Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tend in den curator hun wettelijk orgaan vinden, om de baten van het algemeen beslag, waarmede het vermogen van den schuldenaar door het faillissement getroffen wordt, langs den weg van rechte in te vorderen;

IA dat hieruit volgt, dat de schuldeischers bij: deze vordering, zooals de wet dat uitdrukt, „door een curator verdedigd worden" en het hooren van het Openb. Min. in dusdanige zaak niet kan worden nagelaten, zonder art. 326, 6° B. R. te schenden ;

O. dat dan ook het eerste middel is gegrond, zoodat in geen onderzoek der overige micTdëlen kan worden getreden;

Vernietigt het aangevallen arrest van het Gerechtshof te 's Gravenhage tusschen partijen gewezen van 26 Mei 1902;

Wijst de zaak terug naar gemeld Gerechtshof ten einde aldaar met inachtneming van dit arrest weder te worden behandeld en beslist;

Verbindt de uitspraak over de kosten van cassatie aan de einduitspraak.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 23 Maart 1903.

Voorzitter, Mr. J. J. van Mekrhkke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, Jhr. P. R. Feith, A. J.

Olant van oer Mijll, Jhr. D. G. van Teylingen, Jhr. W.

H. de Savornin Lohman en A. P. L. Nelissen.

J)e woorden in art. 28 der leerplichtwet „voorzoover de bovenbedoelde feiten niet worden tegengesproken" doelen alléén op eene tegenspraak ter terechtzitting.

De Procureur-Generaal bij den Iloogen Raad is requirant van cassatie in het belang der wet tegen een vonnis van den Kantonrechter te Emmeu van 23 Dec. Ia02, waarbij de beklaagde B. B., oud 41 jaren, van beroep veenarbeider, wonende te Barger-Oosterveen-gemeente Emjaen bij verstek is vrijgesproken.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jhr. van Teïlinuen, heeft de adv.-gen Obt het volgende requisitoir genomen :

Edele Hoog Achtbare Heertn, President en Baden1

I)e Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad heeft zich in het belang der wet in cassatie voorzien tegen e|0 vonnis van den kantonrechter te Émmen van 23 Dec. 1902, bij verstek gewezen, houdende vrijspraak van S. B., veenarbeic^> aldaar, van de aanklacht, in de dagvaarding nader omschreven, bestaande in het niet zorg dragen voor geregeld schoolbezoek van zijne bij. hem inwonende tienjarige leerplichtige dochter.

Deze vrijspraak is gegrond op de overweging dat geen ander bewijs omtrent het te laste gelegde schoolverzuim is bijgebracht dan het ter terecntzittmg voorgelezen ambtseedig proces-verbaal van den arrond. schoolopziener, constateerende dit schoolverzuim, terwijl dit ais opgemaakt uit de ingevolge art. 19 der Leerplichtwet aan d*en ambtenaar overgelegde lijsten, aanteeken.ngen en mededeeiingen en niet uit eigen waarneming, geen vonedig bewijs van het schoolverzuim oplevert., omdat de beklaagde heeft tegengesproken dat zijn kind de school met heeft bezocht.

Dat hier tegengesproken was, werd door den kantonrechter aangenomen op grond van een ter terechtzitting voorgelezen proces-verbaal van den rijksveldwachter D. li., waaruit blijkt dat de vader (de later beklaagde) bij zijn verhoor door dien beambte had verklaard dat zijn bedoeld leerplichtig kind geregeld de school bezocht en nooit te huis blijft.

Als middel van cassatie tegen deze uitspraak wordt door mij voorgesteld: Schending door niet-toepassing van art. 28 eerste lid der Leerplichtwet".

De gegrondheid van het middel hangt af van de beantwoording der vraag of de in art. 28 voorkomende woorden: „voor zoover de bovenbedoelde feiten niet worden tegengesproken", op het oog kunnen hebben eene niet ter terechtzitting afgelegde» verklaring, gelijk in ca.su waar de beklaagde verstek liet gaan, maar zijne ontkentenis omtrent het schoolverzuim van zijn kind uit een bewijsmiddel bleek, — dan wel alleen eene tegenspraak door den beklaagde te dien aanzien ter terechtzitting gevoerd1.

Het komt mij voor dat de bedoelde woorden alleen in den iaatsten zin moeten worden verstaan. In het (gewijzigd) ontwerp van wet niet voorkomende, zijn zij1 door de aanneming van een door den heer de Savomin Lohman, tijdens de beraadslaging in de Tweede Kamer voorgesteld amendement in het artikel, — hetwelk oorspronkelijk de bewijskracht van de meervermelde ambtseedige verklaring rechtens onafhankelijk stelde van al of niet tegenspraak van den beklaagde, — opgenomen. Ofschoon nu in de toelichting van den voorsteller niet uitdrukkelijk wordt vermeld dat de tegenspraak, om tengevolge te hebben dat de ambtseedige verklaring ophoudt ten aanzien van het tegengesproken feit wettig bewijsmiddel te zijn, ter terechtzitting door den beklaagde moet worden gevoerd, zoodat daarvan in cas van verstek de rede niet zijn kan — blijkt toch m. i. uit hetgeen ter ondersteuning van het amendement werd aangevoerd, dat ook de voorsteller beoogde alleen aan de tegenspraak van den verschenen beklaagde voor den rechter, dezen overwegenden invloed toe te kennen. Men zie Hand. Tweede Kamer 1899—1900, hier in het bijzonder de rede van den heer de Savornin Lohman, bl. 1254 en 1256.

Maar bovendien geven de woorden zelf de beteekenis voldoende aan. Wanneer toch kan worden tegengesproken ? Alleen dè,n wanneer de beklaagde ter zake van een bepaald feit wordt ter verantwoording geroepen, — en eerst door de dagvaarding kan van verantwoording ten aanzien van een bepaald feit sprake zijn. Welnu, de eenige gelegenheid om zich op de dagvaarding te verantwoorden, om du3, zoo noodig, het daarin te last gelegde feit tegen te spreken, bestaat ten overstaan van den rechter. Hetgeen door den beklaagde vroeger te zijner verdediging mocht zijn aangevoerd was geen tegenspraak van een feit, omdat dit nog niet als aanklacht was geformuleerd, — doch veeleer en alleen eene inlichting omtrent een aanvankelijk als verboden aangemerkte daad of nalatigheid ten aanzien waarvan hij nog niet ter verantwoording is geroepen.

Ten slotte: „tegenspraak" is een rechtsterm en stelt voor zijn bestaan als eisch: de verschijning van partijen.

Men zie Littré op het woord contradictoire: „II se dit de tout acte de procedure fait en présence des parties", — en op het woord c'ontradictoirement: ,,Après avoir entendu les parties". Waar nu, gelijk hier, van het tegenspreken van feiten de rede is, — brengt eene goede wetsuitlegging mede, de algemecne beteekenis van het woord als rechtsterm te aan¬

vaarden, — tenzij daarvan voor een bepaald geval mocht zijn afgeweken.

Niet alleen blijkt daarvan niet, maar, gelijk ik trachtte aan te toonen, terwijl reeds de geschiedenis van het voorschrift steun geeft aan de meening dat hier alleen over tegenspraak in j udici o wordt gehandeld, laat m. i. de redactie van het artikel, meer in het bijzonder de beteekenis te hechten aan „tegenspreken van een feit" geene andere uitlegging toe.

In het bestreden vonnis is derhalve naar mijn oordeel ten onrechte in een geval waarin de beklaagde verstek liet gaan, de kracht van wettig bewijsmiddel ontzegd aan een overeenkomstig art. 28 al. 1 der Leerplichtwet opgemaakt ambtseedig procesverbaal van den arrond.-schoolopziener.

Ik heb de eer, op grond van het bovenstaande, te requireeren de cassatie in het belang der wet van het vonnis door den kantonrechter te Emmen in deze zaak op 23 Dec. 1902 gewezen en dat de Hooge Raad zal verstaan dat het te wijzen arrest geen nadeel kan toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.

De Hooge Raad enz. ;

Gezien eene ambtseedige verklaring van den griffier van het Kantongerecht te Emmen van 16 Jan. 1903, dat de Ambtenaar van het Openb. Min. bij voormeld Kantongerecht heeft gedesisteerd van het door hem tegen gemeld vonnis ingesteld beroep in cassatie en dat daartegen evenmin hooger beroep is ingesteld; Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld: Schending door niet-toepassing van art. 28, le lid der Leerplichtwet ;

Gehoord den adv.-gen. Ort, namens den Procureur-Generaal, in zijn requisitoir, enz.;

Overwegende dat bij het vonnis, waartegen dit beroep is gericht, de beklaagde S. B., is vrijgesproken van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit, dat hij als vader van de bij hem inwonende 10-jarige J. B., die leerling is der openbare school te Barger—Oosterveen, geen zorg gedragen heeft, dat genoemd kind, dat nog onder de leerverplichting valt, geregeld die school heeft bezocht, doordien het acht, nader in de dagvaarding aangeduide, schooltijden heeft verzuimd;

dat deze vrijspraak berust op de overweging, dat liet in het vonnis vermelde proces-verbaal van den arrond.-schoolopziener geen volledig bewijs oplevert van het telast gelegde schoolverzuim, daar zulks is opgemaakt uit de ingevolge art. 19 aan hem overgelegde lijsten, aanteekeningen en overeenkomstig dat artikel opgemaakte mededeeiingen en niet uit eigen waarneming, terwijl door den beklaagde is tegengesproken dat zijn kind de school niet heeft bezocht; dat geen ander bewijs omtrent dat schoolverzuim is bijgebracht en dat mitsdien het telast gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen;

O. dat de tegenspraak van beklaagde, die ter terechtzitting niet was verschenen, door den kantonrechter is aangenomen op grond van een in het vonnis vermeld ambtseedig proces-verbaal van den rijksveldwachter B. waarin staat gerelateerd, dat verbalisant op 1 Oct. 1902 heeft gehoord den beklaagde en deze toen heeft verklaard, dat zijne dochter J. B. geregeld de school bezoekt en nooit te huis blijft;

O. dat tot toelichting van liet cassatiemiddel is aangevoerd, dat de gegrondheid daarvan afhangt van de beantwoording der vraag of de in art. 23 van de Leerplichtwet voorkomende woorden : „voor zoover de bovenbedoelde feiten niet worden tegengesproken" op het oog kunnen hebben eene niet ter tereehtzittino- afgelegde verklaring, gelijk in casu, waar de beklaagde verstek liet gaan, maar zijne ontkentenis omtrent het schoolverzuim van zijn kind uit een bewijsmiddel bleek — dan wel alleen een tegenspraak door den beklaagde te dien aanzien ter terechtzitting gevoerd; — dat de bedoelde woorden alleen in den Iaatsten zin moeten worden verstaan en dat dit blijkt èn uit de geschiedenis van het ontstaan van deze, bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij amendement ingevoegde woorden, èn uit de woorden zelf èn uit de beteekenis van het woord „tegenspraak", dat-, een rechtsterm zijnde, als eisch stelt: de verschijning van partijen; — dat alleen dan de feiten kunnen gezegd, worden te worden „tegengesproken", indien de beklaagde door middel eener dagvaarding ter zake van bepaalde feiten ter verantwoording geroepen, die feiten ten overstaan van den ïechter tegenspreekt; — dat derhalve in het bestreden vonnis ten onrechte in een geval, waarin de beklaagde verstek liet gaan, de kracht van wettig bewijsmiddel is ontzegd, aan een overeenkomstig art. 28 al. 1 der Leerplichtwet opgemaakt proces-verbaal van den arrondissements-schoolopziener;

O. te dien aanzien :

dat in art. 27 van de Leerplichtwet de rechter wordt aangewezen die van de overtredingen dier wet kennis moet nemen, waarna art. 28, 1ste zinsnede aldus luidt:

„De door den arrondissements-schoolopziener op zijn ambtseed afgelegde verklaring, dat uit de ingevolge art. 19 aan hem overgelegde lijsten, aanteekeningen en overeenkomstig dat artikel opgemaakte mededeeiingen blijkt, dat een kind op eene lagere school geplaatst is, dat een kind ambtshalve is ingeschreven, en dat een kind op in die verklaring aangewezen dagen, en schooltijden, buiten de gevallen bedoeld in het 2de lid van art. 2, de school niet heeft bezocht, kan, voor zoover de bovenbedoelde feiten niet worden tegengesproken, een volledig bewijs van elke dezer omstandigheden opleveren ;

dat dit artikel, inhoudende eene uitbreiding van de bij berechting van overtredingen der leerplichtwet aan te wenden bewijsmiddelen, mede in verband tot het voorgaand artikel, alleen betrekking kan hebben op hetgeen ter terechtzitting als bewijs voor de gestelde overtreding wordt aangevoerd, en dit moet leiden tot de opvatting dat ook de daarin voorkomende woorden: „voor zoover de bovenbedoelde feiten niet worden tegengesproken" in geen andei'en zin kunnen worden verstaan dan in dien, dat de tegenspraak ter terechtzitting wordt gedaan;

dat de hier gebruikte tegenwoordige tijd van het werkwoord, nl. : „tegengesproken worden" mede aanduidt, dat er niet spraak is van hetgeen vóór de behandeling ter terechtzitting op de eene of andere wijze door den beklaagde is kenbaar gemaakt, maar van hetgeen ter terechtzitting door hem aan den rechter wordt medegedeeld';

dat deze opvatting ook steun vindt in de geschiedenis van de tot. standkoming van dit artikel;

dat de meerbedoelde woorden, niet in het aangeboden ontwerp d'er wet voorkomende, bij' de mondelinge beraadslagingen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, door een daartoe strekkend amendement in het artikel zijn ingelascht;

dat zoowel uit de door den voorsteller tot toelichting van het amendement, gebruikte uitdrukkingen als uit de verdere beraadslagingen en het antwoord van wege de Regeering, bij monde van den Minister van Binnenl. Zaken gegeven, voortvloeit, dat men niets anders op het oog heeft gehad dan eene tegenspraak voor den rechter, en dat dit meer in het bijzonder blijkt uit de schriftelijke gedachtenwisseling tusschen de leden der Eerste Kamer en de Regeering gehouden, waarin, op de opmer¬

king van eerstgenoemden in het Voorloopig Verslag, dat het toekennen van volledig bewijs aan dë verklaring van den schoolopziener steeds zal aangenomen worden b ij verstek en de ouders of voogden daardoor gedwongen worden een dag te verzuimen om in persoon ter terechtzitting te verschijnen of tegen het bij: verstek gewezen vonnis in verzet te komen, door de Regeeiring werd geantwoord, dat er veelvuldig gevallen voorkomen, waarin het belang van den beklaagde medebrengt, dat hij, verschijnt en tegenspraak doet; en verder: dat het niet te veel gevergd is, dat, indien de beklaagde meent dat hij onschuldig is, hij zich de moeite getroost om de feiten tegen te spreken en hy het voordeel heeft, dat reeds zijn eenvoudige tegenspraak verhindert, dat de verklaring van den schoolopziener volledig bewijs kan opleveren;

O. dat derhalve ten onrechte in het onderwerpelijk geval kracht van bewijs is ontzegd aan een overeenkomstig art. 28 al. 1 der Leerplichtwet opgemaakt proces-verbaal van den Arrond.-schoolopziener en het middel mitsdien is gegrond;

Vernietigt het in deze zaak gewezen vonnis van den kantonrechter te Emmen van 23 Dec. 1902 in het belang der wet;

Verstaat, dat dit arrest geen nadeel kan toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Bnrgerlijke Kamer.

Zitting van den 26 November 1902.

Voorzitter, Mr. L. U. de Sitter.

Raadsheeren, Mrs.: E. H. Karsten, Jhr. G. A. Nahuijs,

J. R. H. van Schaik en G. Wttewaall.

Art. 50 Ah. 2 B. R. j° 1969 B. W.

Eene willekeurige handeling (niet gerechtvaardigde dronkenschap) van hem die een opgedragen eed moet afleggen, ten dage daarvoor bij vonnis bepaald, die hem, hoewel verschenen, lijdelijk onbekwaam maakt om den eed te zweren, heeft dezelfde rechtsgevolgen welke verbonden zijn aan eene eedsweigering, bij de wet uitdrukkelijk geregeld.

\\aar zulk eene ivillekeurige handeling bestaan heeft, zijn er geen termen aanwezig om dezen persoon nog in hooger beroep tol aflegging van den eed toe te laten.

G. A. de Munnink, koopman, wonende te Utrecht, appellant,

procureur Mr. F. W. A. Hütschler, tegen

B. Boeyen, zonder beroep, wonende te Nijmegen, geintimeerde,

procureur Mr. H. P. de Wilde.

Het Hof enz.;

Gehoord partijen in hare conolusiën ;

Gezien de stukken, voor zooveel vereischt geregistreerd;

Ten aanzien der feiteni en procedure:

Overwegende dat het Hof zich vereenigt met, en alzoo overneemt-, hetgeen daaromtrent is overwogen in het interlocutoir vonnis van den 21sten April 1902 en in het eindvonnis van den 29sten Mei 1902, beide gewezen door de Rechtbank te Arnhem tusschen app. als eischer en geint. als gedaagde, bij welk laatste vonnis aan app. zijne vordering is ontzegd en hij in de kosten is veroordeeld;

O. dat app., zich met dit laatste vonnis bezwaard achtende, daarvan tijdig, met dagvaarding van geint., voor dit Hof is gekomen in hooger beroep, vervolgens bij ter rolle genomen conclusie zijne grieven tegen da.t vonnis heeft aangevoerd en ontwikkeld en ten slotte heeft geconcludeerd, tot vernietiging van het vonnis, waarvan beroep, toelating alsnog van app. om den hem door geint. opgedragen eed af te leggen, en, na het afleggen daarvan, toewijzing van appellants in prima gedane vorderingen, met veroordeeling van geint. in de kosten van beide instantiën;

O. dat bij: conclusie van antwoord geint. allereerst de ontvankelijkheid van heti appel heeft bestreden, vervolgens, met bestrijding van appellants grieven daartegen, het vonnis a quo heeft verdedigd,, akte heeft gevraagd van hare ontkentenis van een door ;-pp. gesteld feit, en eindelijk heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklai-ing van het beroep, subsidiair tot bevestiging van het vonnis a quo' met veroordeelng van app. in d'e kasten;

Wat het recht betreft:

O. dat, nadat bijl het interlocutoir vonnis van 21 April 1902 aan app. was opgelegd «n den hem door geint. opgedragen en door hein aangenomen decisoiren eed uit te zweren op dé terechtzitting van 22 Mei 1902, appellants procureur, volgens het. audiëntieblad van die terechtzitting, een uitstel van 8 dagen voor de eedsaflegging heeft gevraagd, op grond dat app.,, hoewel tegenwoordig, tengevolge van ergen graad van dronkenschap niet behoorlijk voor de Rechtbank kon verschijnen; dat echter zoodanig uitstel op geintimeerd'e's verzet daartegen door de Rechtbank is geweigerd en vervolgens aan geint. akte is verleend dat app. den hem opgedragen eed niet had afgelegd, waarop door partijen recht op de stukken is gevraagd en ten plotte bij het vonnis van 29 Mei, 1902, op grond van het niet ten dienenden dage door app. afleggen van den eed aan aezen zijne vordering is ontzegd ;

O. dat app. zich door dit vonnis bezwaard acht omdat volgens de wet alleen hij, die weigert een hem opgedragen en door hem aangenomen eed af te leggen, in zijne vordering in het ongelijk moet worden gesteld, en er in de gegeven omstandigheden van weigering zijnerzijds om den eed af te leggen en evenmin van het daarmede gelijkgestelde niet verschijnen door hem op de oproeping tot eedsaflegging sprake is, weshalve hiji heeft gevraagd' om met vernietiging van het vonnis a quo alsnog tot het afleggen van den eed te worden toegelaten;

O. dat geint. hiertegen allereerst heeft aangevoerd dat in den grond der zaak appellants beroep zou zijn een verzet tegen het vonnis a quo, gegrond op de 2de alinea van art. 50 B. R. , hetgeen bij; den eersten rechter moet worden aangebracht, dat immers app. geacht moet worden ten dage, voor de eedsaflegging bepaald, niet voor de Rechtbank verschenen te zijn, en deze niet-verschijning als eedsweigering moest worden beschouwd en dus app. in het ongelijk worden gesteld, behoudens appellants recht om daartegen het in de wet gegeven middel van verzet te gebruiken, hetwelk echter voor den rechter, die het

Sluiten