Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenis is van het woord t o e 1 ai g e in die wetsbepaling. Dat de wetgever daarin aan dat woord eene van het gewone spraakgebruik. afwijkende, veel ruimere beteekenis heeft willen geven, blijkt uit niets hoegenaamd.

1 o e 1 a g e kan dus ook in den zin van art. 2 § 1 b der Wet op de bedrijfsbelasting slechts zijn datgene wati aan iemand wordt gegeven, toegelegd. Maar de buiten 'slands gevestigde 7 van deze minderjarige, die, verplicht- zijn kind te onder ouden en op te voeden, datgene wat aan zijn kind! voor onderwud en opvoeding wordt verstrekt (door tussohenkomst van n verweerder of rechtstreeks) betaalt geeft geen; geld aan, • geen bedrag ter beschikking van zijn kind, betaalt ook et waiti zijn kind, maar wat hij zelf schuldig is en geeft dus ook door d!at betalen geene toelage aan zijn kind.

,,Minderjarigen, hier te lande wonende" (zoo leert Sprenger van Kijk, de wet op de bedrijfsbelasting toegelicht (uitg. van 1894, bladz. 62 noot 3) „kunnen wei is waar belastingplichtig worden door het ontvangen van toelagen, bv. uit Indië maar wat ouders zenden, zonder dat de minderjarige er de vrije be schikking over krijgt,..., mist het kenmerk der belastbare toelage .

Ik concludeer tot verwerping van het beroep met veroordeeling van den eischer qq. in de kosten.

De Hooge Raad enz.;

Overwegende dat bij het bestreden den 21sten Mei 1902 lusschen partijen gewezen vonnis der Arrond.-Rechtbank te Amsterdam, tiet door den tegenwoordige» verweerder gedaan verzet h^^vel, tegen hem uitgevaardigd ter zake van o-»r.w S welke van hem wordt gevorderd als verte-

hl ^ordiger van de minderjarige M. H. van Anrooy, en als ^ 6 ® optredende voor den in Ned.-Indië wonenden vader Ko t '®eIK>01?1'ff minderjarige — gegrond is verklaard, het dwang[>■ t vermetigd en <ie daarbij gedane vordering is ontzegd, en

dQ vonnis als middel van cassatie is voorgesteld:

i , ® of verkeerde toepassing van art. 2 § 1 hoofd en letter b en art. 58 der wet van 2 Oot. 1893 (Stbl. n°. 149), oenevens art, 15 der wet van 22 Mei 1845 (Stbl. n°. 22), doordien bij het beklaagde vonnis ten onrechte is overwogen, dat het betalen van het onderhoud van een minderjarig kind door oen buitenslands gevestigde» vader, niet belastingplichtig ingevolge art. 1 d der aangeduide wet van 1893, niet is te beschouwen als eene toelage in den zin van art. 2 § 1 b dier wet;

<J. dat, blijkens het vonnis tusschen partijen vaststaat, dat de belasting wordt gevorderd ter zake van verstrekte toelage of toelagen, en dat het in deze betreft de door den in Ned.-Indië ge vestigden vader, niet belastingplichtig ingevolge art. 1 d der ■I het middel aangehaalde wet op de bedrijfsbelasting, aan den verweerder gezonden gelden voor het onderhoud van zijne minderjarige dochter op eene kostschool hier te lande;

O. dat de ingeroepen wetsbepaling luidt:

„Zij, die binnen het Rijk wonen zijn belastingplichtig naar de som hunner jaarlijksche inkomsten, voor zoover bestaande: b uit wachtgelden en pensioenen, lijfrenten en andere verschuldigde periodieke uitkeeringen, niet bedoeld in art 3 3de lid, der wet van 27 Sept. 1892 (Stbl. n°. 223) verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting en andere zaken, en verschuldigde of onverschuldigde toelagen van buitenslands gevestigden, niet belastingplichtig ingevolge art. 1 d";

01 dat met de Rechtbank moet aangenomen worden, dat de wetgever met de verschillende door hem gebezigde uitdrukkingen verschillende soorten van inkomsten heeft bedoeld, zoodat het niet aangaat de eene uit de andere aan te vullen, terwijl deze wetsbepaling, waarbij; aan dte ingezetenen belastingplicht wordt opgelegd, van strikte uitlegging is;

O. dat al zoo, terwijl van de overige genoemde inkomsten geen sprake kan zijn, bedoeld onderho-ud van een minderjarig1 kind op eene kostschool niet gebracht kan worden onder , verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting en andere zaken", als hoedanig beschouwd moet worden het levensonderhoud van ouders en meerderjarige kinderen, verschuldio'd ingevolge de artt. 371 en vlg. B. W., hoedanige verstrekkingen zoowel ingevolge in de artt. 2§2&en3§3 der wet op de bedrijfsbelasting als1 in art. 8 2° der wet op de vermogensbelasting, uitdrukkelijk onderscheiden worden van de kosten van onderhoud en opvoeding van minderjarige kinderen;

O. dat deze laatste kosten, welke voor de ouders hun wettelijken grond vinden in de artt. 159 en 353, 2d:e lid B. W., niet beschouwd kunnen worden als „toelagen aan het kind", Wt. S- ™fev"Jge overeenkomst of testamentaire bepaling, „verr ',i>> a-s bet. uitvloeisel van liberaliteit, „onverschul-

Z1Jn' "ï0011 Taarvan in het algemeen het kenmerk

O dat dit ^ 7 de vriJe beschikking over heeft;

CA dat dit met het geval is met de gelden welke moeten strekken tot betaling van de kostschool,* waaróp de ïXder jarige door of namens haar vader is geplaatst; - welke melden het ldnd .evenmin -^komsten" van - als „toelagen" aan

O. dat mitsdien het voorgestelde middel van cassatie is gegrond; n"

Verwerpt het beroep, en veroordeelt den eischer in zijne hoedanigheid in de daarop gevallen kosten.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 30 Maart 1903.

Waarnemend voorzitter, Mr. A. A. de Pinto. Raadsheeren, Mrs. : Jhr. P. R. Feith, Jhr. B. O. de Jonge, A. J. Clant van der Mijll, Jhr. D. G. van Teylingen, Jhr. W. H. de Savornin Lohman en A. P. L. Nelissen.

De verklaring van een getuige, dat uit zekere door hem , nader omschreven boeking nadeel kon ontstaan, bevat eene waardeering van feiten, die niet als bewijs in aanmerking kan komen. ,

W. S., oud 31 jaren, koopman, geboren te Zwartsluis, wo- i "(inde te Zwolle, is requirant van cassatiei, doch alleen voor ] zoover hij daarbij is veroordeeld tegen een arrest van het Ge- i rechtshof te Arnhem van 30 Dec. 1902, waarbij, een vonnis der < Arrond.-Rechtbank te Zwolle van 30 Oct. 1902!, — waarbij' hij i als schuldig aan twee misdrijven van valschheid in geschrift aiet toepassing van art. 225, aanhef, en 57 Strafrecht, werd < veroordeeld tot eene gevangenisstraf van 3 maanden met last < tot. teruggave van het van valschheid en vervalschinu verdachte 1 kasboek, en met bevel tot teruggave der andere stukken van overtuiging als in het vonnis vermeld, — werd vernietigd1 voor zoover het eerste der beide ten laste gelegde feiten werd bewezen verklaard met vrijspraak van requirant te dien aanzien en bevestiging van het vonnis voor het overige, o

t Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jhr. db Savobnin Lokman en het beroep namens den req. was toege, licht door Mr. L, W. van Gigch, advocaat te Amsterdam, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen:

r

1 Edel Hoog Achtbare Heeren/

e

De req. is door de Rechtbank te Zwolle veroordeeld ter zake van twee valschheden in geschriften, doch in appel van ééne i dezer vrijgesproken, terwijl het vonnis met betrekking tot de , andere is bevestigd.

i Bewerende dat de motiveering van het bewijs voor eerst.bes doeld feit in het. vonnis: in strijd is met- de wettelijke bewijsregelen, stelt hij als eerste cassatiemiddel: Schending van art. r 247 Strafvord. in verband met de artt.. 391, 392, 398 en 407 x van dat. wetboek door te bevestigen het vonnis a quo wat bet treft de beslissing over het tweede te last gelegde feit, welke r beslissing met die over het. eerste feit één geheel uitmaakt, in plaats van dat vonnis in zijn geheel te vernietigen.

Dit middel zal geen voorwerp van onderzoek kunnen uitmaken. Daargelaten of het Hof goed gedaan heeft, het heeft, nu eenmaal zuiver vrijgesproken, en van vrijspraak valt geene cassatie. Daarenboven heeft de req. zelf het onderzoek afgesneden door in cassatie te komen van het arrest, alleen, voor zoover hij daarbij is veroordeeld en zóó al het overige aan de kennisneming van den Hoo'gen Raad te onttrekken.

Als tweede middel is gesteld: Schending of verkeerde toe; passing van art. 247 Strafvord. in verband' met de artt. 221, i 391, 392, 398 van dat wetboek en met art. 225 Strafrecht, door te bevestigen liet vonnis waarin het bewijs van de verschillende i elementen van het strafbare feit is aangenomen op grond van verklaringen van getuigen welke niet anders zijn dan eene meening of gissing, en wel:

a de verklaring van getuige d. R. da.t hij niet kon denken dat de fout. schuilde in het f 1000 te laag geboekte mandaat van f 1184.61;

b de verklaring van denzelfden getuige ter bevestiging van beklaagdes bekentenis dat uit de boeking van beklaagde nadeel kon ontstaan;

c de verklaring van denzelfden getuige ter bevestiging van beklaagdes bekentenis, ten bewijze dat het kasboek waarin de boeking geschiedde is een geschrift bestemd om tot bewijs van eenig feit te dienen.

In zijn eerste onderdeel schijnt mij. dit middel onjuist; daar iemands verklaring dat hij niet denken kon dat eene gemaakte fout in eenen bepaalden post school, slechts is het weergeven van het feit dat hij, geene, aanleiding had' tot eene bepaalde gedachte, niet van eene meening omtrent eene gemaakte fout.

De geïncrimineerde verklaring komt vóór in de zevende overweging betreffende het ten tweede te last gelegde feit.

Het tweede onderdeel houd ik daarentegen voor gegrond. ri ® ver^ar™g <iat uit zeker feit nadeel kan ontstaan (zie de 19de overweging) behelst eene gevolgtrekking.

Het derde onderdeel berust m. i. op de onjuiste lezing van de ,43ste overweging, waarin de Rechtbank zegt dat door de bekentenis bevestigd door de verklaring van den getuige d. R. vaststaat dat het kasboek is een geschrift bestemd om tot bewijs van eenig feit te dienen; daarin wordt blijkbaar niet de inhoud der verklaringen weergegeven, maar de eigene gevolgtrekking- der Rechtbank uit die verklaringen.

Het derde middel is: Schending van art. 247 Strafvord. in verband met art.. 225 Strafrecht en de artt. 211, 221, 391 en 392 Strafvord., door te bevestigen het vonnis waarbij,:

a is aangenomen „dat, uit het valschelijk boeken (d. w. z. uit het valschelijk opmaken va.n het geschrift) noodzakelijk voortvloeit het oogmerk om de valsche boeking als echt en onvervalscht te, gebruiken", hoewel 't opzettelijk en te kwader trouw plaatsen van een valsche post het oogmerk van gebruik als echt volstrekt niet, insluit;

vi j6 ^"'^lijkheid van nadeel is gezocht in de omstandigheid dat door de boeking een bedrag 'van f 1000 aan de kas der tirma werd onttrokken, welke bewering is onjuist en door geene wezen ™ von™s 0HïenoMi.en verklaringen wordt be-

In de bij. het eerste onderdeel aangehaalde (15de) overweging van het vonnis kan ik niet zien de verkondiging van de algemeene stelling dat het opzettelijk en te kwader trouw begaan van eene valschheid het oogmerk tot gebruik van het geschrift als echt insluit, maar alleen de feitelijke beslissing dat. in dit concrete geval het oogmerk uit de handeling van den req. voortvloeit.

In het tweed'e onderdeel moet ik weder met den req. mede gaan. Vervalsching van boeken kan nooit de daad zijn waardoor geld aan eene kas wordt onttrokken. De valschheid' kan de gedane onttrekking bedekken, ma,a.r zjj is eene geheel andere verrichting' dan deze. In dit opzicht is het. bevestigdé vonnis dus niet met redenen omkleed.

Het vierde middel: Schending van art. 225 Strafrecht in verband met. de artt. 247, 211, 221, 214 Strafvord. door ondanks de vrijspraak ten aanzien van een der feiten toch te handhaven de in het vonnis opgenomen qualificatie, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan twee misdrijven van valschheid ° in geschrift —. schijnt mij ook gegrond maar kan slechts aanleiding geven tot verbetering van de qualificatie, en zal duis, indien de Hooge Raad zich met mijne meening omtrent- de overige middelen vereenigt, wel buiten behandeling blijven.

. Het vijfde middel luidt: Schending van art. 247 Strafvord. m 3,e j nd met de artt. 161, 177, 391 en 392 van dat van Strafvord. door te bevestigen het vonnis waarin gebruik wordt gemaakt van de verklaring van d'en getuige H., hoewel uit het proces-verbaal der terechtzitting blijkt, dat die getuige zijne vei klaring slechts ten deele mondeling heeft afgelegd en verder

overgelegd, dat in het vonnis is overgenomen, zonder dat blijkt dat beklaagde door voorlezing of op andere

«WrarJo,- mhoiud van dat 1^e kennis, droeg noch zich daarover heeft kunnen uitlaten. ,

„Zl"1 ,s Yo]gens: de vaststaande jurisprudentie niet, het proces- ]

r tlif terechtzitting maar het vonnis beslissend is voor 1

" s van den feitelijken inhoud eener getuigenis moet

aangenomen worden dat de getuige H. verklaard® hel wat Tem 1

ZTJTT ?• overwegmg) ™ deu wordt gelegd, al 1

iX«H 1JStje! van gegevens overgelegd', omtrent, welks t

vin rl'i f in^+-6n^ n^etlS vaststaat, zoodati ook van overneming £

ongegrond ^ ^ vonn^s blijkt. Het middel is gulzoo 1

t°t vernietiging van het arrest voor zooveel i

daartegen beroep », ingesteld, en verwijzing van de zaak naar 5

een aangrenzend Gerechtshof ter afdoening in zooverre op het 1 bestaande liooger beroep

De Hooge Raad enz.; {

,?.l' "Je Middelen van cassatie, namens den req. voorge. a gesteld bij pleidooi: 1 B ,

B I. Schending van art. 247 Strafvord. in verband met de artt. i- 391, 392, 398 en 407 van dat wetboek;

.., II. Schending of verkeerde toepassing van art. 247 Strafvord., in verband met de artt. 221, 391, '392, 398 van dat wetboek en met art. 225 Strafrecht;

III. Schending van' art. 247 Strafvord. in verhand met art. 225 Strafrecht en de artt. 211, 221, 391 en 392 Strafvord'. ; s IV. Schending van art, 225 Strafrecht, in verband met de 3 artt. 247, 211, ^21, 214 Strafvord.;

V. Schending van art. 247 Strafvord. in verband met de artt. 161, 177, 391 en 392 van datzelfde wet boek;

Overwegende dat req. o. ,m. heeft, terechtgestaan ter zake,

- dat hij als lid der firma S. en d. B., en al» zoodanig hoofdzakelijk de boekhouding der firma voerende, te Zwolle" in het

ï kasboek der firma op of omstreeks' 11 Sept. 1902 zeker nader

- aangeduid bedrag valschelijk heeft geboekt met het oogmerk j die valsche Boeking als echt en onvervalscht te gebruiken of l te doen gebruiken, uit welk gebruik nadeel — inzonderheid voor

zijn medefirmant d. R. — kon ontstaan;

dat de Rechtbank bij haar in zooverre door het bestreden L arrest bevestigde vonnis het bewijs dezer feiten geleverd heeft i geacht;

O. ten aanzien van het tweede middel, dat tot staving • daarvan mede een beroep wordt gedaan op de in het vonnis, en wel in de 19de overweging omtrent voorschreven telastelegging, opgenomen verklaring van den getuige d. R., dat dooide te voren door hem nader omschreven boeking nadeel kon ontstaan, speciaal voor den medefirmant van beklaagde, nu requirant;

dat. deze verklaring bevat eene waardeering van feiten, doch niet loopt over feiten door dien getuige waargenomen;

dat mitsdien, waar ook deze verklaring, heeft medegewerkt tot de samenstelling van het bewijs, recht is gedaan op onwettig bewijs, zoodat in zooverre het tweede middel is gegrond ;

dat hiermede het onderzoek naar de gegrondheid der overige middelen vervalt;

Vernietigt het arrest van het. Gerechtshof te Arnhem van 30 Dec. 1902, dbch alleen voor zoover daarbij, werd; bevestigd het vonnis der Arrond.-Rechtbank te Zwolle van 30 Oct. 1902; Recht doende uit kracht van art. 106 R. O. :

^ Verwijst de zaak naar liet, Gerechtshof te. Leeuwarden, ten einde in zoover op het bestaande hooger beroep te worden berecht en afgedaan.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 7 Juni 1903.

Voorzitter, Mr. B. W. N. Servatitjs.

Raden, Mrs. : J. Dutrï van Haeften, H. D. van Ketwich Yerschuür, A. C. C. Folkeksma en R. A. Fockema.

Art. 81 B. R.

Wanneer nog geen veertien dagen zijn verloopen dat het verstekvonnis waartegen in verzet is gekomen, aan den defaillant is beteekend en niet is gebleken dat hij op andere wijze toen reeds veertien dagen met het vonnis of de aangevangen executie bekend is geweest, is defaillant ontvankelijk in zijn verzet.

J. Kloekers, wonende te Assen, appellant', procureur Mr. B. van Loon,

tegen

1°. E. Knottneruis, wonende te de Bilt, c. s., geïntimeerden, procureur Mr. T. van Hettinga Tbomp.

Het Hof;

Gezien de stukken der procedure, waaronder de geregistreerde expeditie van het vonnis, den llden Febr. 1902 door de Arrond.Rechtbank te Assen tusschen partijen gewezen;

Gezien de conclusie van eisoh en van antwoord in hooger beroep;

Wat de daadzaken en de in eersten aanleg gevoerde procedure betreft, zich gedragende aan hetgeen dienaangaande is overwogen in het hierboven aangehaald vonnis, den llden Febr. 1902 door de Rechtbank te Assen gewezen, van welk vonnis het dictum luidt: enz.;

Overwegende dat de oorspronkelijke gedaagde bij deurwaardersexploten respectievelijk van den 9den en lOden Mei 1902 van dit vonnis in hooger beroep is. gekomen, met dagvaarding van de oorspronkelijke eischers tegen 'sHofs terechtzitting van den llden Juni d. a,. v.; dat ten dienenden dage door app. en door geïntimeerden zijn genomen gemotiveerde conclusiën van eisch en van antwoord, van welke conclusiën het slot tekstueel zal worden vermeld in de van dit arrest, af te geven expeditie; en dat vervolgens, zonder dat de zaak nader bij pleidooi is toegelicht, de procureurs van partijen de processtukken onder inventaris aan den Hove hebben overgegeven met verzoek dat daarop recht zal worden gedaan;

Wat het recht aangaat:

ft da.t bij het vonnis, waarvan appel, app. niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzet tegen een vonnis, den 25sten Juni 1901 bij verstek tegen hem gewezen, op grond, dat. het. verstekvonnis, nadat liet op den 4d.en Juli dl a. v. aan den defaillant was beteekend, den 13den Juli is ten uitvoer gelegd en volgens art. 81 B. R. deze ten uitvoerlegging aan den defaillant liet recht heeft, ontnomen om nog op den 17den Juli 1901 verzet te doen;

O. dat app. zich door deze beslissing gegriefd acht en tot hare bestrijding aanvoert, dat art. 81 lid 1 B. R. als regel aan hem het recht gaf om op den 17den Juli 1901, immers veertien dagen na de beteekening van het verstekvonnis aan hem in. persoon, daartegen verzet te doen; dat aan dit recht geen afbreuk kan worden gedaan door de uitzondering op dien regel gemaakt in lid 2 van art. 81; dat de woorden van art. 81. zooals dit is gewijzigd door de wet van den 23sten Dec. 1886, Stbl. n°. 230, duidelijk zijn; en dat de geschiedenis der wijziging hunne beteekenis niet verandert en niet kan veranderen;

O. dienaangaande, dat volgens de woorden van het gewijzigd art, 81, in hunne gewone en natuurlijke beteekenis genomen, verzet openstaat tot aa.n de ten uitvoerlegging van het. vonnis indien niet. aanwezig is een der in het eerste lid van art. 81 aangegeven gevallen, te weten indien niet reedis 14 dagen zijn verloopen na de beteekening van vonnis of akte aan dèn ver-

Sluiten