Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7966.

eeuwenoude verbod om op de verklaring van één enkelen getuige recht te doen. Kinderen, die den vollen ouderdom van zestien jaren niet hebben bereikt, of personen, ■wier verstandelijke vermogens door onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij zijn gestoord — nu het verband met de onder curateelestelling is vervallen lijkt deze aan art. 487 B. W. herinnerende opsomming nog al zonderling — kunnen volgens het ontworpen art. 205 Rv. wel als getuigen worden gehoord, doch hun wordt geen eed of belofte afgenomen. Over al deze aldus met zeer ruime hand toegelaten getuigenverklaringen zal de rechter naar art. 1933 in volle vrijheid hebben te oordeelen; de wetgever herinnert den rechter alleen, dat hij geen feit als bewezen mag aannemen, indien hij van de waarheid daarvan niet volkomen overtuigd is en geeft hem voorts in art. 1934, aansluitende aan het tegenwoordige art. 1945 en art. 399 Strafvord. eene reeks van nuttige wenken, die een verstandig rechter zich zeker ter harte zou nemen, ook al werden zij hem door den wetgever onthouden. Dit artikel 1934 maakt vooral in dezen Titel een vreemden indruk en kan daaruit zonder schade verdwijnen. De hier gegeven lijst van omstandigheden, is, naar de M. v. T. releveert, enkel enunciatief bedoeld; »op elke omstandigheid, welke ook, zal de rechter hebben te letten". Juist daarom lijkt de opsomming van enkele omstandigheden voor een goed rechter zonder nut, voor een mogelijk onverstandig rechter niet zonder gevaar.

De tegenwoordige Vierde Titel handelt over «Vermoedens» en verbindt de toelaatbaarheid van het bewijs door niet-wettelijke vermoedens aan het toegelaten zijn van het bewijs door getuigen. Uitbreiding van het laatste zou dus vanzelf de beteekenis van het bewijs door vermoedens verhoogen. Het Ontwerp erkent onder de enkele algemeene bepalingen van den Eersten Titel het bewijs door vermoedens zonder eenige beperking. De wijze, waarop dit is geschied, lijkt nogal zonderling. De Staatscommissie had in haar art. 1903 het onderscheid behandeld tusschen direkt en indirekt bewijs, en ook het laatste, het afgeleid bewijs, het bewijs door aanwijzingen of niet-wettelijke vermoedens uitdrukkelijk erkend. Daartegenover zegt nu het Ontwerp der Regeering in art. 1904, dat bewijs niet behoeft geleverd te worden van een feit, waarvan het bestaan volgt krachtens wettelijk voorschrift, hetzij, naar het oordeel des rechters, uit andere bewezen of als waar aangenomen feiten. Ten opzichte van feiten, welke op grond van een wettelijk voorschrift worden aangenomen, kan dit misschien juist zijn ; ten aanzien van het bewijs door vermoedens of aanwijzingen is, wat de Regeering voorstelt, zeer beslist onwaar. Eene eischeres wil bewijzen, dat haar echtgenoot overspel pleegde; zij stelt en bewijst daartoe een reeks van omstandigheden, waaruit de rechter het overspel afleidt. Kan men nu zeggen, dat dit overspel niet behoefde te worden bewezen? Het is waar, wat de M. v. T. zegt, dat gevolgtrekkingen geene bewijsmiddelen zijn, maar daarom kan het eene feit wel worden bewezen door gevolgtrekkingen, uit andere feiten afgeleid. De redactie der Staatscommissie was ongetwijfeld juister dan die der Regeering; beider bedoeling is dezelfde: volledige erkenning van het indirekte bewijs ook in burgerlijke zaken.

Uit hetgeen wij hier mededeelden volgt, dat, wordt het Ontwerp wet, aan den rechter eene grootere vrijheid wordt gegeven en dus eene grootere verantwoordelijkheid wordt opgelegd. Wij verheugen ons over de in uitzicht gestelde verruiming van de grenzen van het getuigen- en vermoedensbewijs, al zijn wij allerminst blind voor de daaraan verbonden gevaren en al zouden wij wellicht omtrent eenig speciaal punt anders willen beslissen dan het Ontwerp. Getuigenbewijs is een bewijsmiddel, dat met groote nauwgezetheid en voorzichtigheid door den rechter moet worden gebruikt, al moet de wetgever het hem, nood gedrongen, met vrijgevigheid ter beschikking stellen. Maar dan ook onder alle waarborgen, die denkbaar mogelijk zijn. Bij do eventueele behandeling van het Ontwerp van Raalte mag op het verband met het hier besproken Ontwerp omtrent het bewijs, waarover wij een volgend maal nog enkele mededeelingen wenschen te doen, wel zeer bijzonder worden gelet.

gerechtshoven.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 17 December 1902,

Voorzitter, Mr. L. U. de Sitter.

Raadsheeren, Mrs.: E. H. Karsten, Jhr. Oh A. Nahuys, J. R. H. van Schaik en P. C. 't Hoopt.

Abt. 713 en 714 B. W.

Eikeboomen zijn alleen dan niet als hoog opschietende boomen te beschouwen, als zij geplant zijn als onderdeel van een heg en ook verder steeds als struiken in die heg worden behandeld, door ze b.v. verschillende malen per jaar te scheeren of te knippen, zoodat ze de hoogte van de heg behouden en geen hoog opschietende boomen kunnen worden.

Gr. Prins Azn , grondeigenaar te Nijkerk, appellant, advocaat en procureur Mr. L. J. van Gelein Vitringa,

tegen

A. van Koevorden Hzn., veehouder, te Nijkerk, geïntimeerde, procureur Mr. W. Uh. Thomas, advocaat Mr. A. Pit te ü'trecht.

Het Hof;

Uenoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken voor zooveel vereisont geregistreerd; Xen aanzien der leiten en procedure:

Overwegende dat het Hof zich vereenigt met en alzoo overneemt hetgeen daaromtrent is overwogen in het vonnis waarvan beroep, door de rechtbank te Zwolle den 8 Januari 1902 gewezen tusschen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eischer van welk vonnis het dictum luidt: enz. ;

O. dat appellant zich met dit vonnis bezwaard achtende daarvan tijdig met dagvaarding vaar geïntimeerde voor dit Hof is gekomen in hooger beroep, vervolgens bij ter rolle genomen conclusie zijne grieven tegen dat vonnis heeft aangevoerd en ontwikkeld, ten dage der pleidooien nog akte heeft gevraagd, dat hij alsnog aanbiedt door getuigen te bewijzen, dat de ten processe bedoelde 56 eikeboomen sponden en staan in een zich aldaar bevindende doornenheg, daarmede een geheel vormende en op 4 a 14 centimeter van elkander;

en ten slotte heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, toewijzing alsnog aan appellant van zijne in prima genomen conclusie en veroordeeling van geïntimeerde in de kosten van beide instantiën ;

O. dat bij conclusie van antwoord geïntimeerde met verdediging van het vonnis a quo appell&nts grieven daartegen heeft bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van dat vonnis met veroordeeling van appellant in de kosten van het hooger beroep ; Wait het recht betreft;

O. dat appellant zich door het vonnis a quo, waarbij hij veroordeeld is tot uitroeiing van eenige eikeboomen staande op zijn grond binnen den afstand van 2 nieter van de scheidslinie tusschen de erven van appellant en geintimeerde, bezwaard acht 1". omdat volgens hem de bedoelde erven niet aan elkander zouden grenzen daar zij van elkander gescheiden zijn door een gemeene sloot; 2°. omdat de bedoelde boomen niet door hem zijn geplant doch zich op zijn erf ter plaatse by dagvaarding vermeld reeds bevonden, toen appellant in 1884 eigenaar van dat erf werd;

en 3°. o m d a t vóór het uitbrengen der dagvaarding de boomen waarover geschil reeds door hem ter hoogte van 2 meter waren afgekapt en toen dus geene hooge opschietende boomen meer waren, maar deel.en van de heg, waarin z ij zich bevonden;

O. dat, wat dei twee eerste grieven betreft, appellant zich er toe heeft bepaald deze reeds in eersten aanleg tegen de toewijzing ter vordering geopperde gronden te herhalen onder verwijzing naar het daaromtrent in eersten aanleg aangevoerde, zonder de overwegingen van het vonnis, waarby die gronden zijn weerlegd nader te bestrijden , onder welke omstandigheden het Hof zich er toe kan bepalen te verklaren dat het genoemde grieven ongegrond acht op grond van de overwegingen dienaangaande in het vonnis waarvan appel, met welke overwegingen het Hof zich vereenigt en welke het alzoo overneemt en tot de zyne maakt; ^

O. wat de d e r d er grief betreft, dat appellant aanbiedt te bewijzen dat de bedoelde 56 eikeboomen stonden en staan i n een zich aldaar bevindende doornenheg, daarmede een geheel vormende en op 4 a 14 centimeter van elkander, terwijl hij bij pleidooi nog heeft overgelegd een drietal photographiën van genoemde heg in den tegenwoordigen toestand, welke zijn beweren blijken te staven alleen met uitzondering van den onderlingen afstand der boomen die volgens de photographiën veel grooter schijnt te zijn dan appellant stelt;

O. dat eiken zonder twijfel zijn hoog opschietende boomen en dus zelfs wanneer zij als stekken of heesters worden gepoot, reeds vallen onder de bepaling van art. 714 juncto art. 713 eerste lid

B. W. tenzij zulke stekken geplant worden als onderdeel van een heg en dan ook verder evenals de andere struiken in de heg worden behandeld o.a. door een paar keer per jaar scheeren of knippen van de geheele heg, zoodat ook de eikenstammetjes dank zij die behandeling geen hoog opgeschoten struiken worden alsmede dun van stam bleven;.

O. dat nu door appellant geenszins is gesteld en te bewijzen aangeboden dat de bewuste eikenboomen inderdaad als dergelijke eikenstammetjes deel uitmakende van een heg, zijn geplant geworden ;

O. dat daarmede eigenlijk reeds de geheele verwering van appellant vervalt, maar dat buitendien, zelfs al ware zulks wel gesteld en bewezen, dan nog het feit dat de eikenstekken verder niet als onderdeelen van de heg zijn behandeld geworden, maar men ze meer dan 15 jaren lang hoog heeft laten opschieten, zoodat het, gelijk in confesso is, hooge boomen zijn geworden met ook blijkens de photographiën vrij dikke stammen, — maakt dat zij niet meer als onderdeel van de heg zijn te beschouwen doch moeten aangemerkt worden als hoog opgeschoten boomen, waarvan alzoo niet slechts het afkorten of omhakken, maar volgens art. 714 B. W. zelfs het uitroeien, dat is het wegnemen met wortel en al, door den nabuur kan worden gevorderd;

O. dat dit verkregen recht op uitroeiing dan ook in deze niet is verloren gegaan, doordien de appellant juist vóór de dagvaarding ze tot op 2 meter heeft afgehakt, omdat, terwijl de wortels de uitbreiding van het wortelnet van hooge boomen hebben behouden, bedoelde afgehakte stammen weer spoedig sterk

naar boven opschietende takken kunnen hebben en deze derhalve geenszins het karakter van hoog opschietende boomen hebben verloren;

O. dat alzoo ook deze derde en laatste grief van appellant is ongegrond;

O. dat mitsdien appellant door de beslissing der rechtbank, waarvan appel niet is bezwaard, zoodat het vonnis a quo moet worden bevestigd;

Op voorschreven gromden;

Recht doende in hooger beroep:

Passeert het aangeboden bewijs, als niet ter zake dienende;

Bevestigt het vonnis den 8 Januari 1902 door de Arrondissements-Rechtbajik te Zwolle tusschen partijen gewezen;

Veroordeelt appellant in de kosten van het hooger beroep, deze kosten aan zyde van geintimeerde tot aan deze uitspraak begroot op f 150.—

arrondissemënts-reghtb anken .

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE ROTTURDAM.

Tweede Kamer.

Zitting van den 10 December 1902.

Voorzitter, Mr. B. J. A. Ster uk.

Rechters, Mrs.: A. O. H. Tellegen Bzn. en P. I'ol,vliet.

Art. 249 W. v. K.

Al is aanvaring een evenement waarvan de gevolgen voor rekening van den verzekeraar komen, zoo is dit niet het geval, wanneer de aanvaring veroorzaakt is door een gebrek in de stuurinrichting van het verzekerde schip, reeds bestaande bij den aanvang der reis.

Daarin wordt geen verandering gebracht:

1°. noch door het feit dat de verzekering gesloten was niet voor deze afzonderlijke reis, maar voor een bepaalden, reeds lang te voren aangevangen tijd;

2°. noch door de omstandigheid, dat het verzekerde stoomschip tot op den dag vóór den aanvang der reis in reparatie is geweest, de stuurinrichting toen uit elkander is genomen en het toezicht op de reparatie was opgedragen aan den eersten machinist van het stoomschip, die daarvoor door de verzekerde reederij speciaal werd betaald.

De naamlooze vennootschap Nederlandsche Stoombootreederij gevestigd te Rotterdam, eischeres, advocaat en procureur Mr. B. C. J. Loder,

tegen

1°. De Zee- en Brandassurantie-Societeit, gevestigd te Rotterdam, c. s., gedaagden, advocaat en procureur Mr. C. E. Havelaar.

De Rechtbank;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken van het geding voor zooveel noodig geregistreerd en daaronder meer bepaald de hieronder bij conclusie van eisch nader omschreven polis van verzekering en schaderekening', beido geregistreerd als daar vermeld;

Overwegende dat eischeres bij dagvaarding en dienovereenkomstige conclusie van eisch heeft gesteld:

dat bij polis dd. 14 Juli 1900 (geregistreerd enz.) de gedaagden door bemiddeling van de makelaars Gebroeders Chabot ter Beurze van Rotterdam en op de conditiën daarvan van 14 Juli

1900 tot 14 Juli 1901 aan de eischeres hebben verzekerd de eerste 12 gedaagden ieder f 2500.—, de 13e en 14e ieder f 9000.—, de 15e f 8700.— en de 16e f 6300.— alzoo te zamen f 63000.— op het casco, de machinerieën, gereedschappen en toebehooren van het aan de eischeres in eigendom toebehoorend stoomschip „Wilhelmina, Koningin der Nederlanden" met onderling goedvinden getaxeerd op f 70.000, hebbende alzoo de eischeres daarop 10 % eigen risico gehouden;

dat, op 12 Mei 1901, terwijl het verzekerde schip op reis was van Rotterdam naar Mainz, de opvarenden bij Budberg een voor anker liggend schip bemerkten, later gebleken de met kolen beladen „Flora" te zyn;

dat eischeresse's kapitein dit schip wilde mijden en dienovereenkomstig manoeuvreerde, doch plotseling het stoomstuurtoestel der „Wilhelmina" weigerde en daarna deze met gemeld schip in aanvaring kwam, met het gevolg dat eerstgemelde averij beliep en laatstgemelde in zinkenden staat aan den grond moest worden gezet;

dat partijen aan den expert S. J. Bernoski hebben opgedragen de opneming en taxatie: der schade door die aanvaring aan het verzekerde schip toegekomen, alsmede de regeling van de schade aan de „Flora" en hare lading, welke uitteraard door de eischeres moest worden vergoed en door genoemden expert is bevonden dat de schade aan de „Wilhelmina" bedroeg f 666.70 en die aan de „Flora" en hare lading M. 8260.20, welk bedrag door eischeres is betaald;

dat door de voornoemde makelaars, met inachtneming van de Rotterdamsche Beursconditiën en van de door eischeres geloopen '10 % eigen risico, van een en ander is opgemaakt en op 21 Aug.

1901 aan de gedaagden overgegeven een schaderekening (geregisteerd enz.) welk document bij deze conclusie van eisch in het geding wordt gebracht en blijkens hetwelk de ten laste van de gedaagden komende schade bedraagt f 3865.68;

dat de gedaagden de hun voorgelegde schaderekening met bylagen hebben teruggezonden met de weigering om die schade te betalen op grond dat in deze niet zoude zyn evenement;

dat echter aanvaring is een evenement zoowel naar de Wet als naar de polis en der gedaagden weigering alleen dan gegrond zoude kunnen zijn, wanneer de aanvaring ware veroorzaakt door schuld bij eischeresse zelve, hetgeen intusschen niet het geval is;

dat deze zaak is eene zaak van koophandel;

O. dat eischeres op die gronden heeft gevraagd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden worden veroordeeld aan eischeres te betalen die sub 1—12 ieder f 153.40, die sub 13 en 14 ieder f 552.24. die sub 15 f 533.83, en die sub 16 f 386.57, alles met de rente ad 6 % 's jaars sedert 3 October 1901 en in de kosten der procedure;

O. dat de gedaagden daarop hebben doen zeggen voor antwoord, (zullende toch ingevolge bij pleidooi gedaan verzoek van den procureur der gedaagden met goedvinden van dien van eischeres de voor de le gedaagde genomen conclusies van antwoord en dupliek beschouwd worden als voor al de gedaagden genomen ; dat zij de verzekering en de plaats gehad hebbende aanvaring erkennen en de juistheid van de in de schaderekening opge-

Sluiten