Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. voort® ambtshalve met betrekking tot de vraag, of de rechter lüer te recht het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht aangenomen heeft;

dut de verplichting' tot onderhoud der waterlossing, bij art. 15 van het Reglement op de waterlossingen in Limburg van 14 Nor. 1899 gelegd op de eigenaren der aangrenzende perceeien, is eene publiekrechtelijke, omdat zij niet betreft de verhouding tusschen bijzondere personen onderling, maar die tusschen zoodanige personen en het openbaar gez^g;

dat h eruit volgt, dat de vraag, of de gerequireerde, wier hoedanigheid van eigenares niet is weersproken^ krachtens de bepalingen van genoemd reglement al dan niet als onderhoudsplichtige met betrekking tot dé hier bedoelde waterlossing is aan te merken, is van publiekrechtelijken aard, en hare beslissing niet afhangt van eenig geschilpunt van burgerlijk recht;

dat de rechter derhalve door op grond van art, 6 Strafvord. de rechtsvervolging te schorsen dit artikel verkeerd heeft toegepast;

Vernietigt mitsdien het vonnis, door den kantonrechter te Venlo den 19den Dec. 1902 in deze zaak gewezen;

Verwijst de zaak naar genoemden kantonrechter, ten einde haar met inachtneming van dit arrest te behandelen en te beslissen.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zittingt van den 4 Februari 1903.

Voorzitter, Mr. L. U. de Sitter.

Raadsheeren, Mrs.: E. H. Karsten, Jhr. G. A. Nahuijs,

J. R. H. van Schaik en G. Wttewaall.

Actio redhibitoria.

Algeheele blindheid aan beide oogen is geen verborgen gebrek bij een paard.

(Zie het vonnis a quo in W. '7852.)

L. H. van Roosmalen, sleper, wonende te Nijmegen, appellant,

procureur Mr. A. van der Goes,

tegen

J. A. Meussen, sleper, wonende te Nijmegen, procureur Mr. F.

VV. A. Huxschler.

Het Hof enz.;

Gehoord partijen in hare conclusiën;

Gezien de stukken voor zooveel vereischt geregistreerd;

Ten aanzien der daadzaken en procedure;

Overwegende dat het Hof zaclx vereemgt met en alzoo overneemt hetgeen daaromtrent. is overwogen in het vonnis waarvan beroep door de Rechtbank te Arnhem den SOsten Oct, 1902 gewezen tusschen app. ais eischer en geint. als gedaagde bij welk vonnis aan app, zijne vordering is ontzegd en liij is veroordeeld in de proceskosten;

O', dat app. zich met dat vonnis bezwaard achtende, daarvan tijdig met dagvaarding van geint. voor dit Hof is gekomen in hooger beroep, vervolgens bij ter rolle genomen conclusie zijne grieven tegen dat vonnis, heeft aangevoerd en ontwikkeld en onder herhaling van zijne be wijsaanbiedingen in prima ten slotte heeft, geconcludeerd to.o vernietiging van net vonnis a quo, toewijzing alsnog aan app. van zijne ingestelde vordering en veroordeeting van geint. in de kosten van beide instantiën;

O', dat bij conclusie van antwoord geint., met verdediging van het vonnis a quo appellant» grieven daartegen heeft bestreden, heeit aangeboden te bewijzen dat blindheid in den paardenhandel niet voor een verborgen gebrek wordt gehouden en hiervan akte vragende heeft geconcludeerd tot bevestiging van dat vonnis met veroordeeliiig van a,pp. in de kosten;

Wat het recht betreft:

CA dat bij introductievë dagvaarding app. heeft, gevraagd vernietiging van een tusschen partijen getroffen overeenkomst van koop en verkoop van een paard op grond dat de door geint. aan app. verkochte hit zou lijden en tijdens den verkoop reeds lijdende was «an het verborgen gebrek van algeheele blindheid aan beide oogen, waardoor het dier ongeschikt voor het gebruik waartoe het bestemd was, zou zijn, althans zijne gebruikswaarde zeer zou zijn verminderd, waarop: geint. heeft erkend dat tijdens den verkoop de hit reeds jarenlang blind was en ook dat hij daarvan aan den app. geen mededeeling heeft gedaan, doch heeft ontkend dat blindheid bij een paard een verborgen gebrek zou zijn;

O. dat bij vonnis a quo- deze verdediging van geint. gegrond is geoordeeld, en daartegen appellants beroep is gericht, zoodat, daar het buiten kijf is, dat de gebruikswaarde van een paard door Umdheid zeer wordti verminderd, ten dezen enkel te onderzoeken blijft, of blindheid al dan niet bij een paard een verborgen gebrek is;

CA. hieromtrent dat met het vonnis a quo', met welks overwegingen het Hof zich vereenigt en die het tot de zijne maakt, liet Hof deze vraag ontkennend beantwoordt; dat immers al moge waar zijn wat app. beweert, dat er zich bij paarden vormen van blindheid voordoen welke dbor een leek bij eenvoudige beschouwing van de oogen niet geconstateerd: kunnen worden, algeheele blindheid uit den aard der zaak op de bewegingen van liet paard hetzij uit eigen aandrift geuit, of uitgelokt door den onderzoekenden kooper, van zoo duidelijken invloed moet zijn, dat het gebrek gemakkelijk waarneembaar is en door een niet diepgaand onderzoek is vast te stellen;

O. dat het dan ook opmerking verdient, dat in talrijke buitenlandsche wetgevingen waarin noiminatim worden opgesomd die gebreken, welke in den veehandel grond geven voor dë actio redhibitoria, zooals bv. in die van België, Frankrijk, Duitschland, Oostenrijk en Zwitserland, algeheele blindheid bij een paard niet als een koopvernietigend gebrek wordt genoemd;

O. dat uit het overwogene volgt dat app. door de aangevallen beslissing niet; is bezwaard en dat met voorbijgang van dë over en weder gedane bewijsaanbiedingen, als kunnende niet. tot beslissing der zaak leiden, het vonnis a quo zal behooren te worden vernietigd;

Recht doende enz. ;

Voorbijgaande het over en weer gedaan bewijisaanbod;

Bevestigt het vonnis, waarvan beroep., door de Rechtbank te Arnhem den 30sten Oct. 1902 tusschen deze partijen gewezen ;

Veroordeelt app. in de kosten der procedure in hooger beroep gevallen, deze kosten tot aan deze uitspraak aan zijde van geint. begroot op f76.25.

ARRONDISSEMEMS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE ROTTERDAM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 5 Januari 1903.

Voorzitter, Mr. J. van- Heukelom.

Rechters, Mrs.: Seerp Gratama en C. O. Segers.

Art. 1507 B. W. bedreigt geen absolute nietigheid, maar heeft slechts ten doel den te goeder trouw zijnden kooper te beschermen, wanneer hij bemerkt dat de verkooper hem den eigendom, der verkochte zaak niet zou kunnen verschaffen.

Op dat artikel kan door den kooper alzoo geen beroep worden gedaan wanneer de verkooper, geen eigenaar bij het sluiten der koopovereenkomst, eigenaar was toen de overdracht moest plaats hebben.

Waar de verkooper, vóór den verkoop heeft opgegeven dal de panden, waarover onderhandeld werd, een zekere huur opbrachten en met den kooper een bezoek heeft gebracht bij een der huurders die deze opgaaf bevestigde, terwijl de huuropbrengst inderdaad veel minder bedroeg, kan aan bedriegelijke kunstgrepen worden gedacht.

Daaromtrent getuigenbewijs bevolen.

Dwaling omtrent de huuropbrengst van gekochte panden is geen dwaling omtrent de zelfstandigheid der gekochte zaak.

Wanneer de gesommeerde beweert dat de hem bij sommatie gestelde termijn, geen bekwame was, moet hij er.n gegronde reden opgeven, die hem verhinderde aan de sommatie op dien termijn te voldoen.

De gesommeerde kon zich evenmin aan de voldoening aan de sommatie onttrekken op grond van bezwaren, waarvan het bestaan eerst kon blijken wanneer hij op de sommatie verschenen was.

De kooper behoeft wel in het algemeen de gekochte zaak niet in ontvangst te nemen, doch hij is daartoe wel verplicht, wanneer bepaald is dat het transport vóór zekeren datum zal plaats hebben, terwijl, waar de betaling bij het transport moest plaats hebben, de sommatie om daartoe mede te werken, tevens een sommatie tot betaling was.

Berekening der schadevergoeding bij ontbinding van een verkoop van panden.

Onderzoek van deskundigen daaromtrent.

H. W. de Lange, koopman, wonende te Hilversum, eischer, procureur Mr. H. J- Knottenbelt,

tegen

J. van Lambalgen, winkelier, wonende te Rotterdam, gedaagde, procureur Mr. M. T. de Baat.

l)e Rechtbank enz. ;

Gehoord partijen in hare ter rolle genomen conclusiën; Gezien de stukken van het geding, alle voor zooveel noodig geregistreerd en daaronder meer bijzonder:

1°. afschrift van een onderhandsch geschrift, luidende: ,,De ondergeteeken — Jan van Lambalgen, wonende Houttuin n°. 62, verklaart gekocht te hebben van H. W. de Langen, wonende te Hilversum dalweg de volgende pande, staande Lijnbaanstraat n°. 9—11 te rotterdam voor de som van f13500', op de volgende voorwaar dat de kooper met niets, te maken en met f1000 kant en klaar is voor alle onkosten en er geen cent meer in behoef te steeken met bijlevering van 100 rol behang en het witten van. een pand waarvan het transport, zal plaats hebben voor of op den 1 December 1901, aldus gedaan Rotterdam den 19 December lees November 1901. J- van Lambergen" ;

2°. afschrift van eene akte van niet verschijning opgemaakt den 2dën Dec. 1901 en een door den notaris C. Klootwijk te Rotterdam;

3°. eene sommatie uitgebracht namens W. de Lange, particulier te Hilversum, door den deurwaarder J. van Noort aan J. Lambalgen en waarin deze wordt uitgenoodigd den 2den Dec. 1901, des avonds ten 8 ure te verschijnen ten kantore van den notaris C. Klootwijk te Rotterdam tot het verrichten van eene in die sommatie naidër omschreven handeling;

4°. eene nota, van den notaris C. Klootwijk te Rotterdam dd. 14 Dec. 1901 aan H. W. de Lange te Hilversum, op welk stuk staat vermeld „voldaan C. Klootwijk, 14 Dec. 1901' en welk stuk is geregistreerd enz. ;

Overwegende wat de feiten betreft:

dat de eischer biji dagvaarding en dienovereenkomstige conclusie van edsch. heeft doen zeg,gen:

dat eischer op 19 November 1901 aan den gedaagde heeft verkocht, gelijk die van den eischer heeft gekocht de panden staande aan de Lijnbaanstraat te Rotterdam, gemerkt 9 en 10 (lees 11) zijnde die panden kadastraal bekend gemeente Rotterdam sectie J, nos. 408 en 409, zulks voor den prijs van f 13500 vrij op naam aan gedaagde onder bepaling dat ook alle verdere onkosten voor rekening zouden zijn van eischer, ook die der hypotheek door gedaagde op die panden te nemen met dien verstande dat deze slechts f 1000 in contanten zou hebben te storten en verder op de bepalingen gelijk daarbij was bepaald;

dat daarbij nog was overeengekomen dat het transport zou plaats hebben op 1 Dec. 1901, doch dat toen de gedaagde weigerde tot het transport der verkochte panden mede te werken de eischer hem op 2 Dec. 1901 bij exploit van den deurwaarder J. van Noort. heeft gesommeerd om dienzelfden dag des avonds ten acht uur of op een ander door hem op te geven uur te verschijnen ten kantore van den notaris 0. Klootwijk te Rotterdam ten einde aldaar de panden op de overeengekomen voorWaarden te transporteeren ;

dat d'e gedaagde evenwel ten ure voormeld niet is verschenen, noch vroeger of later iets van zich heeft doen hooren, zoodat hij in gebreke is gesteld;

dat de eischer mitsdien het recht heeft tegen den gedaagde ontbinding der gemelde overeenkomst van koop en verkoop met

schadevergoeding te vorderen, welke schade door hem op nader uiteengezette gronden op f 1520.75 is becijferd;

op alle welke gronden eischer gevorderd heeft dat bij vonnis der Rechtbank:

a worde verklaard ontbonden de opgemelde overeenkomst van koop en verkoop;

b de gedaagde worde veroordeeld om voor schadevergoeding aan eischer te betalen f 1520.75 met de renten ad 5 pCt. per jaar sedert den dag der dagvaarding, alles met veroordeeling van den gedaagde in de proceskosten;

(j. dat hierop de gedaagde voor antwoord heeft doen zeggen : dat liij op 19 Nov. 1901 de panden Lijnbaanstraait 9 en 11 van den eischer voor f13500 heeit gekocht onder meer op voorwaarde, dat hij slechts f 1000 zoude behoeven te storten;

dat echter voormelde onroerende goederen ten dage van den verkoop niet aan eischer, doch aan een ander toebehoorden en de gesloten verkoop en koop mitsdien volgens art. 1507 B. \Y. nietig is;

dat bovendien gedaagdes toestemming tot de koopovereenkomst door bedrog is verkregen, wijl eischer vóór den verkoop aan hem heeft opgegeven dat de huuropbrengst der huizen f 1200 per jaar bedroeg en dat de overeengekomen koopprijs van f 13500 op die huuropbrengst gegrond was, terwijl biji een, door eischer met gedaagde bij een huurder ondernomen bezoek door dien huurder verklaard is, dat de opgegeven huren juist waren;

dat eischer na. het tot stand komen van den koop eene aanvraag tot hypotheek heeft doen gereed maken en daarin heeft laten opnemen dat de panden f 1200 per jaar aan huur opbrachten, dloch dat de huizen in werkelijkheid in verschillende gedeelten waren verhuurd voor f 19.85 per week en hij zonder deze kunstgrepen van den eischer den bedoelden koop voor f 13500 zeker niet zou hebben gesloten;

dat hij in elk geval dooi' de voormelde opgaven van den eischer m de meening is gebracht dat hij kocht huizen die jaarlijks f 1200 aan huur opbrachten en hij mitsdien in dwaling' heeft verkeerd omtrent de zelfstandigheid der zaak welke hij kocht en de gesloten koop ook om deze redenen nietig is, althans op zijne vordering zal behooren te worden vernietigd;

dat hij eindelijk nog moet opmerken dat hij door dë niet-voldoening aan de sommatie van 2 Dec. 1901 in geen geval gezegd mag worden m mora te zijn, eerstens omdat de daarbij; gestelde termijn niet is eene bekwame termijn;

vervolgens omdat de hypotheek van f 12500 tot het verschaffen waarvan de eischer zich bij de sommatie bereid verklaard heeft, door niemand aan eischer ten behoeve van gedaagde was toegezegd en dan ook geen enkele geldschieter dat bedrag ter beschikking van eischer heeft gesteld om het op 2 Dec, 1901 des avonds ten 8 ure, dadelijk na het transport aan gedaagde op hypotheek te verstrekken, wijders omdat op het bij de sommatie gestelde uur wel de notarieele koopakte kan worden gepasseerd, doch daarna, op dien dag de koopakte niet meer ten zijnen name koude worden overgeschreven en hij, derhalve geen geldige hypotheek van f 12500 kon sluiten en verleenen;

en eindelijk omdat hij. rechtens niet verplicht is om de aan hem verkochte goederen in ontvangst te nemen doch alleen gehouden is den koopprijs te betalen;

dat hij ten slotte ontkent dat de eischer eenige schadle heeft geleden en in elk geval de door eischer opgegeven schadecijfers onwaar en ongejustificeerd zijn;

Weshalve door hent is geconcludeerd dat de ten processe bedoelde koopovereenkomst zal worden verklaard nietig, althans zal worden vernietigd en de eischer zal worden veroordeeld in de proceskosten, subsidiair dat de eischer zal worden verklaard niet ontvankelijk in zijne ingestelde vordering, immers, en in elk geval hem die zal worden ontzegd met zijne veroordeeling in de proceskosten;

O. dat hierop eischer, in het geding brengende die hierboven sub 1°—4° vermelde stukken en incidenteel concludeerende tot het hooren van deskundigen, in den breede heeft, gerepliceerd waarop na dupliek van den gedaagde, die tevens aanbood eenige door hem gestelde feiten door getuigen te bewijizen, namens partijen recht op de stukken is gevraagd;

O. in rechte:

dat nu in de eerste plaats zal moeten worden onderzocht of de door eischer aan zijne vordering ten grondslag gelegde overeenkomst nietig is op grond, dat toen eischer de bedoelde onroerende goederen verkocht hiji daarvan geen eigenaar zou zijn geweest, een feit waarvan de eischer de juistheid heeft toegegeven, onder opmerking dat dit echter ten deze geheel irrelevant zoude zijn, daar eene overeenkomst als de onderhavige waarbij eischer eenige onroerende goederen, waarover hij beschikking had en die hij aan gedaagde zoogenaamd verkocht geen koopovereenkomst in streng juridischen zin zou wezen, maar een in het verkeer geijkt contract van bizonderen aard, waarbij de eene partij zioh verbindt om de onroerende goederen voor zekeren prijs aan de tegenpartij1 te doen transporteeren en deze oim daartegenover dien prijs te betalen en tot het transport mede te werken;

dat het verweer echter niet als juist kan worden erkend daar al neemt men aan dat eene overeenkomst zooals eischer die omschrijft, eene rechtsgeldige overeenkomst van bij zonderen aard oplevert, ten deze van zulk een contract geen sprake is daar eischer in zijne dagvaarding uitdrukkelijk heeft gesteld, dat, er tusschen partijen eene overeenkomst van koop en verkoop zou zijn getroffen;

dat het trouwens meer dan twijfelachtig is of partijen wel ooit de bedoeling gehad hebben om, gelijk eischer thans beweert, zulk eene bijzondere overeenkomst aan te gaan daar in het door hem zelf in het geding gebrachte geschrift hierboven gememoreerd sub 1° enkel sprake is van een koop en verkoop en van een transport door een ander dan den verkooper niet wordt gerept;

dat de Rechtbank dan ook juist op grond van dit geschrift aanneemt, dat inderdaad tusschen partijen de overeenkomst van. koop en verkoop, is getroffen, waarvan in de dagvaarding sprak» is, terwijl tevens moet worden aangenomen, nu gedaagde zulks beweert en eischer dit niet heeft wedersproken, dat gedaagde op het oogenblik dat hij: dë koopovereenkomst sloot niet beter wist of eischer was eigenaar van dë verkochte: panden;

'O. echter dat uit deze vaststaande feiten nog niet volgt, dat de koop en verkoop nietig zou zijn;

dat toch na gedaagde's door eischer niet weersproken mededeeling dat laatstbedoelde den ls,ten Dec. 1901 de bedoelde perceeien ten zijnen name heeft doen overschrijven, mag worden aangenomen dat deze daarvan den 2den Dec. daaropvolgende, dus op den dag dat gedaagde is gesommeerd om tot het transport mede te werken, inderdaad eigenaar was;

d'at nu art. 1507 B. W. ontleend aan en overgenomen uit den Code Napoleon —art. 1599 — inderdaad van een ander stelsel uitgaat, dan in het Romeinsche recht werd gehuldigd terwijl uit de geschiedenis van art. 1599 C. N. blijkt, dat men lieeft willen breken met hetgeen men noemde „les subtilités du droit Romain", doch dat daaruit nog niet volgt dat de artt. 1599

Sluiten