Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 44 October 1903

N° 7961

WEEKBLAD VAJV HET RECHT

VIJF - EN ■ ZESTIGSTE JAARGANG

JUS ET VERITAS

Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post fl 1, behalve het Register. — Priis der advertentie* \—r

f 1.45, elke regel meer 20 cents. Rechterlijke uitspraken ter plaatsing franco aan de Uitgevers, Boekhandel y/h Gebr. Belinfante, te 's Gravenhaae (Ie Wagenstraat 100); andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht (,Stationstraat 11).

ff/té L. J | •> m »

Vuui ucn imwua van au tsiaa wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

WETGEVING.

Wijziging van de jaarwedden der griffiers bij de rechterlijke colleges en gerechten en van daarmede verband houdende wettelijke voorschriften.

VOORLOOPIG VERSLAG.

( Vervolg en slot.)

Artikel 2.

Sommige leden zouden gaarne hebben gezien, dat de Regeering de reeds zoo lang toegezegde herziening van de gansche materie der heffingen die ter griffie geschieden, bij deze gelegenheid, nu de band zou worden losgemaakt, welke tusschen die heffingen en de bezoldigingen der griffiers bestaat, had voor-

2'edrap'ftn «n zif>.h niAt, hari f.rtf V>Q+. O onl^Av,

O — O u iivu J.11 U.Ü

zoozeer verouderde tarieven van justitiekosten van de wijzigingen en aanvullingen, welke van de voorgestelde andere bestemming der heffingen het gevolg moeten zgn. Het heeft bovendien, zooals in de Memorie van Toelichting te recht wordt opgemerkt, zijne eigenaardige bezwaren, een nieuw systeem aan te passen aan wetten, die oorspronkelijk van een ander stelsel uitgingen.

Enkele leden achtten afschaffing van de heffingen, welke ter griffie geschieden, noodig en meenden, dat nu die heffingen niet langer ten. behoeve van de griffiers zouden geschieden, het juiste oogenblik gekomen was om daartoe over te gaan. Zij konden de juistheid niet toegeven van de bewering in de Memorie van Toelichting, dat het billijk zoude zijn, dat voor de bemoeiingen, welke ter griffie ten behoeve van het publiek gedaan worden, door de belanghebbenden moet worden betaald en wezen er op, dat in gedingen voor de administratieve autoriteiten dergelijke betalingen niet, of althans niet tot zoo aanzienlijke bedragen, plegen te worden gevorderd.

Art. 13a. Verscheidene leden, die in beginsel gestemd waren voor aanvulling van de thans bestaande leemte, dat de griffiers van de belanghebbenden en hunne gemachtigden geen voorschotten vermogen te vorderen, vreesden niettemin, dat een voorschrift als in art. 13a is opgenomen, in zijne algemeenheid en onbepaaldheid moeilijkheden, wellicht ook willekeur ten gevolge zoude hebben. Tal van vragen deed dit voorschrift bij hen al dadelijk rijzen. Zou de griffier alleen van de eischende partijen voorschot mogen vragen of van beide partijen? En zoo dit laatste het geval mocht zijn, zou hij dan alle diensten in het geding mogen weigeren, ook dus aan de partij, welke hem het gevraagde voorschot niet had geweigerd? Is dit wellicht de beteekenis van de woorden „in vollen omvang" ? Maar zijn deze woorden zelfs dan nog niet te ruim, omdat zg letterlijk genomen den griffier veroorlooven zijn dienst te weigeren in alle zaken, ook in andere dus dan in het geding, waarop het niet gegeven voorschot betrekking had? Het voorschot zou dienen tot dekking der vermoedelijke griffiekosten en zegel- en. registratierechten en naar dit vermoedelijk bedrag zouden de griffiers de hoegrootheid van het voorschot hebben te bepalen. Maar is berekening van te voren van het vermoedelijk bedrag voor hen wel moge jk, afhankelijk als het is niet alleen van dei wijze, waarop partijen het geding voeren, maar ook van 's rechters uitspraak die al of niet heffing van evenredige registratierechten ten gevolge kan hebben? Zouden de griffiers een voorschot hebben te vragen voor eene f^eheele zaak in «ptiü nf f.pl].-ono ■

P vvouiiicCi 1X1 tJClitJ

*aak eene ambtsverrichting van hen zou worden gevraagd? Zouden zij, wanneer tijdens de behandeling der zaak bleek, dat het gevraagde voorschot niet toereikend was, aanvulling van belanghebbenden of van hunne gemachtigden mogen vragen en zoo ja, zouden zij met hunne betalingen dan mogen wachten, totdat dit meerdere door hen zou zijn ontvangen ? Wie zou hebben te beslissen over geschillen tusschen griffiers en belanghebbenden ontstaande over de hoegrootheid van het voorschot of in het algemeen over den zin van het wettelijk voorschrift? Zouden belanghebbenden aan de opvatting van den griffier zich hebben te onderwerpen? Wanneer zoude de griffier het overschot van het voorschot hebben terug te geven? In het wettelijk voorschrift wordt daaromtrent niets bepaald; het vermeldt slechts dat het voorschot wordt ontvangen ter latere verrekening. Toch scheen het stellen van een termijn hier zeer noodig; procureurs met groote Praktijk, die ter zelfder tijd meerdere, wellicht aanzienlijke, voorschotten hebben te geven, kunnen daarvan financieele moeilijkheen ondervinden ; zij moeten althans zeker kunnen zijn, dat verreening van hunne voorschotten niet langer dan strikt noodig zal worden uitgesteld. Moet aan de griffiers ook niet de verP whting worden opgelegd, het aan voorschotten ontvangen be gg'af' dat soms zeker aanzienlijk zal zijn, rentegevend te beleg-

Met het oog op al deze vragen, waartoe het voorschrift van .'kei 13a leidt, meenden de bedoelde leden de Regeering ern• *n overweging te moeten geven haar voorstel aan te vullen n dezen zin, dat niet slechts het beginsel, dat de griffiers van ^anghebbenden een voorschot mogen vragen en zoo hun dit 'et wordt gegeven hunnen dienst mogen weigeren, in de wet teve WOrc*en nee'-'gelegd, maar de uitwerking van dit beginsel

^rt- 14. In dit artikel en in de volgende artikelen wordt geregeld de procedure met betrekking tot de gelden, die de griffiers h°Kkn mo£en vorderen. Gevraagd werd op welke wijze belangebbenden, die mochten meenen ten onrechte of te veel te hebsch1 ^6taald' ter terugbekoming van de huns inziens niet veröuldigde gelden zouden hebben te procedeeren, nu de heffin¬

gen ten bate van den Staat en niet meer van de griffiers zouden geschieden.

Art. 16. Van verschillende zijden werd de vrees geuit, dat ook nu de Borgtochtenwet bestaat en de griffiers aan de hun volgens dit voorstel op te leggen verplichting tot zekerheidstelling overeenkomstig genoemde wet zouden kunnen voldoen, de nakoming van die verplichting hun toch op vrij belangrijke kosten zou komen te staan. Is daarmede, zoo werd gevraagd, door de Regeering in deze geheele aangelegenheid en vooral bij de bepaling van de bedragen der bezoldigingen van de griffiers en van de hun overeenkomstig artikel 5 uit te keeren jaarlij ksehe schadeloosstelling wel voldoende rekening gehouden?

Art. 17. Gevraagd werd, of de griffiers persoonlijk verantwoordelijk zouden zijn voor de sommen, die z^j in werkelijkheid zouden hebben geheven, of voor de gelden, die zij volgens de meening v au de toezicht hebbende ambtenaren krachtens het

fcariP.f Ha.rldpr» mAütnvi "Hit. la.a.fssfo -*r\n

.. uciivu. w \xjkj A uc ginaCT ö

vrij bezwarend zijn, omdat de tarieven van justitiekosten soms voor verschillende uitlegging ten aanzien van de berekening

vcii ïyusiieu vauuaar zijn en uiü, /-ij hou ua.ii ixi minuere mate, wel het geval zoude blijven, ook na de voorschriften omtrent de invordering, die de Minister van Justitie ingevolge het voorschrift van art. 18a zoude kunnen geven. Bovendien werd de vrees geuit dat ingeval van twijfel omtrent de uitlegging van eene bepaling van het tarief, de griffiers voorzichtigheidshalve steeds het hoogste bedrag aan de rechtzoekenden in rekening zouden brengen. Het bij art. 14 gegeven recht van verzet neemt de bezwaren daartegen niet weg, omdat althans bij de kantonge rechten het meerendeel der rechtzoekenden de tarieven niet voldoende kent.

Blijkens het tweede lid van dit artikel zouden de onkosten der griffie ten laste komen van den Staat. Naar aanleiding hiervan werd gevraagd of het in dei bedoeling ligt van de Regeering voo i taan aan de griffiers bepaalde bedragen voor bureaukosten toe te kennen.

Art. 18. In de Memorie van Toelichting wordt medegedeeld, dat voor het toezicht op de invordering en de verantwoording der door de griffiers te heffen gelden geen bijzondere ambtenaren aangesteld zouden worden, doch dit toezicht aan ambtenarei. der registratie zou worden opgedragen. Gevraagd werd, of daarvan uitbreiding van hfit, aantal amK+anaron rlor- ram

O wuwuwiwivu lugiuuiowc XltJt

gevolg zoude moeten worden en zoo ja, hoevele nieuwe ambtenaren zouden moeten, worden aangesteld.

Sommige leden waren van oordeel, dat het hierbedoelde toezicht beter werd opgedragen aan bijzondere ambtenaren, die niet als de ambtenaren der registratie, tal van andere werkzaamheden hebben, maar het toezicht op de griffiers als hoofd bezigheid zouden beschouwen.

kens de statistiek bjj elk college of kantongerecht werd behandeld, den doorslag geven? En zoo dit laatste, naar men hoopte het geval mocht zijn, op welke wijze zou zich dan het aantal' zaken verhouden tot het aantal te benoemen klerken? Zou bij elk kantongerecht, ook waar thans geen klerken werkzaam zijn minstens één klerk worden aangesteld?

Blijkens de Memorie van Toelichting zou men voortaan van de griffiers geen klerkendienst meer mogen eischen nu hun dit

1-liï liaf -.T^nrr, 11 A 11 1 1 PO

vxj üvu vdvaucu ucx uiiYuuiöueu, weiKe ae neinngen nun tot nog toe opbrachten, geen voordeel meer zou aanbieden. Maar zou nu de griffier Van een kantongerecht, die thans zelf klerkendienst verricht, in de gelegenheid worden gesteld daarmede voort te gaan, aldus een klerk uit te winnen en dan de bezoldiging te genieten, die anders voor dien klerk zou moeten worden uitgetrokken? Men zoude dit gaarne zien, maar vreesde, dat het met het stelsel van het ontwerp niet ve-reenigbaar zou zijn. Bij menig klein kantongerecht bestaat het werk van den griffier hoofdza° kelijk uit klerkenwerk en draagt men dit aan een klerk op, dan maakt men den griffier vrijwel werkeloos en schept daarmede een zeker ongewenschten toestand.

Enkele leden kwamen in verzet tegen de bepaling van hei tweede lid van art. 4, volgens welke de bezoldiging van de kierken ter griffie door de Koningin, bij algemeenen maatregel van bestuur, zou worden geregeld. Zij wilden voor deze lagere amb tenaren geene mindere waarborgen dan voor de hoogere en waar nu de bezoldigingen van de griffiers bij de wet zelve zouden worden geregeld, wenschten zij ook voor de klerken ter griffie vaststelling van het bedrag der bezoldiging bij de wet.

Hiertegenover werd er op gewezen, dat dit zoude zijn in lijnrechten strijd met het voorschrift van art. 63 der Grondwet.

Artikel 5.

Artikel 4.

\ erscheidene leden konden niet goedkeuren, dat voortaande klerken ter griffie van de rechterlijke colleges en kantongerechten in het ontwerp staat „rechterlijke colleges en gerechten" — zouden worden benoemd door den Minister van Justitie. Op deze wijze zou aan de colleges en de griffiers geen invloed toekomen op de benoeming van ambtenaren, waarmede de griffiers zouden hebben samen te werken. Voor het geval tegen benoe. mmg door de colleges zelve of door de griffiers bij de Regeering overwegend bezwaar mocht bestaan, gaven deze leden in overweging het^ eerste lid van het artikel zoodanig te wijzigen, dat de benoeming door den Minister zoude plaats vinden" op voordracht van den betrokken oo,T—

de bepaling in haar voorgestelden vorm de voorkeur.

Gevraagd werd of het in de bedoeling der Regeering ligt in den in het tweede lid bedoelden algemeenen maatregel van bestuur bepalingen op te nemen, welke aan de griffiers invloed zouden verzekeren op de schorsing en het ontslac der bii hunne giiffiën werkzame klerken. J

Blijkens het eerste lid van het artikel zouden de klerken ter griffie door den Minister van Justitie worden benoemd. In verband daarmede werd de aandacht gevestigd op artikel 2 der wet van 26 Mei 1841 (Staatsblad n°. 18), regelende sommige punten den dienst der justitie betreffende en bepalende, dat de griffiers der arrondissements-rechtbanken zich bij de instructie van strafzaken en tot bijwoning van comparitiën in burgerlijke of handelszaken kunnen doen vervangen door 'een klerk ter griffie, „daartoe op de voordracht van den griffier door de rechtbank te benoemen en te beëedigen en den ouderdom van 23 iaren hebbende bereikt". Gevraag.} werd of dus voortaan zoodanige plaatsvervangende griffier door de rechtbank zou moeten worden benoemd uit de klerken ter griffie, door den Minister van Justitie aangesteld. Zoo ja, dan mag, meende men, door den w/'ïf-l benoeming met den in de wet van 1841 gestelden leemjdseisch wel rekening worden gehouden, opdat de vervanging van den griffier voortaan geene moeilijkheid oplevere en de recntoank boyendien bij hare benoeming niet al te zeer in hare keuze beperkt zij. Ook werd, in verband met het voorgaande en ™4tWeede M van het artikel' de vraag gesteld, of voortaan gn e nog onbezoldigde klerken werkzaam zouden kunnen zijn en ot ook hunne benoeming door den Minister van Justitie zoude moeten geschieden.

Ten aanzien van het stelsel, dat bij de benoeming van klerken ter grime zou worden gevolgd, geven noch het ontwerp noch de Memorie van Toelichting licht. Meer dan ééne vraag werd daarom ren gesteld. Welke zal de maatstaf zijn voor de bepaling van het aantal der aan elke griffie te benoemen klerken ? De verouderde klassen-indeeling van de onderscheidene rechterlijke colleges en kantongerechten, die ook voor de bepaling van het bedrag der bezoldiging van de griffiers dienst zoude doen? Of zou hier althans het gemiddelde van het aantal zaken, dat blg-

Van verschillende zijden verklaarde men niet in te zien, dat het billijk zoude zijn, aan de op het tijdstip van het in werkino treden van het voorstel fungeerende griffiers van dat tijdstip schadevergoeding toe te kennen voor de vermindering van ambtsinkomsten, welke voor hen het gevolg van den te treffen wettelijken maatregel zoude zijn. De tegenwoordige wijze van bezoldiging der griffiers heeft volgens de Memorie van Toelichting een misstand ^ ten gevolge en betoogd wordt daar, dat tot

ommaunvumsieii van verscneiaene gniners, vergele ken met die van de andere rechterlijke ambtenaren, onevenredig hoog en die van sommige griffiers zelfs aanzienlijk te hoog zijn geweest. Daaraan valt nu niet meer te veranderen, maar er scheen geen goede grond aanwezig om hen, die van den bestaanden misstand de voordeelen hebben genoten, ook nog na wijziging van de bepalingen, welke dien misstand in het leven riepen, de bedoelde voordeelen te doen genieten. De eenige vraag is of de griffiers voortaan eene bezoldiging zouden hebben, die als eene juiste belooning voor de door hen te verrichten werkzaamheden zou zijn aan te merken; zoo ja, dan zouden ook zij, die onder de oude regeling fungeerden, tot klagen geen reden hebben. Misschien, zoo meenden enkele leden, zou de Regeering met de belangen der thans fungeerende griffiers eenigszins rekening kunnen houden door hen, zoo mogelijk, spoedig voor promotie in aanmerking te doen komen.

legenover de leden, die den in dit artikel oedoelden maatregel afkeurden, stonden vele anderen, die er hunne ingenomenheid mede betuigden. Te recht huns inziens wordt er in de Memorie van Toelichting op gewezen, dat de reeds eenige jaren in functie zijnde griffiers bij hunne aanstelling het uitzicht hadden op het genot van de ambtsinkomsten, welke de bestaande voorschriften hun verzekerden. Met het oog daarop hebben zij naar het ambt van griffier gedongen, en hebben zij wellicht later zich betrek

xvmgcii ïai/oij. uui-gctciix, wctcirctctu eene uezuiuiging was verbonden minder hoog dan zij toen genoten, maar hooger dan voortaan aan de griffiersbetrekking zou zijn verbonden. Het zou in hoooe mate onbillijk zijn hun thans geene schadevergoeding te geven voor de vermindering van hunne tot dusver genoten ambtsinkomsten. Trouwens de wetgever zou daarmede ook handelen tegen de gedragslijn in, bij vroegere gelegenheden door hem gevolgd. Toen bij de wet van 15 April 1896 (Staatsblad n°. 70) eene regeling betrekkelijk de gerechtskosten in strafzaken is ingevoerd, waardoor de belooningen van de griffiers, bedoeld bii art. 30, letter c, der wet van 18 April 1874 (Staatsblad n°. 66) vermindering moesten ondergaan, is bij art. 18 dezer wet aan de toen in functie zijnde griffiers eene vaste, jaarlijksche toelage ter vergoeding van deze vermindering verleend. Ook is een voorbeeld van eene dergelijke vergoeding bij de wet voor vermindering van ambtsinkomsten ten gevolge van eene nieuwe regeling dier inkomsten, gegeven in art. 110 der wet tot rege ling van het hooger onderwijs.

Achtten de^e leden met de Regeering het dus billijk dat aan de in dit artikel bedoelde griffiers schadevergoeding zou worden gegeven, zij wilden dan ook de billijkheid ten volle hebben betracht door toekenning van eene schadevergoeding tot het juiste bedrag van de vermindering van ambtsinkomsten. En nu waren deze leden van oordeel, dat dit juiste bedrag niet zou worden gevonden, wanneer, zooals de Regeering voorstelt de schadevergoeding zou bestaan in het verschil tusschen den op het oogenblik van het in werking treden der wet bestaanden pensioengrondslag en de jaarwedde, die de griffier krachtens de voorgestelde regeling zou genieten. De pensioensgrondslag, teekent de Regeering in de Memorie van Toelichting aan, is berekend naar het bedrag dat de griffiers aan jaarwedden en heffingen ontvangen. Men ontkende beslist, dat over het algemeen de pensioengrondslag ook maar bij benadering een juist beeld zoude geven van de werkelijke ambtsinkomsten van de griffiers. Die grondslag is, voor de langer in functie zijnde griffiers jaren geleden, vastgesteld éénzijdig van Staatswege, zonder medewerf ^ j6 ke'auShebbenden, zoodat er weinig waarborg bestaat, dat de vaststelling toen op juiste wijze heeft plaats gehad.

Sluiten