Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrijdag, 25 September 1903 jy> 7953

WEEKBLAD VAN HET RECHT

WF-BV-ZEST/CSTE JAARGANG JDS ET VER1TAS

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post ƒ21, behalve het Register. — Prijs der advertentièn, 1—6 regels f 1.45, elke regel meer 20 cents. — Rechterlijke uitspraken ter plaatsing franco aan de Uitgevers, Boekhandel v/h Gebr. Belinfante, te 's Gravenhage (2* Wagenstraat 100),- andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht (Stationstraat 11).

auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

WETGEVING.

Wettelijke bepalingen betreffende loterijen.

MEMORIE VAN TOELICHTING.

Vervolg.

Ook het tweede middel, hoezeer op zich zelf aanbevelenswaardig, kan geene toepassing vinden.

De ambtsvoorganger van den eerstondergeteekende vestigde zijne keuze op dat middel, door in het ontwerp van wet tot herziening van det Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht een artikel 457bis op te nemen, met het doel de vervallen poenale sanctie der wet van 1814 te herstellen. Daargelaten het feit, dat dit doel door de voorgestelde bepaling — zonder meer — slechts voor het kleinste gedeelte zou kunnen worden bereikt, komt het den ondergeteekenden ongewenscht voor, de zeer urgente regeling dezer op zichzelf gewichtige materie te koppelen aan het lot eener nieuw in te dienen strafrechtsnovelle, die ongetwijfeld een langeren weg zal hebben te maken dan dit ontwerp om in het Staatsblad te kunnen verschijnen. En tot invoeging in dat Wetboek van eene strafbepaling enkel op het stuk van loterijen, kan bezwaarlijk voldoende aanleiding worden gevonden, waar toch ontegenzeggelijk ook in menig ander opzicht aanvulling of wijziging van het Wetboek van Strafrecht meer of minder urgent is te achten. Buitendien zou het volgen van dezen weg den weinig rationeelen toestand in het leven roepen, dat overtredingen van de wet van 1814 voor een deel in deze wet zelve, voor een ander deel in het Strafwetboek hare sanctie zouden vinden, terwijl daarnaast dan nog plaatselijke strafverordeningen een deel dezer materie regelen.

Het hoofdbezwaar echter, zoowel tegen het inlasschen eener strafbepaling in het Wetboek van Strafrecht, met instandhouding der nog van kracht zijnde bepalingen der wet van 1814, als tegen het opnieuw geven van sanctie aan die wet door het opnemen daarin van eene strafbepaling, is gelegen in de noodzakelijkheid der grondige en algeheele herziening dier wet.

i fit allftpn t.nnVl rl ui. Vl Q rü tormiriAlnmn i' r.

_ goucci J.Ö VCIUUUCIU,

ook de inhoud en de strekking harer nog overgebleven bepalingen beantwoorden te weinig aan de eischen, die de tegenwoordige maatschappelijke toestanden aan zoodanige wet schijnen te stellen en de overwegingen waaraan zij haar ontstaan had te danken, stemmen in te geringe mate overeen met de beginselen die daaraan ten grondslag behooren te liggen, om eenvoudi*? haar alsnog van eene strafbepaling te voorzien.

Blijft alzoo alleen het derde middel: geheel nieuwe regeling van het onderwerp ,,loterijen" bij de wet.

De Regeering ontveinst zich geenszins, dat zij, hare keuze bepalende op dit middel, den moeilijkste der drie wegen inslaat. Maar zij is tevens overtuigd, dat voor haar, met het oog op wat hierboven werd neergeschreven, deze weg is de alleen aangewezene.

Zli hp.p.ft. 7.irh Vm ViP.f nrifwomori iron /la i'v» /3J+

— — , vwu ut/ xxi uiu wciavuuiaic]

neergelegde regeling, laten leiden door de overweging, dat, terwijl niet het aanleggen van en nog minder het deelnemen in elke loterij reeds op zich zelf als onzedelijk mag worden gebrandmerkt, de speeilhartstocht als zoodanig en nog veel meer de exploitatie daarvan, ook van overheidswege strenge veroordeeling verdienen.

De exploitatie van dien speelhartstocht en daardoor dien hartstocht zelf zooveel mogelijk te beteugelen is een openbaar volksbelang, evenzeer als de intooming van de volksdrankzucht en van de exploitatie daarvan.

Van deze overwegingen uitgaande, verbiedt de ontworpen regeling niet onvoorwaardelijk elke loterij en treedt zij evenmin strafbedreigend op tegen den deelnemer in eene verboden loterij. Zij keert zich alleen tegen hen, die uit particulier winstbejag gelegenheid verschaffen tot het deelnemen in loterijen. Niet tegen den speler in de loterij is het ontwerp gericht, maar tegen de loterijen zelve en tegen hen, die de speelzucht ten eigen bate exploiteeren.

De Regeering vleit zich met de verwachting, dat, langs den door haar gekozen weg, op het terrein, door de preventieve kracht van het ontwerp bestreken, drieërlei zal worden bereikt: Vooreerst, bescherming van het individu tegen bedrog en misleiding bij loterijen, blijkens de ondervinding der laatste maanden in zoo hooge mate noodzakelijk.

In de tweede plaats, bescherming van het individu tegen baatzuchtige, schoon niet met bedrog of misleiding gepaard

Pa.n.nrlp ron viin onnnlln^

En in de derde plaats, tempering van dien speellust zelf bij het individu, ook als gevolg van de vermindering en wegneming van de daartoe geboden gelegenheid.

Op hoedanige wijze het ontwerp dit drieërlei doel tracht te verwezenlijken zal hieronder nader blijken, bij de bespreking der afzonderlijke artikelen.

Artikelen.

Artikel 1. De wet van 1814 geeft geen omschrijving van het begrip „loterij", doch bepaalt zich tot de opsomming van enkele soorten van loterijen, die onder de algemeen verbodene zijn te begrijpen, en van andere, welke onder zekere voorwaarden gunnen worden toegelaten. Aan de jurisprudentie bleef crus te eslissen of op zekere onderneming de wet al dan niet toepas-

• M iS te achten*

Meermalen toetste de Hooge Raad, waar zoodanige vraag te

s ls^en viel, de in het geding betrokken onderneming aan

ne definitie, welke dat rechtscollege van „loterij" in den zin

der wet van 1814 gaf. Opvolgend in verschillende arresten (1) werd aangenomen, dat daaronder moet worden verstaan, „zoodanige operatie, waarbij hij, die er deel in neemt, de kans er» langt om prijzen of premiën te trekken of om zijnen inleg geheel of gedeeltelijk te verliezen."

Op het voetspoor van de rechterlijke macht nam de Regeering aan, dat geen toestemming wordt vereischt voor het houden van verlotingen, waarin de deelneming zoogenaamd gratis wordt verstrekt, dus zonder een zeker bedrag als inleg te vorderen, zooals door winkeliers meermalen ten behoeve hunner klanten pleegt te worden gedaan.

Laatstvermelde, meer en meer insluipende gebruiken behooren intusschen niet tot de minst verderfelijke. In schijn mogen ^ de loten om niet worden uitgegeven, in werkelijkheid zal echter [ de inleg veelal begrepen zijn in den prijs der waren, van welker t koop het ontvangen van een of meer loten afhankelijk wordt , gestold ; immers de waarde der uitgeloofde prijzen moet de i winkelier noodzakelijk terugvinden in de winst, door hem op zijne koopwaren te maken. En mochten nu die koopwaren door x hem soms al niet duurder worden aangerekend dan gebruikelijk } is? dan zal óf de inferieure qualiteit, öf de grootere omzet hem ; schadeloos moeten stellen. In het eerste geval zijn de koopers, die door het gratis lot zich laten verleiden, toch meerendeels L bekocht, in het tweede geval kochten zij zaken, die zij zich zonder de voor hen verlokkende aanbieding niet zouden hebben I aangeschaft, zoodat zij eene onnoodige uitgave deden. In elk , geval wordt door deze praktijken de speelzucht op bedenkelijke wijze aangewakkerd en worden niet weinigen, aanvangende met het kleine, daardoor gebracht tot deelneming in loterijen op grootere schaal, maar al te vaak ook tot hun geldelijk nadeel.

Eveneens worden door de vermelde definitie buiten gesloten van het begrip „loterij" al die ondernemingen, waarbij men niet do kans loopt zijn inleg zelfs maar voor een deel te verliezen : een loterij, waarbij het vaststaat, dat het geheele bedrag tot den inlegger zal terugkeeren, is verder onvoorwaardelijk toegelaten. Indien dit eerst na een misschien groot aantal jaren behoeft te geschieden is het ontbreken van de kans op verlies intusschen slechts schijnbaar en integendeel het gemis van de rente van het ingelegd bedrag gedurende evenzoo vele jaren zeker. Feitelijk staat dit geval dus gelijk met het gedeeltelijke, zooal niet het geheele verlies van een aan den inleg inhaerente waarde. Daar degenen, die in dergelijke loterijen spelen, veelal slechts letten op den schijn en als juist aannemen wat hun wordt voorgespiegeld, worden zij hiervan te eerder de slachtoffers, omdat hun de mogelijkheid van geldelijk verlies als niet bestaande wordt afgeschilderd naast de groote kansen op winst. Deze uit te betalen winst wordt intusschen gevonden uit de door den ondernemer te eigen bate gekweekte rente van de inleggelden, zoodat feitelijk ook hier, niet minder dan bij een loterij in den meer gewonen zin van het woord, de prijzen door de gezamenlijke deelnemers zelf worden geleverd.

Waar het bij dit ontwerp te doen is om het publiek tegen de exploitatie van zijne speel- en winzucht te beschermen, ook waar die exploitatie plaats vindt in anderen dan den gewonen vorm eener loterij en om de nadeelige gevolgen van speel- en winzucht in het algemeen te temperen, kan derhalve met de aangenomen te enge opvatting van het begrip „loterij' kwalijk worden volstaan. Daarom is het gewenscht in de wet zelve eene juistere omschrijving te geven, waaraan de administratie en de rechterlijke macht gebonden zijn.

Hierin voorziet artikel 1 door eene definitie, welke al dadelijk ook die ondernemingen omvat, Welke buiten de besproken omschrijving van den Hoogen Raad vallen en waarop zooeven de aandacht is gevestigd.

Deze definitie treedt niet in bijzonderheden doch noemt in het algemeen de kenmerken, waardoor eene onderneming in den zin der wet „loterij" wordt.

De deelneming moet ten doel hebben mede te dingen naar prijzen of premiën. Op welke wijze dit mededingen plaats vindt is onverschillig, mits de toewijzing aan de deelnemers geschiede < door het lot of door eenige andere kansbepaling, waarop de | deelnemers geenen invloed oefenen. Om deel te nemen, d. i s mede te dingen, moet men natuurijk aan zekere voorwaarde of voorwaarden voldoen. In den regel zal deze voorwaarde < alleen zijn het betalen van een inleg, het koopen van een lot, i doch zij kan ook bestaan in het koopen van eene bepaalde hoe- i veelheid winkelwaren of in iets anders. Ter voorkoming van c ont uiking is in het midden gelaten, aan welke voorwaarden 2 moet zijn voldaan om deelnemer in eene „loterij" te zijn geworden, zoodat een inleg geen bepaald vereischte is. Niet slechts t van liet „lot in de engere beteekenis kan het trekken van o een prijs afhankelijk zijn gesteld, ook op andere wijze kan de o gewonnen prijs worden aangegeven bijvoorbeeld door middel 1: tenis t6enen °f d°°r de 6ene °f andere toevallige gebeur- h

Door alleen als „loterij" aan te merken die ondernemingen, v

waarbij het trekken van een prijs afhankeijk wordt gesteld van v

net. lot of van gebeurtenissen, waarop het lot invloed heeft uit- t<

geoefend, zon het begrip te zeer worden beperkt en zou de weg v

tot allerlei ontduiking worden opengesteld. Men denke slechts g

aan de zooeven genoemde middelen om zonder invloed van het k

eigenlijke lot de pnjswinners aan te wijzen of bepaalde prijzen g

toe te kennen. Indien op de kansbepaling invloed kan worden n

geoefend door de deelnemers zelf, houdt de onderneming op d

eene loterij in den zin der wet te zijn. Dit is bijvoorbeeld het v

geval bij prijswedstrijden door middel van spelen, waarbij het v

0'a' arresten Hoogen Raad dd. 14 Januari 1851 (Weekblad van het Recht no. 1262), dd. 8 Juni 1859 (Weekblad van het Recht no. 2073) en dd. 15 November 1872 (Weekblad van het Recht no. 3524).

1) I winnen geheel of ten deele afhankelijk is van persoonlijke kracht

0- of behendigheid.

r- Naast „prijs" is ook „premie" genoemd, ten einde ontduiking Jg te voorkomen en omdat trouwens onder elk dezer woorden iets anders met betrekking tot eene loterij pleegt te worden vere- staan.

1- De hier voorgestelde definitie maakt het overbodig het vooris beeld der wet van 1814 te volgen en bepaaldet soorten van & loterijen met name te verbieden; met een goede definitie tot 1- grondslag en richtsnoer kan met een algemeen verbod van

„loterijen" worden volstaan, zonder opsomming van categorieën van te verloten prijzen, welke uit den aard der zaak öf onvoln ledig of toch enuntiatief zou moeten zijn.

:r Intusschen moet erkend worden, dat de nu aangenomen defisr nitie van loterij weer te veel zou omvatten, indien niet uitdrukIt kei ijk enkele uitzonderingen werden gemaakt. Zoo zouden some mige soorten van levensverzekering onder de definitie vallen, p Wanneer bijvoorbeeld het doen van de uitkeering aan den eenen r of anderen persoon, behoorende tot een bepaalde groep van k verzekerden, afhangt van de omstandigheid wie van hen al de n anderen overleeft, heeft er mededinging naar een prijs plaats i, en wordt deze door een kansbepaling toegewezen. Toch mag s het sluiten ook van zoodanige levensverzekeringen niet worden i onmogelijk gemaakt of ook maar bemoeilijkt. Vandaar, dat ten i overvloede voor deze ondernemingen in het algemeen eene uit< zondering is vervat in het tweede lid van artikel 1 onder den e waarborg evenwel, dat men werkelijk met eene overeenkomst t van levensverzekering te doen heeft, aangegaan met inacht3 neming van de wettelijke bepalingen op dat stuk bestaande, met met eene als levensverzekering vermomde loterij van dé ï soort als deze wet weren wil. Als wettelijke bepalingen dieni aangaande gelden thans de artikelen 302 e. v. van het Wetboek van Koophandel.

In de tweede plaats wordt eene uitzondering gemaakt voor rentegevende premieleeningen en zoodanige andere premie] ee1 nmgen, welker aandeelen worden afgelost met een hooger be. i drag dan bij de deelneming daarvoor werd betaald. ; Premieleeningen worden in zeer verschillende vormen onders nomen. Niet zelden tot zeer nuttige doeleinden en lang niet altijd met in uitzicht stellen van zeer hooge bedragen als pre; miën, bijvoorbeeld waar de premie eenvoudig bestaat in hetgeen bij aflossing, door het lot te bepalen, boven pari zal worden terugbetaald, terwijl bij andere de kans op het trekken van aanzienlijke sommen als premie zóó gering is, dat daardoor de speelzucht niet kan gezegd worden op bedenkelijke wijze te worden aangekweekt. Veeleer worden premieleeningen gebruikt tot geldbelegging, waarbij men zich met eene zeer matige rente tevreden stelt met het oog op de kans een premie te eeniger tijd te zullen trekken. In zoover verschilt de deelneming in een premieleening niet zooveel van het sluiten van sommige soorten van levensverzekering en ongetwijfeld is daarbij speelzucht veel minder de drijfveer dan bij vele andere operatiën ter effectenbeurs. Een algemeen verbod van premieleeningen zou derhalve stellig te ver gaan en het doel dezer wetsvoordracht voorbijstreven.

Daarenboven zou de vrijheid van den effectenhandel ter beurze op bedenkelijke wijze worden besnoeid door zulk een verbod en dat wel zonder zekerheid dat het zou worden geëerbiedigd en in acht genomen. Het tegendeel zou zelfs eer te wachten zijn, waar de gelegenheid te over zou bestaan om elders dan openlijk op de beurs aandeelen uit te geven en te verhandelen ■ de kantoren van bankiers en van makelaars en commissionairs in effecten zouden daarvoor vanzelf de gebruikelijke plaatsen worden en daar zouden die handelingen buiten het oog van politie en justitie worden gepleegd. Het is om al deze redenen, dat het ontwerp er toe gekomen is rentegevende premieleeningen niet te beschouwen als loterijen.

Met rentegevende premieleeningen worden dan verder gelijk gesteld die premieleeningen, welke eerst bij de aflossing of uitloting vruchten afwerpen in den vorm van een surplus op de oorspronkelijk geleende bedragen. Noodzakelijk is echter, dat geene deelnemers in de leening van het genot van zoodanig surplus zijn uitgesloten.

Het valt niet te ontkennen, dat in de gemaakte onderscheiding eenige willekeur is gelegen. Toch mag men in het algemeen wel als vaststaande aannemen, dat de in het ontwerp verboden soort van premieleeningen zóó groote trekken van overeenkomst vertoont met de eigenlijke loterijen dat het noodzakelijk is ze wettelijk daarmede gelijk te stellen.

De ondergeteekenden hebben ernstig overwogen of boven de thans voorgedragen regeling niet eene andere de voorkeur verdiende, waarbij alle premieleeningen begrepen konden blijven onder de definitie van artikel 1, maar aan artikel 3 eene bepaling werd toegevoegd, krachtens welke voor het aanleggen en houden van premieleeningen, mits voldoende aan bepaald omschreven eischen, door de Kroon vergunning zou kunnen worden verleend. Zij hebben echter, na rijp beraad, dat denkbeeld laten varen, hoofdzakelijk op den navolgenden grond. Zij kwamen tot de bevinding, dat het vrijwel onmogelijk was zoodanige wettelijke eischen te stellen als voorwaarden voor de verkrijging der Koninklijke toestemming, dat daarin steeds een werkelijke, volstrekt afdoende waarborg voor het publiek zou zijn gelegen. Toch zou het publiek ongetwijfeld in zulke toestemming steeds zoodanigen waarborg zien en men zou zoodoende bij deze materie vervallen in een tienmaal erger euvel, dan ten gevolge van den wettelijken eisch van Koninklijke goedkeuring van statuten van naamlooze vennootschappen en vereenigingen thans op ander terrein terecht aanstoot geeft.

Daargelaten dat de eisch van Koninklijke goedkeuring van buitenlandsche premieleeningen wel zou afstuiten op onoverkomelijke moeilijkheden!

De mogelijkheid tot vrijstelling van de verbodsbepalingen ten behoeve van andere ondernemingen, waarop de wettelijke om-

Sluiten