Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 9 December 1903 N° 7985

WEEKBLAD VAN HET RECHT

VUF - EW • ZESTIGSTE JAARGANG JÜS ET YERITAS

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post fli, behalve het Register. — Prijs der advertentiën, 1—6 regels f 1.45, elke regel meer 20 cents. — Rechterlijke uitspraken ter plaatsing franco aan de Uitgevers, Boekhandel t/s Gebr. Belinfante, te 's Gravenhage (Ie Wagenstraat 100); andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht (Stationstraat 11).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

WETGEVING.

Staatsbegpooting voor het dienstjaar 1904.

HOOFDSTUK IV. (Justitie).

MEMORIE VAN ANTWOORD.

(Slot.)

Conflict tusschen rechterlijke uitspraak en ministerieel bevel.

Het deed den ondergeteekende leed te vernemen, dat er leden waren, die verklaarden zijne houding in de bij deze paragraaf omschreven iaangelegenheid .niet te kunnen billijken. Deze leden gaan blijkbaar uit van de mêenimg, dat de administratie zich altijd, zonder eenige uitzondering, bij elke beschikking, hoe-danige ook, dei rechterlijke macht onvoorwaardelijk heeft neer te leggen en op gelijke wijze de gevolgen voor eike zoodamige beschikking heeft te aanvaarden.

Deze meening nu is, in hare volstrekte algemeenheid, onjuist. Mem dient te onderscheiden.

Dat de administratieve macht nimmer en onder geen voorwendsel bevoegd kan zijn ten voordeel© of ten nadeele van dezen of genen een rechterlijk gewijsde van zijne kracht te berooven, staat vast; dat zij zulks evenmin kan doen te haren eigen bate, waar zij zelve in het geding was betrokken, is evenzeer boven eiken twijfel verheven. Wordt bij zulk geding de administratie in het ongelijk gesteld, dan mag, welke groote financieele of andere belangen daarmede ook gemoeid zijn, en hoezeer 's rechters wetsuitlegging hem ook ongerijmd zou voorkomen, toch geen Minister van Justitie aarzelen, zich bij zoodanig gewijsde neet te leggen en daaraan uitvoering te ge ven.

Anders staat echter de zaak in het onderhavige geval.

Hier was van een rechterlijk gewijsde geen sprake; zelfs niet van eene daad van rechtspraak, maar eenvoudig van een door de rechterlijke macht op verzoek genomen maatregel van administratievein aard, die, in zijn wezen, voor de administratieve macht volmaakt was eene ,,res inter alios", maar waarbij geheel accidenteel, zonder haar en buiten haar om, over hare financiën werd beschikt.

Ten opzichte van eene zoodanige beschikking, welke uit haren aard met eigenlijke rechtspraak niets gemeen heeft, —zelfs ternauwernood den naam — waarbij de administratie nóch partij is, nóch zelfs wordt gehoord, zal zij noodwendig, met het oog op hare eigen verplichtingen, steeds hare volkomen vrijheid zich moeten voorbehouden en alleen dan zich naar zulke beschikking kunnen en mogen voegen, wanneer zulks, naar hare eigen inzichten, haar volgens de wet vrijstaat.

Dit laatste nu was in casu, naar haar oordeel, met het oog op den inhoud van de artt. 357 Burgerlijk Wetboek en 872 Burgerlijke Rechtsvordering, niet het geval.

' Onjuist is derhalve de meening, dat de vraag, welke de zin is van deze wetsartikelen niet ter beslissing stond van dei administratie. Die meening zou alleen dan op juistheid kunnen aan. spraak maken, wanneer die beschikking der Rechtbank te Rotterdam hadde kunnen gegeven worden en ware gegeven in een geding. Ware de uitspraak der rechtbank te Rotterdam geweest „eene daad varj een onpartijdige, die oordeelt tusschen partijen over een quaestie van recht (1)" de eerbied voor rechterlijke gewijsden, waarin de ondergeteekende bij niemand wenscht achter te staan, zou hem, hoe onjuist hij ook dan die uitspraak zou hebben gevonden, geen oogenblik hebben doen aarzelen zich daarbij neder te leggen. Nu zulks evenwel niet het geval was, bestond voor hem niet alleen de bevoegdheid, maar rustte ook op hem de plicht, zelfstandig en onafhankelijk van de meening der rechtbank te Rotterdam, den zin en de beteekemis der meergenoemde artikelen te beoordeelen. Waar dit oordeel tot zijn leedwezen moest afwijken van dat door de rechtbank uitgesproken, kon en mocht hij niet anders handelen dan hij deed.

Voor goeden of minder goeden wil was daarbij geen plaats, waar hij door de wet was gebonden, eene gebondenheid, waarvan hij zich nog te meer bewust was, juist ten gevolge van de herinnering die hij had aan die behandeling der Kinderwetten en aan het destijds op art. 357 B. W. voorgestelde en door de Tweede Kamer 'aangenomen amendement. Die aanneming toch zou eiken redelijken zin hebben gemist, indien reeds het ongewij zigd art. 357 hadde ingehouden, wat het amendement beoogde daarin te doen opnemen.

Ten onrechte wordt dus door sommige leden op het debet van den ondergeteekende gebracht, dat hij, door te handelen gelijk hij deed, een rechtèrlijk dictum zou hebben krachteloos gemaakt ; veeleer bestaat er reden, gelijk andere leden hebben gedaan, in zijn credit te boeken, dat hij een wettelijk dictum heeft gehandhaafd.

Kadaster.

De ondergeteekende kan tot zijn leedwezen voorshands niet voldoen aan den wensch van hen, die van zijne zijde eenige toezegging verlangen omtrent de indiening van een wetsontwerp betreffende de bewijskracht van het kadaster. Onder de onderwerpen van wetgevenden aard, waaraan hij zijne aandacht heeft geschonken en in den eerstvolgenden tijd denkt te schenken, neemt het genoemde onderwerp geen plaats in, en hij meent in dat feit een verontschuldiging te mogen vinden, waar

(1) Definitie van rechtspraak gegeven door Mr. Kappeyne van de Ooppello in de vergadering der Tweede Kamer van 25 Maart 1873.

hij zich thans onthoudt van eene bespreking van de meer juridische zijde van het kadaster-vraagstuk.

Ontoerekenbaarheid van misdadigers.

Op het hier bedoelde terrein staat de Regeering uit den aard der zaak geheel machteloos. Neemt de rechter ontoerekenbaar, heid aan op grond van gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van verstandelijke vermogens, dan moet daarin wordten berust. Geschiedt dit veelvuldiger dan vroeger het geval was, dan zal de oorzaak daarvan moeten worden gezocht m de meer en meer veldwinnende nieuwe beginselen op strafrechtelijk gebied, krachtens welke de beoordleeling van de persoonlijkheid van den dader meer op den voorgrond treedt. Tegen ontvluchting van misdadigers die op bevel van den rechter naar Medemblik ter observatie en ter verpleging zijn opgezonden, kan natuurlijk van overheidswege worden gewaakt. En nu valt het niet te ontkennen, dat zich in den laatsten tijd' aldaar gevallen van ontvluchting hebben voorgedaan, die slechts verwezenlijkt hebben kunnen worden na een te voren nauwkeurig beraamd en opgezet plan. Omtrent de wijze waarop de voorgekomen ontvluchtingen plaats vonden heeft de ondergeteekende zich steeds uitvoerig doen inlichten, terwijl hij niet in gebreke is gebleven zijnen ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken daarvan med'edeeling te doen, onder uitnoodiging zoodanige maatregelen te treffen als noodig werden geacht om herhaling te voorkomen. Aan die uitnoodiging is onverwijld gevolg gegeven en aanzienlijke verbetering is sedert dien verkregen, terwijl men voortdurend op afdoende maatregelen blijft bediacht.

Aanvulling van het Koninklijk besluit van 3,1 December 1874 (Stbl. n°. 231).

De quaestie, waarop in deze paragraaf de aandacht wordt gevestigd, is inderdaad door den ondergeteekende, ingevolge de toezegging door hem gedaan in de vergadering der Tweede Kamer van 10 December 1902, bij zijne ambtgenooten ter sprake gebracht. Dat de zaak nog niet definitief haar beslag heeft gekregen is te wijten aan de veelvuldige werkzaamheden van meer dringenden aard, waarmede verschillende Departementen zich zagen overladen.

Artikelen.

Iste Af deeling.

Kosten van het Departement.

Artt. 2, 2bis en 2ter. Het was den ondergeteekende zeer aangenaam betuiging van instemming te vernemen met zijn voornemen om aan liet bureel van den hoofdinspecteur van het ge. vangeniswezan nieuwe werkkrachten te verbinden.

De vermelding in den uitgewerkten en toelichtenden staat, als zou bij de raming van het tweede-klerkenpersoneel op eene minimum-bezoldiging dezer ambtenaren ad f 450 zijn te rekenen, berust op eene schrijffout. Hiervoor moet worden gelezen f 400.

Hoewel erkentelijk voor de instemming, die de reeds genomen maatregelen ter bevordering van eene meer spoedige betaling der griffiers- en deurwaarders-declaratiën bij verscheidene leden mochten ondervinden, meent de ondergeteekende uitdrukkelijk er op te moeten wijzen, diat hierdoor slechts ten halve aan het gewraakte euvel zou worden tegemoet gekomen. Niet alleen toch de gang van zaken buiten het Departement, doch ook die daarbinnen moet kannen worden bespoedigd, welk laatste in hoofdzaak zal moeten geschieden door de gevraagde aanvulling van personeel. Bij behoud der tegenwoordige bezetting toch, zouden de declaratiën, hoe tijdig ook ingediend en hoezeer ook bij de samenstelling der begrooting op de vereischte fondsen zou zijn gerekend, niet zoo tijdig kunnen worden afgestaan, dat hernieuwde klachten over vertraging zouden uitblijven.

Ten aanzien van de vraag, of met den geroutineerden ambtenaar, aan wien onder toekenning van den rang van adjunctcommies het werk der verificatie van meervermelde declaratiën zou worden opgedragen, wordt bedoeld een ambtenaar, thans reeds aan het Departement werkzaam en, zoo neen, waar dan die ambtenaar zou zijn te zoeken, kan door den ondergeteekende slechts worden medegedeeld, dat zijn keuze dienaangaande nog niet is bepaald. Bij het aanvragen van een nieuwen ambtenaar met den rang van adjunct-commies is echter rekening gehouden met de mogelijkheid,'dat naar eene geschikte werkkracht buiten het Departement zou moeten worden gezocht, in welk geval bezwaarlijk met eetn titularis van lageren rang zou kunnen worden volstaan.

Echter moet in het oog worden gehouden, dat met „geroutineerd'' hier in de eerste plaats wordt bedoeld geroutineerd in den administratieven dienst in het algemeen en niet zoozeer in het werk van de verificatie van declaratiën als de hier bedoelde in het bijzonder, hoewel dit laatste natuurlijk tot aanbeveling zou kunnen strekken.

Hoe vleiend de bedoeling ook moge zijn, mag de ondergeteekende den hem in verband met deze aangelegenheid door sommige leden toegedaehten lof, ten aanzien van de inrichting der betreffende begrootingsartikelen, niet aanvaarden.

Door een onwillekeurig verzuim toch is nagelaten het art. 2ter der begrooting in de vermelding van art. 2 van het ontwerp op te nemen. Deze opneming is evenwel noodzakelijk. Bij diei vaststelling van het bedrag van art. 2ter toch is alleen rekening gehouden met die sommen, welke mem nu reeds weet in het jaar 1904 noodig te zullen hebben om aan de daarvoor in aanmerking komende ambtenaren .en bedienden de hun toekomende periodieke tractementsverhooging toe te kennen.

Het geval kan zich echter voordoen, dat in den loop van het jaar bij het thans nog onvoorzien ontstaan eener vacature van

klerk of bediende, gelden noodig zijn om aan den in die vacature te benoemen titularis de verhooging' toe te kennen, waarop hij ingevolge art. 2 van het Koninklijk besluit van 23 Juli 190ï> (Staatsblad n°. 215) na een half jaar dienst aanspraak heeft verkregen. Deze omstandigheid maakt het derhalve: noodig, dat de daarvoor vereischte som kan worden gevonden door overschrijving uit het artikel voor onvoorziene uitgaven.

Voor zooveel noodig meent de ondergeteekende in verband hiermede de aandacht te mogen vestigen op het slot der Memorie van Toelichting op het wetsontwerp tot verhooging en wijziging van het Vde hoofdstuk der Staatsbegrooting voor 1903 (Gedrukte stukken, Zitting 1902—1903, blz. 152).

Art. 2 van het ontwerp is mitsdien bij nota van wijziging alsnog op dit punt aangevuld.

11de Afdeeling.

Kosten van de rechterlijke macht.

Achterstand van zaken bij het gerechtshof te Amsterdam.

Art. 6d. Het ligt niet in het voornemen van den ondergeteekende een voorstel tot uitbreiding van het personeel van het .gerechtshof te Amsterdam aanhangig te maken. Vermindering van het getal leden, waarmede leeme kamer recht spreekt, komt hem, na ernstige overweging, voor het middel te z^jn, waardoor een vluggere afdoening van zaken kan worden bevorderd, en in het plan tot wijziging van de bestaande rechterlijke organisatie, dat de ondergeteekende hoopt ter beoordeeling der Kamer te zullen kunnen stellen, tegelijk en in verband met zijne ontwerp-regeling der administratieve rechtspraak, is dan ook een daartoe strekkend voorschrift opgenomen.

Bij het vernemen van courantenberichten over ver vojruitge schoven termijnen voor pleidooien, hoe ongewenscht deze ook mogen zijn, houde men overigens, zooals ook in het Voorloopig Ver • slag wordt opgemerkt, in het oog, dat de gevallen, waarin eena dagbepaling voor pleidooi op zoo langen termijn geschiedt niet steeds als bewijs kunnen gelden dat de tusschengelegen dagen reeds voor het houden van pleidooien zijn aangewezen. Bovendien verdient het dei aandacht, dat een langdurig uitstel (.ok somtijds door partijen zelve gewenscht wordt.

Commiezen ten parkette.

Art. 7. Het deed den ondergeteekende leed uit het Voorloopig Verslag te ontwaren, dat zijn ernstig voornemen, eerstens om verbetering te brengen in de bewerking van het grondmateriaal voor eene deugdelijke gerechtelijke statistiek, en tweedens om enkele met werkzaamheden overkropte parketten voor een deel van hun administratieven arbeid te ontlasten door het aanstellen van gegradueerde ambtenaren met den titel van commiezen ten parkette, algemeen bezwaar ontmoette. Terwijl die omstandigheid op zich zelf hem reeds sterk deed aarzelen omtrent de vraag of hij nu wel mocht blijven aandringen op het goedkeuren van het voor die ambtenaren uitgetrokken bedrag — hoewel het hem overigens niet moeilijk zoude vallen meer dan een der geopperde bezwaren door nadere toelichting te ontzenuwen — viel daarmede samen eene juist dezer dagen van zijnen ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken ontvangen mededeeling, waaruit hem bleek, dat een pian in wording is om voor het verzamelen en bewerken van statistische gegevens op allerlei gebied in verschillende plaatsen z.g. correspondenten aan te stellen, welke ambtenaren tevens in het belang van dg gerechtelijke statistiek werkzaam zouden kunnen zijn. Komt zoodanige regeling tot stand, dan zal niettemin het verzamelen van het gronidïnateriaal op zich zelf blijven ten laste van het parket, gelijk zulks ook thans het geval is; (niet gelijk minder juist in het Voorloopig Verslag wordt opgemerkt, van den griffier en zijn personeel).

Daarom blijft eenige uitbreiding van het ondergeschikte personeel aan de drukste parketten een dringende eisch. De bij art. 7 geraamde post is op grond van een en ander verminderd met het voor de commiezen ten parkette uitgetrokken bedrag, terwijl art'. 10 naar verhouding is vermeerderd met een zoodanig bedrag, dat aanstelling van eenige meerdere klerken ten parkette mogelijk wordt.

Instelling van een tweede kantongerecht te 's Gravenhage.

Art. 8c. Het gebleken verschil van zienswijze over de vraag of te 's Gravenhage een tweede kantongerecht behoort te worden gevestigd, geeft den ondergeteekende remleiding er op te wijzen, dat van de zijde der justiciabelen tot d'usver nimmer en van de zijde van den kantonrechter zeiven pas eergister voor het eerst door de Regeering klachten werden vernomen over bezwaren van den bestaanden toestand. Dat intusschen behoud van een enkel kantongerecht op den duur tot misstanden aanleiding moet geven, wordt door den ondergeteekende gereedelijk toegestemd en daaraan is dan ook aandacht geschonken in het plan tot herziening van de rechterlijke organisatie, waarvan hierboven sprake was.

V erplaatsing van den zetel van het Kanton, gerecht te Onder den dam naar Winsum.

Art. 8e. Ten onrechte maakt het Voorloopig Verslag dem indruk, als zou de ondergeteekende ten vorigan jare bij de schriftelijke behandeling der begrooting in gebreke zijn gebleven te voldoen aan het verzoek tot mededeeling van dem inhoud dter adviezen, betreffende de verplaatsing van dem zetel van het thans te Onderdendam gevestigde kantongerecht naar Winsum. De Memorie van Antwoord betreffende Hoofdstuk IV der Staatsbe-

Sluiten