Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vingers te tikken om zijne uitlating, dat de debiteur „vindicem dabat, qui pro se causam agere solebatwaardoor z. i. voor de zooveelste maal het bewijs wordt geleverd van Gaius' weinig praktischen blik op vroegere rechtstoestanden. Vooreerst toch werd de vindex niet gesteld, doch stelde hij zich zelf, en vervolgens zal het wel niet zoo vaak zijn voorgekomen, dat iemand vrijwillig voor een ander de gevaren en de lasten eener prooedure op zich nam, dat men van „solebat" zou mogen spreken !

"Wat de latere legis actio per pignoris capionem betreft, in haar ziet schrijver geen eigenlijken exeoutievorm ; zij kwam slechts toe in weinig gevallen en aanvankelijk alleen aan priesters en droeg ook meer het karakter van een retentierecht, daar de goederen van den debiteur wel in bezit genomen, doch niet vervreemd werden en zij derhalve geen betaling kon afdwingen. Blijft dus als eenige wijze van executeeren in het oudste Romeinsche recht de legis actio per manus iniectionem.

Verschillende vragen dringen zich bij hare bespreking op den voorgrond. Had b.v. de manus iniectio plaats in jure, eene plaats waar de debiteur zich bij voorkeur wel niet zal hebben vertoond, of extra jus ? Geschiedden er inderdaad twee manus iniectiones en werden deze door eene in jus vocatio ot ductio gescheiden ? Welke is de zin van het : tertiis nundmis partis secanto, enz. f

Mr. Kooiman bestrijdt eenige afwijkende meenmgen en verdedigt als zijn gevoelen, vooreerst dat de uitdrukking in jus vocatio ook het in jus ducere omvatte en vervolgens dat met

". .• 1 • 1 fin ll OTlfl .

haar de eigenlijke legis actio wera mgeimu,

oplegging eerst voor den praetor plaats greep. , ,

Het karakteristieke dezer manus iniectio zoekt hij ecüter bovenal hierin, dat zij eene zuivere executie op den persoon was en dat eene tenuitvoerlegging op de goederen dus oudtijds geheel was uitgesloten. De juistheid der opmerking, da de oorzaak hiervan in het gentielverband moet worden gezocht, daar in de oudste tijden de eigendom niet by den peisoon, doch bij den stam berustte, waag ik echter te betwy ie en. In den tijd toch, waarin de legis actiones ontstonden, was het individueel eigendomsrecht reeds lang bekend en er ^oet dus eene andere reden zijn geweest, waarom het nog tijden geduurd heeft, aleer de executie op de vermogensbestanddeeien haar intrede in het Romeinsche recht deed. Eerst de lex Poetelia bracht deze gewenschte verandering.

Dat deze wet niet om zuiver menschlievende redenen werd ingevoerd, maar het noodzakelijk gevolg was der gewpzigde tijdsomstandigheden, wordt door schrijver op heldere wijze in het licht gesteld.

Het bestudeer en van statistieken is over het algemeen een weinig opwekkelük werk, daar de medegedeelde getallen den lezer in den regel slechts in verhouding tot elkaar belang vermogen in te boezemen en het niet ieder gegeven is terstond den weg- te vinden in de vele dikwijls vrij omvangrijke staten

en tabellen. Is deskundige voorlichting, welke op de belangrijkste uitkomsten het gewenschte licht doet vallen en daaraan betrouwbare gevolgtrekkingen verbindt, dus steeds op Pr9®. e stellen, zeker is dit het geval met de duidelijke toelichting door Mr. H. Zillesen gegeven op de Nieuwe Statistiek van het Gevangeniswezen over de jaren 1900 en 1901. o bewerking daarvan bestond te eerder aanleiding, om. a 1899 op advies der Centrale Commissie van de Statistiek m de Gevangenisstatistiek belangryke wijzigingen zyn ge ïaci . Terwijl vroeger de opgaven verdeeld waren naar den aard der gestichten en de overzichten der verschillende strafgestichten dus telkens dezelfde categorieën bevatten, is thans eene hoofdverdeeling gevolgd naar den aard der medegedee e gegevens, zoodat alle gelijksoortige opgaven, onverschillig o zij betrekking hebben op gevangenissen, huizen van bewaring, rijkswerkinrichtingen of rijksopvoedingsgestichten, nu m dezelfde tabel worden aangetroffen.

De nieuwe statistiek bevat XYII staten, welke achtei eenvolgens door Mr. Zillesen worden besproken. Belangrijk zijn vooral zijne mededeelingen over de inrichting der gestichten, het in dienst zijnde personeel, de beweging der gevangenisbevolking, den gezondheidstoestand, het onderwijs, het gedrag, den arbeid en de loonen, die uitbetaald werden.

Schrijver bepaalt zich echter niet enkel tot mededeelingen, doch voegt er ook eenige wenschen aan toe. Zoo zou hij gaarne in de statistiek nadere opgaven zien opgenomen omtrent den achterstand in de executie, omtrent den aard der verschillende gevallen van krankzinnigheid, welke in de gevangenissen voorkwamen, enz. In het algemeen valt hiervoor zeker veel te zeggen. Toch staat er het nadeel tegenover, dat de statistiek dan nog grooter omvang zou gaan aannemen, dan zij nu reeds heeft. Een bezwaar schijnt schrijver dit echter niet te vinden; althans in zijn overzicht treft men daarom-

trent geen opmerkingen aan.

Er zijn intuaschen tabellen, die m. i. gevoegelijk achterwege gelaten konden worden, of althans aanmerkelijk worden ingekort, zonder dat de statistiek er in waarde door zou achter:i, v.^4- «nf flor uitbreiding1, gegeven aan de

ujib^aaii. ÜUU auiii. iiv 110u uuu — ^ .. ,

indeeling naar godsdiensten.

hare toepassing steeds het beginsel heeft gegolden, dat niet alleen de tijdens hun diensttijd overledenen, maar ook zij, die gestorven zijn na zelf of bij plaatsvervanger een geldigen dienst te hebben volbracht, aan broeders het recht geven op vrijstelling en dus meetellen in het aantal „tot het gezin behoorende" zonen, bedoeld bij art. 53. Niet zoo eenstemmig werd blijkens de uiteenloopende beslissingen gedacht over de vraag, welke vooroverleden broeders als niet tot het gezin behoorende moeten worden aangemerkt. Gold vóór 1875 de opvatting, dat hieronder vallen allen, die overleden zijn,hetzjj vóór den militieplichtigen diensttijd te hebben bereikt, hetzij na om welke reden ook te zijn vr0gesteld, hetzij na uit anderen hoofde niet tot dienst verplicht te zijn geweest, na dat jaar werd aangenomen, dat buiten beschouwing moeten blijven zoowel diegenen, die overleden zijn na te zijn vrijgesteld wegens broederdienst, als de overledenen, aan wier dienst de grond van deze vrijstelling werd ontleend.

Terecht spreekt de heer Schreuder de hoop uit, dat eene spoedige wetsherziening met eene duidelijke en volledige regeling de noodige rechtszekerheid in deze materie zal brengen.

Ten slotte maakt Mr. R. M. J. M. Beguin eenige opmerkingen Naar aanleiding van de praeadviezen voor de Juristenvereniging over de oneerlijke concurrentie. In hoofdzaak bepalen deze opmerkingen zioh tot eene groepeering van de verschillende gevallen door hem onder dit begrip gebracht. Dat daarbii een ruim standpunt wordt ingenomen, blijkt wel hier¬

uit, dat schrijver, in navolging der Fransche jurisprudentie, ook de gevallen van contractschennis als deloyale concurrentie beschouwt. Het komt mij voor, dat hij op dit punt niet veel instemming zal ontmoeten en dat de Nederlandsche rechtsbeoefenaars er de voorkeur aan zullen geven het begrip oneerlijke concurrentie tot de z.g. onrechtmatige daden (hetzij dan in de ruimere beteekenis of in engere) te beperken. M. i. zou het ook weinig aanbeveling verdienen in deze de Fransche rechtspraak na te volgen. Zij moge eene onmiskenbare gemakkelijkheid hebben om zich aan allerlei toestanden aan te passen, het streng uiteenhouden van rechtsbegrippen is haar fort niet.

Tot welke bedenkelijke resultaten men komt, wanneer men de verpliohting tot schadevergoeding wegens deloyale concurrentie gaat aannemen bij beweerden inbreuk op al of niet uitdrukkelijk aangegane bedingen, leert het door schrijver zelf medegedeelde arrest van het Hof te Dyon, waarbij werd uitgemaakt, dat de door den gedaagde verrichte handelingen weliswaar geen eigenlijke contractbreuk opleverden^ doch afkeurenswaardig genoeg waren om als concurrence déloyale te worden aangemerkt en als zoodanig tot de betaling eener kleine schadevergoeding te verplichten.

Een viertal boekbeschouwingen besluiten de aflevering.

R. F.

W w TT„i •

tabel: indeeling naar godsdiensten, vrij prooiemaiieit. «ei « mij ten minste niet duidelijk, wie er belang moet stellen m

opgave,

, r ... . ï

rie nnn» hnevppl Wfiderduitsch-Her vormden, UUineiBUllcu,

Gereformeerden e. a. er jaarlijks in de versohillende gestichten worden opgenomen. Dit voorbeeld zou gemakkelijk met andere te vermeerderen zijn.

Door Mr. L. F. G. P. Schreuder, den uitnemenden deskundige in militiezaken, wordt vervolgens een overzicht gegeven van

de Rechtsnraak in hooaer beroev betreffende vrijstelling wegens

broederdienst van mititieplichtigen, van

ADVERTENTIE».

VERLOREN:

Deel 10 van VOORDUIN (Geschiedenis en Beginselen der Nederlandsche Wetboeken, door Mr. J. C Voorduin).

Indien gevonden wordt, alsdan terug verzocht, zoo niet, alsdan dat te koop gevraagd.

Br. fr. no. 605*2 Intern. Annonce-Bureau, Keizersgracht 576, Amsterdam.

wie broeders over-

ln,Ar>*r>

De regeling der vrijstelling wegens broederdienst, voorkomende in art. 48 en v. der wet van 19 Aug. 1861, Stol. <ƒ. is altijd een rijke bron van moeilijkheden geweest en ook de wetgever van 1901 (1) heeft de meeste vragen, waartoe zij aanleiding had gegeven, onbeantwoord gelaten. De beslissingen der Kroon, onder vigeur der wet van 1861 gegeven, hebben dus meerendeels ook thans nog belang. De meeste betreffen de niet zeer volledige bepaling van art. 50 4°, dat vrijstelling o. m. wordt verleend, indien de broeder of de voor dezen gestelde plaatsvervanger „gedurende zijn diensttijd overleden is', in verband met die van art. 49, dat van een even getal in het gezin „aanwezige" broeders de helft en van een oneven getal de kleinere helft moet dienen, en met de voorsohnlten

in art. 51—53 gegeven. , ,

Na eene bespreking der verschillende op deze artikelen Detrekking hebbende ministerieele brieven, modellen en Koninklijke beslissingen komt Mr. Schreuder tot de slotsom, dat bij

(1) Wet van 24 Juni 1901, Stl'l. 159.

Bij de Uitgevers dezes ziet het licht :

De Surinaamschs Wetboeken

VAN

Strafrecht en Strafvordering,

de herziene Strafvordering van 1874,

en anilere daarmede in verband staande Reglementen, Verordeningen en Besluiten,

voorafgegaan door

de Reglementen op het beleid der Regeering in de kolonie Suriname, en op de inrichting en de samenstelling der Rechterlijke Macht in die kolonie.

Met verwijzing naar de op elk artikel betrekking hebbende artikelen van den Code Pénal en de Surinaamscheen Nederlandsche Wetsbepalingen,

hpwni'i.'t An niteegeven door

WUMU1UI V" -ff

Mr. H. LIGTENBERG,

Advocaat en Procureur te s Gravenhage.

Prijs : ingenaaid f 3.65, gebonden f 3.90.

Het BUREAU VAN CONSULTATIE IN ONGEVALLENGESCHILLEN vergadert eiken Dinsdag, des namiddags te halfvier uur, in het gebouw van den Hoogen Raad, aan het Plein No. ü te 's-Gravenhage, tot kostelooze toevoeging van Advocaten aan onvermogende Partijen bij den Beroepsraad te 's-Gravenhage, indien daartoe termen zijn.

Vereischten voor de toevoeging van eenen raadsman zijn : 1°. Overlegging van een bewijs wan onvermogen, afgegeven door den Burgemeester van de woonplaats des aanvragers;

1°. Overlegging van een afschrift der beschikking van de Rijksverzekeringsbank, waartegen men in beroep wenscht te komen, of van het geschrift, waarbij daartegen in beroep gekomen is.

Geene toevoeging geschiedt, indien het Bureau niet volkomen van het onvermogen des aanvragers en van de aanvankelijke gegrondheid zijner bezwaren of beweringen overtuigd is.

Bij de Uitgevers dezes is ter perse :

Beginselen van Handelsrecht

volgens de Nederlandsche Wet

door

Mr. J. G. KIST

DEEL I

HANDELSRECHT — HANDEL - HANDELAAR

Derde herziene en vermeerderde druk,

bewerkt door

Mr. L. E. VISSER

Advocaat, tevens rechter-plaatsvervanger in de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam

Het eerste gedeelte van dit deel zal spoedig, het tweede gedeelte nog in den loop van dit jaar het licht zien.

Van Kist Handelsregt zijn vroeger verschenen:

Dl. II. Handelsverbindtenissen uit schrift

3e druk f5.75 ing. f6.75 geb.

» III. » uit overeenkomst I

2e druk 4.40 » f g ^ ^

» III. Supplement (Coöp. Vereenigingen) i

2e druk 0.90 » ) » IV. Handelsverbindtenissen uit overeenkomst. Overeenkomst van verzekering 2e druk 3.60 » 4.60 » » V. Zeeregt 3e druk 4.90 » 5.90 »

Van denzelfden schrijver zijn nog verkrijgbaar:

De bepalingen der Ned. Wet omtrent tweede en verdere

huwelijken, 2e druk f 0.90

De Kantonregter en zijne werkzaamheden . . . 1.40

De Algemeene Maatregelen van Inwendig bestuur . . 0.30

Bij de Uitgevers dezes is verkrijgbaar JOAN VAN DEN HONERT Th/..

FORMULIERBOEK

der

onderscheidene Aeten behoorende tot de

Burgerlijke Rechtsvordering,

(lierzien en verieerdera floor Mrs. I. Heemskerk Az. en G. Beliiifante) VIERDE DRUK

Omgewerkt, niet inachtneming van de jongste wijzigingen in het Wetboek gebracht,

door

Mr. J. A. FOEST, Advocaat en Procureur te Amsterdam, Mr. D. E. LIONI, Advocaat en Procureur en Privaat-Docent aan de Universiteit te Amsterdam en Mr. Lod. S. BOAS, Advocaat en Procureur te Amsterdam Prys: gebonden f 11.

Bij de Uitgevers dezes is verschenen:

De Politie Staatszorg

door

Jac. van Waning,

Burgemeester van\ Ouderkerk a/d IJssel, Hoofdredacteur van de Politiegids

Prijs f 0.60.

A. TEN BOSCH N.Jzn.

Ingenieur

ROTTERDAM ZUIDBLAAK 24

Geeft aan Heeren Advocaten en Notarissen eenvoudige, duidelijke adviezen op technisch gebied.

Conditiën zeer billijk.

Gedrukt bg F. J. BELINFANTE, voorh.: A. I). SCHINKEL.

Sluiten