Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7951.

van Zeeland en de Heere van Vriesland noemt, diezelfde Bisschop in 1281, bij de beleening van Floris V met de novale tienden, alleen spreekt van „domino Florentio, comiti Hollandie', terwijl hier toch alleszins noodig ware geweest, indien hier ook van beleening met de novale tienden van West-Friesland sprake was, daaraan toe te voegen : ,,domino West-

Frisiae" ;

O. dat zelfs al mocht men meenen, dat Floris V in 1281 reeds Heer van West-Friesland was, daarmede deze Heerlijklijkheid toch nog niet zou behooren tot het graafschap Holland, en dat, ook bij aanneming dat de beleening, waarvan hier sprake, niet aan den Hollandschen graaf als zoodanig, doch aan den persoon van Floris V als bloedverwant van den bisschop „consanguineo nostro predilecto'' geschiedde (vgl. Mr. H. .T. A. Raedt van Oldenbarnevelt, over dominiaal Tiendrecht, Themis 1866, pag. 19) in dezen, waar de omvang van het recht tot ,,terra sua" was bepaald, te eerder dat gebied, indien men daaronder West-Friesland had willen begrijpen, öf door opgave, van den naam daarvan öf door bijvoeging van den titel van den beleende a ls dominus Westfrisiae had moeten worden aangeduid;

O. dat alzoo op grond dat in 1281 de graaf van Holland nog niet gezegd kon worden in den werkelijken zin van het woord te zijn geweest Heer van West-Friesland en als zoodanig door den Bisschop van Utrecht te zijn beschouwd, en dat, al ware dit anders, dan toch het bedoelde novale tiendrecht slechts is gegeven in het gebied van het graafschap Holland, waartoe onbetwist West-Friesland in 1281 niet behoorde, de Staten van Holland hun recht op de novale tienden van de Heer Hugowaard — in West-Friesland — niet hebben kunnen ontleenen aan de Hollandsche graven, in verband met de besproken beleeningsacte van 1281;

Ad IV J:

O. ten aanzien van de vraag, of de Staten van Holland en

West-i nesland overigens recht hadden en zoo ja, welk recht, tot de tienden die zij in 1724 aan Andries Knuppel c.s. verkochten ;

dat volgens het oud-Hollandsch recht (vlg. de Groot, Inleiding, Boek II, al. 1 § 25) „aan de gantsche burgerlicke gemeenschap van Holland ende West-Vriesland, toekomen, de stroomen als de Rijn enz. Insgelijcx de meren en andere bevaarbare wateren, ook den grond van alle voorz. stromen ende wateren, met den oever voor sooveel die met het water den meesten tijd werd bedeckt" ;

O. dat bij dezen eigendom van de meren en den ondergrond bij de Staten, als vertegenwoordigende de door de Groot genoemde „gantsche burgerlicke gemeenschap van Holland ende West-Friesland", deze zich bij het verleenen van octrooi tot droogmaking en in cultuur brenging, beschouwden als de ge rechtigden tot de novale tienden van den drooggelegden en in cultuur gebrachten grond, krachtens de destijds op het voetspoor van de Groot algemeen geldende leer van een domoniaal tiendrecht van de Staten als rechtsopvolgers van de Graven;

O. dat echter, daargelaten de vraag naar de juistheid van die beschouwingen, in elk geval het zich voorbehouden van de tienden als pars reservata dominii, bij het verleenen van een octrooi van bedijking, door de Staten, krachtens hun eigendomsrecht op voldoende rechtsgronden steunde;

O. voorts, dat reeds sedert de 14e en 15e eeuw het novaal tiendrecht, aan de kerk toebehoorende, doch in handen van ambachtsheeren enz. als kerkpatronen, het karakter had aangenomen van een voorbehoud van eigendom bij de uitgifte van gronden, plassen, enz. (vlg. de daarvoor aan te voeren gronden bij Kosters, het Oude Tiendrecht, pag. 1475 seqq.), en de feitelijke toestand, die zich na het verdwijnen van het kerkelijk novaal tiendrecht ontwikkelde, dan ook in het algemeen deze was, dat de eigenaren van in cultuur te brengen landen en plassen zich de tienden als zoodanig „pars reservata dominii'' voorbehielden ;

O. dat in overeenstemming hiermede de Staten van Holland en West-Friesland bij octrooi van 4 April 1625 (door eischers

1X1 urn leeus gemeiden vorm van een in 1YB1 te Alkmaar bij Jan Coster uitgegeven boekwerkje in het geding gebracht), waartegen door gedaagde geene bedenking is gemaakt, aan Hans van Loon c.s. op hun verzoek „hebben geacoordeerd en geoctroyeerd, dat zij 't voorsz. water van de Waert omtrent de Stadt Alkmaar sullen mogen bedycken ende van water tot Lant

maken sonder prejuditie van 't recht eenige particulieren in

t water van de Waert competerende", welke laatste zinsnede evenals een later voorbehoud omtrent de gronden van voornoemde Waert „voor sooveel ons d'selve toecomen", wel niet anders is gebleken te kunnen zijn bedoeld als betrekking te hebben op e voor de droogmaking in de Waard, bestaande stukken gronds, ' leo,i°Iel1 .water kwamen, waarvan hierboven ad III sprake, nr-t Ver- 61 de voorwaarden van het octroij aan de ge-

den tiid van v"Jdom °-a- ,,van alle thienden voor

dat de Landen aUes ^negaende nae

». «"«ciaiuüB gecuitiveert sullen

wesen

O. dat uit deze vrijstelling

£ van tiendrecht ten aanzien der

'O— O 1 tiicuureunï

Dedll kftrs vnnr dan W„„1J J.--1 , ,

r«nh. n, reserve van dat

*** touw j vcxu ueii neriH,a, ripn <nt + i ... n

pl™.'i".Tan vrj'stelling>, zoodat de Staten van Holland en Wast

denX' " T TTeven gunden als een zich voorbehou-

- c,BC1,uui,isrecni op de bedijkte anden gereoh tigd waren tot de, in 17<M ï— . ' . .. ' > geiecn-

y_ "' "o" verKocnte tienden;

O. dat ten aanzien van de vraag, welke vruchten onder het voorschreven tiendrecht tiendplichtig zijn en meer bepaaldelijk of daaronder ook kool valt, door de eischers is beweerd (bii conclusie van repliek) dat alle vruchten in West-Friesland aan tiendplicht onderhevig zijn sinds het ontstaan van het tiendr<?5\ ' terwijl reeds in de 13e eeuw kool een volksvoedsel was, aiiiier bekend was en geteeld werd;

oegende de eischers aan deze stellingen nog toe:

door hln" u ^ s*nc*3 meer dan 40 jaren vóór de dagvaarding

werd ^8n unne rechtsvoorgangers in Heer Hugowaard tiend werd geheven en yeïnrl «n Ai* * * z

"PWPsrp iitn ° u 111 u vcicoJLidLCiiiiiuiii' meu uc

tiend i?eëisr'tit^eWO°n''e en bovendien de kool, waarvan bij deze en nief in elW°rdt; geteeld is °P gewoon bouw- of akkerland

beweerde, de eischers'bii ^ R6lk -1"61 vorige stelHng

en alle middelen rechtens ""^enmng aa"bieden door getuigen

O. dat der eischers stelling d'at''nVIe ' ht w + TT * land tiendplichtig zijn ook znn^f m West-Fries-

uit rln „Ji ?? zonder speciaal beding daaromtrent,

tilZ n H f?6 gegevens niet voortvloeit, daar toch

de hWWn vL'Vtr6 °OI'konden uit de grafelijken tijd -

1299, alsmede van ïaSl^Tou1 van 1289 en

tS f ™ ffiSÜ, gereserveerd^

zondek 1?e e6UW' 0nd" ^et a'gemeen begrip van tienden verstan Y T? kr«tende enz' ^evs werd

benamen o °f koorntl™den, welke blijkens aard en

benaming werden geheven van granen en zaden, ronde en platte

— geenszins van warmoesvruchten, als waaronder kool moet woden verstaan (vgl. van Leeuwen, R. H. Recht, boek II, dl. XI);

O. dat tot deze beschouwing niet afdoet of de kool wordt verbouwd op gewoon bouw- of akkerland of in moestuinen, daar toch wel de verbouwing in zoodanige tuinen de vrucht tiendvrij doet zijn, doch omgekeerd de teelt op bouw- of akkerland van vruchten, die in tuinen tiendvrij zouden zijn, deze nog niet tiendp 1 i c h t i g maakt, behoorende toch om tiendp 1 i c h t i g te zijn, de aard van de vrucht en niet de plaats van verbouwing het kenmerk te zijn ;

O. dat op de straks genoemde gronden (betreffende den invloed ten deze van de voorschreven acten van 1289 en 1299 en van 1281) mede buiten beschouwing kan worden gelaten de vraag of kool in de 13e eeuw een volksvoedsel was en alhier bekend was en geteeld werd;

O. dat mitsdien het door de eischers gedaan bewijsaanbod, hetwelk zou strekken om hun een tiendrecht krachtens titel op kool toe te kennen, in deze niet afdoende is en voorbij gegaan moet worden ;

O. alsnu wat aangaat des eischers beroep op tiendheffing van kool op bedoelde perceelen sinds meer dan 40 jaren vóór de dagvaarding en op de overeenstemming daarin met de gewestelijke gewoont e;

dat blijkens het pleidooi de eischers hierbij het oog hebben op rechten, die hun zouden toekomen krachtens het plakkaat van Keizer Karei V van 1 October 1520, in verband met des Keizers „Nadere uitlegging'' daarvan van 10 Januari 1528 en

diens „Interpretaatsie" van 19 April 1529 (v. d. Schelling dl. II

suu jv., ±-, en y.j;

O. dat mitsdien ter beoordeeling van eischers beroep op dit plakkaat, vooraf behoort te gaan een onderzoek naar den inhoud en de strekking van dit staatsstuk ;

O. te dien aanzien:

dat in het plakkaat van 1520 de keizer als considerans aangeeft (v. d. Schelling, pag. 42), dat „de geestelijke luyden" niettegenstaande alle gunsten die zij van den keizer en diens voorzaten hebben ontvangen, niet tevreden met hetgeen hun ter zake van den hun toekomende tienden „gegonnen en geordonneert' is, steeds meer willen „opstellen, exigeren en heffen diverse nieuwe tienden van : „hout, bosschen enz. en van heure vette ,beesten, hameien, weren en de diergelijke, insgelijks van Ra. >,pen, Radijzc-n, Gooien, saladen, Ajuin, Appelen, Peren, „Nooten en de andere diergelijke vruchten", waaruit blijkt dat de „geestelijke luiden", behalve de hun geordonneerde grove (koorn) tienden van zaad en graan, ook de smalle (krijtende) tienden hieven en eveneens van warmoes- en boomvruchten tiendrecht inden en zulks (v. d. Schelling, pag. 43), omdat zij beweerden tienden te mogen heffen van alle maniere van goede wassende, spruytende en de voedsel nemende van de aarde, — terwijl zij, om die vexatie kracht bij te zetten, de tiendplichtigen deden „citeren, dagen ende oproepen in de geestelijke Hoven ende voor geestelijke Rechteren henluyden (nl. de geestelijke luyden) favorabel wezende — alles in groote verachteninge ende cleijnicheijt van ons, schade ende oppressie van onse voorschreven ondersaten ende ghemeyne welvaert van dien" enz. ; dat alzoo dit plakkaat is uitgevaardigd om tegen deze, niet slechts des Keizers rechten, maar ook de algemeene welvaart der onderzaten aantastende en door den Keizer met onverholen afkeuring geteekende misbruiken te voorzien, welke misbruiken nog gesteund werden door de. „geestelijcke Hoven", die in zaken, wa,arby hun eigene belangen — immers die van de j,geestelijke luyden" — betrokken waren, recht spraken, en dit doel van den Keizer by de uitlegging van het plakkaat zeker op den voorgrond behoort te worden gesteld:

O. dat na de voorschreven considerans, door den Keizer wordt bepaald (v. d. Sch-, pag. 44) dat van nu voortaan geene

„geestenjKe luyden, Hetzij Bisschoppen enz., noch ook egeen weerlijcke personen, hebbende ende ghebruyckende enige Thienden en sullen moghen nemen, heffen ende exigeren oft eyschen, ontfangen oft genieten in onsen voorschreven Lande en de Heerlicheden (de Keizer vaardigde dit plakkaat o.a. uit als graaf van Holland en Zeeland) eenige nieuwe Tienden ofte andere lasten ende rechten, van wat soorte of te specie van goede dattet zij, noch andere dan zij ende heure voorders over veertich jaeren ende daar te vooren gewoonlycke hebben geweest te neffen, ende gebruycken, maar hen tevreden houden mette ordinarise Thienden ende rechten bij hen gehadt ende ontfanghen en de daaraff zij deuchdelijke gheuseert. ende ghebruyckt hebben voor de voorschreven tijt van veertich jaren". Waarna volgt een verbod zeer „scherpelycken aan alle onse ondersaten, om aan de geestelycke'lieden en waerlycke personen ijet anders te betalen dan de voorschreven oude gewooneliche ende ordinarise rechten ende Thienden", met verder verbod om „ter cause van de voorschreven nieuwe Thienden ende onbehoorlycke exactien te compareren noch verantwoorden in Justitie voor de voorschreven geestelijcke Rechters, van wat authoriteijt dat sij useren", en met verbod aan deze geestelijke Hoven om te dier zake eenige daad van procedure te verrichten of van zoodanige procedure kennis te nemen, terwijl „dezelve Jugen mitsgaders de voorschreven geestelijcke ende waerlijcke persoonen die de voorschreven nieuwe ende extra ordinaris Thienden souden willen heffen ende opsetten, bedwongen wer¬

den realijcken ende bij feijten, te cesseren ende aff te laeten, bij hantstellinghe ende arreste van heure temporele goede bij de officieren van den plekke, daar dé fauten ende abusen gecommitteerd sullen worden, 't allen tijde als 't gebeuren sal", — wordende voorts die dwangmaatregelen aan de officieren gegeven >,nietieghenstaenda onnositie oft appellatie ghedaen. ofte <Wn

ter contrarie" en willende de Keizer „dat de voorschreven

handstellinge ende arrest standt grijpen sal, ten tijdt toe, dat de voorseijde abuysen ende attentaten césseren ende volkomelick

atgedaen sullen worden" en met bepaling eindeijk, dat aan

,,onse Rade ordinairis van den lande: waar eenig geschil over en tijd van de voorschreven 40 jaren ende daer te voren of op eenig ander punt van die ordonnantie mocht rijzen, de kenn.i.sse declaratie ende interpretatie van geschil en placcaat zal zijn gereserveerd" ;

O. dat in dit plakkaat, waarin ten slotte is gelast de overtreders „sonder verdrach oft de simulatie rigoreuselijk te bedwingen de onmiskenbare en ondubbelzinnig uitgesproken bedoeling ligt een scherpe grens te stellen aan de misbruiken van geestelijke en wereldlijke tiendheffers om, waar niet blijkt van meerder recht dan tot de „ordinairis tienden", niettemin ook smalle en krijtende tienden te heffen, wordende in dit plakkaat onder de gewraakte heffingen ook die van Coolen genoemd;

dat op dit in de strengste en meest stellige bewoordingen gegeven verbod slechts ééne uitzondering is toegelaten, n.1. het geval dat dit misbruik „40 jaren ende daer te voren" heeft bestaan, als wanneer (hoewel hier niet van eene verjaring wordt gesproken) het misbruik door het lange tijdsverloop tot een recntaatig gebruik wordt gesanctioneerd;

O. dat zoodanige uitzonderingsbepaling, al moge zij overigens

tegen den geest van het plakkaat, hetwelk uit een zin van rechtvaardigheid en bescherming van de tiendplichtigen voortsproot, indruischen, echter niet mag geacht worden het beginsel zelve te hebben willen verkorten, doch hier veeleer moet worden gedacht aan een maatregel tot vermindering van de bezwaren die de invoering van dit door de tiendheffers met tegenzin ontvangen plakkaat zou hebben ondervonden, indien met de toenmalige bestaande belangen geenerlei rekening ware gehouden ;

O. dat blijkens der eischers bewijsaanbod van 40-jarige tiendheffing van kool van bedoelde perceelen, voorafgaande aan de dagvaarding — en de daaromtrent gegeven toelichting, — de eischers de 40 jarige termijn in het placcaat van Keizer Karei niet hebben opgevat als te moeten zijn verloopen vóór den tijd waarin het plakkaat werd uitgevaardigd, doch vóór de dagvaarding ;

O. dat deze beteekenis echter bezwaarlijk aan bedoeld plakkaat kan worden toegekend, daar dan toch, in strijd met de hiervoren vermelde inhoud van- en de daarop gegronde uiteen¬

zetting omtrent, de bedoeling van dat staatsstuk, de Keizer zoude hebben moeten onderstellen dat, niettegenstaande het scherpe verbod om de rechtmatige heffing van grove tienden uit te breiden tot de onrechtmatige heffing van smalle tienden, daarmede toch zou worden voortgegaan en dat de Keizer die onrechtmatige heffing niet slechts zou hebben voorzien, doch daaraan ook voor de toekomst eene wettelijke sanctie zou hebben willen geven, indien de tiendheffer zich maar lang genoeg niet aan 's Keizers plakkaat had gestoord;

O. dat de. geheele inhoud van het plakkaat zich vierkant tegen deze opvatting verzet en het dan ook van geen wetgever, en zeker wel allerminst van een vorst als Keizer Karei V zou mogen worden verwacht, dat hij naast de deur, waaruit een schromelijk misbruik wordt verwijderd, een andere zou openen, waardoor dit. misbruik openlijk — als 't ware wordt uitgenoodigd weder binnen te komen,

O. dat nu wel tegen deze opvatting van den inhoud van het besproken plakkaat wordt aangevoerd (e. g. pag. 113 van het meer aangehaalde proefschrift van Mr. Kosters) „dat de Keizer de misbruiken wilde wegnemen die hunnen grond vonden in de verzaking van het gewoonterecht en hij de gewoonte wilde

bevestigen en kracht bijzetten, en hij door tienden van geen

andere vruchten toe te laten dan waarvan van 1480—1520 tiend werd gevorderd, het gewoonterecht in zijn vrije ontwikkeling zou hebben tegengegaan", doch dat daarbij eene bedoeling aan het placcaat wordt gegeven, die met den inhoud bezwaarlijk valt overeen te brengen, daar toch daarin niet wordt gesproken van „misbruiken, die hunnen grond vinden in de verzaking van het gewoonterecht", doch van misbruiken, door uitbreiding buiten de rechtmatige grenzen van het tiendrecht ten onrechtmatigen bate der tiendheffers, terwijl evenmin bij de hier gehuldigde opvatting sprake kan zijn van het tegengaan van het gewoonterecht in zijn vrije ontwikkeling, door geen andere vruchten toe te laten dan waarvan in 1480—1520 tiend werd gevorderd, daar zeer zeker andere granen en ander plat en rond zaad, dan 't welk va.-.i 1480 tot 1520 werd verbouwd, daarmede geen tiendvrijheid zou erlangen, doch hier alleen sprake is van het tegengaan van de zich onder den naam van „vrije ontwikkeling van het tiendrecht" verschuilende misbruiken, waardoor de grenzen tusschen de grove en de smalle tienden werden uitgewischt en waardoor zonder recht of wet de tienden „van alle maniere van goede wassende, spruytende ende voedsel van de aerde nemende", ten bate van den tiendheffer, doch ten nadeele „van de ondersaten ende van de ghemeijne welvaart van dien" worden geheven of geïnd;

O. ten aanzien van de vraag of in de bovenstaande opvatting van bedoeld plakkaat wijziging moet worden gebracht door de daaromtrent door den Keizer in 1528 en 1529 gegeven authen-

iieKe nn.eipreiauen: dat deze stukken zich over de vraag of de iii het placcaat gestelde 40-jarige termijn moet geplaatst worden vóór 1520, dan wel bestemd is om ook na dien tijd gewoonte tot recht te sanctionneeren, niet expressis verbis uitlaten ;

dat dan ook daarvoor die interpretatien niet zijn gegeven doch wel om te voorzien in het niet bedoelde gevolg van het placcaat, dat, nu daarbij de eisch is gesteld van 40-jarige verbouwing van bepaalde vruchten, de tiendplichtigen van novaal land zich aan elke tiendplicht konden onttrekken (gelijk dan ook wel geschiedde) door er zich op te beroepen, dat van de inderdaad tiendplichtige vruchten (bv. granen en zaden) die zij daarop verbouwden, gedurende, geen 40 jaren tiend was

geheven „Van welke nieuwe vruchten, niet gewoon gezaaid

te worden, die voorschrevene van de geestelijkheid (van het Bisdom Luik) zeggen dat zij naar reden niet behooren ontzet, te worden, onder voorwendsel en deksel van verloop van den tijd van 40 jaren, gemerkt dezelve voor dien tijd niet in wezen zijnde geweest, zij Geestelijken daarvan niet zouden hebben kunnen eischen, noch heffen het Tiend Regt";

terwijl gelijk „voorwendsel en deksel" mede door de tiendplichtigen werd aangegrepen om van de vruchten of graanen „ongezien en ongewoon gezaaid of geplant te worden en welke in 't toekomende in plaats van die vruchten zouden komen gezaaid of geplant worden", de tienden te weigeren (v. d. Schelling, Interpretaatsie van 1528, pag. 82 seqq.);

O. ten aanzien van deze interpretatie van 1528, dat de hier bedoelde „vruchten of graanen, ongezien en ongewoon" die „in 't toekomende in plaats van die vrugten zouden kunnen gezaaid of geplant worden", niet behoeven te duiden op verwisseling van granen en vruchten die tot verschillende soorten van tienden behoorden (smalle in plaats van grove tienden) doch veeleer duiden op de verwisseling van granen en vruchten die

Kmrlo f.r»+. rl or/al f rl cnnrt 'f. <7i-i rrrnuo r.mnllA 1, _1 t

«ui, b ui&) w "y oiiicme, uenooraen ;

O. dat de Keizer aan de achterstelling van de novale tienden bij de oude en de ontduiking van tiendrecht door andere, doch ook onder grove tienden vallende, granen, dan te voren te verbouwen, waarop bij het plakkaat niet was gelet, een einde willende maken en thans noodig achtende de tiendheffers te beschermen tegen de nadeelen die voor hun uit de onvolledigheid van het placcaat voortvloeiden, bepaalde dat de verplichtingen ten aanzien van het tiendrecht voor novaal land dezelfde zouden zijn als die voor oud land in dezelfde kerspelen en dat voor nieuwe vruchten de gewoonte in dezelfde kerspelen of bij onbekendheid aldaar in eenig ander gehucht van het Hertogdom Brabant en het Graafschap Namen zou gelden vattende

toch de Keizer de slotsom van zijn interpreteerende aanvulling van het tract-aat aldus samen;

„En wij verklaren in 't algemeen, dat in het betalen van de voors. Tienden in geen aanmerking zal genomen worden, op wat landen de voors. graanen, hooi, vrugten en bosschen verzameld zouden mogen worden of groejen,, nog in welke gebouwen of weiden de voors. veulens en vogelen opgekweekt:

Maar alleen of men in de voors. kerspel of plaats gewoon is van de voorschreven soorten Tienden te heffen en te vorderen";

Sluiten