Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

conclusie is verminderd en mitsdien bij arrest uitvoerbaar bij voorraad den appellant, incidenteel geïntimeerde, oorspronkelijK gedaagde in reconventie te veroordeelen om binnen twee dagen na de beteekening van het in dezen te wjjzen arrest, ter zake voormeld aan de geïntimeerden, incidenteel appellanten, tegen kwijting af en over ce geven 14 Atchison Topéka Adjustment ObligatTen, ieder a dollars '1000 nominaal met de daarbij behoorende coupons of dividendbewijzen van het jaar 1900 at, en bij gebreke van voldoening aan den inhoud van dat arrest binnen den gestelden termijn alsdan aan de geïntimeerden, incidenteel appellanten, tegen Kwijting te vergoeden en te betalen alle kosten, schaden en interessen door hen ten gevolge van de nietvoldoening aan hetzelve arrest gehad en geleden of te hebben en te lijden, nader op te maken bij staat, met veroordeeling van den appellant in de kosten van beide instantiën subsidiair dat het den Hove behage te bevestigen het vonnis waarvan beroep, behoudens vaststelling van een naderen dag voor het in reconventie bevolen getuigenverhoor met terugwijzing van de zaak naar dezelfde Rechtbank en met veroordeeling van cfen appellant, incidenteel geïntimeerde in de kosten van het hooger beroep.

in rechte:

A. wat betreft den eisch in conventie:

O. , dat door appellanten optredende voor de oorspronkelijke gedaagde vennootschap, als grief tegen het beroepen vonnis is aangevoerd: dat daarbij ten onrechte is beslist, dat tusschen partijen niet heeft bestaan rekening-courant-verhouding;

O. dat het Hof deze grief deelt;

O. toch, dat waar de oorspronkelijke eischer, thans geïntu meerde, tot grondslag zyner vordering stelt, dat hij van af November 1897 by appellanten eene rekening-courant heeft geopend; — dat hij hun effecten heeft tér hand gesteld, en daarop in prolongatie gelden heeft opgenomen; — dat hij effecten heeft gekocht en verkocht, geiden heeft gestort en opgenomen, alle welke handelingen in rekening-courant zyn gebracht of gebracht moesten worden en het tevens ten processe vaststaat dat appellanten op 31 December 1898 de ten processe overgelegde rekening-courant (geregistreerd enz.) hebben afgesloten en aan den nu geïntimeerde hebben toegezonden, sluitend met een voordeelig saldo voor geïntimeerde van f 679.91^ en geïntimeerde op uitnoodiging van appellanten om die rekening goed te keuren aan hen een door hem geteekend saldo-biljet heeft ter hand gesteld en daarenboven partijen stellen dat van af 1 Januari 1899 de rechtsverhouding tusschen haar is dezelfde gebleven —■ het Hof van oordeel is dat inderdaad, zoo niet uitdrukkelijk dan toch stilzwijgend is overeengekomen, dat de wederkeerige rekeningen van partijen slechts op vaste door haar te bepalen tijdstippen zouden worden afgesloten, en dat van de rekeningen alleen het saldo ontstaan uit compensatie der debet- en creditposten, waarin zij hare respectieve vorderingen zullen omzetten, zai kunnen worden opgevorderd, al hetwelk vormt eene rekening courant-verhouding in juridieken zin, en waar het tusschen partijen tevens is onbetwist, zooals hierboven reeds is aangemerkt, dat de verhouding van partijen in 1899 dezelfde is gebleven — hetgeen volgens het zinsverband niet anders kan beteekenen dan dezelfde rechtsverhouding van rekening-courant — de gevolgtrekking moet worden gemaakt, dat partijen ook in 1899 zijn overeengekomen, dat hare financieele verhouding naar aanleiding van tusschen partyen gesloten transactiën bij saldo rekeningcourant op een zeker tijdstip en wel over ieder kalenderjaar zou worden gefixeerd, zoodat de oorspronkelijk gedaagde, van wie niet is gevorderd rekening en verantwoording over het jaar 1899 maar rekening en verantwoording zonder bepaling van eindtermijn, ten gevolge waarvan moet worden aangenomen, dat de oorspronkelijke . eischer vordert rekening en verantwoording tot den dag der oorspronkelijke dagvaarding (4 Mei 1900) niet als nalatig rekenplichtige kan worden aangemerkt en zij mitsdien ten onrechte door den eersten rechter als zoodanig is beschouwd, weshalve de oorspronkelijke eischer thans geïntimeerde in zijne vordering niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en alzoo het beroepen vonnis ten aanzien van den eisch in conventie moet wor den vernietigd;

B. ten aanzien der vordering in reconventie:

O. dat de eischeres in reconventie, voor wie thans 1.1. Stooker cum suis als incidenteel-appellanten optreden, hare vordering daarop grondt, dat blijkens de ten processe overgelegde rekening-courant eischeres in reconventie van af 3 December 1897 tot 31 December 1898 voor den gedaagde in reconventie heeft verkocht 69 Atchison Topéka Adjustment Obligatiën en 50 dergelijke Obligatiën heeft gekocht, welke obligatiën nimmer door gedaagde in reconventie zijn geleverd en ontvangen, terwijl hij intusschen voor de verkoopprijzen is gecrediteerd en voor de koopprijzen is gedebiteerd; dat, vermits gedaagde in reconventie in de hem toegezonden rekening-courant over het boekjaar 1899 voor den verkoopprijs van 5 obligatiën is gedebiteerd, eischeres in reconventie mitsdien nog vordert 14 Atchison Topéka Adjustment Obligatiën ieder groot nominaal dollars 10C0, tot levering waarvan gedaagde in reconventie bij deurwaardersexploit van 1 Juni 1900 in gebreke is gesteld, terwijl bij het beroepen vonnis aan den reconventioneel gedaagde in opdracht is gegeven door getuigen te bewijzen do daadzaken in factis medegedeeld;

O. dat beide partijen in hooger beroep tegen het vonnis a quo hare grieven hebben doen gelden, doch dat, wat er van die grieven ook zij, het Hof van oordeel is, dat de eerste rechter aan de reconventioneele eischeres hare vordering had moeten ontzeggen en wel naar aanleiding der tusschen partijen bestaande rekeningcourant-verhouding en het dientengevolge tusschen haar overeengekomen saldo van rekening over* 1897—1898 tot een bedrag van f 679.91

O. toch dat, door het zonder eenige reserve vaststellen en goedkeuren van dat saldo, de financieele verhouding tusschen partijen betreffende de tusschen haar gesloten transactiën is geregeld, waaruit volgt, dat de verplichtingen uit deze transactiën ontstaan, zijn vervuld ; — dat derhalve nu over 1897—1898 het saldo rekening-courant tusschen partijen is vastgesteld, de reconventioneele vordering, welke betreft afzonderlijke posten op voorzegde rekening-courant, voorkomende, eiken wettelijken grondslag mist, die vordering derhalve moet worden ontzegd en mitsdien ook het beroepen vonnis ten aanzien der reconventioneele vordering moet worden vernietigd;

O. dat nu partijen over en weder in het ongelijk zijn gesteld de kosten dezer procedure zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep behooren te worden gecompenseerd;

Gezien artt. 56 en 343 B. R.;

Vernietigt het beroepen vonnis en op nieuw recht doende in hooger beroep : a.. ten aanzien van de vordering in conventie, verklaart den eischer niet-ontvankelijk in die vordering; b. ten aanzien der vordering in reconventie ontzegt die aan eischeres in reconventie; bepaalt dat de kosten door deze procedure zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep veroorzaakt, zullen worden gecompenseerd in dier voege dat ieder der partijen hare eigene kosten zal dragen.

ARRQNDISSEMEM'S-REC H TB ANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTERDAM. Tweede Kamer.

Zitting van den 17 December 1902.

Voorzitter, Mr. A. O. H. Tellegen Bzk.

Rechters, Mrs.: G. T. J. de Joköh en P. Polvliet.

Art. 1353 B. W.

Een beding ten behoeve van een derde mag, als uitzondering, niet worden ondersteld, maar moet duidelijk en ondubbelzinnig blijken.

De clausule van het cognossement, waarbij, indien de lading' niet dadelijk ontvangen wordt, wanneer zij voor de hand komt, de kapitein of de agent van het schip gerechtigd wordt verklaard de lading te lossen en op te slaan ten koste der ontvangers, bevat geen beding ten behoeve van den agent van het schip (cargadoor) om die kosten zelfstandig van de ontvangers in te vorderen.

M. P. van Santen, wonende te Rotterdam, en aldaar handelende onder de firma van Santen & Co., appellant, oorspronkelijk eischer, advocaat en procureur Mr. B. C. J. Lodek,

tegen

De handelsvennootschap onder de firma Brückwilder & Co., gevestigd en kantoor houdende te Rotterdam, geïntimeerde, oorspronkelijk gedaagde, advocaat en procureur Mr. C. P. Zaaijer.

De Rechtbank enz.;

Gehoord partijen in hare conclusien en pleidooien;

Gezien de stukken van het geding, voor zooveel noodig geregistreerd ;

Ten aanzien der daadzaken en in eersten aanleg gevoerde procedure ; 1

Overwegende dat de Rechtbank zich gedraagt aan en verwijst naar, zoodat die hier als ingevoegd moeten beschouwd worden, de daartoe betrekkelijke overwegingen, voorkomende in het vonnis van het Kantongerecht n°. 1 te Rotterdam, den 20 Maart 1901 tusschen partijen gewezen, waarvan het dictum luidt: „Ontzegt den eischer zijne vordering, veroordeelen hem in de kosten van het geding," enz.;

O. dat de oorspronkelijke eischer bij exploit van den deurwaarder J. van Noort dd. 17 Mei 1901, dus tempore utili, van dit vonnis is gekomen in hooger beroep en dat de zaak daarvoor vatbaar is; dat partijen by wederzijds genomen conclusie hare sustenuen hebben uiteengezet en geconcludeerd:

Appellant: dat de Rechtbank het vonnis a quo zal vernietigen en de zaak aan zich houdende appellant alsnog zal toelaten tot het in prima aangeboden getuigenbewijs, met veroordeeiing van geïntimeerde in de kosten van beide instantiën;

Geïntimeerde: dat de Rechtbank het vonnis waarvan appel, zal bevestigen (met dien verstande dat de appellant in zijn eisch worde verklaard niet-ontvankelijk met veroordeeling van appellant (staande in de conclusie: „geïntimeerde", wat blijkbaar een schrijffout is) in de kosten ook van dit rechtsgeding; In rechte :

O. dat te beslissen is de vraag of appellant als cargadoor (agent) gerechtigd is ten eigen name van den ontvanger terug te vorderen de lossings- en opslagkosten door hem gemaakt krachtens cognossementsbeding, luidende: ,,Thei Goods shall be taken from the ship's tackle directly on their coming to hand in discharging the ship, otherwise the master o r s h i p's agent shall be at liberty to enter and land the Goods or put them into store, warehouse or craft, or on quay, at the Receiver's risk and eipence" ;

O. dat den cargadoor, die geen partij was, bij de bevrachtingsovereenkomst, waarop bedoeld cognossement betrekking heeft, slechts dan een zelfstandig vorderingsrecht daaruit toekomt, wanneer eene der partijen bij die overeenkomst tegenover de praestatie die zij zelve op zich nam, voor zich zoodanige praestatie van de andere partij jegens den cargadoor als derde bedongen heeft, zijnde dan ook volgens appellant bij gemelde clausule blijkens de woorden ,,or sbip's agent" een recht ten behoeve van den cargadoor door den schipper van den bevrachter bedongen, hetwelk thans de cargadoor tegen dezen, dat wil zeggen: den met het cognossement opgetreden ontvanger, bij de ingestelde actie doet gelden ;

O. dat de bedoeling om bij het aangaan van een overeenkomst iets ten behoeve van een derde te bedingen, respectievelijk zich jegens een derde te verbinden, als uitzondering niet mag worden ondersteld maar duidelijk en ondubbelzinnig moet blijken, hetzij uit de woorden hetzij uit den aard der overeenkomst;

O. dat dit in casu niet het geval is;

O. toch dat, terwijl de cargadoor in het algemeen bij de lossing optreedt als de gemachtigde van schipper en reederij en als zoodanig de verschillende daarbij zich voordoende werkzaamheden verricht, alleen uit de toekenning aan den cargadoor naast den schipper van de bevoegdheid om bij nalatigheid van den ontvanger op diens kosten de lossing en opslag der goederen te doen plaats hebben, niet blijkt de bedoeling om hem te diei zake een zelfstandig vorderingsrecht te geven, maar veeleer met geïntimeerde moet worden aangenomen dat die woorden niets anders of meer beteekenen dan den cargadoor reeds bij voorbaat tot die handelingen te machtigen, met dat gevolg dat de ontvanger, die onderworpen is aan den inhoud van het cognossement waarmee hij zich heeft aangemeld, te dier zake door den schipper aangesproken geen gemis van machtiging van den cargadoor kan tegenwerpen ;

O. dat dan ook niet duidelijk is welke reden de schipper zon hebben om zoodanig zelfstandig vorderingsrecht voor den cargadoor te bedingen, waar mj immers volkomen gebaat is met de voor het geval zijner afwezigheid reeds te voren verstrekte machtiging in zijne plaats zijn rechten te doen gelden en hij er zeker geen belang bij heeft dat de cargadoor de bedoelde kosten ten eigen name invordert;

O. dat de afwezigheid van den schipper toch zeker geen bezwaar kan zijn om ingevolge zijn opdracht en in zijn naam dat vorderingsrecht uit te oefenen, evenals slechts namens den schipper als den eenigen daartoe verplichten —• zooals appellant zelf toegeeft, — ook al heeft de lossing en opslag door den cargadooT plaats gehad, de uitlevering der goederen aan den ontvanger kan geschieden;

O. dat al evenmin blijkt, wat dan toch bij een pactum in favorem tertii noodzakelijk is, welk voordeel er voor den cargadoor zelf in gelegen zou zijn, de bedoelde kosten te mogen verhalen

op deir ontvanger, in plaats van ze met z\jn overige uitgaven en salaris aan den reeder in rekening te brengen;

O. dat derhalve de bovengestelde vraag ontkennend moet worden beantwoord en het vonnis van den Kantonrechter behoort te worden bevestigd, met dien verstande echter dat de oorspronkelijke vordering minder juist door den Kantonrechter is ontzegd, en appellant, oorspronkelijk eischer, daarin moet worden verklaard niet-ontvankelijk;

Gezien artt. 56, 543, vlg. van het Wetboek van R. R. ; Bevestigt het vonnis waarvan appel, behalve voor zoover daarbij de eisch is ontzegd .en met vernietiging van dat vonnis in zooverre, verklaart appellant, oorspronkelijk eischer, niet ontvankelijk in zijne vordering ■

Veroordeelt hem in de kosten van het hooger beroep tot aan deze uitspraak aan zijde van geïntimeerde tot heden begroot op f 115.45.

ARROND.-RECHTBANK TE 's HERTOGENBOSCH. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 31 December 1902.

Toorzitter, Jhr. Mr. L. van Meeuwen.

Reohters, Mrs.: Jhr. L. P. X. M. Yerheijen en J. Pu. Sdijling.

Moeten de verwachters van een fideicommissum de residuo geacht worden rechtstreeks, met uitsluiting der erfgenamen bij versterf, door den erflater te zijn ingesteld, indien de bezwaarde vóór den erflater overlijdt ? — Ja.

Obsteert hiertegen art. 932 B. W."/ — Neen.

Is deze beslissing ook niet eene analogische toepassing van het beginsel waarop art. 1048, al. 2 B. W. steunt ? — Ja.

la,. A., 6. H., c. H. d. H., e. E. v. F., allen wonende te Haarsteeg, landbouwers;

2°. M. v. F., landbouwer, te Haarsteeg;

3°. L. v. d. W., wethouder, te Haarsteeg, als in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd met J. v. F., eischers, procureur Mr. P. H. Loeff,

tegen

1°. a,. H. v. B., landbouwer te Haarsteeg, uit eigen hoofde en als gehuwd in algehee'e gemeenschap van goederen met M. v. d. B.; b. M. E., landbouwer, te Haarsteeg, als in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd met Th. v. B., gedaagden, procureur Mr. P. H. Loefe ;

2°. J. d. H., landbouwer te Nieuwkuik, als in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd met A. v. F., uit eigen hoofde en als voogd over de minderjarigen C. en J. v. B., krachtens uit het huwelijk van wijien de echtelieden N. v. B. en C. v. F. ; 3°. er,. W. P., landbouwer te Haarsteeg, als in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd met J. v. d. B.; 6. P. v. d. B., landbouwer, te Haarsteeg; c. W. v. d. B., landbouwer, te Haarsteeg, gedaagden, procureur Mr. R. E. Tiliian.

De Rechtbank enz.;

Gehoord partijen 5

Gehoord het Openbaar Ministerie concludeerende tot toewijzing der vordering;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der feiten:

Overwegende dat de eischers bij dagvaarding gesteld hebben, dat te Haarsteeg, hun laatste woonplaats, kinderloos zijn overleden de in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd geweest zijnde echtelieden L. v. F. en Th. W. v. F., respectievelijk op 19 April 1882 en 13 Februari 1902; dat beide echtgenooten den langstlevende hunner tot eenigen erfgenaam hadden benoemd, onder bepaling, dat al hetgeen de langstlevende van de erfenis van den eerststervende onverteerd of onvervreemd zou nalaten bij diens overlijden zal verkregen worden door de broeders der vrouw, G. H. v. F. en M. H. v. F., door hare zuster H. v. F., weduwe v. J. Th. v. B., door de kinderen van haren reeds overleden broeder C. H. v. F., door de zuster van haren man, M. v. F. in algeheele gemeenschap gehuwd met H. A. v. d. B., door zijn broeder C. W. v. F., en zulks voor gelijke deelen, met dien verstande evenwel, dat de kinderen van C. H. v. F. voor één hoofd gelden ; dat de erflaters verder bepaald hadden, dat by vóór overlijden van een der verwachters vóór den erflater of den bezwaarde de wettige afkomelingen bij plaatsvervanging zouden optreden; dat C. W. v. F. na den 19 April 1882, doch vóór 13 Februari 1902 kinderloos is overleden; dat de eischers sub 1°. zijn de kinderen en eenige erfgenamen van G. H. v. F. en diens in algeheele gemeenschap gehuwde echtgenoote beiden na 19 April 1882 en vóór 13 Februari 1902 overleden ; dat de gedaagde sub lff.. en de echtgenoote van den gedaagde sub 16. zijn de kinderen en erfgenamen van de bereids overledene H. v. F., weduwe van J. v. B.; dat de echtgenoote van den gedaagde sub 2°. en van den eischer sub 3°. kinderen en de gedaagden sub 2°. wettige afkomelingen van een overleden kind van wijlen C. v. F. zijn; dat de echtgenooten van de gedaagden sub 3(7,. en sub la., benevens de gedaagde sub 36. en 3c. wettige kinderen van M. v. F. zijn; dat de nalatenschap van de echtelieden Th. W. v. F. en L. v. F. te zamen vormend hun huwelijksgemeenschap, alsnog zijn onverdeeM; dat de eischers en de gedaagden voor zich of in hoedanigheid tot dien gemeenschappelijken boedel gerechtigd zijn ; weshalve zij vroegen bevel tot scheiding en deeling der nalatenschappen en der gemeenschap met nevenvorderingen;

O. dat de gedaagden P. c. s. antwoordden, dat indien de met een fideicommissum de residuo bezwaarde vóór den erflater overlijdt de verwachters niet tot de in het fideicommis begrepen making worden geroepen; dat bijgevolg de eischers, voor zoover zij tengevolge van het vooroverlijden van de bezwaarde rechtstreeks beweren geroepen te zijn tot de nalatenschap van Tb, W. v. F. geen scheiding en deeling van dien nalatenschap kruinen vorderen; dat de gedaagden zich overigens tegen (ïe vordering niet verzetten ; dat zij diensvolgens vroegen niet ontvankelijk-verklaring der eischers voor zoover hun eisch raakt de nalatenschap van Th. W. v. F., toewijzing der vordering voor het overige met benoeming van den heer T. tot boedel-notaris;

O. dat de eischers daarop repliceerden dat in alle geval hunne vordering opgaat, omdat de nalatenschap van L. v. F. een onverdeeld bestanddeel vormt der huwelijksgemeenschap, die tusschen haar en haren echtgenoot heeft bestaan ; dat echter de eischers wel degelijk ondanks het vooroverlijden van de bezwaarde als verwachters tot de nalatenschap van den erflater zijn geroepen; dat mitsdien de gedaagden P. c. s. ten onrechte volhouden, dat alleen zij, met de echtgenoote van den gedaagde sub 1°. tot de nalatenschap van Th. W. v. F- zijn geroepen, weshalve de eischers bij hun vordering volharden met verzoek den heer C. tot boedel-notaris te benoemen;

Sluiten