Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. in rechte: dat de vordering van den eischer in conventie thans geïntimeerde strekt tot van waarde verklaring van een door hem gelegd revindicatoir beslag, tot afgifte der beslagen goederen en tot vergoeding van kosten, schaden en interessen te dezer zake reeds geleden, of nog te lijden, terwijl de gedaagde in conventie, thans appellant, concludeerde tot nietontvankelijkverklaring immers tot ontzegging van den eiscii en eisen aoencle m reconventie tot onwettigverklaring van het ge egel beslag en tot schadevergoeding op te maken bij staat; nw'nnf ï ë.e"itimeerde voorop heeft gesteld dat de appellant n llJ 1S 111 haar hoüSer beroep, omdat zij in de von¬

nissen, waarvan appel, zoude hebben berust.

O. dat de geïntimeerde heeft getracht die bewering te staven Infi et overleggen van 2 brieven na het uitspreken van het laatste vonnis door den toenmaligen raadsman der appellante tot dien des geïntimeerden gericht, doch dat de inhoud dier brieva* — afgescheiden nog van de omstandigheid, dat het niet blijkt dat zij zijn geschreven met goedvinden en op last ian de appellante zoo onbestemd is, dat daaruit in geenen deele kan worden afgeleid, dat de appellante zelfs maar de bedoeling zoude hebben gehad, om zoo een schikking haar mogelijk voorkwam, in de vonnissen te berusten, veel minder dat zij daarin

^luou wdcwuiu vuigt, aat zij moet worden verklaard ont¬

vankelijk in haar appèl.

0. in conventie : dat de appellante als grieven heeft aangevoerd tegen de beide vonnissen: tegen het 2de echter alleen omdat het is gebaseerd op en zich aansluit aan het eerste:

1. dat de Rechtbank heeft beslist, dat de oorspronkelijke eischer bij dagvaarding heeft gesteld te zijn eigenaar der beslagen goederen en hem dientengevolge ontvankelijk heeft verkiaardj

2°. dat de Rechtbank heeft aangenomen dat de oorspronkelijke eischer zijn eigendomsrecht heeft bewezen.

O. omtrent de eerste grief: dat waar de dagvaarding moet bevatten de middelen en het onderwerp van den eisch degene die revindicatoir beslag leggen wil en daarna de van waardeverklaring daarvan vragen wil in het request aan den President en de zich daaraan aansluitende dagvaarding moet stellen krachtens welk hem toekomend recht het beslag wordt geleed en de van waarde vfirkla-rino- wnrrlf nowoar./^ ^ .

-------—o ïuuctüuue toen

gedaagde zoowel de feitelijke als de rechtsgronden, waarop de vordering steunt, uit de dagvaarding leeren kennen;

O. dat het Hof alsnu van oordeel is, dat de dagvaarding nie^ bevat eene voldoende aanduiding van het recht, krachtens welke het beslag is gelegd en de van waarde verklaring wordt gevraagd ; °

O immers dat de gronden, waarop de Rechtbank aanneemt dat in de dagvaarding op voldoende wijze het eigendomsrecht van den oorspronkelijken eischer is gesteld niet afdoende zijn: >Hjnde die gronden ten eerste', dat gesteld is dat de appellante üe beslagen goederen van den geïntimeerde in bruikleen, heeft gekregen met vermelding der voorwaarde», waaronder die overeenkomst is aangegaan en voorts dat de geïntimeerde stelde :

dat hij revindicatoir beslag legde en daarvan de van waarde verklaring vroeg.

O. dat echter die gronden onvoldoende zij om aan te nemen dat de dagvaarding bevat de stelling dat de oorspronkelijke eischer zoude hebben het eigendomsrecht van de bewuste goederen omdat het in bruikleen geven van goederen geschieden kan "iet enkel door den eio-enaar maar ook door den blooten houder der zaak waaruit tevens volgt, dat men, stellende revindicatoir Deslag gelegd te hebben nog in geenen deele heeft gesteld, eigenaar van het beslagene te zijn.

O. dat de crfiinHmpprrlp r>/-»rv j _i _ i 1 •• t

• J J o ""ö «CCIO ctóiugevuera (lilt nii door

n de dagvaarding te stellen, dat de appellante de goederen van hem in bruikleen ontving, voldoende heeft gesteld, dat hii bezitter der goederen was, en de appellante die voo'r hem onder zich heelt, zoodat hij als eigenaar moet worden beschouwd •

O. dat het Hof die meening echter niet deelt, vermits zooals boven reeds is overwogen ook de niet eigenaar in biuikleen kan geven zoodat de bewering dat men zulks deed nog niet in zich sluit de stelling dat men dit deed als bezitter in den zin van artikel 2014 B. W. en mitsdien als eigenaar;

O. dat de geïntimeerde eindelijk nog heeft beweerd: dat de appellante had moeten stellen en aantoonen dat de president ten onrechte het verlof had verleend en dat eerst dan op den eslaglegger de taak rust, om aan te toonen dat het verlof te recht is verleend;

O dat deze bewering reeds daarom niet kan opgaan, omdat «ij de strekking heeft om de bewijslast om te keeren; terwijl daarenboven zil vnllrnmpn nnrroffmn^ io ,lon» U „x 'T_ .1

, ^ — uaai Hei uresiuiaai ver-

o en t beslag, dat zonder dat verlof ondenkbaar is, in zoo nauw verband tot elkander staan, dat bestrijding van de wettigheid van het een tevens die van het ander medebrengt •

O dat uit een en ander volgt, dat het Hof van oordeel is, dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist: dat de geïntimeerde bij dagvaarding voldoende heeft gesteld zijn eigendomsrecht op de beslagen goederen en hem dus ten onrechte ontvankelijk i f , verklaard in zijn vordering tot van waarde verklaring van net beslag, zoodat de eerste grief van de appellante in zooverre !s gegrond;

O. echter dat de vordm-incr fnf toï-nirfroTra a^« ~~~a— , .

ö —- u66u,vl' «Cl gueuereil en tot

vergoeding der schade ingesteld op grond van het contract van

Ill'inL" üAn ïn Hnnln 1 n/i , i

„ Geregistreerd, enz. uit dat

Conr.rapr, 7nnn c hof i i .

_ Hl vei ua-na met de beweerde wan-

praestatie der oorspronkelijk gedaagde voortvloeien, zoodat de

vnrrj^vinrr rlu 4- l. x i t-i • ' , ,

uiu ucw oe reuui ontvajiKenjK is verklaard* O. wat de 2de grief aangaat en wel ten eerste voor zoover die betreft de van waarde verklaring van het arrest dat die grief niet verder behoeft te worden onderzocht daar zooals boven is overwogen, de oorspronkelijk eischer in dit deel der vordering loet worden verklaard niet ontvankelijk, doch dat al ware het nders deze grief gegrond zoude moeten worden verklaard, omiw.1 i• °orsPr°n}i;elij'i: eischer tot staving van zijn eigendomsv,7A uitsluitend heeft beroepen op de acte van bruikleen euce acte, evenwel niets inhoudt waaruit noodzakelijk volgt, t de oorspronkelijk eischer eigenaar is van de bedoelde goedo 0,1'. alleen stipulaties bevat, die iedere houder van goegeeft". maken, wanneer hij die goederen in bruikleen uit-

<l3,' Wat grlef betr?ft v00r zoover aangaat de 2e en 3e vorbe], "Ij" : , om daarm te slagen de oorspronkelijk eischer niet i™* te bewijzen, dat hij eigenaar der goederen was, — Ve.rh 3- vorderingen instelde op grond van de contractueele baande!"8 tussc en hem en de oorspronkelijk gedaagde be-

"onien^ tusschen paruien vaststaande mag worden aange2>)ndP ,i • ? Soederen» waarvan de teruggave wordt gevraagd de in h i m g genomen goederen zijn dezelfde, die volgens "reerd» !i ge , 8 gebrachte acte van bruikleen van den geïnti-

dat t i?r appellante in bruikleen zijn ontvangen; dezelMp00-1- de aPPellapt« niet heeft betwist dat die goederen 1 zyn en dat zij de acte van bruikleen niet van valsch.

heid heeft beticht, maar daartegenover alleen de geheel onbewezen bewering heeft gevoerd, dat zij de acte teekende zonder den inhoud te kennen en zonder die te lezen ;

O. dat voorts ten processe vaststaat dat de acte van bruikleen inhoudt dat de bruikleengever de goederen steeds kan terugvorderen, en voorts dat de oorspronkelijk eischer zulks bij deurwaardersexploit heeft gedaan en dat de oorspronkelijk gedaagde de goederen niet op die sommatie heeft teruggegeven terwijl de appellante ook niet. heeft tegengesproken dat de geïntimeerde schade heeft geleden door haar niet voldoen aan hare contractueele verplichting;

O dat uit het bovenoverwogene volgt, dat het Hof van oordeel is, dat het vonnis der Rechtbank wat deze vorderingen betreft, zij het ook op andere gronden moet worden bevestigd •

O. wat betreft de reconventie dat de vordering in reconventie noch in eersten aanleg noch in appèl is tegengesproken zoodat zy reeds in eersten aanleg voor toewijzing vatbaar was. dat thans de beslissing omtrent het gelegd beslag ten gevolge moet hebben de toewijzing der reconventioneele vordering moetende toch worden aangenomen dat een onwettig gelegd beslag nadeel oe rengt aan den beslagene welk nadeel hem moet worden vergoed door den beslaglegger;

O. dat waar beide partijen in sommige punten in het ongelijk

wnrdftn fTAfifpIrl TT/-»# -1, 1 , . ° J

ö jav, mennen vmdt om de proceskosten te

compenseeren;

Gezien art. 56 B. R.;

Recht doendie in hooger beroep:

Verklaart de annplla.nf.P nnf.TTQ In U J ^ „ ! • .

- - -rr lil 11CU uutu llibcLV llicre-

steld hooger beroep;

Vernietigt de vonnissen waarvan appèl 1° in conventie voor

znnvpr Ho ffoïn(i'mnnv,J« 1

&™Ux,nCCiUC 1Ö vei-Kiaara ontvankeliik in znne vor dering tot van waarde Arpr-VlQr-inrY „nv, u.i i ...i. i

- vclu net uuur neiii geieea re¬

vindicatoir beslag en hem die vordering is toegewezen ; 2°. in

rfiP.nnvp.nfio • 70 j» ._:± , . ö , .

5 ^ • vvau uctieit uu uitspraak omtrent de kosten;

tn opnieuw recht doende •

Verklaart in conventie den geïntimeerde niet ontvankeliik

in Zline vnrnprinrf fr»f -\7tin urn o „ i , i , J

& r , ; v^in.ianxig van net door nem

gelegd revindicatoir beslag.

In reconventip : VprTrloa».* 1/1 t.._- ,

—uuifouwg ,jum ±yuu ten

verzoeke van geïntimeerde gelegd revindicatoir beslag ten huize

rlp.r annpllonto •

,

Heft dit nn ph ofolf V.l—:a .

-xr- •j^^xu iicu uuii/tJll cüucv;u ,

V eroordeelt geïntimeerde te dier zake tot schadeloosstelling

( u1j staat en te vereffenen volgens de wet;

Compenseert de kosten in dier voege dat iedere partij hare eigen kosten in beide instanties zal dragen;

Bevestigt het vonnis voor het overige.

ARRONDISSEMENTS-RECHTB ANKEN.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE ROTTERDAM. Eerste Kamer.

Zitting van den 17 November 1902.

Voorzitter, Mr. S. Gratama Wz.

Rechters, Mrs.: G. W. Baron van derFeltz en C. O. Seqers.

Art. 735 B. R.

Voor hel leggen van conservatoir beslag onder derden is noodia :

1". dat de beslaglegger sckuldeischcr is van hem op wiens geld beslag wordt gelegd ;

2 . dat. datgene waarop beslag is gelegd verschuldigd is of toebehoort aan den schuldenaar van den beslaglegger.

Beide vereischten ontbreken in casu.

L van Oijen, koffiehuishouder, wonende te Rotterdam, eischer, advocaat en procureur Mr. B. Denekamp,

tegen

G. Vermeegen, schipper, voerende het schip „Recht door Zee", gedomiliceerd te Rotterdam, wonende aan boord van zijn schip, als vader van zijne minderjarige dochter M. Vermeegen, en als zoodanig gemelde minderjarige in rechten vertegenwoordigende, gedaagde, advocaat en procureur Mr. E. S. Hollander.

De Rechtbank en:!.;

Gehoord partyen in hare conclusiën en pleidooien;

Gehoord de conclusie van den Olficier van Justitie bij deze Rechtbank, daartoe strekkende dat de eischer niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn eisch, dat het gelegd beslag zal worden verklaard van onwaarde en zal worden opgeheven met veroordeeling van den eischer in de kosten;

Gezien de stukken van het geding, alle voor zooveel noodia geregistreerd en daaronder:

a. een spaarbankboekje no. 2723 uitgegeven door het postkantoor te Rotterdam Prins Hendrikkade den 7en October

»en Denoeve van jvi. vermeegen, wonende te Rotterdam Feyenoordstraat 9, geboren te Rotterdam 12 Februari 1882: ♦ b. drie kennisgevingen van den Directeur der Rijkspostspaarbank, allen betreffende het boekje no. 2723 en geadresseerd aan M. Vermeegen, Feyenoordstraat 9 Rotterdam ;

Ten aanzien der feiten :

Overwegende, dat de eischer bij dagvaarding en conclusie van eisch heeft gesteld, dat hij met verlof van den Heer Voorzitter tier Arrond .R.pnhfhnnL- tn —Jnm j_._ n -,-x *

, ^ amaociuam vciu uen i en uecemoer

!; couservatoir beslag heeft doen leggen onder handen en beneer van de Directie der Rijkspostspaarbank, gevestigd te Amsterdam, op al zoodanige gelden als door de vermelde Rijkspostspaarbank verschuldigd is ter zake van verschillende inlagen, met de sedert verschuldigde interessen, ingeschreven in het spaarbankboekje onder no. 2723 ten name van M. Vermeegen, dienstbode, geboren te Rotterdam den 12en Februari 1882 en uitgegeven door het postkantoor te Rotterdam (bijkantoor Prins Hendrikkade) den 7en October 1899 en zulks ter verzekering en om de uitkeering van die bedoelde inlagen te verkriigen tot een gezamenlijk bedrag van f 600.— behalve de sedert verschuldigde interessen ;

dat eischer is houder en eigenaar van een postspaarbankboekie, uitgegeven dnnr rlp

(V7CYT j i r xv.jnopu^^aaiuciaK, onoer nummer

2723 door het postkantoor te Rotterdam (Prins Hendrikkade) den 7en October T89Q aan M a: ai_j. i '

, t> xx i i " ", * T uienstuuue, geooren te Kotterdam rlpn IQpn iqqo • • '

i V"Iuaxi waarop is ïngescnreven

een kapitaal van f 600.— behalve de interessen ;

dat de inleg van vermelde f 600.— heeft plaats gehad op de volgende wijze: ^

1 . i 300.— den 7en October 1899;

2°. f 100.— den 24en October 1899;

3°. f 200.— den 13en Januari 1900;

dat gemelde M. Vermeegen, nicht van den eischer, de bovenvermelde sommen heeft ontvangen van den eischer om ze tijdelijk op haar naam te doen inschrijven doch uitsluitend ten behoeve van eischer en onder beding het Spaarbankboekje en

Van de ^irectie del' Rijkspostspaarbank, houdende de bevestiging van de verschillende inlagen, aan eischer ter hand te stellen, gelijk zij dan ook deed, zoodat de gelden slechts pro forma zouden staan ten name van gemelde M. Vermeegen om gelijk haar door eischer was medegedeeld te voorkomen dat eischers vrouw zich daarvan zoude meester maken ■ , .dat de verschillende hiervoren vermelde gelden ter inlage oij de Rijkspostspaarbank ten behoeve van den eischer aan gemelde M. Vermeegen zijn ter hand gesteld in bijzijn van getuige-jj6n-M SPaarkankboekje na de gedane inlagen dan ook onmiddellijk aan eischer, mede in tegenwoordigheid van getuiaen is ter hand gesteld ; '

dat de eischer van meening was bij het overhandigen van vermelde sommen aan gemelde M. Vermeegen om voor hem die gelden op de Rijkspostspaarbank te beleggen, dat het enkel bezit van het spaarbankboekje hem recht gaf om ten allen tijde het ingelegde geld van de Rijkspostspaarbank terug te eischen ■

dat evenwel behalve de overgave van gemeld boekje tot afschrijving van het terugbetaalde geld ook nog noodig is een bewijs van kwijting door hem of haar ten wiens name het gemelde boekie staat ino-pepkyo^r» ™ nii j_„ • 1 ° «

j -■-— —en cmcüii ctaxi uen miegger 01 diens gemachtigde de inlagen worden terugbetaald •

dat voormelde M Vermeegen geweigerd heeft die bedoelde kwijting of hare machtiging tot ontvangst aan eischer ter hand te stellen en ook de vader van die minderjarige, de gedaagde in tegenwoordigheid van getuigen dit weigert op grond dat eischer het geld niet noodig had en waaruit dus volgt dat die vader — gedaagde — weet dat de ingelegde gelden inderdaad niemand anders dan eischer toebehooren;

dat het bovendien duidelijk is, dat de voormelde gelden aan die minderjarige M. Vermeegen niet toekomen op grond van : «.dat zij tijdens de inlagen dienstbode was bij eischer, zooals dit ook staat aangeteekend op het spaarbankboekje;

h. dat zij behalve een klein salaris (eerst f 1.— later f 1.25 per week) geen inkomsten had en hare ouders zoo goed als zonder vermogen waren en zijn ;

c. dat zij te jong was tijdens de inlagen werden gedaan (17 jaar) om het ingelegde kapitaal als haar eigendom te kunnen had • Z'J nimraer noch eiëen vormogen, noch inkomsten

op welke gronden eischer heeft geconcludeerd dat bij vonnis dezer Rechtbank het voornoemde beslag zal worden verluaarü goed en van waarde en de gedaagde in zijne hoedanigheid vermeld zal gehengen en gedoogen dat na de afgelegde verk aring door de gearresteerde aan den eischer zal worden betaald de bij gemelde Directie der Rijkspostspaarbank gearresteerde verschuldigde gelden, alles met veroordeeling van den gedaagde in de kosten van het proces ingeval van tegenspraak;

O. dat de gedaagde heeft geantwoord dat wel de eischer het ten name van gedaap-dp.'s iv/r xt~ . . 11 i

a • u i, ?x i 1 7 vermeegen gestelde ooekie

onder zich heeft doch dat dit aan laatstgemelde toebehoort;

Hal. +nnli Ivl \/_i _ i '

i ' 'x ë aaarop ingeschreven bedragen

van te zamen f 600 .— van i—ei ... . • . ö

. neeiu ontvangen niet om

ze ty de lijk op haar naam doch ten behoeve van eischer te doen inschrijven, maar alleen ten eigen behoeve, hebbende toch eischer haar dat e-eld crpsphnnlr Pn 7nn,-ln r>^„1, „:„x 11

l , ° O ^*'5 Uttll UUtS. Iliet UBilOll -

gen is dat M. VfirmpAcrpn f onooAr,r.M^„i-,• _i. 1. _j ■> i t.i

Y o *- * ^"^i^a.nivMucivje en ue oeLreKKeinke

kennisgevingen aan eischer ter hand zou stellen en dit ook met geschied is, hebbende zij integendeel zelf het boekje bewaard en steeds zelf voor de inschrijving van het geld gezorgd -

dat zil kort voor haar voi.fr.Alr „U • „ I.~x 1 .

»^x„xcxv uil/ ciouiciö wuxiing Iiet D0eK16

heelt opgezonden tot het doen bijschrijven der rente en dat zij toen 't boekje terugkwam, reeds 'vertrokken was zoodat het in handen gevallen is van ai* a~ i—ei. •

.o -- — uic wc rtigntc ueeiu geweigerd;

dat eischers hewpsrino- nlo 7nn u;-; — j_x 1 ,

, , . & "y gcu/viu ucuueu net en-

Kei bezit van het boekje hem recht gaf om ten allen tijde het

ïno-p POYlP CTPln WQn „ „U 1_ x .. 1 . -1 • , °

,®, opacftruaiiK terug te eiscnen, niet zeer aan¬

nemelijk is;

da,t bovendien zooals gezegd, het boekje in den regel niet in zijn bezit was, maar in bezit van gedaagde's dochter;

dat t na lezing van het bovenstaande begrijpelijk zal zijn dat zoowel gedaagde als zijne dochter geweigerd hebben aan eischer een kwijting of machtiging tot ontvangste af te geven • dat gedaagde dit heeft geweigerd niet omdat eischer 't geld niet noodig had, maar omdat eischer er geen recht op had zijnde eischer's beweringen, dat gedaagde weet dat 't geld aan niemand anders dan aan eischer toebehoort eenvoudig uit de lucht

fyoiTrorvan .

dat de drie gronden welke eischer aanvoert ten bewijze dat voormelde gelden niet aan gedaagde's dochter- toekwam afdoende weerlegging vinden in het feit dat eischer zelf haar die gelden geschonken heeft;

dat bovendien, ook indien eischer's posita juist waren niettemin gedaagde's dochter tegenover de Rijkspostspaarbank de eenige rechthebbende zou zijn op de ingelegde gelden en dus eischer van gedaagde niets anders zou kunnen vorderen dan betaling van f 600.— met de rente;

dat evenwel door efscher niet gevraagd wordt dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van f 600.—, maar alleen dat gedaagde zal gehengen en gedoogen dat na de afgelegde verklaring door de derde gearresteerde (de Spaarbank) de gearresteerde gelden aan eischer zullen worden uitbetaald •

dat er van een uitbetaling der gearresteerde gelden aan eischer eerst dan sprake kan zijn indien vaststaat dat eischer geld te vorderen heeft van gedaagde m. a. w. eerst nadat gedaagde zal veroordeeld zijn om een zeker bedrag aan eischer te betalen ;

—~ vciuurueeung ooor eischer niet eens gevraagd

wordt, zoodat eenerzijds het positum zelf niet voor toewijzing vatbaar is, en anderzijds nu het positum niet logisch uit de middelen van den eisch volgt, de eischer niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering;

orde^' me' rï°°r e'sc^ers gelegde beslag ook niet in

dat eischer heeft gelegd een conservatoir derde arrest d. w. z. een beslag onder handen van een derde op gelden door dezen aan den schuldenaar verschuldigd, in casu een beslag onder de Spaarbank op gelden door deze aan gedaagde's dochter verschuldigd ;

dat het echter opmerking verdient dat eischer zoowel in het exploit van beslag, als in de dagvaarding zich er zorgvuldig van onthoudt te spreken van gelden door de Spaarbank aan gedaagde s dochter verschuldigd, maar stelt beslag te hebben gelegd op gelden door de Spaarbank verschuldigd ter zake van verschillende inlagen ingeschreven in het spaarbankboekje ten name van M. Vermeegen;

dat eischer verder het beslag niet heeft gelegd ter verzekering eener vordering, die hij heeft op gedaagde, maar ter ver-

Sluiten