Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leggen bij de zienswijze van den herverzekeraar, doch, dat zij, wanneer zij diens oordeel tot het haire maakt, dit doet suo periculo, hetgeen haar kwalijk eenig ongerief kon opleveren, daar zij immers in ieder twijfelachtig geval eene beslissing van arbiters kon uitlokken;

dat de opvatting der gedaagde daarentegen leidt tot de consequentie, dat zij door eenvoudig stil te zitten — namelijk geen arbitrale uitspraak uit te lokken —• steeds den verzekerden hun recht op uitkeering zou kunnen ontnemen, zoodat de vervulling der verbintenis alleenlijk zou afhangen van den wil van de schuldenares, m. a. w., tot. het resultaat dat die verbintenis nietig zou zijn;

O. dat nu wel namens eischeres inzonderheid bij pleidooi is betoogd, dat alleen het hietrbedioelde beding nietig zou zijn, doch dat de Rechtbank zich, met die opvatting niet kooi vereenigen, wijl toch dit beding het al of niet vervullen der geheele verbintenis afhankelijk stelt van, den wil van dengene der partijen die zich onder deze voorwaarde tot uitkeering verbonden heeft;

O. dlat echter ook de door gedaagde verdedigde interpretatie van dit beding niet juist kan zijn, daar toch bij deze opvatting den rechthebbenden op de uitkeering ten eenenmale de weg zou zijn afgesneden om den verzekeraar tot nakoming zijner verplichtingen te dwingen voor het geval dat deze mocht goedvinden geene arbitrage uit te lokken, dat is niets te doen;

O. dat gedaagde nu wel daarenboven een beroep heeft gedaan op § 7 der polisvoorwaarden, daar zij,, als niet ontvangen hebbende de uitkeering van den herverzekeraar nu ook niet tot uitkeering zou zijn gehouden, doch dat ook dit: beroep als berustende op eene averechtsche interpretatie dier paragraaf haar niet kon baten;

dait toch bedoelde paragraaf zeer rationeel is te achten wanneer men aanneemt dat partijen daarmee bedoeld1 hebben, dat gedaagde van alle verplichtingen zou zijn ontslagen, wanneer zij feitelijk bv. door insolventie van de Onderlinge Verzekering Maatschappijl in de onmogelijkheid verkeerde om de verschuldigde uitkeering op deze te verhalen, doe.* dat zij tot ongerijmde resultaten leidt, wanneer men met gedaagde aanneemt, dat het enkele feit der niet,-betaling dooi- den herverzekeraar die gedaagde van alle verplichtingen bevrijdt, daar zij dan slechts met dien herverzekeraar zou behoeven af te spreken dat deze steeds alle betaling zou weigeren, in welke weigering zij dan zou berusten, om alle rechten der verzekerden illusoir te maken;

O. nu dat het niet- aannemelijk is dat partijen dit bedoeld zouden hebben, wat van Trijffel betreft niet, omdat men, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk blijkt, niet kan aannemen dat hij eene overeenkomst zou hebben gesloten, waairbij hij zich overga! aan het bon plaisir der tegenpartij en wat de gedaagde betreft niet, omdat zij die gelijk biji pleidooi is betoogd de hierbedoelde. verzekeringsovereenkomsten sluit om reclame voor hare courant te maken vermoedelijk geene overeenkomsten zal sluiten, dlie zulk een bedenkelijk licht zouden werpen op de bedoelingen harer directie, dat mocht de strekking daarvan bekend worden de reclame wel verre van voordeel, niets dan nadeel zou oplevei en;

dat daarentegen de hierbedoelde §§ 6 e n 7 volkomen verklaarbaar zijn, wanneer men met inachtneming van de in, art. 1380 B. W. den rechter voorgeschreven methode van interpretatie aanneemt dat partijen niets anders bedoeld hebben dan dat gedaagde niet tot uitkeering zal zijn gehouden, wanneer er öf eene arbitrale uitspraak bestaat waarbij beslist is, dat er geen termen tot liet doen eener uitkeering aanwezig zijn öf de gedaagde om redenen van haren wil onafhankelijk bv. de insolventie van den herverzekeraar er niet in kan slagen om eene uitkeering, waartoe zij overigens tegenover den rechthebbende op uitkeering verplicht is, op den herverzekeraar te verhalen;

O. dat gedaagde zich in de tweede plaats tegen de ingestelde actie heeft verzet op grond dat niet zou zijn gebl'eken, dat de dood van van Trijffel — wiens overlijden zij, evenmin betwist als het feit dat haar daarvan tijdig kennis is gegeven —• het onmiddellijk gevolg zou zijn geweest van een hem overkomen ongeluk;

O. hieromtrent, dat eischeres in hare dagvaarding heeft gesteld dat ,,v. Trijffel op 13 Januari 1900 in het water aan het Steiger te dezer stede is gevallen en hij dientengevolge niettegenstaande hij herhaaldelijk om hulp heeft, geroepen, welke hem, evenwel niet is verleend,, is verdronken", welke feiten, gesteld zij zijn bewezen, de ingesteldte vordering naar het oordeel der Rechtbank volkomen wettigen;

dat gedaagde nu wel bij, pleidooi heeft beweerd, dat ook zelfmoordenaars te water geraken en wel eens om hulpi roepen, terwijl zij in hare eonclusiëri heeft betoogd, dat niet gesteld zou zijn, dat de dood enkel het gevolg van het in het water geraken zou zijn, terwijl vast zou staan, dat v. Trijffel aan duizelingen leed, zoodat hij, dus zeer waarschijnlijk tengevolge, eener duizeling te water is1 geraakt doch dat deze opmerkingen de toelaatbaarheid van het aangeboden getujgenbewijs niet in den weg staan;

dat toch gedaagde's: opmerking omtrent, hetgeen zelfmoordenaars wel eens een enkele maal plegen te verrichten, hoe belangrijk ook uit een theoretisch oogpunt, ten deze niet ter zake dtienende is te achten, nu eischeres niet, heeft gesteld, dat haar echtgenoot in liet water is geraakt, doch dat hij daarin is gevallen, hetgeen bij, een zelfmoordenaar, die te water springt, niet het geval is;

dat ook de mededeeling omtrent de duizelingen waaraan de overledene leed1 — daargelaten dat de eischeres zulks ontkent — van minder gewicht is, daar alleen dan zou kunnen worden aangenomen, dat de dood het gevolg is van dien ziektetoestand, wanneer vaststond', wat niet vaststaat, en zelfs: tot dusverre niet waarschijnlijk is gemaakt, dat v. Trijffel juiist eene duizeling had toen hiji in het Steiger viel, terwijl ten slotte de objectie dat niet gesteld zou zijn dat de dood het, gevolg zou zijin van een ongeluk a,pert onjuist iis daar in het water vallen tengevolge waarvan men verdrinkt zeker wel is een dier meest no>toire „onmiddellijke oorzaken van eene lichamelijke beleediiging den verzekerde onafhankelijk van zijn Wil overkomen" — zie § 1 der voorwaarden;

0. dat onder deze omstandigheden eischeres tot het dloor haar aangeboden bewijs zal moeten worden toegelaten kunnende toch op het courantenbericht waarop' bij pleidooi door eischeres een beroep is gedaan geen acht worden geslagen, a-1 was het alleen omdat dit stuk niet behoorlijk in het geding is gebracht; Gezien art- 56 B. R. :

Verklaart eischeres qq. ontvankelijk in hare vordering;

Laat eischeres toe en beveelt haar voor zooveel noodüg om door getuigen te bewijaen:

,,dat 0. J. v. Trijffel op 13 Jan. 1900 in liet water aan het Steiger te Rotterdam is gevallen en dientengevolge niettegenstaande hij herhaaldelijk om hulp heeft geroepen, welke hem evenwel niet is verleend, is verdronken";

Passeert het door gedaagde aangeboden getuigenbewij»; Beveelt dat het getuigenbewijs aan zijde van eischeres zal

Worden gehouden ter openbare terechtzitting dezer Rechtbank en Kamer van Donderdag 3 April 1902 des voormiddags om 10 uur;

Veroordeelt de gedaagde in de kosten dezer procedure.

De procureur-generaal heeft in deze de volgende conclusie genomen:

Edel Groot Achtbare Heeren!

Geïntimeerde qq. vorderde van appellante de betaling van f 500 met de rente.

Zij stelde bij dagvaarding in hoofdzaak, dat aan, haren echtgenoot C. J. van Trijffel door appellante was verzekerd eene uitkeering van evengemeld bedrag, bij1 overlijden, indien het was een gevolg van een ongeluk in of buiten het beroep overkomen, ;

dat van Trijffel, terwijl hij: was buiten de uitoefening van zijn beroiep van sigarenmaker was gevallen in het water en hij dientengevolge, niettegenstaande hij herhaaldelijk om hulp had geroepen, welke hem evenwel niet was verleend!, was verdronken.

Gedaagde erkennende, dat C. J. van Trijffel als geabonneerde op het Rotterdamsch Dagblad door haar was verzekerd voor eene uitkeering als, en onder de voorwaarden door eischeres gesteld, voerde tegen de vordering aan, dat de verzekeringen als waarop eischeres zich beriep, waren herverzekerd bij de Onderlinge Verzekering Maatschappij, tegen de geldelijke gevolgen van ongelukken te 'sGravenhage, gelijk dlat in de polisisen, ook in die van Van Trijffel, (over welker inhoud! partijen het eens zijn), werd vermeld en dait op grond van de bepalingen in die polis het gevorderde bedrag door haar niet verschuldigd was.

De Rechtbank aannemende, dat voor het geval werd aangetoond, dat van Trijffel tengevolge van een ongeluk was overleden, ook het vorderingsrecht van eischeres in deze vaststond, liet eischeres toe, tot het bewijs: dat, van Trijffel op den door haar gestelden 13 Jan. 1900 in het water aan het. Steiger te Rotterdam wa>s gevallen en dientengevolge, niettegenstaande', hij herhaaldelijk om hulp had geroepen, welke hem evenwel niet was verleend, was verdronken.

Welke de bepalingen zijn van de overeenkomst tusschen partijen, waarop het in deze aankomt, en waarover gelijk gezegd,, partijen het eens zijn, zal uit het te volgen betoog blijken;

Nu staat tusschen partijen vast, dat de, Onderlinge: Verzekering Maatschappij bij, wie door appellante: de herverzekering was gesloten, aan deze de uitkeering weigerde en tevens, dat d:e appellante in die weigering berustte: zonder arbitrage uit te lokken.

Appellante had ongetwijfeld tot die berusting, en het afzien van arbitrage tegenover geint. recht. Of een geval voor arbitrage aanwezig was, stond toch volgens al. 5 van gemeld art.

6 van de, polisvoorwaarden alleen ter harer beoordeeling. Appellante wierp> tegen de vordering op de bepaling van art.

7 van dte polisvoorwaarden. Haar betoog was: mij; werd het bedrag der herverzekering niet uitbetaald en nu bestaat, voor mij: evenmin verplichting tot uitkeering.

De Rechtbank verwierp dat verweer. Volgens haar moest naar aanleiding van art. 1380 B. W. evengemelde bepaling worden uitgelegd. Daarbij kon door partijen, niet anders zijn bedoeld dan dat de verzekeraarster van hare verplichting tot uitkeering zoude zijn ontslagen, wanneer ziji feitelijk om redenen van haren wil onafhankelijk, b.v. door insolventie van de Onderlinge Verzekering Maatschapp,ij, in de onmogelijkheid verkeerde om de uitkeering op deze te verhalen. De opvatting van de thans appellante, dait het enkele feit van niet-betaling van de zijde, waarbij de herverzekering plaats had, de verplichting tot uitkeering, harerzijds zoude doen vervallen zoude volgens de Rechtbank tot ongerijmde gevolgen leiden. Bij zoodanig beding toch zoude de verzekeraar slechts met den herverzekeraar behoeven overeen te komen, dat de laatste alle betalitag zoude weigeren en dat hij verzekeraar daarin zoude berusten.

Naar mijn gevoelen E. G. A. H. H. is an deze geen sprake van een geval alsi bedoeld bij, art. 1380 B. W. Het beding is wel niet in tweeërlei zin op te vatten. Het is zooi algemeen mogelijk gesteld en laat, ook beschouwd in verband met de andere verzekeringsvoorwaarden aan duidelijkheid nietis, te wenschen over:

,,De verzekerden hebben in geen geval recht op: uitkeering" indien de Directie van het Dagblad het bedlrag der herverzekering niet van de „Onderlinge Verzekerng Maatschappij" uitbetaald1 krijgt".

Is dat juist dam bestaat voor interpretatie, voor onderzoek naar de bedoeling van partijen geen enkele grond.

Evenmin kan geloof ikr het beding vallen onder het bereik van art. 1292 B. W., eene verbintenis nietig verklarende, indien de vervulling daarvan alleen afhangt van den wil van hem die verbonden is. De al- of niet,-betaling toch door de zich tegenover van Trijffel verbonden he'obend'e appellante hangt toch volgens de kwestieuse bepaling niet af van den wil van haar appellante, maar van het a,l of niet verrichten van eene daad door een derd'e.

En wanneer de Rechtbank wijst op de .mogelijkheid van conniventie tusschen de appelleer,endie vennootschap en de Onderlinge Verzekering Maatschappij, dan meen ik, dat zulk eene bedriegelijke bedoeling bij: het sluiten der overeenkomst van verzekering niet mag worden verondersteld, maar zoude moeten bewezen worden, maar bovendien niet aannemelijk zoude zijn, noch van de zijde van de appelleerende vennootschap, noch van dJe van de „Onderlinge Verzekering Maatschappij", omdat toch handelingen als de bedoelde wel' moeielijk bedekt kunnen blijiven en alzoo het crediet benadeelen en wel zeker niet kunnen worden aangemerkt als nuttige reclame, die tioch, in deze wel zeker bedoeld werd. Maar wat daarvan ook ziji, het zij herhaald, de besproken voorwaarde is duidelijk.

De bedoeling van; de Vennootschap „het Rotterdamsch Daig'jjp.f', met de verzekering van hare abonnés is, gelijk gezegd, blijkbaar i^eclame, het aantrekkelijk maken van het abonnement door het daaraan verbinden van eene verzekering, maar onder voorbehoud daarbij zelve geen risico te loopen, vrij te zijn van verplichting tot eenige betaling wanneer daarvoor geen fonds voorhanden is, tengevolge van elders verkregen uitkeering. De regeling is dn het kort deze:

'1jf^^'lli Onderlinge Verzekering Maatschappij! het verzekerd bedrag aan de Vennootschap betaalt dan heeft de verzekerde recht op uitkeering daarvan en kan dlie desnoods bij den gewonen rechter worden gevorderd.

Indien er verschil van meemng' besitaat tusschen den verzekeraar en den herverzekeraar met betrekking tot de verplichting tot uitkeering, zal de' eerste hebben te beslissen, of er al of niet eene uitspraak van scheidslieden zal worden uitgelokt. Zij zal tot dit laatste wel waarschijnlijk, niet besluiten, indien zij moet vreezen dat hare aanspraak op uitkeering betwistbaar is

en alzoo gevaar bestaat, dat kosten ten haren laste zullen komen.

In geval bij arbitrage de uitspraak gunstig is voor dten herverzekeraar, zal die ook gelden voor den verzekerde en zal van die zijde geen afzonderlijke eiseh m rechten tot schadeloosstelling kunnen worden ingesteld.

In geval bij arbitrage de uitspraak is ten nadeele van den herverzekeraar en deze wordt veroordeeld tot uitkeering, is voor den verzekerde uitbetaling van het verzekerd bedrag te wachten en zal hij die desnoods in rechten kunnen vorderen, maar mocht alsdan van de zijde van de Vennootschap worden aangetoond, dat in weerwil van dfe veroordeeling daartoe, de herverzekeraar in gebreke is gebleven te betalen, wat zich bv. bij insolventie van dezen zoude kunnen voordoen, dan zal ook de vordering moeten worden ontzegd.

Die regeling, gebaseerd op wederzijdsche goede trouw, bevat meen ik, niets wat haar zoude moeten dben verwerpen. Partijen hebben die blijkbaar gewild, bedrog of dwaling is zelfs met beweerd.

Het komit mij, werkelijk voor, dat de opvatting van de Rechtbank van de bepalingen der over-enkomst niet juist is te achten en dat bepaaldelijk ook hare enge opvatting van § 7 aan de bedenking van willekeurig te zijn, niet ken ontgaan en dat alzoo voor de toegelaten bewijslevering geen termen bestonden en de vordering had moeten zijn ontzegd.

Nog een kort woord evenwel over de vraag of in het, stelsel der Rechtbank het ten bewijze opgelegd feit ter zake dienende zoude zijn, wat door appellante wordt betwist.

Bij de ontwikkeling van hare bezwaren merkt appellante op dat, nu verzekerd is tegen dood, indien deze het gevolg is van een ongeluk, dat ongeluk zal moeten worden bewezen en zulks niet geschiedt als alleen wordt bewezen dat iemand in het water is gevallen. Dat toch liet „in het water vallen" op zeer verschillende wijzen kan geschieden, kunnende dat ook warden gezegd van den zelfmoordenaar, aangezien het woord „vallen" niets anders beteekent dan eene snelle beweging van boven naar beneden, geheel afgescheiden van de oorzaak, waaruit de beweging voortspruit.

Ik acht het, wel niet noodig op te merken, dat appellante bij hare opmerking in geenen deele rekening houdt met het taalgebruik. De opmerking is overigens afdoende bij: hare conclusie van antwoord door geint. wederlegd. Als ernstig gemeend kan ik die niet beschouwen.

In deze was verzekerd eene uitkeering bij dood', het gevolg zijnde van een ongeluk in of buiten het beroep overkomen.

Wat als ongeluk moet, worden aangemerkt wordt in de polis vermeld, het is de onmiddellijke oorzaak van eene lichamelijke beleediging, den verzekerde onafhankelijk van zijn wil overkomen.

En nu meen ik, lettende, op die bepaling dat het te bewijzen opgelegd feit: dat Troffel was gevallen, dati die val was geweest de onmiddellijke oorzaak van het te water raken waarin onder de gegeven omstandigheden (het niet opdagen van hulp) verdrinking moest volgen en dan ook -is gevolgd, een feit is geheel ter zake dienende.

Nu wordt door appellante met het oog op art. 4 e en h van de verzekeringsvoorwaarden beweerd, dat Trijffel leed aan duizelingen en wordt bewijs daarvoor door haar aangeboden, maar ik meen dat daargelaten dat appellante van de feiten welke naar haar oordeel tot hare bevrijding kunnen strekken c. q. by contra-enquête zal kunnen doen blijken, dat het door haar te bewijzen gesteld feit zeker niet afdoendte zoude zijn. Voor bevrijding toch van den verzekeraar wordt geëischt: bij art. 4 c dat de dood het gevolg is van een ziektetoestand of kwaal, en dat wordt niet gesteld en zoude ook feitelijk onjuist zijn, omdat de dood in deze het gevolg was van verdrinking en bij art. 4 h oi. a. dat verregaande onvoorzichtigheid of roekeloosheid de aanleiding was tot, het ongeluk. En nu werd door appellante gesteld, dat Trijffel op het oo'genblik dat hij' in het water viel ■eene duizeling had en dat die duizeling het gevolg had dat hij te water raakte.

Ik concludeer tot vernietiging van het vonnis en ontzegging van de vordering.

'sGravenhage, 29 Dec. 1902.

Het Hof;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gehoord den Procureur-Generaal in zijne conclusie, strekkende tot vernietiging van het vonnis en ontzegging van de vordering;

Gezien de stukken en daaronder het vonnis op 13 Jan. 1902 door de Arrond.-Rechtbank te Rotterdam tusschen partijen gewezen, waarvan de beslissing luidt: enz.;

Overwegende wat de feiten aangaat:

dat het Hof zich gedraagt aan hetgeen daaromtrent bij: voormeld vonnis is overwogen en dit voor zooveel noodig overneemt, en voorts dat,, nadat de gedaagde van dat vonnis was gekomen in hooger beroep, partijen haire stellingen hebben ontwikkeld in schrifturen, aan het slot hare conclusiën vermeldende; O. wat. het recht aangaat:

dat de eischeres in hooger beroep tegen voormeld vonnis heeft aangevoerd twee grieven, waarvan de eerste is gericht tegen de antvankelijkverklaring dier oorspronkelijke eischeres- in hare vordering, de tweedie tegen het aan die eischeres opgelegde bewijs;

ten aanzien van de eerste grief:

dat de Rechtbank de door de gedaagde bestreden ontvankelijkheid der eischeres: doet berusten op de in dat vonnis ontwikkelde uitlegging der §§ 6 en 7 der tusschen partijen gesloten overeenkomst, waarbij ziji met in achtneming van art. 1380 B. W. aanneemt, dat, partijen niet andersi bedoeld hebben, dan dat de appellante niet tot uitkeering zal zijn gehouden wanneer of eene arbitrale uitspraak bestaat, waarbij, beslist is, dat er geene termen tot het doen eener uitkeering aanwezig zijn, om ïeden, van haar Wil onafhankelijk, bv. dfe insolventie van den herverzekeraar, er niet in kan slagen, om eene uitkeering, waartoe zij overigens tegenover den rechthebbende op uitkeering verplicht is, op den herverzekeraar te verhalen;

dat de Rechtbank dus aanneemt, dat de bedoeld© paragrafen voor tweeërlei zin vatbaar zijn;

dat echter het Hof dat gevoelen niet deelt en integendeel van meening is, dat de bewoordingen dier paragrafen duidelijk zijp, en dus door uitlegging daarvan niet mag worden afgeweken;

dat toch § 7 vaststellende, dat verzekerden in geen geval recht op uitkeering hebben, ingeval de herverzekeraar het- bedrag der herverzekering aan appellante niet uitkeert, geen twijfel overlaat, en elke uitlegging, die tot de gevolgtrekking leidt, dat de verzekerden toch nog in eenig geval recht op uitkeering zouden hebben bij, niet betaling door den herverzekeraar, die bepaling geweld aandoet en, juist om die gevolgtrekking zoude moeten worden verworpen;

dat deze opvatting den Hove daarenboven voorkomt, niet te zijn in strijd nocli met de letter noch' met, den geest van het onderwerpelijke contract;

Sluiten