is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 65, 1903, no 7923, 15-07-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gepleegd, daarop zamen die kamer zijn ingegaan en daarin gekomen, zagen dat gemelde» buitendeur opensprong en dait toen tegelijkertijd de beide beklaagden door dae deur de gelagkamer binnenkwamen''.

Blijkens de tweede overweging van het airrest steunen o. a. op deze verklaringen de aanwijzingen waaruit liet bewijs is samengesteld.

De geëerde pleiter voor requiranten ziet in die getuigenissen geene verklaringen als bedoeld bij; art. 398, al. 1 Strafvord.,— oocl» slechts gissingen biji redeneering opgemaakt.

Xk deel niet in deze meening. Het zooeven aangehaalde, —zoowel op zich zelf beschouwd als dn verband met hetgeen diezelfde getuigen vooraf hadden verklaard, hierop neerkomende dat kort te voren getuige B. den eersten req. had bemerkt en getuige K. de beide requiranten had gezien onder de personen die, toegang tot het gestoten bierhuis verlangden, bevat m. i. niets wat niet voor zinlijke waarneming vatbaar is. Vermits het gebruik daarvan als bron van aanwijzing geoorloofd is acht ik het middel ongegrond.

Mijne conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad enz.;

Gelet op het middel van cassatie, namens de requiranten voorgesteld bij pleidooi:

Schending van art. 407 in verband met art. 398 Strafvordi. ;

Overwegende, dat requiranten hebben terechtgestaan ter zake, dat zij op tijiöi en plaats in de dagvaarding na-der omschreven te zamen en in vereeniging wederrechtelijk zijn binnengedrongen in, de woning bij J. H. B. in gebruik, welk feit, blijkens de 2de overweging van het bestreden arrest wettig en overtuigend] bewezen iis verklaard! door de in de voorafgaande overweging als gebleken vermelde feiten, en wel als zoovele aanwijzingen, in onderling verband en samenhang genomen;

O. dat; daartoe behoort hetgeen door de twee onder eede gehoorde getuigen B. en K. gelijkluidend is verklaard: ,,da,t zij, toen men bleef aandringen om binnen gelaten te worden en zij gewaar werden, dait er tegen de buitendeur der gelagkamer geweld werd gepleegd, daarop samen die kamier zijn ingegaan en, daarin gekomen, zagen da,t gemelde buitendeur opensprong en dat toen tegelijkertijid de beide beklaagden door die deur binnenkwamen" ;

O. dat, blijkens de mondelinge toelichting, hieti cassatie,middel daartegen is gericht en beweerd wondt, dat deze getuigenverklaringen niiet tot bewijs der aanwijzingen zouden hebben mogen strekken, als bevattende geen getuigenissen maar slechts vermoedens en derhalve bijzondere meeningen of gissingen;

dat deze bewering evenwel is onjuist, vermits al het daarin vermelde berust op eigen waarneming en geen meeningen of gissingen, by redeneering opgemaakt, daarin worden aangetroffen ;

O. dat mitsdien het middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 3 December 1902.

Voorzitter, Mr. L. U. de Sitter.

Raadsheeren, Mrs.: E. H. Karsten, Jhr. G. A. Nahuijs, J. R. H. van Schaik en G. "Wttewaall.

Art. 512 B. R.

De vordering ex art. 512 B. R. komt enkel voor als een incident in de executieprocedure noodig niet wegens de vormen voorgeschreven voor de executie maar om een beletsel daartegen uit den weg te ruimen, alzoo niet rechtstreeks uit de executie voortvloeiende.

De kosten door de naleving van art. 512 gemaakt kunnen dus niet als executiekosten op het uitgewonnen goed of op den geëxecuteerde verhaald worden.

Art. 512 geeft geen aanleiding tot de bewering dat in een dergelijk geval de Rechtbank bij request had moeten geadieerd worden en 't hier niet een gewoon contradictoir proces zou gelden.

Bij toewijzing der vordering is de „gedaagde" nog niet altijd als in 'f ongelijk gestelde partij te beschouwen.

Is evenwel de eenmaal aangekondigde verkoop door een verzuim van gedaagde (verkooper) niet kunnen doorgaan en heeft hij niet een naderen dag voor dien verkoop aangezegd, dan heeft hij (gedaagde) 't zich zeiven te wijten dat eischer (executant) tot een procedure zijn toevlucht moest nemen en is tij dus als in 't ongelijk gestelde partij voor de daartoe gemaakte kosten aansprakelijk.

H. A. Pauwen te West-Pannerden, appellant, procureur Mr. N. S. T. A. van Metjrs, advocaat Mr. P. Rink, te Titel,

tegen

E. E. van Haairen te Draten, geïntimeerde, procureur Mr. M. van Gëlein Vitringa, advocaat Mr. Pijnacker Hordijk, te Tiel.

Het Hof enz.;

Gehoord partyen in hare eonclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken, voor zooveel vereischt geregistreerd'; Ten aanzien der daadzaken en procedure:

Overwegende dat het Hof zich vereenig|t met en alzoo overneemt hetgeen daaromtrent is overwogen in het vonnis, waarvan beroep, door de Rechtbank te Tiel den 28sten Febr. 1902, gewezen tusschen app. als eischer en geint. als gedaagde, bij welk vonnis aan app. zijne vordering is toegewezen echter met ontzegging zoo van de door hem gevraagde uiitvoerbaarverklariing bij voorraad van het te wij zen vonnis als van de mede door hem gevraagde veroordeeling van geint. in de proceskosten;

O. dat app. zich met diti vonnis bezwaard! achtende, voor zooverre daarbij, geene uitspraak omtrent de kosten is gegeven en geint. daarin niet is veroordeeld, tijdig daarvan met dagvaarding van geint. voor dit Hof is gekomen in hooger beroep, vervolgens bij ter rolle genomen oonclusie zijne ,grieven tegen dat vonnis heeft aangevoerd en ontwikkeld en ten slotte heeft gecomcludeea-d tolt vernietiging van het vonnis waarvan beroep, doch alleen voor zoover daarbij is nagelaten eene uitspraak omtrent de kosten van het rechtsgeding te geven en den gewit.

in die kosten te veroordeelen, en alsnog den geint,. te veroordeelen in de kosten van dat rechtsgeding zoomede in die in appel gevallen;

0. dat gemt. bij conclusie van antwoord met bestrijding van appellant» grieven daartegen het aangevallen vonnis heeft verdedigd en geconcludeerd tot bevestiging van de beschikking waarvan appel;

W at het rectio betreft:

O. dat uit de dingtalen blijkt dat bij arrest van, dit Gerechtshof van 28 Maant IsOO, gewezen tusschen den tegenwoordigen app., als app. en G. Remtjes, arbeider te Daomenbung, als geint,., laatstgenoemde ten behoeve van app. is veroordeeld tot betaling eener som van f373.16 aan proceskosten;

dat app. in der minne betaling niet kunnende bekomen, tot executie van genoemd arrest is overgegaan, en na beteekening en bevel, ten laste van G. Heintjes voornoemd in beslag heeft genomen de onroerende goederen onder Doornenburg, kadastraal bekend in sectie B, n°. 692 huis en bouwland!, groot 5 aren 40 centiaren en 653 bouwland, groot 2 aren 70 centiaren, voor wat des schuldenaars rechten daarop betreft;

dat, op deze goederen twee Hypotheken bleken te zijp ingeschreven als 1°. eene ten behoeve van geint. groot f 500, ingeschreven 16 Jan. 1891, rustende op eerstgemeld en 2° eene ■ten behoeve van H. Dnessen, schipper op liet schip „Colunibus VI", groot f 1000, ingeschreven 2 April 1900, rustende op laatstgemeld en als 2de hypotheek daarenboven op een gedeelte van eerstgemeld perceel;

dat app. ter voldoening aan airlt. 508 B. R. het beslag aan deze hypotheekhouders heefti laten beteekenen, en zij biji één en hetzelfde exploit dd. 17 Aug. 1901 van deurwaarder E. O. L. Meijer te Arnhem,, aan app. en diens procureur hebben doen aanzeggen dait zij ieder hunner voor zoover hiji het recht daartoe heeft, zouden overgaan tot openbaren verkoop van gemelde onroerende goederen krachtens art. 1223 B. W, en wel beide hypotheekhouders tegelijkertijd en ten overstaan van denzelfden noitarisi;

dat overeenkomstig deze aanzegging de beide hypotheekhouders, op 7 Oot. 1901 de gezamenlijke onroerende goederen, bij ééne akite, krachtens eene volmacht waarop zij, samen hadden geteekend, ten overstaan van notaris S. de Jong te Huissen, in één koop en voor ééne som hebben doen inzetten;

dat voor den toeslag was aangekondigd) Maandag 21 Oot. 1901, des avonds 6 uur, ten huize bijl de wed. Hoogveld te Doornenburg, doch de genoemde notaris alsitoen aan het aldlaar samengekomen publiek heeft medegedeeld!, dat het onverrichter zake huiswaarts kon gaan, aangezien zijn lastgever hem getelegrafeerd had dat de verkoop niet moest doorgaan;

dait als reden daarvoor werd aangevoerd, dat de aanzegging van den verkoop, voor wat het gedeelte van het te verkoopene betreft, waarop geint. 1ste hypotheek heeft, aan zijn medeverkooper schipper Driessem, in hoedanigheid van 2de hypotheekhouder, achterwege gebleven was, waardloor het goed niet vryi zou kunnen geleverd worden, daar gemelde schipper Driessen weigerachtig was toestemming tot royement te geven;

O. dat a,pp., toen hij daarop geen nieuwe aanzegging van den lsten hypotheekhouder, dat er wanneer hij tot de verkoop zou overgaan, ontving, bij: dagvaarding van, 6 Nov. 1901 ingevolge arit. 512 B. R., den geint. voor de Arrond.-Rechtbank te Tiel gedagvaard heeft, met die vordering, dat de Rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad behalve voor wat de kosten betreft, alsnog den termijn zoude bepalen, binnen welken de geint. verplicht zou zijn tot den bovenvermelden verkoop over te gaan, met verklaring dat deze na verloop van dien termijn, bij gebreke van dit te doen, van zijn recht daartoe zou zijn verstoken en de app. bevoegd om met de executie voort te gaan, alles met veroordeeling van den geint. in de kosten van het rechtsgeding";

en dat geint. in dezen eisch heeft toegestemd, maar bezwaar heeft gemaakt in de kosten van het rechtsgeding veroordeeld te worden;

waarop bij het vonnis a qua doe eisch is toegewezen edoch met ontzegging van' het gevraagde omtrent dte uitvoerbaarverklaring bij voorraad en van de veroordeeling van de geint. in de proceskosten;

O. dait app. zich bezwaard r.cht door het ontzeggen van de gevraagde veroordeeling van geint. in de proceskosten als zullende dit in strijd zijn met art. 56 B. R., waartegen geint. heeft aangevoerd', dlat genoemd artikel in casu niet toepasselijk zou zijn, omdat hier eigenlijk de Rechtbank bijl requesti geadieerd had behooren te worden en er van een contadictoiir rechtsgeding geen sprake is, en bovendien dat de door app. aangewende kasten tot, verkrijging van een termijnsbepaling zijn kosten van executie en als zoodanig preferent op de opbrengst van het na het wijizen van het vonnis a qua diaor geint,. verkochte onroerend goed;

O. ten aanzien van dit laatste beweren van geint. dat: (aangenomen dat de kosten eener wettig begonnen uitwinning van een onroerend goed, gestaakt omdat de hypothecaire schuldeischer van zijn recht gebruik maakt, om zelf het goed te verknopen, desniettemin op de opbrengst van dat goed bevoorrecht zijn) d'e kosten waarover geschil, indien zijl als executiekosten moesten worden aangemerkt, verschuldigd zouden zijn door de geëxecuteerde en bij voorrang verhaalbaar op heit) geexecuteerde goed, en in dat geval dus ten onrechte van geint., die niet is de Geëxecuteerde gevorderd zouden zijn;

O. dat het Hof echter de in deze gemaakte kosten niet als executiekosten kan laten gelden, dat immers volgens het beginsel ten grondslag liggende aan de bepalingen der artt. 1185 en 1195 1° B. W. alleen de kosten uitsluitend veroorzaakt dbor de uitwinning als executiekosten beschouwd mogen worden; alzoo enkel die kasten welke noodwendig uit de uitwinning voortvloeien, niet d,ie, welke wel zijdelings daarmede samenhangen doch geene eigentlijke maatregelen van executie zijn;

O. nu diat, de vordering uit art- 512 B. R>. niet, is een maatregel van executie dtaor eiken executant ingevolge de voorschriften der wet in acht te nemen, en in een regelmatig verloopende executie dan ook niet te pas komt, doch enkel voorkomt als een incident in de executieprocedure', noodig niet, wegens de vormen voorgeschreven vooi" dte executie, maar om een beletsel daartegen uit den weg te ruimen, dus wel zijdelings samenhangende met de executie, doch niét noodwendig daaruit voortvloeiende;

O. dat hieruit volgt dat de kosten door de naleving van artt. 512 B. R. veroorzaakt niiet als executiekosten verhaald kunnen Worden op het uitgewonnen goed of op den geëxecuteerde, en dat dus gelntimeerde's beweren dat d5© kosten door den geëxecuteerde en daarom niet door hem verschuldigd zijn is onjuist ;

O. alsnu wat appellamts grieve tegen het aangevallen vonnis betreft, dat het Hof met app. van oordeel is dat art. 512 B. R. gebiedend voorschrijft de daarbij bedoelde vordering bijl dagvaarding aanhangig, te maken en te procedeeren gelijk in casu is geschied,, dat echter hieruit alleen nog niet volgt, dat nu ook

bij toewijzing der vordering de tegenpartij volgens art. 56 B. R. in de kosten zou moeten veroordeeld warden, daar genoemd artikel dit alleen voorschrijft ten, aanzien van de partij die in het ongelijk wordt gesteld, terwijl gemt. juist ontkent Dij| liet vonnis a quo in het ongelijk te zijn gesteld, daar hij onmiddellijk en gaat m de vordering heeft toegestemd;

O. dat in zoodanig geval de kasten van het geding naar de aan art. 56 B. R. ten grondslag liggende algemeene rechtsbeginselen behooren te worden gedragen door hem, die aanleidingtot het geding heeft, gegeven, hetzij dooir zonder noodzaak de tusschenkomst van den rechter in te roepen, hetzij, door tengevolge van zijin al of niet, handelen zijne tegenpartij te noodzaken tot het instellen eener vordering, waartegen hij niets heeft in te brengen en welke hij door anders te handelen dan hij deed had kunnen voorkomen;

O. dat, nu, geint. in deze door zijn eigen verzuim het niet doorgaan van den verkoop op den door hem gestelden dag heeft veroorzaakt, dat hij, verder aan app. geene aanzegging heeft gedaan van een nieuwen dag waarop hij gebruik zou maken van zijn recht van verkoop hetwelk hij, had kenbaar gemaakt van te willen doen gelden, en dat onder die omstandigheden den app. niets anders overbleef dan de vordering van art. 512 B. R. m te stellen, zoodat geint,. door zijpe houding het doen dier vordering, welke hij had kunnen en blijkens zijne toestemming daarin had behooren te voorkomen heeft noodig gemaakt, en daarom ook de kosten daarvan behoort te dragen;

O. dlat mitsdien appellant® grief tegen het vonnis a quo, is gegrond, dit, voorzoover daarvan is geappelleerd, zal behooren te worden vernietigd, en geint. alsnog in de kosten van het geding zal moeten worden veroordeeld;

Op voorschreven gronden:

Recht doende enz.;

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep den 28sten Febr. 1902 door de Rechtbank te 'Tiel tusschen deze partijen gewezen, doch alleen voor wat betreft de daarbij gegeven beslissing over de proceskosten;

En in zoover op nieuw recht doende :

Veroordeelt geint., oorspronkeijk gedaagde, in de kosten van het rechtsgeding in eersten aanleg gevallen;

Veroordeelt hem mede in de kosten gevallen in hooger beroep ;

Begroot deze kosten tot aan deze uitspraak aan zijde van a,pp. in eersten aanleg op f 123.37^ en in hooger beroep op f 166.69.

GERECHTSHOF TE 'a GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 18 Mei 1903.

Voorzitter, Mr. J. J. van Geuns.

Raadsheeren, Mrs. : C. H. Star Busmann, B. Hulshoi-f,

Ch. Khabbe en Jhr. J. van Doorn.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE 's GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 11 Juni 1902.

Voorzitter, Jhr. Mr. R. O. van Holthe tot Echten.

Rechters, Mrs.: C. W. Vollgraff en J. M. van der Lek de Clercq.

Was de vennoot die het beheer voerde, de boeken en de kas hield volgens het vennootschapscontract verplicht den medevennoot ter goedkeuring aan te bieden een door hem opgemaakte balans of staat over de zaken der vennootschap gedurende het afgeloopen boekjaar 9 — Hof: Neen; Rechtbank: Ja en op dien grond de ontbinding der vennootschap uitgesproken, art. 1684 B. "W.

J. F. F. Moet, rustend apotheker te 's Gravenhage, eischer en

geintiimeerde, adlvocaat en procureur Mr. J. Addink,

tegen

B. J. C. de Wijs, apotheker te, 's Gravenhage, gedaagde en appellant, procureur Mr. P. J. Snel, advocaat Mr. L. A.

Mioheels.

De Rechtbank en:?.;

Gehoord partijen in hare conelusiën en pleidooien;

Gezien de stukken en daaronder:

1°. een vonnis dezer Rechtbank van den 5dem, Febr. 1901 tusschen partijen gewezen; 2°. het proces:-verbaal van verhoor van den gedaagde voor deze Rechtbank op de vraagpunten in het aangehaalde vonnis vermeld; 3°. afschrift van de notarieele akte van vennootsc,ba,p tusschen partijen op den 21sten Juni 1890 gesloten;

Ten aanzien van de daadzaken buiten hetgeen deswege reeds is overwogen in het- aangehaalde vonnis;

Overwegende dat nadat de gedaagde ingevolge dat vonnis was gehoord over de daarbij, omschreven vraagpunten de eischer heeft doen zeggen voor repliek dat uit de antwoorden van gedaagde bij zijn verhoor blijkt, dat hiji geweigerd heeft', de door hem overeenkomstig zijne verplichting als beheerend vennoot over 1899 opgemaakte staat of balans ter goedkeuring aan den eischer aan te bileden en zulks ook niet heeft gedla&n, niettegenstaande sommatie bij deurwaardersexploit van den, 30sten Mei 1900; dat hij eischer niet begrijpt, wat de gedaagde bedoelt met de uitdrukking in het, antwoord', d'at hij niet bereid is den staat of balans: ter inzage en beoordeeling te geven aan iemand, diie zegt namens den eischer tei komen; dat1 gedaagde,'s bereidverklaring om alsnog tegenover eischer zijne verplichtingen na te komen, was tardief;

O. dat de gedaagde daarop heeft doen zeggen, dat uit de dingtalen en het verhoor op vraagpunten niet blijkt dat hij de verplichtingen jegens eischer heeft geschonden, dat eischer, die nooit in strijd met zijne contractueele verplichingen controle op gedaagde's gestie oefende, zich niet kan beklagen dat hem in 1899 geen staat of balans in den letterlijken zin ter goedkeuring is aangeboden, dat hij eischer zelf niet op het gemeenschappelijke kantoor der vennootschap is gekomen, maar door een derde o-m, bedoelden staat heeft laten vragen ten einde hem bij zich te laten inziem, dat de gecïaagde noodt heeft geweigerd aan eischer zelf den staat aan te bieden, maar wel aan een derde en gedaagde's verplichting ook niet was den staat naar