet veel van begigp. De geachte schrijver ontzegt aan de uitspraken van den centralen raad van beroep en van de beroepsraden het karakter van „vonnissen" en denkt zelfs aan een „lapsus calami , waar ik in W. 7886 aan hunne uitspraken dien naam gaf. Ik meen dezen echter gerust te kunnen handhaven. Is de centrale raad en zijn de raden van beroep niet reohter tussohen partijen in de overeenkomstig de wet aan hun kennisneming en beslissing onderworpen „twistgedingen", of is

(2) Zie de noot op bl. 388 en 389 van Dl. II der door mij bewerkte 2e uitgaaf van A. de Pinto's Handl. Strafv. (Zwolle,

een vonnis taalkundig en rechtskundig iets anders dan de beslissing, door rechter of scheidsman gegeven in de voor hem aanhangig gemaakte geschillen ? Als nu de bedoelde uitspraken niet zijn vonnissen, wat zullen zij dan wel zijn? Volgens den heer Levy, en dit vernam ik met de uiterste bevreemding : „eene interpretatie authentica van de ongevallenwet van 1901, niets minder maar ook vooral niets meer". Tot nu toe verstond men, meende ik, algemeen onder authentieke interpretatie die door den wetgever zelf aan \i ij n e wet gegeven, iets wat de Nederlandsche wetgever alleen met rechtsgevolg vermag te doen in den vorm eener nieuwe wet, die zonder uitdrukkelijke bepaling (3) niet terugwerkt; maar nu zouden door de ongevallenwet en de beroepswet de rechters, die daaraan hunne bevoegdheid om recht te spreken ontleenen, op eenmaal in de plaats des wetgevers treden. Of is dit niet bedoeld, bindt hun interpretatie der ongevallenwet, der beroepswet en van iedere andere wet of verordening alleen partijen in den door hun uitspraak voorloopig of voor goed beëindigden rechtsstrijd, wat is dan wel het generiek verschil tussohen de kracht van die uitspraken, noem ze vonnissen of niet, en de uitspraken van den gewonen reohter ? Ik erken, dat mij dit in het stelsel der interpretatio authentica niet helder is, en ik zal er dus ook maar niets meer over zeggen.

Ook in de eventueele verhouding van bedoelde uitspraken tot de „exceptio rei judicatae" verdiep ik mij niet. Nu de „beroepszaken" door wetsduiding onder dak zijn gebracht bij het publiek recht, is art. 1954 B. W. daarop rechtstreeks niet van toepassing. Toch zal men wel willen aannemen, dat ingeval een geschil bij uitspraak van een beroepsraad of van den centralen raad van beroep onherroepelijk is beslist, die uitspraak als gewijsde zal gelden voor nadere vorderingen, die hetzelfde onderwerp hebben, op dezelfde oorzaak berusten en door en tegen dezelfde partijen in dezelfde betrekking worden ingesteld. Zoo neen, dan mist de rechtspraak in „beroepszaken" het doel van elke reohtspraak, dat is voor goed een einde te maken aan de aan 's rechters oordeel onderworpen geschillen. Wat daarvan zij, eene rechterlijke uitspraak is een vonnis, onverschillig of men daaraan al dan niet eene exceptie van gewijsde zaak kan ontleenen. Ten minste tot nu toe heb ik nooit gehoord, dat de door den gewonen rechter in eerste instantie gewezen uitspraak ophoudt een vonnis te zijn, indien zij in hoogste instantie wordt vernietigd en dus nooit kracht van gewijsde bekomt.

A. A. D. P.

HOOGK RAAD. — BULLETIN.

(Burgerl. Kamer).

Voorzitter, Mr. F. B. (Joninck Li kisting.

Zitting van Vrijdag, 15 Mei.

I. Beëedigd als advocaat Mr. P. Troelstra,.

II. Uitspraak gedaan in zake :

(cassatie). Naaml. Venn. de Diamanthandelsvereen. eischeres, advocaat Mr. H. de Ranitz, tegen d'e firma Gebrs. Jacobs, verweerderes, advocaat Mr. M. de Pinto. Het vonnis der Rechtbank te Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar die Rechtbank.

III. Conclusie door het, Openb. Min. genomen in zake: (cassatie). D. Trimp, eischer, advocaat Mr. M. de Pinto,

tegen Mr. S. A. Vening Meinesz c. s., verweerders, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein. Adv.-Gen. Noyon concludeert tot verwerping. Uitspraak 26 Juni.

IV. Conclusie door partijen genomen in zake ••

(cassatie). C. Prins, eischer, advocaat Mr. J. A. Philipse,

tegen A. T. E. Vroom, verweerder, advocaat Mr. J. H. Telders. Pleidooi bepaald op 16 October.

V. Nieuwe zaken :

1°. (cassatie). De burgemeester van Ovezand, eischer, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw, tegen de burgemeester van Heinkenszand, verweerder, advocaat Mr. J. H. Telders.

2°. (id.). M. Röber e. s., eischers, advocaat Mr. W. A. Francken, tegen J. A. Kupers c, verweerders, niet verschenen. Pleidooi bepaald op 11 September.

3°. (id.). J. Kemps, eischer, advocaat Mr. D. S. van Emden, tegen de firma H. Kooy, verweerderes, advocaat- Mr. D. van der Goot.

VI. Recht op de stukken gevraagd in zake ■.

(koloniaal). C. Voute, appellant, procureur Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen de Reg. van Ned.-Indië, geintimeerde, procureur Mr. W. Thorbecke. Conclusie Openb. Min. bepaald op 29 Mei.

(Strafkamer).

Maandag, 18 Mei.

Uitspraak : 1°. De Officier van Justitie te Assen, tegen een vonnis.in zake: \Y. B.

21J. De Officier van Justitie te Alkmaar, tegen een vonnis in zake : K. H.

3°. De Ambtenaar van het Openb. Min. te Zierikzee, tegen een vonnis in zake: N. d. B.

4°. De Procureur-Generaal bij het Hof te 's Gravenhage, tegen een arrest in zake: G. H. N.

5°. F. W. L., tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch.

6°. C. v. d. K. c. »., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage.

7°. H. v. d. M., tegen een vonnis der Rechtbank te Amsterdam.

8°. W. d. V., tegen een vonnis der Rechtbank te Utrecht.

Concl. O. M. : G. P. T., tegen een vonnis- der Rechtbank te Arnhem.

Pleidooi: G. P., tegen een arrest van het Hof te Amsterdam, waarbij, hij is veroordeeld tot, eene gevangenisstraf van 14 dagen, ter zake van mishandeling. Ra,pp. raadsh. Jhr. de Savornin Lobman. Advocaat Mr. L. W. van Gigch te Amsterdam.

(3) Zie laatstelijk art. 4 der wet van 24 Juni 1901, Stbl. no. 161 tot wijziging der hinderwet.

Sluiten