Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7959.

Burgemeester der gemeente Bergen op Zoom, eischer, advo- , caat en procureur Mr. M. P. M. van Dam,

tegen

de gezamenl. erfgenamen van wijlen i:. W., gewoond hebbende 1 te Bergen op Zoom, overieden 111 liet kranKzinnigengesiicni 1 „Voorburg" ie Vucni, gedaagden, procureur en advocaat Mr. u. H. J. van Mens.

jUê lieciitbaiik j Ueiiuoru. pal tsen j Gezien de stukken;

Gelet op de conclusie van den Heer Officier van Justitie, daartoe strekkende, dat het der Kechtbank moge behagen aan eisciieresse hare vordering ais ongegrond en onbewezen te ontzeggen; | Ten aanzien vuil de daadzaken:

Overwegende dat eischeresse steiiende, dat zij ten behoeve van den onvermogenden ï\ YV. voor zijne verpleging in het geneeskundig gesticht voor krankzinnigen „Voorburg' te v ucht heeft betaald de som van f 973.14$ aan voormeid gesticht te weten verplegingskosten van k9 Augustus 18S6 tot en met 10 J uii 1901, zijnde 125 dagen over 1Ö96 of f 68.79 en over lo97, 1898, 189ü en 1900 f 200.— per jaar of f 800.— benevens 191 dagen over ( 1901 of f 104.65^; dat genoemden F. W. den 10 Juli 1901 in dit gesticht krankzinnig is overleden en zij gerechtigd is voorschreven som op de erfgenamen van F. YV. te verhalen, van gedaagden de betaimg vordert van i 973.14$ uit voorschreven hoofde verschuldigd, met de rente ad 5 % s jaars van af den dag der dagvaarding tot aan de voldoening althans voor zoover de nalatenschap van F. W. niet minder dan de verschuldigde som mocht bedragen, in welk gevai zij met de uitkeering daarvan kunnen volstaan, na veroordeeling van gedaagden in de proceskosten;

dat gedaagden hebben geantwoord dat F. W. niet onvermogend was, noch bij zijne overbrenging' naar het gesticht, noch later, dat het krankzinnigengesticht ,,Voorburg' te Vught niet is een godshuis in den zm der armenwet vermits daarin geen armen met een weldadig doei worden gehuisvest, dat de vordering van eischeresse dan ook niet op de wet gegrond, en daarenboven de vordering tot betaling van verplegingskosten over 1896 ad 1' 68.49 verjaard is en de vordering van renten door de wet wordt uitgesloten;

dat gedaagden op grond van een en ander hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring en tot ontzegging van e vordering van eischeresse, als zijnde deze ongegrond en onbewezen en subsidiair tot niet-ontvankeiijk-verkiaring van deze vordering voor wat betreft de gevorderde betaling van verplegingskosten over 1896 en van interessen, alles met hare veroordeeling in de proceskosten ; .

dat eischeresse hare vordering verminderende met t 68.4j over 1896 en met de gevorderde rente-betaling, nog heeft gerepliceerd, dat artikel 73 der Armenwet luidt: „Onder Godshuizen worden voor de toepassing dezer wet verstaan alle inrichtingen in welke armen met een weldadig doel worden gehuisvest, met of zonder verdere verzorging'1, terwijl de 2e alinea van dit aitikel bepaalt, dat ten aanzien van gestichten voor krankzinnigen de bepalingen der wet van 29 April 1844 (Stbl. n°. 20) thans de wet van 27 April 1884 (Stbl. n°. 96) van kracht blijven, dat daaruit volgt, dat de gestichten voor krankzinnigen worden gerekend te behooren tot de Godshuizen en dat krankzinnigengestichten die, zooals in casu het krankzinnigengesticht „Voorburg" als instellingen van weldadigheid de verpleging van behoeftige lijders op het oog hebben, onder de Armenwet vallen, dat bovendien voornoemd gesticht „Voorburg" een filiaal is van de Godshuizen en de algemeene armen te 's Hertogenbosch, dat meergenoemde F. W. tijdens zijne overbrenging naar het krankzinnigengesticht armlastig was en ook zijne moeder op kosten der gemeente Bergen op Zoom in het gasthuis aldaar verpleegd werd en dat eerst na het overlijden van zijne moeder gebleken is, dat zij iets heeft nagelaten en dan ook P. J. B. tot provisioneele bewindvoerder benoemd is;

dat gedaagden hebben gedupliceerd, dat, waar het gesticht „Voorburg" betaling eischende voor de verpleging van wijlen F. W. niet als Godshuis is te beschouwen; dat artt. 49 en 50 der Armenwet, regelende de verpleging in Godshuizen niet van toepassing zijn, en deze vordering ook niet op art. 52 dezer wet kan steunen, vermits dit artikel verhaal toelaat op den ondersteunden zeiven, indien hij tot teruggaaf in staat ge~ raakt, maar niet op zyne nalatenschap en alzoo niet op zijne erfgenamen, dat zij bepaaldelijk moeten ontkennen dat F. W. tijdens zijne overbrenging naar het gesticht armlastig was en zijne moeder op kosten der gemeente Bergen op Zoom in het gasthuis daar verpleegd werd, dat hij dan ook met zijne moeder in onverdeelden eigendom bezat eene hoeve met inboedel, die in het openbaar zijn verkocht respectievelijk voor f 1776.34 en f 348.40 na aftrek der schulden en kosten, doch dat dit niet ter zake dienende is;

Ten aanzien van het recht:

O. dat eischeresse in de onderwerpelijke vordering de door haar bedoelde kosten van verpleging van een armen krankzinnige die in een krankzinnigengesticht is overleden, wil verhalen op zijne nalatenschap;

dat dit verhaal steunt op art. 50 der Armenwet, dat bepaalt, dat de betaalde kosten van verpleging alleen kunnen verhaald worden op de nalatenschappen van hen, die verpleegd worden in Godshuizen en aldaar overleden zijn, terwijl art. 49 dezer wet aan het Bestuur dat de verpleging bekostigt van armen, die in een godshuis verblijven, het genot gedurende deze verpleging verzekert, van de inkomsten van deze verpleegden, doch niet verder dan tot het beloop van de gemaakte kosten;

dat in tegenstelling met deze bepalingen elke andere onderstand, die door het burgerlijk, kerkelijk of bijzonder bestuur aan armen wordt verleend, dus ook de betaalde verplegingskosten van armen in gestichten, die niet onder de Godshuizen kunnen gerekend worden, ingevolge art. 52 der Armenwet slechts kan verhaald worden op den ondersteunden zelve, indien deze tot teruggaaf daarvan in staat geraakt en op zijn bloed- en aanverwanten die tot zijne alimentatie verplicht zijn en alzoo niet op de nalatenschap van den ondersteunde;

dat derhalve het onderwerpelijke geschil beheerscht wordt door de vraag, of het geneeskundig gesticht voor krankzinnigen „Voorburg" te Vucht een Godshuis is in den zin der Armenwet;

O. dienaangaande dat in artikel 73 dezer wet onder Godshuizen worden verstaan alle inrichtingen in welke armen met een weldadig doel worden gehuisvest; dat nu wel is waar zooals in casu in het gesticht „Voorburg" arme krankzinnigen ter verpleging worden opgenomen, doch deze verpleging althans voor zoover het bedoelden verpleegde F. W. betrof, volgens eigen posita van eischeresse geschiedde op kosten van het Bestuur dat de* verpleging had verzocht, zoodat de weldadigheid die aldaar aan dezen verpleegde werd bewezen, niet uitging van het gesticht dat voor de verpleging behoorlijke vergoeding

erlangde, maar van het Bestuur dat een en ander bekostigde;

dat mitsdien het geneeskundig gesticht voor krankzinnigen „Voorburg" te Vucht niet -gezegd kan worden bedoelde arme met een weldadig doel te hebben gehuisvest en dan ook in dezen niet is te beschouwen als een Godshuis, waarop de artt. 49 en 50 der Armenwet toepasselijk zijn;

dat eischeresse tot staving van haar beweren, dat krankzinnigengestichten als Godshuizen moeten worden beschouwd, ten onrechte een beroep heeft gedaan op artikel 73 van genoemde wet, waarbij voor de krankzinnigengestichten wordt verwezen naar de daartoe betrekkelijke wet tot regeling van het Staatstoezicht op krankzinnigen, vermits uit deze verwijzing eerder zoude moeten worden afgeleid, dat krankzinnigengestichten niet als Godshuizen moeten worden aangemerkt en in elk geval daaronder niet gerangschikt kunnen worden, wanneer zij niet werkelijk armen met een weldadig doel huisvesten;

dat eindelijk het feit, dat meergenoemd gesticht een filiaal is van de Godshuizen en de Algemeene Armen te 's Hertogenbosch, niets afdoet en dat daaruit dan ook geenszins volgt, dat ook dit filiaal een Godshuis moet zijn, omdat niet ieder filiaal van een Godshuis op zichzelf een Godshuis is;

dat, waar derhalve het gesticht „Voorburg" in casu niet valt onder de Godshuizen en eischeresse alleen tydens het leven van F. W. de betaalde verplegingskosten op hem zeiven indien hij tot teruggaaf in staat was of zoo mogelijk op zijne bloed- en aanverwanten, die tot onderhoud verplicht zijn kon verhalen, doch een en ander niet kan brengen ten laste zijner nalatenschap, eischeresse niet-ontvankelijk is in hare vordering; Recht doende enz.;

V er leent acte waarvan acte is gevraagd;

Verklaart eischeresse niet-ontvankelijk in hare vordering; Veroordeelt haar in de proceskosten aan zijde van gedaagden tot heden begroot op f 125.45, de minute en expeditie dezes daaronder niet begrepen.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Door de arrondissements-rechtbank te Leeuwarden is, ter vervulling der vacature van kantonrechter aldaar, opgemaakt de navolgende alphabetische lijst van aanbeveling:

Mr. H. J. Ladenius, kantonrechter te Almelo;

Mr. J. Sickenga, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, te Wolvega, en

Mr. I. Wolft', advocaat en procureur te Leeuwarden, tevens kantonrechter-plaatsvervanger aldaar.

-- Bij Koninklijk besluit van 2 October >1903 n°. 14 is aan W. Boerlage, op zijn daartoe gedaan verzoek, met ingang van 5 December e.k., eervol ontslag verleend als notaris te Velsen.

— Bij Koninklijk besluit van 3 October 1903, n°. 32 is benoemd tot raadsheer in het gerechtshof te Amsterdam, mr. T. Henny, thans rechter in de arrondissements-rechtbank aldaar.

— Bij Koninklijk besluit van 3 October 1903 n°. 33 is:

1°. aan Mr. B. Cohen, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als lid van het college van regenten over de gevangenissen te Groningen, onder dankbetuiging voor de als zoodanig bewezen diensten ;

2°. benoemd tot lid van het college van regenten over de gevangenissen te Groningen, Mr. H. J. H. Modderman, officier van justitie bij de arrondissements-rechtbank aldaar.

BERICHTEN EN MEDEDEELINGEN.

In de plechtige zitting van het Belgische Hof van Cassatie op 1 October j.1. wijdde de procureur-generaal Raymond Janssens zijn discours dei rentree aan de bepaling van art. 340 Code Civil. Onder herinnering aan de wijze, waarop deze bepaling in het Wetboek gekomen was en aan de omstandigheid, dat in het vroegere recht het onderzoek naar het vaderschap zonder bezwaar werd toegelaten, wees hij er op, dat in landen waar dit onderzoek thans verboden is, de sterfte onder de zeer jonge kinderen grooter is dan in de landen, waar de wet het onderzoek veroorlooft. Het bezwaar aan de mogelijkheid van chantage ontleend, oordeelde hij niet van voldoende beteekenis en zoo verklaarde deze hooggeplaatste Belgische magistraat zich met volle overtuiging voor de schrapping van het in art. 340 geschreven verbod.

ADVERTENTIEN.

TE KOOP:

Historische Toelichting van het Ned. bezitrecht (1877). Holtius, Handels- en Zeerecht (1850/1861). v. d. Honert, Geschiedenis boedelscheidingen (1845). Jansma v. d. Ploeg, Romeinsch Recht (1851). Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Ned. Wetboeken, 10 dn (1837/41).

Adres onder n°. 7959 Bureel van dit Blad.

Vient de paraitre:

La Jnstice Internationale

Revue mensuelle des travaux el décisions de la

Cour Permanente d'Arbitrage

et des

Questions de droit International

lre Année — n° 3 SOMMAIRE

I Traité d'arbitrage permanent entre le royaume d'Italie et la République Argentine, signé a Rome le 23 juillet 1898. ■— Japon, Allemagne, Angleterre et France. Protocole d'arbitrage d'aoüt 1902,

II Conférence interparlementaire de Yienne: Ordre de jour et Projets de réaolutions.

III Gustave Hubbard, Préparation du Régime Juridique International entre la France et 1'Angleterre.

IV Manoël da Junqueira, Supériorité des arbitrages juridiques sur les tractations faites dans le cabinet d'un ministre des Affaires Etrangères.

V La Liberté de la Presse dans les Concessions européennes en Chine. Le proces du journal indigène „Le Supao".

VI Nouvellest internationales. '

VII Livres et discours.

Abonnements : un an fl 13.75, le numéro 11 1.40 LIBRAIRIE BELINFANTE FRÈRES, La Haye' Dépositaire général pour les Pays-Bas

Bij den Boekhandel v/h GEBR. BELINFANTE, te 'sGravenhage, en den Boekhandel en Drukkerij v/h E. J. BRILL, te Leiden, is thans verschenen de achtste aflevering van

Militair Straf- en Tuchtrecht

EERSTE DEEL

GesctiiÉi mi tiet Wetboek m Militair Strafrecht

(EERSTE BOEK)

Bij dezelfden ziet het licht ;

Wetboek van Militair Strafrecht

en

Wet op de Krijgstucht

met verwijzing naar de tot den tekst in verband staande bepalingen

en met

Alphabeiisch IReggister1

uitgegeven door

Mr. II. van der Hoeven

Hoogleeraar te Leiden Prijs: ingen. f 0.70, geb. f 0 90

A. TEN BOSCH N.Jzn.

Ingenieur

ROTTERDAM ZUIDBLAAK 24

Geeft aan Heeren Advocaten en Notarissen eenvoudige, duidelyke adviezen op technisch gebied.

Conditiën zeer billyk.

Gedrukt, by F. J. BELINFANTE, voorh.: A. D. SCHINKEL.

De Duitsche Anwaltstag hield van 10 tot 12 September haar zestiende vergadering te Straatsburg. Tot de daar behandelde onderwerpen behoorde de vraag: Door welke middelen zonder verandering der geldende voorschriften eene verkortingvan den duur der burgerlijke processen kan worden verkregen ? De vergadering kwam tot besluit dat eene bespoediging van beteekenis in den gang der burgerlijke gedingen kon worden bereikt door eene doelmatige opvolging der bestaande wettelijke voorschriften van de zijde der rechterlijke colleges en der advocaten. Over de aan te wenden middelen sprak zij zich niet in bijzonderheden uit.

Onderzoek naar het vaderschap.

Verzameling van Ontwerpen, Stukken, Beraadslagingen enz., bijeengebracht, gerangschikt en van aanieekemngen voorzien

door

Mr. H. van der Hoeven

Hoogleeraar te Leiden

Deze uitgaaf van het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet op de Krijgstucht, bevattende de Wordingsgeschiedenis,

verschijnt in afleveringen van 4 tot 8 vel (van 16 blz.) en zal den omvang van 100 vel zoo min mogelijk overschrijden. Prijs f 0.15 per vel druks bij inteekening. Na verschijning van het le deel vervalt deze inteekenprijs.

Aflevering 9 is ter perse.

Bij deze aflevering, waarmede deel I compleet is, zal een losse leêren band a fl.— worden gevoegd.

Sluiten