Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze zich daar aan hem had verbonden door hem mede te deelen, dat hij, v. d. D., er voor zorgen zou, dat van binnen de pin uit een der ramen aan de straat zou ontbreken, zoodat dit van buiten al kon worden opgeschoven — gelijk bij| het vooronderzoek, ter loops is gemoveerd —• ja zelfs, wanneer v. d. D., na eerst zijn rol van auctor intellectualis te hebben gespeeld, zich daarna op die wijze had verbonden, deze inlichting wel degelijk strafbaar zou zijn geweest als hulp bij de uitvoering van het door Gr. beraamde misdrijf;

terwijt thans niet alleen de gedachte aan en het plan voor het misdrijf slechts bij v. d. D. (of D.) is opgekomen, en hij tot het plegen daarvan G. door verleidelijke voorstellingen, voortdurende aanprijzing en prikkeling van diens begeerte heeft aangezet waardoor alleen reeds de rol, die hij in deze heeft vervuld, niet die van medeplichtige, maar die van den in dit geval straffeloozen-dader-uitlokker is geweest, maar bovendien niet is gebleken, dat zijne mededeelingen omtrent de kamer waar en het meubel waarin zich het begeerde kistje zou bevinden, den beiden eersten beklaagden bij. de uitvoering van hun misdrijf van eenige hulp is geweest, ter bereiking van hun doel;

dat integendeel is gebleken, dat hier wel raad is gegeven, doch geen goede raad, die zijnen medebeklaagden tot bijstand kon strekken;

dat de hier gehuldigde leer ook steun vindt in het gansche stelsel der wet, welke niet alleen aan uitlokking buiten de gevallen van art. 47 2° Strafrecht, maar ook aan opruiing, waar deze niet in het openbaar geschiedt, straffeloosheid verzekert;

dat tegen het aangevoerde geen argument is te putten uit art. 133 Strafrecht, omdat dit artikel niet over medeplichtigheid handelt, en blijkbaar een auctor intellectualis op het oog heeft, die strafbaar wordt geacht, omdat hij: in het openbaar ais zoodanig optreedt en zich daarbij voorwaardelijk, voor het geval dat een ander het voornemen om een strafbaar feit te plegen mocht opvatten, als medeplichtige aanbiedt;

Verklaart, met dien verstande en met uitzondering als hiervoren overwogen, de feiten aan de beklaagden te laste gelegd, en hunne schuld daaraan wettig en overtuigend bewezen en dat het aldus bewezene voor de beide eerste beklaagden uitmaakt:

doodslag vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heeterdaad aan zioh zeiven en den anderen deelnemer aan dat feit straffeloosheid te verzekeren;

Verklaart dab met het oog op deze beslissing de bewezen verzwarende omstandigheden niet als zoodanig in aanmerking kunnen komen;

Verklaart de beide eerste beklaagden scnuldig aan genoemd misdrijf door hen in vereeniging gepleegd;

Gezien de artt. 10, 45, 65, 57, 63 , 288, 310, 311 aanhef en 4°, 312 en 422 Strafrecht., 214, 216, 220 Strafvord. ;

Veroordeelt P. A. M. voornoemd tot gevangenisstraf voor den tijd van 15 jaren;

en F. G. voornoemd tot gevangenisstraf voor den tijd van 12 jaren;

Spreekt die beklaagden vrij' van hetgeen hun meer dan het bewezene verklaarde is t« laste gelegd;

Verklaart de feiten aan den beHaagde H. E. v. d. D. te laste gelegd, voor zooveel zij bewezen zijn verklaard, niet strafbaar;

Spreekt hem voor zooveel noodig vriji van hetgeen hem meer dan het bewezen verklaarde is te laste gelegd;

Ontslaat hem van alle rechtsvervolging te dezer zake en beveelt zijne onmiddellijke invrijheidstelling;

Gelast, met inachtneming van art. 219 Straf vord. de teruggave van de stukken van overtuiging en wel van 1526 de nas. 1526/1—24, 20/1 en 20/3 aan de erfgenamen van L. M., weduwe van L. D., van 1036 (vest) aan getuige J. F. J. S., va,n 1035 (halsdoek), aan getuige J. S., van n°. 1019/3 en 4 aan den veroordeelde G. van n°. 1019/1 en 2 en 20/2 aan den veroordeelde M. van 1042/1 en 2 en 1046 aan den Officier van Justitie te Amsterdam;

Gelast de vernietiging van de electrische lantaarn 250/2 en den hamer 250/9.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. Besluit van 20 Mei 1903, n°. 49, is aan L. Ruyssenaers op zijn verzoek, een eervol ontslag verleend als kantonrechter-plaatsvervanger in het kanton Weert, onder dankbetuiging voor de als zoodanig bewezen diensten.

— Bij Kon. Besluit, van 22 Mei 1903, n°. 32, zijn benoemd tot kantonrechter-plaatsvervanger:

in het kanton Beetsterzwaag: J. T. Roessingh, ontvanger der registratie en domeinen te Beetsterzwaag;

in het kanton Harderwijk: A. P. Versluys, ontvanger der registratie en domeinen te Harderwijk.

— Bij. Kon. Besluit van 22 Mei 1903, n°. 33, is aan Mr. C. baron de Vos van Steenwijk, op zijn verzoek, eervol ontslag verleend' als kantoirrechter-plaatsvervanger in het. kanton Zwolle, onder dankbetuiging voor de als zoodanig bewezen diensten.

— Bij Kon.- Besluit van 22 Mei 1903, n°. 33, is aan Mr. B. Westermann, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend uit zijne betrekking van kantonrechter-pl&atsvervanger in het kanton Amsterdam IV, onder dankbetuiging voor de als zoodanig bewezen diensten; en

benoemd tot kantonrechter-plaatsvervanger in het kanton Amsterdam IV, Mr. S. Pt. Bakker, advocaat, en procureur te Amsterdam.

— Bijl Kon. Besluit van 23 Mei 1903, n°. 108, is benoemd tot rechter in de Arromd. -Rechtbank te Alkmaar, Mr. W. A. van Woudenberg Hamstra, thans substituut-griffier bij d'e Arrond.Recht.bank te Amsterdam.

BERICHTEN EN MEDEDEELINGEN.

De a.s. Algemeene Vergadering der Ned. •Turi.sten vereeniging zal worden gehouden te Almelo, Vrijdag en Zaterdag 26 en 27 Juni e. k.

De vorm der strafvonnissen.

Interventie in een strijd gevoerd tusschen twee rechtsgeleerden als Mrs. J. A. Levy en A. A. de Pinto, is een stout bestaan, gevaarlijk voor hem die zich er aan durft wagen. Wij zullen het dan ook niet ondernemen om ons te mengen in de belangrijke quaestie, tusschen hen besproken in Weekblad nos. 7893 en 7897. Slechts over een onderdeel van het geschil veroor¬

loven wij ons eene bescheiden opmerking. Mr. Levy wijdt aan het slot van zijn artikel ook een enkel woord aan den vorm; van onze strafvonnissen, waardoor de beklaagde, over wien zulk een vonnis wordt gesproken, eerst aan het slot na eene soms lange en breedvoerige motiveering het lot verneemt hem door den rechter beschoren. Mr. Levy noemt, het eene volmaakt noodelooze wreedheid om den beklaagde te slingeren tusschen hoop en vrees, zoolang de voorlezing van het gewijsde duurt. Mr. de Pinto voelt voor dit bezwaar niet veel; vrijsprekende vonnissen zijn in den regel zeer kort; volgt een ontslag van rechtsvervolging, dan is het zoo erg niet dat de beklaagde eerst moet luisteren naar de meerendeels niet zoo lange moitiveering van het bewijs en daar ook bij. eene veroordeeling de uitspraak van het vonnis in den regel niet zoo heel lang duurt, oordeelt Mr. de Pinto die enkele oogenblikken van spanning voor een beklaagde niet zoo heel erg. Wij zouden meenen, dat wie de practijk kent, en dit is immers ook met Mr. de Pinto in elk opzicht het geval, het bezwaar van Mr. Levy niet zoo heel lioht zal tellen al® zijn geëerde tegenstander. Wij. herinneren ons eene nu negen jaar geleden behandelde strafzaak voor de Amsterdamsohe Rechtbank met naar ik meen elf beklaagden. Het was te verwachten, dat de voorlezing van het vonnis in deze zaak zeer lang zou duren en de verdediging verzocht toen den President aan de lectuur van het vonnis te doen voorafgaan de mededeeling van de gevallen beslissing. Aan dit verzoek werd welwillend voldaan. Zonder da.t zouden de beklaagden meer dan een uur in de pijnlijkste spanning hebben verkeerd over hetgeen hun lot zou worden. Wij lazen eenigen tyd geleden een vonnis van 68 bladzijden type-writing en al kon de beklaagde, die dit moest aanhooren, reeds vóór het einde weten dat hij ten slotte zou worden veroordeeld, den omvang der veroordeeling, de strafmate, waarlijk niet het. geringste voor de meeste beklaagden, vernam hij toch eerst aan het slot van het vonnis, waarvan de voorlezing zeker meer dan een uur zal hebben gevorderd. In dit n°. publiceeren wij een vonnis van de Amsterdamsche Rechtbank in eene zaak, waarin drie beklaagden betrokken waren. Bij de voorlezing daarvan mocht de derde beklaagde ■eerst luisteren naar eene zeer breed gemotiveerde schuldigverklaring van zijne twee mede-beklaagden om ten slotte, na ook eerst een gedeelte der hem te laste gelegde feiten te hebben hooren bewezen verklaren, met een ontslag van rechtsvervolging te warden verblijd. Misschien zou men nu kunnen zeggen, dat deze beklaagde dit. uurtje van spannning wel had verdiend maar, daargelaten dat die opmerking niet van bijzondere humaniteit zou getuigen, het. lot van dezen beklaagde kan morgen een ander treffen, honderdmaal meer sympathiek dan hij:. Wij zouden dus onzerzijds gaarne zien, dat aan de opmerking van Mr. Levy zou kunnen worden gevolg gegeven. Geldt daartegen het logische bezwaar van Mr. de Pinto als van overwegende beteekenis, dan verdient, het aanbeveling in gevallen, als die wij hier op het oog hebben, het eenmaal in Amsterdam gegeven voorbeeld te volgen en aan de lectuur van het vonnis de bekendmaking van de beslissing te doen voorafgaan.

Wij vertrouwen, dat Mr. de Pinto met zijne bekende humaniteit aan dit denkbeeld zeker den steun van zijn gezag zal willen verleenen.

Eene vraag van straftoemeting.

Mr. J. Limburg wijdt in het laatst verschenen nummer van het ,,Sociaal Weekblad naar aanleiding van eene aan eenen substituut-officier van justitie toegeschreven toelichting van zijn requisitoir en eene opmerking in verband daarmee van den heer Wibaut in de Kroniek, enkele beschouwingen aan de vraag, in hoeverre ten aanzien van strafbare feiten, gepleegd in tijden van gisting en beroering en met dien toestand in verband staande, eene zwaardere bestraffing gerechtvaardigd is. Mr. Limburg antwoordt ontkennend en meent, dat in den regel de abnormale omstandigheden, waaronder het feit gepleegd is, aan den dader moeten ten goede komen. Diens schuld is lichter en zijn karakter als gelegenheidsmisaadiger laat uit het oogpunt van speciale preventie het nemen van een niet al te strengen maatregel toe. Wij achten deze opmerkingen van Mr. Limburg op zichzelf volkomen juist., maar zouden den bekwamen schrijver alleen d'e vraag willen stellen, of zij niet. eenigermate eenzijdig zijn en of door hem niet een ander doel der straf en wel dat der generale preventie, te veel uit het oog is verloren. Met hem lijkt het ons onjuist het grootere gevaar, waaraan de openbare orde gedurende den tyd van spanning was bloot gesteld, te verhalen op de bedrijvers van strafbare feiten maar niet onjuist schijnt het in de tijden van spanning zelf bij, de toemeting der straf rekening te houden met den indruk, dien de strafmaat op anderen zal maken en ook wanneer die tijden voorbiji zijn kan het noodig zijn op den te bewerken indruk de aandacht gevestigd te houden. De werking der straf in dienst der rechtsorde ligt. niet alleen bij: den dader, maar ook Uj alle leden der rechtsgameenschap. Natuurlijk dat ook hierbiji met gematigdheid moet worden te werk gegaan, want overdreven gestrengheid zou het doel doen voorbijstreven. Natuurlijk wijders, dat de aan de generale preventie ontleende overwegingen niet alleen de straf mogen doen bepalen, maar de omstandigheden, waarop Mr. Limburg wees, daartegenover evenzeer haar invloed moeten doen gelden. Natuurlijk eindelijk, dat wanneer de spanning voor goed is geweken, de gratie het middel kan wezen om straffen, die dan onnoodig hard zijn geworden, te verzachten en te verkorten. Immers1 de straf moet geen dag langer duren dan voor de maatschappelijke orde en de rechtsorde noodzakelijk is.

ADVERTENTIEN.

Bij de Uitgevers dezes ziet het licht :

Tereenippn en Naamlooze Tennootsctappen

EN HARE BEHANDELING AAN

Het Departement Tan Jostitie,

een Gids voor Oprichters en Bestuurders,

SAMENGESTELD DOOR

Mr. A. E. BLES,

Adjunct-Commies bij het J Departement van Justitie,

thans Refendaris bij dat Departement.

Tweede vermeerderde en verbeterde druk.

In dezen nieuwen druk heeft de schrijver niet alleen die wijzigingen aangebracht, welke door veranderde omstandigheden noodzakelijk zijn gebleken, maar bovendii-en op verscheidene plaatsen meerdere uitlegging en mededeeling gegeven, terwijl ook het aantal voorbeelden belangrijk vermeerderd is.

Prijs f 4.75.

Bij de Uitgevers dezes ziet het licht :

DOEL, EISCH EN GRENS

DÉR

VAK VEREENIGING

RED E

gehouden in „HANDELSBELANGEN"

Neutrale Vereeniging van Administratief Personeel in het Haven- en Gokbedrijf en den Groothandel te Amsterdam

den 22 April 1903

DOOR

Nip. J. A. Levy

Advocaat te Amsterdam

MET NASCHRIFT Prijs f 0.50

Vroeger verschenen :

Mr. J. A. LEVY

Het Historisch Materialisme

REDE

GEHOUDEN IN HET

Socialistisch Leesgezelschap te Amsterdam den 17 Maart 1903

Prijs f 0.50.

DE KLEINHANDEL

Eene Anti-Marxistische repliek

Prijs f 1.25

Oneerlijke Concurrentie

Prijs f 0.50.

Bij den Boekhandel v/h GEBR. BELINFANTE, te 's Graven ha ge, en de Boekhandel en Drukkerij v/h E. J. BRILL, te Leiden, ziet het licht:

Wetboek van Militair Strafrecht

EN

Wet op de Krijgstucht

met verwijzing naar de tot den tekst in verband staande bepalingen

EN MET

Alphabetisch Register

UITGEGEVEN DOOR Mr. II. van der Hoeven

Hoogleeraar te Leiden

Prijs: ingen. f 0.70, geb. f 0.90

Ter perse s

De Wordingsgeschiedenis

van de beide wetten

AFLEVERING I

Deze uitgave zal bevatten de noodige aanteekeningen betreffende de oorspronkelijke ontwerpen en eigen aanteekeningen van den schrijver, die bij de behandeling der ontwerpen in de Staten-Generaal als Regeerings - Commissaris is opgetreden. Het werk zal naar het bekende voorbeeld van Smidt's Wetboek van Strafrecht zijn ingericht en verschijnen in afleveringen van 4 tot 8 vel roy. 8°. (Omvang ongeveer 100 vel druks).

Inteekeningsprijs tot de verschijning van deel I f0.15 per vel druks.

G-edrukt by: F. J. BELINFANTE, voorh. A. D. Schinkel.

Sluiten