Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7967.

O dat de gedaagde bij exploit van sommatie van 7 Februari 1902'tot afgifte van het waschgoed werd gesommeerd en hij dus na verstrijken van den in dat exploit gestelden termijn, voor de gevolgen zijner nalatigheid aansprakelijk werd;

dat onze wet wel is waar de zuivering der mora niet kent, maar dat niet wegneemt, dat de gedaagde ondanks dit exploit het recht behield het waschgoed alsnog aan de eigenares terug te" geven, waar hij toch, ondanks dit teruggeven, voor de gevolgen der vertraagde aflevering aansprakelijk bleef ;

O., dat uit een en ander volgt, dat de eischeres had kunnen vorderen teruggave van het waschgoed en bij gebreke van dien, schadevergoeding van de waarde daarvan, maar dat eene vordering, als hier ingesteld, rechtstreeks gericht op de vergoeding der waarde der goederen, geen steun vindt in de wet en in de feiten, aan deze actie ten grondslag gelegd;

O., dat de eischeres in deze vordering dus niet ontvankelijk had moeten worden verklaard;

Gezien de toepasselijke wetsartikelen;

Becht doende:

Vernietigt, het vonnis, door den Heer Rechter in het Kanton Hilversum op den 20sten Maart 1902 tussch&n partijen gewezen ;

Verklaart de eischeres niet ontvankelijk in de door haar tegen den gedaagde ingestelde vordering en

Veroordeelt haar in de kosten van het geding, aan de zijde des geïntimeerden tot aan deze uitspraak begroot op f64.97.

KANTONGERECHTEN.

KANTONGERECHT TE GRONINGEN.

Zitting van den 27 April 1903.

Kantonreohter, Mr. J. A. Tellegek.

liet zich in een exploit van verzet „pro resto" schuldig erkennen zonder nadere aanduiding, geeft niet voldoende aan de middelen (art. 83 Jtiv.)

J. H. C., aannemer te Maastricht, procureur Mr. H. Schaap, tegen

H. J., fabrikant te Groningen, procureur Mr. H. wa Visser. Wij Kantonrechter;

Gezien het exploit van verzet en gehoord de conciusiëa van partijen;

Overwegende, dat de opposant bij exploit van den 14den Januari ji. in verzet is gekomen tegen het vonnis den 29 sten December '1902 door Ons bij verstek tegen den opposant gewezen en voorts den geopposeerde heeft gedagvaard ten einde :

Aangezien de opposant ontkent aan geopposeerde schuldig te zijn de som van f 0.73, welke betaling de geopposeerde van hem gevorderd heeft en tot betaling waarvan hij bij voormeld verstek vonnis veroordeeld is ; .

Aangezien opposant aan den geopposeerde terzake zooals in de dagvaarding dd. 16 December 1.1. vermeld, pro resto schuldig was een bedrag van f 2.36, welk bedrag hij op 22 Decembei 1.1. aan den geopposeerde voldaan heeft, zoodat hij dezen ten dienenden dage niets meer schuldig was;

by vonnis van dat Kantongerecht de opposant te hooren verklaren goed opposant tegen het gemelde bij verstek gewezen vonnis en zich alsnog in zijne ingestelde vordering te hooren verklaren niet-ontvankelijk, immers in alle gevallen zich die te hooren ontzeggen en zich te hooren veroordeel en in de kosten van het geding;

O. dat de gemachtigde van den opposant overeenkomstig den inhoud van dat exploit van verzet heeft geconcludeerd en daarbij nog heeft aangevoerd, dat den lóden December 1902 de opposant door den geopposeerde werd gedagvaard tot betaling van eene som van f' 140.73 door den opposant aan den geopposeerde pro resto Verschuldigd wegens door dezen aan genen verkoche en geleverde goederen;

dat de opposant zich destijds herinnerde in het begin van 1902 f 150 aan den geopposeerde te hebben betaald op eene kwitantie die op order van den geopposeerde door diens schoonzoon Bartstra geteekend was doch dat de opposant deze kwitantie niet kan vinden en daar h\j ongeregeld boekhoudt, ook geene aanteekening daarvan bezat;

dat de opposant, daar hij de ter dagvaarding bedoelde goederen had ontvangen op 22 December j.1. f 140 aan den geopposeerde heeft gezonden;

dat hij daarna van den deurwaarder Meezenbroek te Groningen een schrijven heeft ontvangen met de mededeeling dat, indien hij opposant niet vóór Zaterdag 27 December 1902 de resteerende f 0.73 benevens de kosten zond, de zaak voor het kantongerecht te Groningen zoude doorgaan;

dat de opposant dat geld niet heeft gezonden en daarop door het Kantongerecht te Groningen bij verstek is veroordeeld tot betaling van f 0.73 en de kosten van het geding;

dat de opposant na de beteekening van dat vonnis de kwitantie heeft gevonden waaruit blijkt dat hij op 20 Februari 1902 f 150 aan den schoonzoon van den geopposeerde heeft betaald, die daarna namens den geopposeerde eene kwitantie gaf, dat de betaling van f 11.62 op 22 Februari 1902 door den opposant wordt erkend, daar dit eene vergissing is of wel de schoonzoon van den geopposeerde in plaats van f 150 slechts f 11.62 aan den geopposeerde heeft afgedragen;

dat dus, toen de oorspronkelijke dagvaarding werd uitgebracht de opposant slechts f 152.35 — f 150 aan den geopposeerde schuldig was; dat als men daarbij rekent de kosten van dagvaarding a f 4.45, de opposant f 6.80 had moeten betalen ;

dat hij dus door de betaling van f 140 een bedrag van f Ü33.20 te veel heeft betaald;

O. dat de gemachtigde van den geopposeerde heeft geconcludeerd dat de Kantonrechter den opposant niet ontvankelijk verklare in zijn verzet, hem verklare kwaad opposant en hem veroordeele in de kosten van het geding en zulks op de navolgende gronden:

1°. dat het exploit van verzet niet behelst de middelen, waarop het verzet steunt, zooals bij art. 83 W. v. B. R. is voorgeschreven *

dat de opposant alleen zegt dat hij f 2.35 schuldig was en dat dit geene verdediging is; ....

dat de middelen zijn daadzaken en dat iets schuldig zijn is geene daadzaak maar een uitvloeisel van daadzaken, een rechtsgevolg van daadzaken; dat het doel van het wetsvoorschrift is, dat de geopposeerde wete op welke feiten de opposant zijn verzet doet steunen, dat de geopposeerde dit uit het exploit van verzet niet kan lezen en hij niet weet hoe de opposant aan die f 2.35 komt;

dat het onzeker is of de opposant beweert slechts f 2.35 schuldig te zijn, omdat hij zooveel heeft afbetaald of wel omdat hij niet alle goederen heeft gekocht en ontvangen;

dat de opposant duidelijk had moeten stellen wat hij beweert, daar de geopposeerde zich dan had kunnen verdedigen;

dat eene eenvoudige verklaring van niet meer schuldig te zijn de f 2.35 geene behoorlijke verdediging is en het exploit van verzet dan ook de middelen van verzet niet behoorlijk aangeeft; dat voorts het petitum is onjuist, daar de opposant vraagt ontzegging van den oorspronkelijker! eisch, welke zich uitstrekt over hoofdsom en kosten:

en dat de veroordeeling tot het laatste niet door verzet ongedaan gemaakt *kan worden, tenzij bij nietigheid der dagvaarding ;

2°. enz.;

O. dat de gemachtigde van den opposant heeft gerepliceerd, dat het exploit van verzet voldoet aan de eischen der wet;

dat de wet voor exploit van verzet niet dezelfde eischen stelt als voor eene dagvaarding; dat, alware het exploit van verzet oiet in alle opzichten volledig, de nietigheid van dit exploit niet kan bevolen worden;

dat de opposant dan ook in zijn verzet ontvankelijk moet worden verklaard; dat voorts de geopposeerde uit het oog verliest, dat hij als oorspronkelijke eischer zgne vordering zal moeten bewijzen en dat de opposant als oorspronkelijke gedaagde geen bewijs heeft te leveren;

dat enz.;

O. dat partijen hare beweringen nader hebben toegelicht en daarop de uitspraak is bepaald op heden;

O. in rechte, dat de opposant by het door hem uitgebracht exploit van verzet dat verzet hierop doet steunen dat hy ontkent aan den opposant schuldig te zijn de som van f 0.73 en dat hij ter zake als in de oorspronkelijke dagvaarding dd. 16 December jl. vermeld pro resto slechts schuldig was een bedrag van f 2.35 welk bedrag hij op 22 December jl. aan den geopposeerde voldaan heeft;

O. dat een opposant die ingevolge art. 86 B. R. summierlijk de middelen waarop zijn verzet steunt moet vermelden, moet opgeven de feiten, waarop dat verzet is gegrond, zoodat de geopposeerde in staat is zich omtrent de gegrondheid van dat verzet een oordeel te vellen ;

O. dat het door den opposant uitgebracht exploit van verzet niet aan dezen eisch voldoet;

O. dat toch de mededeeling dat hij slechts f 2.35 pro resto schuldig was den geopposeerde geheel in het onzekere laat of de opposant de ter oorspronkelijke dagvaarding vermelde goederen heeft gekocht en ontvangen voor de aldaar vermelde prijzen en zoo ja of hij daarop zooveel heeft afbetaald dat hij slechts nog f 2.35 schuldig Was dan wel de oorspronkelijke vordering op eene andere wijze tot dat bedrag is te niet gegaan;

O. dat derhalve het exploit van verzet niet aan de door de wet gestelde vereischten voldoet en de opposant dat blijkbaar zelt heeft gevoeld door bij zijne eerste conclusie eene gedetailleerde uiteenzetting der feiten te geven;

O. dat daarvan het gevolg is, dat de opposant in zijn verzet niet ontvankelijk moet worden verklaard;

Gezien artt. 56 en 83 B. R.;

Recht doende enz .;

Verklaren den opposant niet-ontvankelijk in zijn verzet;

Verstaan dat de kosten van het geding te zijnen koste zullen blijven.

HOOGE BAAD. — BULLETIN.

(Burgerlijke Kamer.)

Voorzitter, Mr. F. B. Uoninok Liefsting.

Zitting van Maandag, 26 October.

Conclusie genomen in zake :

(cassatie) firma Dercksen, eischeres, advocaat Mr. J. H. Telders, tegen Maatsch. tot Expl. v. Tramwegen, verweerderes, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein. Adv.-Gen. Jhr. Rethaan Macaré concludeert tot verwerping. Uitspraak 2 November.

(Kamer van Strafzaken.)

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbekk.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1°. A. T. tegen een vonnis der Rechtbank te 's Gravenhage. Verworpen.

2°. S. R. B. tegen een vonnis der Rechtbank te sU-ravenhage. Verworpen.

3°. P. J. v. L. tegen een vonnis der Rechtbank te Amsterdam. Verworpen.

4°. S. J. M. tegen een vonnis der Rechtbank te Amsterdam. Verworpen.

5°. H. F. B. tegen een vonnis der Rechtbank te Amsterdam. Verworpen.

6°. H. J. K. tegen een vonnis der Rechtbank te Amsterdam. Verworpen.

7°. J. L. tegen een vonnis van den Kantonrechter te Bergen op Zoom. Verworpen.

8°. C. J-P- tegen een vonnis van den Kantonrechter te Haarlem. Verworpen.

90. J. J. M. v. E. tegen een vonnis van den Kantonrechter Zalt-Bommel. Ver worp en.

10°. H. E. tegen een vonnis van den Kantonrechter te Almeloo. V e r w o rp e n.

11°. H. W. tegen een vonnis van den Kantonrechter te Rotterdam. V erworpen.

12°-. A. B. tegen een arrest van het Hof te Leeuwarden. Verworpen.

13°. H. J- B. tegen een arrest van het Hof te Leeuwarden. Verworpen.

II. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake:

de Min. van Fin. tegen een vonnis der Rechtbank te Utrecht in zake Mr. J. M. S. V. Adv.-Gen. Jhr. Rethaan Macaré concludeert tot vernietiging. Uitspraak 22 November.

III. Behandeld het beroep van:

1°. A. J. W. B. tegen een arrest van het Hof te Amsterdam. Rapp. raadsh. Jhr. de Savornin Lohman. Gepleit door Mr. L. W. van Gigch, advocaat te Amsterdam. Concl. O. M. bepaald op 9 November.

2°. H. K. tegen twee vonnissen der Rechtbank te Breda. Rapp. raadsh. Jhr. Feith.

3°. H. M. tegen een vonnis der Rechtbank te Amsterdam.

Rapp. raadsh. Clant van der Mijll.

4°. J. Z. tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage.

Rapp. raadsh. de Ranitz.

5°. S. F. Th. B. tegen een arrest van het Hof te Amsterdam.

Rapp. raadsh. Nelissen.

Adv.-Gen. Jhr. Rethaan Macaré concludeert in sub 2°.. 3°. en 5°. tot verwerping en in sub 4°. tot vernietiging. Uitspraak in sub 2°., 3. en 5°., 2 November en in sub 4°., 23 November.

VERBETERING.

In W. n". 7963 staat bij de opgave van partijen boven het vonnis der Rechtbank te Rotterdam abusievelijk als advocaat van den eischer vermeld: Mr. E. S. Hollander. Dit moet zijn: Mr. j. Last te 's Gravenhage.

ADVERTENTIEN.

Bij de Uitgevers dezes verscheen heden :

ONTWEEP VAH WET

tot

wijziging van de eerste zes titels van liet vierde boek

van het

BURGERLIJK WETBOEK

en van daarmede verband houdende wettelijke voorschriften voor zoover dit voor de goede werking dier gewijzigde regeling noodig is.

(Begeerings-) Ontwerp met Memorie van Toelichting. Prijs ƒ1.50.

Het Ontwerp der Staatscommissie lot herziening der eerste zes titels van het Vierde Boek B. W. blijft verkrijgbaar k f 1.50, dat tot wijziging van Boekl (*2 dln in geheel linnen banden) kil.— en tot herziening van Boek II (1 dln in geheel linnen banden) a f 4-.80.

Bij de Uitgevers dezes is compleet verschenen :

Alphabetisch Register

op het

STAAT SBLAD

van het

Koninkrijk der Nederlanden

van

1893—1900

d00r

Mr. J. W. Belinfante,

Commies ter Provinciale Griffie van Zuid-Holland.

Prijs: f 15.50 ingen. en f 13.50 geb.

Bij de Uitgevers dezes is verkrijgbaar JOAN VAN DEN HOiNERT Th/..

FORMULIERBOEK

dek

onderscheidene Aeten behoorende tot de Burgerlijke Rechtsvordering

(herzien en vermeerlerd loor Mrs. I. Heemslterk Az. ei G. Belinfante) VIERDE DRUK

omgewerkt, met inachtneming van de jongste wijziging?» in het Wetboek gebracht

door

Mr. J. A FOEST, Advocaat en Procureur te Amsterdam. Mr. D. E. LIONI, Advocaat en Procureur en Privaat-Docent aan de Universiteit te Amsterdam en Mr. Lod. S. B0AS, Advocaat en Procureur te Amsterdam

Prijs: gebonden f 11.

(Iedrukt bij : F. J. BELINFANTE, voorh.. A. D. ÏSchlnkel.

Sluiten