Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM. Vierde Kamer.

Zitting van den 19 Mei 1903.

Yoorzitter, Mr. H. Meinesz.

Rechters, Mrs.: B. Simons en T. Henny.

Art. 271 Strafrecht.

Hel in dit artikel omschreven misdrijf kan niet andei s vervolgd warden dan op klachle.

Ook waar m het gescnrift of de al beeldt n,j een beleediging worclt aangedaan aan een ambtenaar gedurende o/ ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening, is liet reent tul strafvordering van een klaelue afhankelijk.

Uo Rechtbank; .

Gezien de stukken, onder welke de dagvaarding, namens den Officier van Justitie op den 9den April 1903 beteekend. aan: A. J. S., oud 34 jaren, boekdrukker te A. ;

Gehoord de aanklacht van den Officier van Justitie tegen den voornoemden beklaagde, volgens zijne opga,ven genaamd, A. J. S., gehuwd met G. v. 0., zoon van J. B. S. en W. ¥., oud

34 jaren, van beroep boekdrukker, geboren te U. op 18

186Ö en wonende te A.;

Gehoord het requisitoir van den Officier van Justitie, daartoe strekkende dat de beklaagde worde schuldig verklaard aan de feiten, hem bij, dagvaarding te laste gelegd, daarstallende:

,,eene afbeelding van beleedigenden inhoud, met het oogmerk om'aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven, openlijk ten toon stellen, zijnde de beleed,iging aangedaan aan een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening" ;

en dientengevolge veroordeeld tot betaling van eene geldiboete ten bedrage van f25, met bepaling dat deze boete, zoo de veroordeelde die niet betaalt binnen twee maanden na den dag, waarop het vonnis kan worden, ten uitvoeirgelegd, zal worden vervangen door hechtenis, met verbeurd verklaring en vernietiging van de in beslaggenomen afbeelding;

Gelet op -e verdediging door en namens den beklaagde in het midden gebracht;

Overwegende dat de beklaagde is gedagvaard ter zake dat hij op of omstreeks 1 April 1903 achter een der buutenvensters van perceel n°. 164, waarin hij, zijne drukkerij; heeft gevestigd aan de Rozengracht te Amsterdam,, zoodanig oat zulks van den openbairen weg af waarneembaar was, met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud daarvan ruchtbaarheid te geven oi de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, openlijk, heeft ten toom gesteld of aangeslagen een plaat, waarop Dr. A. Kuyper, doelend© op het door dezen als Minister van Binnenlandsche Zaken en President van den Ministerraad genomen aandeel in de indiening van drie by Koninklijke Boodschap van 25 Febr. 1903 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediende wetsontwerpen: n°. 1 tot aanvulling en wijziging van het Wetboek van Strafrecht; n°. 2 tot verhooging van het VlIIste Hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1903 en n°. 3 tot het instellen van een onderzoek ten aanzien van de rechtsverhoudingen en de voorwaarden waaronder het personeel bij het spoorwegbedrijf in dienst is, op voor hem, Dr. A. Kuyper, in en ter zake van de rechtmatige uitoefening van voormelde zij ne ambtsbediening op beleedigende wijze wordt voorgesteld' eenen aan den grond geboeid liggenden werkman of ander manspersoon worgende;

O. dat de dagvaarding volgens haren duidelijken inhoud de strekking heeft den beklaagde ten laste te leggen het ten toon stellen of het aanslaan van een afbeelding, beleedigend niet voor den heer Dr. A. Kuyper, maar wèl voor den heer Minister van Binnenlandsche Zaken, d. i. voor den heer Dr. A. Kuyper in of ter zake van de rechtmatige uitoefening dezer ambtsbediening, zoodat, nu niet gebleken is, dat door dien heer in privé of als "Minister van Binnenlandsche Zaken eene klacht is ingediend, in de eerste plaats te beslissen valt, olf ter zake van het feit, bij dagvaarding gesteld, in dit stadium een recht tot strafvordering aanwezig is ;

O. dat het ten laste gelegde feit onder geene andere bepaling van strafrechtelijke,n aard te brengen is, dan onder art. 271 Strafrecht en de toepassing daarvan, dan ook door den heer Officier van Justitie, gevorderd wordt;

O. echter, dat dit artikel aan het slot bepaalt, dat het daarin omschreven misdrijf niet vervolgd wordt dan op k 1 achte en nu daarop wel doet volgen eene aanwijzing van de personen, die tot het doen van een klacht bevoegd

zijn daarvoor aanwijzende door verwijzing naar art. 269 in

cas van verspreiding, aanslaan of tentoonstelling van een afbeelding of geschrift, beleedigend voor een nog levend persoon, dengene, tegen wien het misdrijf i» gepleegd, en door verwijizing naar art. 270 in geval van verspreiding enz. van een geschrift of afbeelding, beleedigend voor een overledene, diens nagelaten bloedverwanten en echtgenoot — maar daarentegen op den regel, dat niet anders dan op klachte vervolgd wordt, geene uitzondering inhoudt, gelijk deze wèl gelegen is in de. woorden: „behalve in het geval van art. 2 67", voorkomende in art. 269;

dat van een toepassing van dit art,. 269 in zijn geheel ook voor het misdrijf van art. 271, moeielijk sprake kan zijn, al wordt daarin- ook gewaagd van beleediging krachtens dezen titel, omdat daarmede bedoeld is1 een onderscheiding te maken tusschen de beleediging, in dezen titel behandeld en die, vermeld in de artt. 111, 112, 117 en 118 van hetzelfde wetboek, en omdat, werden met het woord beleediging in art. 269 niet alleen bedoeld de misdrijven in de daaraan voorafgaande artikelen van dezen titels behandeld, maar achtte de wetgever daaronder ook begrepen het misdrijf, in art. 271 omschreven, alsdan de verwijzing naar het reeds van zelf toepasselijke art. 269 niet noodig zoude wezen;

O. dat derhalve uit de duidelijke woorden, aan het slot van art. 271 voorkomende, moet, woorden afgeleid; dat het daarin omschreven misdrijf niet anders kan wonden vervolgd dan op klachte, in deze conclusie nog steun vindt, in de bepaling van art. 267;

dat immers dit artikel alleen met een derde verhoogt de straffen in de daaraan voorafgaande artikelen bepaald, indien de beleediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening, waaruit dus volgt, dat, zoodanige verhooging niet plaats heeft in geval van aanslaan, ten toon stellen of verspreiden van een geschrift of afbeelding, welke beleedigend zijn voor een ambtenaar gedurende of ter zake van die rechtmatige uitoefening zijner bediening;

dut hieruit mag worden afgeleid, dat de wetgever de publieke

orde stelt boven het privaat belang van den beleedigden persoon, wanneer het geldt de beleediging van een ambtenaar in cf ter zake van zijne ambtsbediening en daarom ook dit misdrijf zwaarder straft, maar dat hij dat geenszins doet, wanneer het geldV'het misdrijf, omschreven in art. 271; dat het dan echter oólc verklaarbaar is, waarom in art. 269, dat den sluitsteen vormt van het, in de vorige artikelen behandelde, aan het Openb. Min. het recht gegeven wordt van ambtshalve vervolging van het misdrijf van beleediging tegenover een ambtenaar gepleegd, en dit recht niet gegeven wordt in art. 271 Strafrecht;

O. dat uit het vorenoverwogene volgt, dat de Officier van Justitie in zijne vordering moet; worden niet ontvankelijk verklaard ;

Recht doende:

Verklaart, dat in deze geen recht tot strafvordering aanwezig is;

Gezien art. 271 Strafrecht en artt. 217 en 219 Strafvord,. ;

Verklaart den Officier van Justitie niet ontvankelijk;

Gelast, behoudens de bepalingen van art. 219 Sterafvord., dte teruggave van hat stuk van overtuiging, en wel van de in beslaggenomen plaat aan den beklaagde.

INGEZONDEN BIJDKAGEN.

Mijnheer de Redacteur,

Het lang verwachte wetsontwerp tot wijziging der jaarwedden der griffiers is dan nu ingediend. Het zal waarschijnlijk menigeen verwonderen, want men had mogen verwachten dat — werd eenmaal deze materie ter hand genomen — dan ook een grondige herziening van het tarief, zelfs der registratiewetten voor zooverre toepasselijk op gerechtelijke stukken, niet zou zjjn uitgebleven. Zoo lang toch op dat tarief steunde de eigenlijke bezoldiging der griffiers was het moeilijk te wijzigen zonder verkregen rechten aan te tasten. Nu die bezoldiging echter wordt losgemaakt van het tarief, stond de gelegenheid tot wijziging open.

Waarom of ook voortaan de Nederlander, die een gunstige beschikking op een request krijgt van eenige lands- of gemeenteautoriteit kan volstaan met betaling der zegelkosten en een luttel bedrag aan leges, doch als hij zich tot de rechterlijke macht wendt allerlei rechten moet blijven voldoen, soms tot een niet onaanzienlijk bedrag, blijft een onoplosbare vraag. En al evenmin is duidelijk waarom de rechtzoekende bij de rechtbanken allerlei griffie-, rol-, registratie-rechten moet blijven betalen, welke in gedingen voor andere autoriteiten niet gevergd worden.

Doch dit raakt de procureurs als zoodanig niet en dat het wets-ontwerp nu alleen strekt om een in de oogen van sommigen kinderlijken misstand weg te nemen, waardoor de belangen van enkelen zeer ernstig geschaad zullen worden, zonder dat het publiek er iets beter van wordt, geeft er een ietwat hatelijke tint aan, maar gaat den procureur niet aan.

Maar juist als procureur zou ik gaarne een enkele opmerking maken, omdat het mjj voorkomt dat — zie ik althans juist — dit schijnbaar onnoozele wets-ontwerp tot zeer vreemde en onverwachte gevolgen kan leiden, welke den procureur wel aangaan.

Het nieuwe art. 13 a (bij art. 28 op den griffier der Rechtbank van toepassing verklaard) geeft den griffier de bevoegdheid voorschot van de procureurs te eischen. Wordt hem dit niet gegeven dan mag hij zijnen „dienst in vollen omvang weigeren". In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat die weigering toch zeker wel alleen zal mogen gelden de zaak, welke het betreft, en niet de griffier bevoegd zal zijn zijn dienst te staken als er maar één procureur geen voorschot geeft. „In vollen omvang" is dus (en wel eenigszins in strijd met die woorden) zeer beperkt op te vatten.

lot welk bedrag zullen de griffiers nu voorschot eischen? Het ontwerp (art. 13 a) zegt: „waarvan zij het bedrag naar het vermoedelijk bedrag der genoemde kosten en rechten bepalen . Het zijn de zegel-, registratie- en andere rechten (art. 13).

Voorts zegt art. 13 a, dat dit voorschot zal worden gegeven „ter latere verrekening". Blijkbaar is dus de opvatting van het ontwerp deze, dat de griffier bijv, bij het aanbrengen eener zaak eene raming zal maken van alle kosten, welke daarvan wel het gevolg kunnen zijn, zegels en registratie van het eindvonnis ineluis. En de opvatting is dus niet deze, dat de griffier telkens betaling vooraf eischt van het recht, dat op de van hem gevraagde ambtsverrichting rust. Bjjv. de procureur brengt eene zaak aan en betaalt vooraf het inschrijvingsrecht; hij zal conclusie nemen of uitstel vragen en betaalt vooraf zijn f 0.30. Ware deze de bedoeling, er zou van geen raming, van geen latere verrekening en van geen voorschot maar van vooruitbetaling sprake zijn.

Nu is dat denkbeeld van voorschot laten vragen en dit door den griffier laten ramen uiterst gemakkelijk nedergeschreven, maar is het uitvoerbaar ? Ik ben met bescheidenheid van oordeel, dat het niet wel uitvoerbaar is.

Waarvan hangen de proces-kosten af?

1°. Van het aantal keeren, dat partijen uitstel gelieven te vragen of te concludeeren. Hoe kan de griffier dit ramen?

VaTI de incidenten. Zal er in vrijwaring worden geprocedeerd? Zal er ontkentenis van schrift voorvallen? Getuigenverhoor bevolen of gehouden worden, verhoor op vraagpunten, plaatselijke opneming ? Stukken ter griffie nedergelegd (art. 64 nieuw)? Praeparatoire of interlooutoire vonnissen gegeven worden? Zullen deskundigen benoemd worden? enz. enz. Hoe kan^ de griffier dit weten en hoe moet hij nu de kosten ramen ?

3°. Van den aard en het bedrag der vordering, waarvan het registratierecht op het vonnis kan afhangen. Dit kan de griffier berekenen.

Hoe zal het nu voor een griffier mogelijk zijn de te heffen rechten te ramen ? De beste procureur, die de zaak kent, weet welke bewijsmiddelen hij heeft, weet welk verweer hij voeren zal, kan niet vooraf zeggen welke incidenten zich zullen voordoen, of een proces kort of lang zal duren, hoe wil de griffier dat weten?

Het gevolg zal zijn, dat de griffier maar vooraf rekent op een ontelbaar aantal uitstellen, voorts het registratierecht op het vonnis uitrekent, wanneer de eisch volledig wordt toegewezen, en op zijn gemak opstelt eene berekening, wat wel een proces aan gerechtskosten kan kosten, wanneer partijen zouden goedvinden in den loop van het proces alle mogelijke incidenten te doen plaats grijpen, welke maar bedacht kunnen worden. Hij zal al die kosten bijeen tellen, er nog iets bijvoegen voor vergissing en dat zal het bedrag zijn, dat de griffier als voorschot vraagt. Er is voor hem niet de minste reden

om aan te nemen, dat in eene zaak minder recht zal verschuldigd worden dan in eene andere.

In de nietigste zaak, zelfs verstekzaak, zal de griffier het zelfde voorschot vragen als in eene zaak, die er uiterst zwaarwichtig uitziet. Dat staat er nu zoo erg eenvoudigjes: de griffier zal de vermoedelijke kosten enz., maar hij kan naar die kosten raden, ramen kan hij ze niet.

Het ontwerp wijzigt implicite art. 135 B. R., want het spreekt van zelf dat de griffier ter berekening der eventueele registratie-rechten op het vonnis de dagvaarding zelve moet zien.

Debat met den griffier over het voorschot is uitgesloten, want betaalt de procureur niet, hij schrijft de zaak niet in en zij moet worden ingeschreven zal zij kunnen dienen op den dag der dagvaarding. Men is overgeleverd aan de willekeur van den griffier die kan vragen wat hij wil en, waarover straks een woord, persoonlijk belang heeft het voorschot zoo hoog mogelijk te berekenen.

Het is mogelijk, zal men wellicht zeggen, dat het zoo'n vaart niet loopen zal. De griffier zal een sommetje vragen en als het voorschot uitgeput raakt den prooureur tot aanvulling manen. Vooreerst hangt dit af van de welwillendheid van den griffier en zal deze die betrachten ? Aanvankelijk misschien wel zoo lang de oude titularissen nog in functie zijn, die aan een vrij aangenamen omgang met de procureurs gewend zijn. Maar de aard der betrekking verandert. Voortaan zullen de griffiers gewone fiscale ambtenaren zijn, die wel geen lust zullen hebben zich met de administratie en het toezicht op allerlei dépots te belasten. Zij zullen, waartoe de wet hun volkomen vrijheid geeft, een vermoedelijk veel te hoog bedrag vragen en als de zaak beëindigd is, rekening doen. Zelfs, zou ik meenen, is het voor hen niet zonder eenig gevaar welwillend te zijn. Want stel eens (het geval is niet ondenkbaar) dat een procureur tot aanvulling van zijn voorschot aangemaand, dit verzuimt. Hij vindt dat de zaak van zijn cliënt er niet erg goed voor staat, hij zou wel lust hebben afstand van de instantie te doen, welnu doze wet geeft hem een gemakkelijk middel: hij vult het voorschot niet aan, de griffier weigert zijn dienst en ja, wat dan ?

Moet de tegenpartij daarmede maar genoegen nemen en blijft de zaak rusten tot het dien procureur behaagt zijn voorschot aan te vullen ? Erg prettig voor die tegenpartij, die als zij wel naar het einde van het proces verlangt de kosten der andere partij in 's hemelsnaam maar aan den griffier moet voorsohieten. Maar zal zij niet terecht aan den griffier voorhouden : wanneer gij voldoende voorschot in den aanvang hadt gevraagd, ware dit niet voorgekomen. Daarom geloof ik, dat de griffiers wel degelijk steeds en altijd een buitensporig voorschot zullen eischen. Bovendien en dan wordt het door mij gevreesde gevolg nog zekerder — zou de griffier in zulk geval zijn dienst wel mogen weigeren? De procureur voldeed het geëisclite voorschot; dat dit te laag blijkt is zijn schuld niet, hij gaf wat de griffier vroeg. In letterlijken zin is dus art. 13 a al. 2 niet van toepassing. De griffier zal dan zijn dienst niet kunnen weigeren, is aansprakelijk voor alle meerdere rechten en moet maar zien, dat hij die op den procureur (art. 14) verhaalt. Een griffier, die dat eenmaal ondervond, zal wel zorgen, dat het hem nooit weder overkomt.

De procureur des eischers heeft nu het voorschot betaald. De zaak wordt afgeroepen. Mr. A. stelt zich voor den gedaagde. De griffier: „President, ik heb geen voorschot van Mr. A., ik weiger dus mijn dienst!"

Implicite wordt dus art. 137 B. R. gewijzigd, want Mr. A., die op zulke vertooningen niet gesteld is, zal natuurlijk vóór den dienenden dag zich bij den griffier moeten aanmelden om over het voorsohot te onderhandelen. Maar Mr. B., die zulke incidenten wel aardig vindt, misschien het in het belang van zijn cliënt acht, dat er geen verstek wordt verleend en de zaak toch niet kan voortgaan, lacht in zijn vuistje. Laat de eischer maar zien, dat hij vonnis krijgt, wanneer de griffier weigert te minuteeren en te notuleeren.

Doch wij zijn niet aan het einde der rampen. De procureur van gedaagde wil behoorlijk voorschot geven. Zijt gij ook voornemens reconventioneel te eischen ? vraagt de griffier. Dat weet ik nog niet, zegt gedaagde. Welk voorschot moet de griffier nu vragen ? Misschien kan gedaagde volstaan met voorschot te geven als eenvoudig gedaagde. De reconv. eisch is toch eigenlijk een nieuwe zaak en voorschot daarin komt eerst te pas als zij aanhangig is gemaakt. Maar dit maakt, dat de procureur behoorlijk vóór hij zijn conclusie van antwoord neemt, deze aan den griffier zal moeten vertoonen opdat deze het voorschot kunne berekenen. Het zou tooh kunnen zijn, dat die reconventioneele eisch, werd hjj toegewezen, een hoog registratie-recht op het vonnis zou medebrengen. De griffier laat dus zonder voorschot dien reconv. eisch niet toe en weigert dien te notuleeren.

Genoeg, dunkt mij, M. de R., om te doen zien, dat dit ontwerp, hoe eenvoudig het er uit ziet, niet kan worden ingevoerd, zonder dat in het Wetb. v. Rechtsvordering worde voorzien in de gevallen van non-betaling van voorschot.

Terwijl het toch volstrekt noodzakelijk tevens is dat er eenige bepaling worde gemaakt omtrent het bedrag dat de griffier mag vorderen. Het gaat tooh niet aan feitelijk in de hand van den griffier te leggen of men eene zaak kan aanbrengen of niet. En het gaat evenmin aan om aan het niet betalen van voorschot gevolgen te verbinden, welke ook werken voor de partjj, die wel haar voorschot voldeed.

Voor de procureurs heeft dit ontwerp het aangename gevolg, dat op hunne schouders gelegd wordt de last, dien tot nu toe de griffier droeg maar waarvoor deze dan ook in de emolumenten een belooning vond, dooh dien ze kosteloos zullen hebben te dragen.

Zij kunnen voorsohot aan hunne cliënten vragen! Zeker, en als zich langzamerhand een soort tarief gevormd heeft zullen zij ook wel vooruit aan hunne cliënten kunnen opgeven hoeveel. Dat bedrag zal natuurlijk veel hooger zijn dan wat een procureur thans als voorschot vraagt. Het zal dikwijls zoo hoog zijn, dat in kleine zaken cliënt maar liever niet procedeert dan wellicht enkele jaren een betrekkelijk groot bedrag bij den griffier te deponeeren. Nu kan men cynisch zeggen: „dat is maar goed ook, dat er een einde komt aan al dat procedeeren" maar voor een rechtzoekende is het toch niet aangenaam daarvan te moeten afzien, omdat er voorschotten gevraagd worden voor kosten, welke wellicht nooit gemaakt worden.

En de last, die op de procureurs gelegd wordt, is werkelijk zoo licht niet. Thans ontvangen wij onze rekening van den griffier maandelijks. Eventueele abuizen zijn gemakkelijk te herstellen. Dooh voortaan behoeft de griffier eerst af te rekenen als de zaak is afgedaan en de prooureur is dus wel genoodzaakt zoo stipt mogelijk zelf te boeken, al wat er in een zaak voorvalt. Wie of het verschil beslist als na afloop eener procedure, die misschien een jaar geduurt heeft, zijn boeking

Sluiten