Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vonnis wees, en niet voor den hoogeren rechter moest worden ingebracht;

ft dat dit middel van niet-ontvankelijkheid is ongegrond, aangezien app. niet, onder erkenning van ten dienenden dage niet. voor de Rechtbank verschenen te zijn, wil bewijzen dat hiji daarin verhinderd is geweest, en dat daarvoor wettige redenen hebben bestaan, maar hij integendeel beweert wel verschenen te zijn en zich bezwaard acht omdat de eerste rechter ten onrechte op grond van het niet door hem, afleggen van den eed hem in het ongelijk zou hebben gesteld;

ft alsnu wat dit bezwaar van appellant betreft, dat, behalve voor de gevallen dat een opgelegde eed niet wordt afgelegd tengevolge van eene uitdrukkelijke weigering om zulks te doen, of tengevolge van het niet verschijnen ter terechtzitting voor de eedsaflegging bepaald, de wet niet met zoovele woorden de gevolgen van het niet afleggen van den eed regelt voor die gevallen, waarin dit aan een andere oorzaak geweten moet worden, doch de geschiedenis der wet leert dat in dergelijke gevallen de rechter zal behooren te onderzoeken, welke de rechtsgevolgen van het niet-afleggen van den eed zijn;

ft dat als regel het gevolg van het niet-afleggen van den eed wel zal moeten zijn dat hij, aan wiens eed de beslissing der zaak is overgelaten, wanneer hij: dien niet aflegt in het ongelijk wordt gesteld, daar in dien stand van het geding meestal enkel de afgelegde eed het bewijs van zijn recht kan zijn;

ft dat deze regel alleen dan uitzondering kan lijden wanneer mocht blijken dat het niet afleggen van den eed niet het

gevolg is van eene willekeurige nandeimg van nem, die den eed moest afleggen, maar van eene moreele of physieke oorzaak, welke tijdelijk of voortdurend hem tot het afleggen van den eed onbekwaam maakte en welke om haren aard verbiedt aan het niet afleggen van den eed dezelfde gevolgen als aan eene eedsweigering te verbinden;

ft dat dus, zooals bij niet verschijnen ter terechtzitting om den eed te doen de daaraan door de wet verbonden fictie dat zulks is eene eedsweigering alleen kan wijken voor het bewijs dat voor het niet-verschijnen wettige redenen bestonden, evenzoo in andere gevallen, waarbijl de eed niet wordt afgelegd, hoewel partijen ter terechtzitting waren verschenen, het van het al of niet gerechtvaardigde van de reden, waarom men desniettemin den eed niet aflegde, zal afhangen of het regelmatige gevolg van liet niet afleggen van den eed, d. i. het in het ongelijk gesteld worden, al dan niet moet intreden;

ft wat nu betreft het onderhavige geval, waarin tengevolge van dronkenschap app. onbekwaam was om den hem opgedragen eed af te leggen: dat door hem nietsi is aangevoerd hetzij om dien toestand te rechtvaardigen of ook maar te verontschuldigen en dus wel moet worden aangenomen dat hij het zich zeiven te wijten heeft dat hij' den eed niet heeft kunnen afleggen;

O. dat onder die omstandigheden terecht bij het vonnis a quo

aan net niet door app. afleggen van den eed' hetzelrde rechtsgevolg is verbonden als had hij; dien geweigerd, en diezelfde omstandigheden maken dat het Hof geen termen vindt om app. alsnog tot het afleggen van den eed toe te laten;

O. dat uit al het, overwogene volgt dat appellant® eenigste grief tegen het vonnis a quo is ongegrond en dit zal behooren te worden bevestigd;

Op voorschreven gronden:

Akte verleenende waarvan zulks is gevraagd ;

Verklaart app. ontvankelijk in zijn beroep;

Weigert, hem alsnog toe te laten tot liet afleggen van den hem opgedragen beslissenden eed ;

Bevestigd het, vonnis, waarvan beroep, door de Rechtbank te Arnhem den 29sten Mei tusschen deze partijen gewezen;

Veroordeelt app. in de kosten der procedure in hooger beroep gevallen, deze kosten tot- aan deze uitspraak aan zijde van geint. begroot op f79.92£.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'sGRAVENHAGE. Openbare Algemeene Vergadering

van 30 Mei 1903, des namiddags te 4 ure,

ter installatie van Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn als rechter-plaatsvervanger.

Voorzitter, Jhr. Mr. J. f. Schuurbeque Boei je.

De Voorzitter opent de vergadering en nadat de nieuw-benoemde rechter-plaatsvervanger dbor den griffier is binnengeleid, worden door den griffier, ter voldoening aan het requisitoir van den Officier van Justitie de Kon. Besluiten van benoeming en de akte van beëediging voorgelezen en hierop spreekt de Voorzitter de volgende rede uit:,

Art. 4 van het eerste der bij Kon. Besluit van 14 September 1838 (Stbl. n°. 36) vastgestelde reglementen vamOpenb. Bestuur bepaalt dat de rechterlijke ambtenaren, behalve die in en bij de Kantongerechten worden geïnstalleerd in eene plechtige zitting.

Mij dunkt in dit voorschrift straalt dooi" ëene hoogschatting der rechterlijke macht; immers verandering van personeel daarbij wordt zoo gewichtig geacht, dat voor het zitting nemen van den nieuwbenoemde eene plechtige zitting wenschelijk wordt geoordeeld.

Nu zal ik zeer zeker geen enkel bewijs van waardeering der rechterlijke macht gering schatten, maar de vraag doet zich toch bij mij voor, of, waar do plechtige zittingen zich in korten tijd telkens herhalen, hetzij doordien er zich in een rechterlijk college veelvuldige verandering van personeel voordoet, zooals het geval is bij1 de Rechtbanken in onze twee groote koopsteden hetgeen misschien door verhooging van tractement zal worden beperkt of wel dat zich in dezelfde gemeente verschillende rechtscolleges bevinden, zooals te dezer stede, de indruk, dien men zich van die plechtige zitting heeft voorgesteld, niet aanmerkelijk wordt verzwakt, ja zelfs geheel weggenomen en zulks te eerder, wanneer tot richtsnoer van de daarbij te houden toespraken wordt, genomen ,,de mortuis nil nisi bene", onder ,,mortui" niet alleen te verstaan zij, wier levensdraad is afgesneden, maar ook.ziji, wior plaats door andere omstandigheden is opengevallen, en daarbij ook niet ontbreekt de opsomming der goed'e hoedanigheden, waarom, men verklaart, de beste verwachtingen van den nieuw-benoemde te koesteren.

'tls dan ook niet vreemd te achten, dat die plechtige zittingen hoe langer hoe meer voorden verkort en niet alleen de toespraak van het hoofd van het Parket, gewoonlijk eene ouverture met hetzelfde thema als de daarop volgende presidiale toespraak, wordt achterwege gelaten maar ook die van den nieuw¬

benoemde meestal bevattende eene verklaring, dat men ten volle

het gewicht beseit van de betrekking, die men gereed staat te bekleeden en dat men die dan ook met schroom aanvaardt, zoodat de toehoorder er onwillekeurig toe komt, den moed te bewonderen van den nieuwbenoemde die zich toch voor die betrekking beschikbaar heeft gesteld, ja zelfs dat men, meenende, dat eenvoud het beeld is niet alleen van de waarheid maar ook van de waardigheid, de plechtige zitting beperkt tot een korte welkomstgroet aan den nieuwen collega vóórdat deze in de dadelijk daaropvolgende gewone zitting zijne betrekking aanvaardt. En wanneer ik thans dit

voorbeeld nog niet voig, dan is dat hootdzakeüjk om net eigenaardige van deze installatie, niet hierin gelegen, dat hij die ons College verliet slechts bij uitzondering meti ons recht sprak en dat dit ook wel het geval zal zijn met hem, die zijne plaats gaat innemen, maar omdat beiden behooren tot de balie en de benoeming van hem, die thans geïnstalleerd wordt het bewijs oplevert, dat van hem wordt verwacht evenals dit met zijn voorganger het geval was, dat hij1 hoewel anders optredende voor de belangen van zijne cliënten en als zoodanig, uit den aard der zaak niet geheel onbevooroordeeld zijnde, een volkomen onpartijdig oordeel zal vellen, wanneer hii wordt opge¬

roepen met ons zitting te nemen en recht te spreken; zoodat dan ook deze benoeming kan worden beschouwd als eene hulde aan de balie gebracht.

Van mij zal nu wel niet worden verwacht eene opsomming van de goede hoedanigheden, die Jhr. Mr. E. N. de Brauw, aan wien op zijn verzoek eervol ontslag werd verleend als rechter-plaatsvervanger in deze Rechtbank, in die betrekking heeft getoj-nd; om als laudator op te treden moet men over bloemrijker taal kunnen beschikken dan mij ten dienste staat. Trouwens, Jhr. Mr. de Bratjw is bijt allen een te goed bekende dan dat ik nog zou hebben aan te toonen, hoe hij door ons werd gewaardeerd en hoezeer het ons leed deed, dat, hij1 door vele en velerlei werkzaamheden zich verplicht gevoelde, te bedanken voor eene betrekking, die hij. 26 jaren had bekleed. Slechts een woord van hartelijken dank wil ik hem van. deze plaats brengen voor de groote bereidwilligheid om, zoo liet hem slechts eenigszins mogelijk was, de zitting waar te nemen wanneer hij daartoe werd uitgenood'igd en daaraan toevoegen den wensch, dat, mogen wij voortaan niet langer het voorrecht hebben hem naast ons zitting te zien nemen, wij hem nog vele jaren tegenover ons zullen zien staan hetzij om als rijksadvocaat straf te eischen

tegen hen, die de belastingwetten overtreden oi om. voor zijne cliënten onze tusschenkomst in te roepen. Waarlijk het is voor den rechter gansch niet onverschillig dat de aan zijn oordeel onderworpen zaken bondig en duidelijk worden aangebracht en behandeld!.

Gij, Jhr. Mr. van Doorn, hebt U voor de door het eervol ontslag van Jhr. Mr. de Brauw opengevallen betrekking beschikbaar gesteld.

Ook eene opsomming van uwe goede kwaliteiten zij; liet mij vergund achterwege te laten en mij te bepalen tot de verzekering, dat Uwe benoeming ons allen veel genoegen heeft gedaan; trouwens ook gij, zijt geen onbekende en bij de Balie zult gij zeker niet tot de dii minores warden gerangschikt; bovendien hebt gij gedurende vele jaren als kantonrechter-pl'aatsvervanger kunnen toonen, wat gij' als rechter vermoogt, terwijl uwe vroegere betrekking als hoofd eener gemeente" U met de gemeentelijke wetgeving alleszins, vertrouwd heeft gemaakt.

Wij zullen geen misbruik maken van uwe bereidwilligheid, zooveel dit maar eenkrszins, moareliik is. wordt liet, werk door

ons, vaste leden dezer Rechtban, verricht, maar wanneer wiji

uw* vacatures oi ongesteidneid: bij; h,et waarlijk mee o,vertalrijk personeel der Rechtbank verplicht zullen zijn Uwe medewerking in te roepen dan zijn wij overtuigd dat, gij steeds voor zooverre Uwe niet geringe werkzaamheden dit, toelaten, bereidwillig aan onze roepstem gehoor zult verleenen. t Moogt gij menig jaar het rechter-plaatsvervangerschap in ons College bekleeden tot genoegen van U zelf en tot nut- der justitie.

En hiermede, voldoende aan de vordering van den heer Officier van Justitie, verklaar ik U, Jhr. Mr. Willem Theodoor Gornelis van Doorn, als Rechter-Plaatsvervanger in deze Rechtbank wettig erkend en geïnstalleerd en verzoek ik U zitting te nemen in de Kamer- Aa

strafzaken.

Deze plechtige zitting' tot geen ander doel belegd zijnde, wordt, daarna gesloten.

INGEZONDEN BIJDRAGEN.

ONDERZOEK NAAR HET VADERSCHAP.

U hebt, mijnheer de Redaoteur. een goed werk gedaan, door

dit onderwerp hier weer eens ter sprake te brengen naar aanleiding van het onlangs verschenen werk van Jhr. Mr. Rociiussen en in diens betoog het ontleedmes der kritiek te zetten.

Wat mij steeds verbaast in de verdedigers van het absoluut verbod is dit, dat de beruchte wordingsgeschiedenis van art. 340 C. C. hen ten eenenmale ongevoelig schijnt te laten. La recherche de la paternité non avouée zou verboden zijn. Maar toen de tekst van den Code in druk bekend werd, waren de gespatieerde woorden verdwenen! Den dader heeft men n00It kunnen of willen opsporen; wel wordt echter als vaststaande aangenomen, dat Bonaparte die woorden heeft geschrapt. Kan het brutaler? Neen, maar dat een dergelijke streek den grooten geweldenaar waardig was, uit wiena mond en even domme als hondsche machtspreuk „La soeiété n'a pas a interet k ce que les batards soient reconnus", de wereld 18 nlScS"an — daarover zal ieder 't wel eens zijn. Maar het ergerlijkst van alles is toch nog wel dit, dat het aldus verminkte artikel klakkeloos is overgegaan in o n s wetboek en daar als een hopeloos geval eener „ewige Krankheit" kon

tv7 en aa" tot: °P dezen dag.

alles is overbekend. Maar er helpt — schijnt 't wel — geen praten of schrijven tegen. Er is misschien maar één mide om e bestrijders van het onderzoek tot overgave te dwingen, en wel: door betrouwbare, gedocumenteerde feiten uit net dagelijksch leven, die zoo nu en dan ieder op zijn beurt komt te vernemen, aan de groote klok te hangen en te verzamelen Uit moet vooral de taak worden van onze advocaten en van de leden der vereenigingen tot bescherming der vrouw, van verwaarloos kinderen en dergelijke. Hun en anderen W<rlf voorstel in ernstige overweging gegeven.

geschikte plaats is, om dit materiaal op te nemen i Misschien niet; aan TT is de beslissing. Zoo neen, dan zullen het Sociaal Weekblad, het Tijdschrift voor Armenzorg en Kinderbescherming — om een paar voor de hand liggende

te noemen — zeker gaarne hunne kolommen voor hunne bijdragen open stellen. U eohter vraag- ik verlof de rubriek te

openen met het relaas van een geval, mij dezer dagen ter oore gekomen.

In het Ziekenhuis alhier werd onlangs van elders een meisje opgenomen, dat hare bevalling tegemoet zag. Daar zij zonder middelen was; stelde de hier gevestigde afdeeling der Vereeniging „Onderlinge Vrouwenbescherming" zich met haar in betrekking en vernam van haar het volgende: zij was aan het verkeeren met een agent van politie en zou met hem trouwen. Een deel van het huisraad hadden zij al aangeschaft; ook wist hij dat zij zwanger was. Zelfs had hij haar geld gegeven om kindergoed te koopen. Maar plotseling verbrak hjj de verloving. Waarom? Wel, hjj was niet de vader van het kind, naar hij meende. Het meisje wierp deze aantijging met verontwaardiging van zich. Hoe 't dan mogeljjk was dat hij zoo plotseling was veranderd ? Het eenig motief, dat het arme schepsel kon bedenken was dit: Hij woonde samen met zijn moeder; deze nu moest hem hebben bepraat, om van haar „af te zien", omdat zij na het huwelijk van haar zoon een deel van zijn weekloon, kost en inwoning zou kwijt raken. Daar de vrouw een zeer gunstigen indruk maakte op wie haar wanhopige klachten aanhoorde, besloot de afdeeling haar te helpen. Inlichtingen, ingewonnen bij de familie, waar zij tot nu toe diende, luidden gunstig; op haar gedrag was, voorzoover bekend was, nooit iets aan te merken geweest. Toen moeder en kind naar hare woonplaats terug keerden, liet de Vereeniging het er niet bij zitten, maar stelde alles in het werk, den minnaar te overtuigen van de noodzakelijkheid, het door hem gestichte onheil ten deele, liefst geheel te herstellen. Twee zijner chefs werden in den arm genomen en deze trachtten, zoo veel zij konden, den man van het onhoudbare zijner bewering te overtuigen en hem op zijn verplichtingen in deze te wijzen. Maar het hielp niet. Stokstijf bleef hij bij zijn uitspraak : het kind is van een ander.... zonder daarvan eenige nadere verklaring te geven of eenigen bewijsgrond aan te voeren. De vaderlijke afstamming is „natuurlijk" onbewijsbaar (Mr. Rochussen heeft 't immers zoo duidelijk gezegd!) En dus.... is de zaak voor den agent van politie hiermee afgedaan.

L. A. v. D. E.

Wij geven gaarne nlaatsing aan dit artikel, natuurliik zon¬

der eenige verbintenis tot het opnemen van verdere mededeelingen als de schrijver wenscht. Of het harde oordeel, nu weer door hem over den eersten Napoleon geveld rechtvaardig is, schijnt met het oog op de mededeelingen van Prof. Tichelaar in R. M. 1899, bl. 382—384 te kunnen worden betwijfeld.

,.. Red.

HOOGE RAAD. — BULLETIN.

(Strafkamer).

Voorzitter, Mr. J. J. van Mkerbikb.

Zitting van Dinsdag, 2 Juni.

(Revisie).

Uitspraak gedaan in zake:

C. v. L., tegen een arrest van het Hof te Amsterdam. Niet-ontvankelijk verklaard.

(Cassatie).

I. Uitspraak gedaan in zake:

1°. De Officier van Justitie te Alkmaar, tegen een vonnis

in zake: P. d. B.

2°. De Officier van Justitie te Rotterdam, tegen een vonnis

in zake: G. S.

3°. J. W. c. s., tegen een vonnis der Rechtbank te Breda. 4°. Mr. C. L. S., tegen een vonnis der Rechtbank te Amstsrdam.

5°. C. J. L., tegen een vonnis der Rechtbank te 's Gravenhage.

6°. M. C, tegen een vonnis der Rechtbank te Zierikzee 7°. P. v. d. B., tegen een vonnis der Rechtbank te Zierikzee.

8°. G. M., tegen een vonnis van den Kantonrechter te Veghel.

9°. J. B., tegen een vonnis van den Kantonrechter te Goes. 10Q. E. S., tegen een arrest van het Hof te Amsterdam. 11°. P. S., tegeni een arrest van het Hof te Amsterdam. 12°. J. J. D. h/v. L. C. E. E., tegen een arrest van het Hof te Arnhem.

13°. L. T., tegen een arrest van het .Hof te Arnhem. 14°. J. v. C., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage. 15°. H. L., tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch. Sub 1° ndet-ontiva.nkelijik verklaard, sub 2°—15^ verworpen.

II. Conclusie genomen in zake:

G. P., tegen een arrest van het Hof te Amsterdam. Adv.Gen. Ort concludeert tot verwerping. Uitspraak 29 Juni.

III. Behandeld het beroep van:

1°. J. d. B., tegen een arrest van heb Hof te 's Hertogenbosch. Rapp. raadsh. de Pinto.

2°. J. H. B., tegen een arrest van het Hof te Amsterdam.

Rapp. raadsh. Jhr. Feith.

3°. W. H. N., tegen een vonnis der Rechtbank te Maastricht. Rapp. raadsh. Clant van der Mijll.

4°. D. J. K., tegen een vonnis dei- Rechtbank te 's Hertogenbosch. Rapp. raadsh,. Clant van der Mijll. 5°. F. d. J., tegen een vonnis der Rechtbank te Groningen.

Rapp. raadsh. Jhr. van. Teylingen.

6°. Den Ambtenaar van het O. M. te Zwolle, tegen een vonnis in zake : C. W. K. Rapp. raadsh. Jhr. van Teylingen.

7°. I/. K, tegen een arrest van het Hof te Leeuwarden.

Rapp. raadsh. Jhr. de Savornin Lohman.

8°. A. V., tegen een vonnis der Rechtbank te Utrecht.

Rapp. raadsh. Jhr. de Savornin Lohman.

9°. P. W. II. v. R., tegen een vonnis der Rechtbank te

Utrecht. Rapp. raadsh. Nelissen.

10°. H. L., tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch. .Rapp. raadsli. Nelissen.

Adv.-Gen. Ort concludeert in allen tot verwerping. Uitspraak in sub 1°, 2°, 4^, 5°, 7°-40P, 15 Juni en in sub &*■ en 6°, 29 Juni.

Sluiten