Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 8 Juni 1905

No 7906

WEEKBLAD VAN HET RECHT

VIJF - EN • ZESTIGSTE JAARGANG

JUS ET VERITAS

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post fl 1, behalve het Register. — Prijs der advertentiên, 1—6 regels f 1.45, elke regel meer 20 cents. — Rechterlijke uitspraken ter plaatsing franco aan de Uitgevers, Boekhandel t/h Gebr. Belinfante, te 's Gravenhage (Ie Wagenstraat 100); andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht [Stationstraat 11).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer,

Zitting van den 9 April 1903.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting.

Raadsheeren, Mrs.: B. C. de Jonge, A. P. Th. Eyssell, S. M. S. de Ranitz, E. W. Gtjljé, A. M. van Stipriaa» Luïscius en Jhr. S. Laman Trip.

Eene uit eene ongeoorloofde oorzaak aangegane overeenkomst wordt terecht in haar geheel nietig verklaard, al komt daarin voor een op zich zelf geoorloofd beding.

Het verbod van uitdeeling anders dan uit de winst in art. 49 W. v. K. wordt niet beperkt tot een vereischte der acte van oprichting, maar is een essentieel kenmerk der naamlooze vennootschap, dat in haar geheelen duur zijne werking behoudt, waarvan dus noch rechtstreeks, noch zijdelings mag worden afgeweken.

Zie het arrest a quo in W. 7806 en het daarbij vernietigde vonnis in W. 7826.

De naamlooze vennootschap ,,de Emissdebank", gevestigd en kantoor houdende te Amsterdam, eischeres, advocaat Mr. M. de Pinto, (gepleit door Mr. B. J. Polenaar, advocaat te Amsterdam),

tegen

Mr. H. Verkouteren, in qualiteit van curator in het faillissement der naamlooze vennootschap „Meubeleering Maatschappij Comfort", wonende te Amsterdam, verweerder, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein.

De adv.-gen. Jhr. Rethaan Macaré heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edele Hoog Achtbare Heeren1

Bij het door de eischeresse in cassatie aangevallen arrest is in factis beslist, dat de nu gefailleerde vennootschap „Comfort" ten dage van hare oprichting met de vennootschap „de Emissie Bank", blijkbaar met geen ander doel dan om daardoor deelnemers te lokken, eene overeenkomst heeft gesloten, waarbij1 „Comfort" voor de som van .f12000 van de Emissiebant kocht:

a de verplichting der Emissiebank, om alle oprichtingskosten van de Comfort te betalen;

b de verplichting der Emissiebank, om aan de aandeelhouders van Comfort voor het eerste jaar een dividend van 10 pCt. te garandeeren.

Het Hof besliste voorts, dat deze overeenkomst is aangegaan in strijd met de Statuten der vennootschap „Comfort" en in strijd met art. 49 W. v. K., en eindelijk in de 5de overweging „quoad jus" dat deze overeenkomst met zóódanige oorzaak tot grondslag krachteloos is.

Tegen die beslissingen stelt de eischeresse als éénig middel van cassatie:

Schending of verkeerde toepassing van art. 49, j° 37 W. v. K., artt. 1374, 1371, 1372, 1373, 1349, 1356 en 1290 B. W., art. 14 der wet houdende Algemeene Bepalingen van Wetgeving, art. 20, 25 en 42 der FaiU.wet en art. 56 B. R. en dit in zesderlei opzicht.

Ik kan dit middel niet als gegrond erkennen; wel verre dat de bij het middel genoemde artikelen geschonden of onjuist toegepast zouden zijn, acht ik die, voor zooverre ter zake dienende, met juistheid toegepast, speciaal de artt. 49 W. v. K., 1371, 1373, 1356 en 1290 B. W. en 14 der .nlg. Bepalingen van wetgeving-.

's Hofs beslissing kan ik in geen anderen zin verstaan, dan dat het Hof van oordeel is, dat de door de tegenwoordige eischeresse ter harer bevrijding ingeroepen overeenkomst k r a c hteloos is, omdat daaraan eene ongeoorloofde oorzaak ten grondslag ligt.

Die ongeoorloofde oorzaak vindt het Hof blijkens zijne feitelijke beslissing in de omstandigheid, dat de bedoelde overeenkomst blijkbaar met geen ander doel is gesloten dan, om deelnemers te lokken door met opoffering van een aanzienlijk deel van het kapitaal der vennootschap, hun voor het eerste jaar bij naleving der overeenkomst zekerheid te verschaffen op eene uitkeering van 10 pCt. onafhankelijk van de goede of slechte uitkomsten van het bedrijf, waardoor, gelijk het Hof terecht zegt langs een omweg zou zijn verkregen, dat in strijd met de Statuien en in strijd met de stellige bepaling van art. 49 W. v. K. bij verlies of bij kleine winst niettemin aan de aandeelhouders eene uitdeeling zou zijn gedaan van 10 pCt., waarvoor liet geld zou zijn genomen van het kapitaal.

Wat wordt nu tegen deze m. i. zeer juiste beslissing bij de zesledige toelichting van het middel aangevoerd:

Allereerst, dat het Hof eene overeenkomst, waarbij tweeërlei bedongen was in strijd heeft geacht met art. 49 W. v. K., niettegenstaande een der bedingen geen verboden strekking had.

Aan dit beweren ligt eene misvatting omtrent 's Hofs uitspraak ten grondslag ' *

Het Hof heeft de overeenkomst met kennelijke toepassing van art. 1371, j°. 1373 B. W. krachteloos verklaard, omdat ze volgens het oordeel van dat College eene ongeoorloofde oorzaak heeft.

Volgens art. 1371 B. W. vitieert eene ongeoorloofde oorzaak de gelieele overeenkomst met al de daaruit voortvloeiende verbintenissen.

Onjuist is m. i. de meening, dat het Hof de overeenkomst louter en alleen wegens strijd met art. 49 W. v. K. krachteloos zou hebben verklaard. Neen, het Hof acht hier eene ongeoorloofde oorzaak aanwezig, omdat de strekking der overeenkomst is, tot deelneming in de vennootschap uit te lokken door uitdeelingen te beloven, die indien er geen of geen voldoende winst was gemaakt metterdaad uit het kapitaal zouden worden betaald en waartoe aan het kapitaal reeds dadelijk een aanzienlijk bedrag werd onttrokken.

Van zoodanige manipulatie zegt Mr. van Nierop in zijne dissertatie : ,,de Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid", bl. 113:

„De bestuurders, die een dividend uit het kapitaal der vennootschap uiitdeelen plegen een groot bedrog en zijn (naar Engelsch recht) niet alleen civiliter aansprakelijk jegens de personen, die zij bedrogen hebben, maar daarenboven strafrechtelijk vervolgbaar".

Volkomen terecht heeft het Hof hier art. 1371 j o. 1373 toegepast en de geheele overeenkomst met al hare gevolgen nietig verklaard.

Ten tweede wordt beweerd, dat het Hof ten onrechte den eisch tot nietigverklaring aan den curator heeft toegewezen, omdat aan hem evenmin als aan de gefailleerde vennootschap, voor wier crediteuren hij, opkomt, die actie toekwam.

De bewering is, in strijd met de figuur der zaak. Bij de sommatie dd. 10 Mei 1901, prod. n°. 1, sommeerde de curator, thans verweerder, de Emissiebank tot nakoming harer verplichting tot storting van f 12000 in het aandeelenkapitaal.

Op die sommatie werd geantwoord bij eene mede in het geding aanwezige contra-insinuatie, waarbij; als verweer werd gesteld, dat de verplichting tot storting van f 12000 was te niet gegaan door compensatie met een gelijk bedrag van f 12000 dat de Maatschappij, Comfort aan de Emissie Bank schuldig was uit kracht der nu veel besproken overeenkomst.

Bij de dagvaarding, waarbij de eisch tot betaling der f12000 wegens deelneming in het kapitaal werd herhaald, is toen tevens gesteld, dat de overeenkomst, waarop de Emissie Bank zich beroepen had, die vordering niet door schuldvergelijking kon hebben gedelgd, omdat ze bij; gebrek aan eene g e o o rloofde oorzaak krachteloos was.

Het hoofd-object der actie bleef echter de vordering tot het doen der verplichte storting van f 12000, waarvan vaststaat, dat ze nog niet betaald zijn, zoodra men, met het Hof erkent, dat de bedoelde overeenkomst van meet af krachteloos was, en dus geen compensatie heeft kunnen te weeg brengen.

Van andermalige betaling is alzoo de rede niet.

Het derde beweren, dat, de bij het middel aangehaalde artikelen zouden zijn geschonden doordat de curator eene actie zoude zijn toegewezen, die hem niet toekwam, berust éénerzijds op dezelfde misvatting, dat de hoofd voedering niet zoude zijn eene vordering tot stortino- van het bedrag, waarvoor in het kapitaal is deelgenomen en de nevenvordering tot nietigverklaring der overeenkomst slechts een middel tot ontzenuwing van een tegen de hoofdvordering aangevoerd verweer en is anderzijds eene nieuwe weer, die noch ter eerster instantie, noch in hooger beroep is gevoerd en waarop dus in cassatie geen acht kan worden geslagen.

Het vierde beweren, dat de eigenlijke cardo quaestionis raakt, berust op eene feitelijke en op eene rechtskundige dwaling.

E e i t e 1 ij k is onjuist, dat het Hof in het waarborgen van zeker dividend eene handeling zou hebben gezien van gelijke strekking als een beding van vaste rente.

's Hofs beslissing berust, niet op de eerste, doch op de tweede zinsnede van art. 49 W. v. K. Juridisch is onjuist, dat art. 49 W. v. K. alleen betrekking heeft op de samenstelling der Statuten, doch niet geroepen zou zijn om ook gedurende het geheele bestaan der vennootschap zijne werking te doen gevoelen. Te dien aanzien verwijs ik naar de reeds door pleiter voor verweerder aangehaalde plaatsen bij Holtius I, ad art. 49 bl. 150. Kist, Handelsrecht III, bl. 337, de 5 advocaten ad art 49 en Asser, Schets van het Ned. Handelsrecht blz. 47.

Het vijfde bezwaar dat, begrijp ik het wel, in effectu neerkomt op eene exceptie plurium litds consortium is almede een novum, dat in cassatie niet in aanmerking kan komen.

Het zesde en laatste bezwaar eindelijk berust mede op misvatting ; er is nieti gevorderd restitutie van een reeds eenmaal betaald bedrag en daartoe is ook niet veroordeeld, doch er is gevraagd naleving der verplichting tot storting en er is geoordeeld, dat die verplichting nog niet is vervuld.

Op deze gronden meen ik, dat het middel in alle zes opzichten is ongegrond en heb ik mitsdien de eer te concludeeren tot verwerping, kosten rechtens.

De Hooge Raad enz. ;

Overwegende dat, volgens de feitelijke overwegingen van het bestreden arrest, door het Gerechtshof te Amsterdam den 30sten Mei 1902 tusschen partijen gewezen vaststaat, dat bij nota,rieele akte van 13 Dec. 1893 met Kon- bewilliging is opgericht de naamlooze vennootschap „Comfort" in wier gevolgd faillissement de verweerder is curator; dat blijkens voormelde akte het geheele maatschappelijk kapitaal bedroeg f 100,000, waarin de Emissiebank, eischeresse in cassatie, deelnam voor f 12000, te storten in contanten, terwijl het verder nog geplaatst bedrag van f 10000 was genomen door de beide directeuren der Comfort, die daarvoor inbrachten eene behangers- en stoffeerderszaak met goederen en cliënteele, — dat de curator in het faillissement der Comfort' op grond, dat de Emissiebank gemelde f 12000 niet heeft gestort, vermits, toen voormelde akte van oprichting was gepasseerd, tusschen de Emissiebank en een der directeuren van Comfort eene overeenkomst is getroffen, waarbij Comfort aannam aan de Emissiebank te betalen eene som van f 12000, welke zoude worden verrekend met de deelneming der Emissiebank in

het maatschappelijk kapitaal, waartegen deze op zich nam de oprichtingskosten der Comfort te voldoen en 10 pCt. dividend over het eerste boekjaar te garandeeren, en dat deze overeenkomst is nietig, als in strijd met de wet, de openbare orde en de goede zeden en zonder geoorloofde oorzaak, — eene vordering tegen de Emissiebank heeft ingesteld, met, het gevolg, dat bij voormeld arrest, vernietigende een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Amsterdam van 11 Sept. 19oi, waarbij den eischer zijne vordering was ontzegd, de hiervoren omschreven overeenkomst tusschen de Emissiebank en de meubeleering Maatschappij Comfort is nietig verklaard en de Emissiebank is veroordeeld om alsnog in handen van den curator in het faillissement der Comfort te storten een bedrag van f 12000, ter voldoening aan het bepaalde bij de akte van oprichting der Comfort;

O-, dat de Emissiebank tegen dit arrest heeft voorgesteld als middel van cassatie :

Schending of verkeerde toepassing van art. 49 in verband met art. 37 W. v. K., de artt. 1374, 1371, 1372, 1373, 1349, 1356 en 1290 B. W., art. 14 der wet van 15 Mei 1829 (Stbl. n°. 28), houdende Alg. Bepp. der wetgeving van het Koninklijk, de artt. 20, 25 en 42 der FaiU.wet en art. 56 B. R., omdat het Hof:

a als in strijd met art. 49 W. v. K. aangegaan heeft beschouwd eene overeenkomst, waarbij eischeresse zich tot tweeerlei praestatie tegenover de gefailleerde naamlooze vennootschap heeft verbonden, niettegenstaande ééne der praestaties. ook naar het oordeel van het Hof, geen verboden strekking had ;

b den curator den eisch tot nietigverklaring der overeenkomst heeft toegewezen, ofschoon dat, wat het Hof beschouwt als in strijd met de wet bedongen, door de gefailleerde bedongen is, die dan ook de voordeelen daarvan heeft geplukt, terwijl de wederpartij niets onzedelijks heeft gedaan, of, indien men al het tegendeel mocht aannemen, dan nog als gedaagde, naar goede rechtsbeginselen, niet tot andermalige betaling had mogen worden veroordeeld;

c den curator heeft toegewezen den eisch tot nietigverklaring eener handeling, door de gefailleerde vennootschap met de eicheresse lang vóór het ingetreden faillissement aangegaan, ofschoon, zoo al iemand door die handeling benadeeld is, het stellig niet zyn de crediteuren, voor wier belangen alleen de curator te waken heeft;

d in de garantie van zeker dividend voor één jaar heeft ge zien eene handeling van gelijke strekking als een beding van vaste rente bij de akte van oprichting eener naamlooze vennootschap, terwijl buitendien de bepaling van art. 49 W. v. K. niet verder reikt, dan om aan te geven een van de vereischten der akte, waarop de Koninklijke bewilliging wordt verleend;

e den curator heeft toegewezen een eisch tot nietigverklaring eener wederkeerige overeenkomst, ofschoon hij, indien hij als vertegenwoordiger der crediteuren de actie heeft ingesteld, beide partijen had moeten in het geding roepen;

f bij nietigverklaring der overeenkomst, op grond, dat een der bedongen praestaties in strijd zoude zijn met de wet, heeft, veroordeeld tot restitutie van de geheele f 12000, ofschoon dientengevolge in den boedel meer werd' gebracht- dan ooit daartoe heeft behoord;

O. dat de toewijzing der door den verweerder ingestelde vordering tot nietigverklaring der daarbij bedoelde overeenkomst en tot storting door de eischeresse in cassatie van haar aandeel in de naamiooze vennootschap Comfort bij 's Hofs arrest is gegrond op de overweging, dat, volgens de na het verlijden deiakte van oprichting van de Comfort aangegane overeenkomst de Emissiebank zou ontvangen een bedrag van f12000, te verrekenen met hare deelname in het maatschappelijk kapitaal der Comfort, waarvoor zij, zich verbond over liet, eerste boekjaar, eindigende derhalve 31 Dec. 1899, eene uitkeering van 10 pCt. te garandeeren over een kapitaal van hoogstens f 50000. of zooveel minder, als op dat tijdstip definitief in aandeelen van de Comfort geplaatst zou zijn, en verder op zich nam alle daarbij genoemde uitgaven, verbonden aan de in elkanderzetting der Maatschappij, dat, wat aangaat die 'dividendgarantie, art. 49 W. v. K. voor naamlooze vennootschappen verbiedt, liet beding van vaste renten en, in overeenstemming daarmede volgens de bij Kon. Besluit goedgekeurde statuten der Maatschappij Comfort het uit te keeren dividend door directeuren en commissarissen voorjoopig moest worden vastgesteld en aan de beoordeeling der jaarlijksche algemeene vergadering van aandeelhouders onderworpen evenals de balans en winst- en verliesrekening over het afgeloopen boekjaar, dat nu bij voormelde nadere overeenkomst, aangegaan op denzelfden dag, waarop de oprichtingsakte werd verleden, aan de aandeelhouders, onafhankelijk van al of niet te, maken winst, door de Emissiebank werd gegarandeerd 10 pCt. van het door hen ingeschreven bedrag, dat die garantie (behoudens de betaling der oprichtingskosten) door de Comfort werd gekocht, of in ruil verkregen, voor het van haar door de Emissiebank te ontvangen bedrag van f12000, te verrekenen met de deelname van deze in het maatschappelijk kapitaal van Comfort, mede ter somma van f12000, welke de Emissiebank had aangenomen in contanten te storten, dat aldus langs een omweg Comfort eene overeenkomst had aangegaan, in strijd zoowel met voormelde wetsbepaling, als met hare statuten, blijkbaar met geen ander doel, dan om daardoor deelnemers te lokken en dat de overeenkomst met zoodanige oorzaak ten grondslag, tusschen de, Emissiebank en de nu gefailleerde naamlooze vennootschap Comfort gesloten, krachteloos is;

Ten aanzien van het tegen voormeld arrest door de Emi ss i e b a, n k gericht middel van cassatie :

Wat betreft deel a :

_ O. dat liet Hof de bedoelde overeenkomst heeft verklaard nietig, omdat zij — medebrengende eene bij art. 49' W. v K verboden uitdeeling, in plaats van uit de winst uit het aandeel dat de Emissiebank behoorde te storten.

Sluiten