Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l .Heer ü. Bergsma, wonende te Enschedé, 1 die gemeente en als zoodanig haar verte- a, en voor haar hebbende op te treden, tot het

No 7928

WEEKBLAD VAN HET RECHT

VIJF - EN-ZESTIGSTE JAARGANG

JUS ET VERITAS

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post ƒ21, behalve het Register. — Prijs der advertentiën, 1 6 regels

f 1.45, elke regel (meer 20 cents. — Rechterlijke uitspraken ter plaatsina franco aan de Uitgevers. RnnKHANTnrr G-kmi /« >„ u

i - w ' .7 - 7 — I U —mi j.ja^ h/ o u/ lAiVVILILllUC

(2* Wagenstraat 100); andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht {Stationstraat 11).

MltPliVQVOOht riaw «mha4./v j-'i m_j i< > » . . _ _

—Mn Uiuuua vun au oiaa worai verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°.

124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 11 Mei 1903.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeek.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, Jhr. P. li. Fbiïh, A. J.

Glant van der, Mijll, Jhr. D. G. van Teylingen, Jhr. W.

H. de Savornin Lohman en A. P. L. Nelissen.

Aan „wederrechtelijke aanranding" in den zin van art. 41 Strafrecht kan alléén worden gedacht bij eene handeling, die hetzij rechtstreeks hetzij middellijk van een mensch uitgaat.

Mr. E. P., oiudl 43 jaren, griffier bdj lieb Kantongerecht te Veghel, geboren te Oude Pekela, is requirant, van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te \s Hertoigenbaseh van 5 ïebr. 1903, waarbiji werd' bevestigd een vomnis der Arrond. Reohtbank aldaar vaji 4 IS'(tv. 1902, bij welk vonnis de req. werd schuldig verklaard aan he.t opzettelijk en wedbrrechtel\jk dooden van een dier dat geheel aan een ander toebehoort, en met toepassing van de artt. 23 en 350 Strafrecht, werd veroordeeld tot eene geldboete van f5, te vervangen door hechtenis van één dag.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Nelissen, heeft de adv.-gen. Noyön de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren!

Tegen zijne veroordeeling wegens opzettelijk en wederrechtelijk dooden van eens ander® dier stelt de req. als eenig middel van cassatie: Schennis van het tweede lid van art. 41 Strafrecht, omdat hij naar zijne bewering eenen hond heeft doodgeschoten onder den onmiddellijken indruk van eenen aanval van dit dier op hem, al isi dan ook tusschen dien aanval en het doodschieten de tijd verloopen dien liij noodig had oni zijn geweer te laden, en den hond die zich reeds verwijderd had te achtervolgen.

Aangenomen dat onder zulke omstandigheden te denken kon zijn aan niet strafbare overschrijding van de grenzen der noodlzakelijke verdediging, zouden toch die omstandigheden dienen vast te staan ; en dat is in dit geding niet het geval daar re-

quirants beroep er op door geen enkel bewijsmiddel is gestaafd. Aan het middel ontbreekt dus een feitelijke grondslag.

Blijft over de vraag of er tegen eenen aanval van een dier noodweer kan zijn.

Ik concludteer tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad enz. ;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

Schending van art. 41, 2de lid, Strafrecht;

Overwegende dat bij het door heit bestredten arrest bevestigde vonnis ten laste van den req. is bewezen verklaard, dat hij in den voormiddag van 8 Sept. 1902 te Veghel opzettelijk en wederrechtelijk een hond to e behoor end e aan P. v. 1)., althans aan een ander dan aan hem req. met een geweerschot heeft gedood, zoomede requirants schuldi aan dit feit;

O. dat req. blijkens de processen-verbaal van heit verhandelde ter terechtzitting m eersten aanleg en in hooger beroep, en blijkens den inhoud van het bestreden arrest, ter zijner verdediging heeft aangevoerd, dat hij, rijdende op éen rijwiel, was aangevallen en gebeten, en derhalve onder deze omstandigheden ingevolge art. 41 Strafrecht gerechtigd was dien hond dood te schieten, en dat hij in ieder geval had gehandeld in eene hevige gemoedsbeweging door dien aanval en dien beet veroorzaakt ;

dat. echter het Hof dCze verdediging heeft verworpen, op grond dat in deze niet vaststond, dat de req. tijdens het plegen van het feit verkeerde in een geval van noodweer, en eir alzoo ook van de overschrijding van d'e grenzen daarvan geen sprake

Kon zijn, tegen welke beslissing het middel van cassatie is gericht;

O. hieromtrent:

dMi aan ,,w e d e r r e b h t e 1 ij k e aanranding" alleen kan wonden gedacht bij eene handeling die hetzij, rechtstreeks hetzij middellijk van een mensch uitgaat;

dat mitsdien waar gelijk in deze, de req. is aangevallen door een dier, dat niet is aangehitst of op hem losgelaten, heit Hof terecht beslist, dat geen geval van noodweer aanwezig was, en dat er derhalve evenmin van overschrijding van het recht van noodweer kon sprake zijn; '//

dat alzoo door deze beslissing art. Jlft al. 2 Strafrecht niet kan zijji geschonden, en het middtel is ongegrond;

Verwerpt het beroep in cassatie.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 17 December 1902.

Voorzitter, Mr. L. U. de Sitter.

Raadsheeren, Mrs.: E. H. Karsten, Jhr. Gr. A. Nahuijs, J. R.

H. van Schaik en G. Wttewaall.

Art. 625 B. W. en 180 Gem.wet.

Beperking van het eigendomsrecht of algeheele ontneming van het gebruik van den eigendom ?

Bepalingen omtrent het geven van rooilijn, m. a. w. het aangeven van de richting in welke gebouwen langs de openbare straat moeten worden gesticht, hebben niets uitstaande met bepalingen omtrent den aan de openbare straat liggenden grond, die volgens de rooilijn niet

bebouwd mag worden.

Het eigendomsrecht op dien grond wordt wel door de vaststelling van de rooilijn beperkt, maar dit wordt den eigenaar niet ontnomen of voor hem waardeloos gemaakt.

Dergelijke bepalingen zijn dus niet in strijd met art. 625 B. W. en 151 G. W.

Het afbreken door of namens de gemeente van perceelen, gebouwd in strijd met de bepalingen omtrent het geven van rooilijn, is dus geen onrechtmatige daad, maar een daad steunende op een bindende verordening die terecht in art. 180 Gem.iv. hare uitvoering vindt.

Het schriftelijk gebod om de overige woningen weg te ruimen en het verbod om die te betrekken, onder bedreiging van toepassing van art. 180 Gem.w. is alzoo evenmin onrechtmatig.

Door met bovenbedoeld „gebod" te wachten, totdat de woningen geheel waren voltooid, en dit gebod nietdade-

ujk naaat ae junaamenten gelegd waren, uit te vaardigen heeft de gedaagde gemeente art. 180 niet overtreden, daar dit alleen vordert (wat in confesso is dat die heeft plaats gehad) een schriftelijke waarschuwing.

(Zie vonnis a quo in W. 7713 Almelo 29 Mei 1901, waarbij nog beslist werd over de al of niet bevoegdheid der rechterlijke macht om ten deze te oordeelen en over de exceptie van nietigheid der dagvaarding, zoomede over de vraag of een moreel persoon, in oasu een zedelijk lichaam (staatsrechterlijke corporatie), een onrechtmatige daad kan plegen, met alle welke genoemde beslissingen het Hof zich geheel heeft vereenigd.)

(Zie voorts 2 Arr. H. R. 6 Nov. 1899 (Kamer van Strafzaken) beiden in W. 7358 contra dit arrest; idem als het Arnh. Arr., het Arr. Hof Arnhem 4 Mei 1899, W. 7276, Kamer van Strafzaken).

E. Dalenoord, koopman en bakker, wonendë te Enschedé, appellant, procureur Mr. B. H. Everts, advocaat Mr. P. A. Rutgers van der Loeff, te Groningen,

tegen

Den Edelachtbaren Heer E. Bergsma,, wanende te Enschedé burgemeester van die gemeente en als zoodanig haar vertegenwoordigende en voor haar hebbende op te treden, tot het voeren van deze procedure gemachtigd bij' besluit, van den gemeenteraad van Enschedé dd;. 19 Fe.br. 1900, goedgekeurd bii besluit van de Ged. Staten der provincie Overiisel rM

22 Febr. 1900, geïntimeerde, procureur Mr. W. F. van Meurs, advocaat. Mr. D. Spanjaard, te Enschedé.

Het Hof enz.;

Géhoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gehoord den heer Procureur-Generaal condudeei-e.ri.rl

vestiging van het vonnis, waarvan beroep met compensatie der kost-en in hooger beroep gevallen;

Gezien de stukken voor zooveel vereisoht geregistreerd ;

Ten aanzien der daadzaken en procedure ;

Overwegende dat het Hof zich vereenigib met en alzoo overneemt hetgeen daaromtrent, is overwogen in het vonnis, waarvan beroep door de Rechtbank te Almelo dien 29s.ten Mei 1901 gewezen tusschen app. als eischer en. geint. als gedaagde, van welk vonnis het dictumj luidt: enz,.;

O. dat a.pp. zich, met dit vonnis bezwaard achtende, daarvan tijdig met dagvaarding van geint,. voor d!Lt Hof is gekomen in nooigei' beroep, doch alléén voor zoover daarbij zijne, vordering is algewezen en hij, in een gedeelte der proceskosten werd veroordeeld en vervolgens bij ter rolle .genomen conclusie zijne eSen <la,t deel van het vonnis heeft aangevoerd en ontbehaoen ^ ^ S'0tte geconcludeerd) dat het den Hove moge

, van het vonnis der Rechtbank te Almelo

ü<l. Jd Men 1901, in zooverre den app. daarbij, zijne vordering :s ontzegd en hij daarbiji werd veroordeeld in de proceskosten, de geint. gemeente alsnog te veroordeelen om tevens tegen kwijting aan den app. te vergoeden de kotsten, schaden en interessen door hem reeds, geleden of nog te lijden tengevolge van het aan app., van wege het Dagelijkschi bestuur der geint. gemeente, onder bedreiging met art. 180 der gemeentewet, geworden verbod, om de voorschreven door hein gestichte woningen te doen betrekken en door het gebod om de .gebouwen aan het Gronausche voetpad weg te nemen, op te maken bij, staat en te ver¬

effenen Volgens de wet; alles met veroordeeling van de geint. gemeente m alle proceskosten gevallen in beide instantiën °

O. dat bij conclusie van antwoord geint. met verdediging van het vonnis a quo op het door app. aangevallen punt, appellants grieven daartegen heeft bestreden, doch zijnerzijds van dat vonnis incidenteel in hooger beroep is gekomen, voor zooverre daarbij de door hem voorgestelde nietigheid van dagvaarding en niet-ontvankelijkheid der vordering is verworpen en deze ten deele is toegewezen; verder zijne grieven tegen deze bij het vonnis a quo gegeven beslissingen lieelt aangevoerd en ontwikkeld] en heeft geconcludeerd :

a ten aanzien van het principaal appel dait het den Hove moge behagen, voor het geval het de conclusiën van den incidenteel app. niet mocht toewijzen, dit principaal appel te niet, doende, te bevestigen het vonnis a quo met veroordeeling van den app. in de kasten van dit hooger beroep;

en ten aanzien van het incidenteel appel, dat het den Hove

moge behagen: te vernietigen het vonnis der Ammd.-Rechtbank te Almelo dd. 29 Mei 1901 in zoover daarvan is geappelleerd en alsnog de mtroduotieve dagvaarding te verklaren nietig, in elk geval den oorspronkelijken eischer niet ontvankelijk lil zijne in prima ingestelde vordering, subsidiair hem die te ontzeggen, met zijne veroordeeling in de kosten van beide instantiën ;

O. dait app. bij conclusie van antwoord o,p het incidenteel beloep het vonnis, a quoi o,p de door geint. aangevallen punten heeft verdedigd en geintimeerdes grieven daartegen heeft bestreden, waarna lhj heeft, geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van het incidienteel appel, immers tot ontzegging van de incidenteele conclusie van geint. mat veroordeeling van deze in de kosten van hol incidenteel beroep.;

Wat het recht betreft:

O. dat bij introductieve dagvaarding app. heeft gevraagd schadevergoeding wegens de volgens hem onrechtmatige handelingen van geint. ten opzichte van db bij. dagvaarding vermelde aan app. toebehoorende door hem' gebouwde 18 woningen gepleegd, bestaande in het ten deeile afbreken van twee dier woningen en het verbieden om die en db andere woningen te betrekken met gebod om ze op te ruimen, welke vordering bij het vonnis a quo, mot verwerping van de door geint,. opgeworpen exceptie van nietigheid der dagvaarding en niet-ontvankeliikheid dei' vorderin,o\ is inpwivpw,, v,.r t ,, i...,i .

u —O' — O —UC ÖUI.UHJ.O

geleden door het gedeeltelijk afbreken van twee der •woningen doch overigens is ontzegd;

O. dat beide partijen zich door deze beslissing, voor zooverre zij daarbij in het ongelijk zijn gesteld bezwaard, achten endaarvan in hooger beroep zijn gekomen, weshalve allereerst de grieven van geinit. tegen de verwerping van de door hem vooroestetde exceptiën zullen moeten worden onderzocht;

O. dat de eerste dier exceptiën betreffende die nietigheid der dagvaarding gegrond is op het beweren, dat de dagvaarding niet voldoende middelen zou inhouden wijl immers' daaruit niet zou blijken of de vordering op art. 1401 dan wel op art 1403 B. W. berust ;

O. hieromtrent dat in de dagvaarding duidelijk de handelingen woirden omschreven waardoor app. beweert schade geledten te hebben, zoomede waarom hij die onrechtmatig acht "terwijl op grond dier beweerde onrechtmatige handelingen duidelijk en bepaald schadevergoeding wordt gevorderd ;

dat alzoo de dagvaarding voldoet aan de in de wet gestelde eischen en het Hof zich geheel vereenigendte met en "overnemende het daaromtrent in het vonnis a quo overwogene, mitsdien deze grieve van geint. ongegrond acht;

O. dait geint,. zich verder dooi' het vonnis a quo gegriefd acht omdat daarbij is afgewezen de door hem opgeworpen nietontva.rikeiijkheiid der vordering, hierop' gegrond dat een geschil als het onderhavige tusschen regeerders en geregeerdén ligt, buiten de grenzen der bevoegdheid van den burgerlijken rechter dat toch de overheid voor hare handelingen als zoodanig niet civielrechtelijk aansprakelijk is jegens bijzondere personen en zij handelende krachtens eene wettig tot stand gekomen verordening zoolang deze niet door het, daartoe bevoegde gezag: is vernietigd, geene onrechtmatige daad kan plegen;

O. ten dien aanzien dat tusschen partijen in confesso is en

inirsujeiL ii-'u jjrocesBe vasus,laait,, flai: app.. nuizeri willende bouwen op zijne bij dagvaarding vermelde binnen de gemeente Enschedé gelegen terreinen, grenzende aan de openbare weigen het Gronausche voetpad en, den Kneedweg, overeenkomst] o- de daarop in die, gemeente destijds bestaande verordening, rooilijn heeft gevraagd en verkregen, dat hij, zich echter aan die° rooilijn n i e t heeft, gestoord doch daarover lieen heeft gebouwd en dat o-eint. daarop na behoorlijke schriftelijke aanzegging tot opruiming van het in strijd met de rooilijn gebouwde, met, toepassing van art. 180 Gemeentewet, er toe is overgegaan een gedeelte, "van twee der woningen af te breken en aan app. heeft bericht, dat, de door hem gestichte woningen n;et mochten wordfen betrokken en dat het eventueel betrekken krachtens art,. 180 Gemeentewet zoji worden belet, welke handelingen van geint., als zullende zijn volgens app. onrechtmatig, dezen tot de ingestelde rechtsvordering aanleiding hebben gegeven;

O., dat, heti geding alzoo ten onderwerp heeft het al dan niet wederrechtelijk handelen van geint. ten opzichte van appeliantsi eigendom en mitsdien is een geschil over eigendom en daaruit voortspruitende rechten waarvan de kennisneming, bij art. 2 R. O. in overeenstemming met art,. 153 der Grondwet bij uitsluiting is opgedragen aan rle rechterlijke macht,; onverschillig of het geldt, een geschil tusschen bijzondere personen, dan wel een geschil van een bijzonder persoon met de overheid, wegens onrechtmatige inbreuk op, zijn eigendomsrecht;

O. verder dat ook de overheid als zoodanig onrechtmatig kan handelen en dat, waar beweerd wordt dat de gemeentelijke overheid ten onrechte piet toepaissing van art. 180 Gemeentewet zich aan iemands eigendom heeft vergrepen, zij' niet. kan vol-

Sluiten