Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Valette (T. G. G.) gekozen lid 2e ICamer. 6345. 4.

Valkenjacht. — Opening en stuiting der — in Friesland. 6307. 4.

"Valsche hoedanigheid. — Zie Oplichting. H. R. 6327. 2.

— munt. — Schuldigverklaring aan strafbare poging tot het opzettelijk weder uitgeven van valsche munt, nadat de valsehheid den beklaagde is bekend geworden. Art. 213 in verband met art. 45 Strafrecht. Rechtb. Groningen. 6279. 4.

— naam. — Art. 435 3°. Strafrecht is niet toepasselijk op hem, die, naar zijn naam gevraagd door een agent van politie bij eene bekeuring ter zake van een strafbaar feit, met het opsporen waarvan die ambtenaar niet is belast, een valschen naam opgeeft. H. R. 6355. 1.

—- sleutel. —■ Zie Diefstal. 6336. 3.

Valschheid. — Leveren de omstandigheden, waarop de gedaagde zich beroept, het bewijs op dat de door den eischer overgelegde akte valsch zou zijn? — Neen. Rechtb. Rotterdam. 6312, 3.

— Voor eene veroordeeling krachtens art. 225, 2e lid, Strafr. is voldoende dat op grond van wettige bewijsmiddelen is beslist dat vervoer en uitslag van 180 kilogram zeep op eene quitantie van betaalden accijns voor slechts 30 kilogram, het in het vonnis nader omschreven nadeel voor het Rijk kan doen ontstaan; dat de beklaagde de quitantie heeft vervalscht met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht te gebruiken tot dekking van uitslag, vervoer en inslag van 180 kilogram zachte zeep, en dat hij daarna de quitantie aan een derde, die door hem met het vervoer der zeep was belast, heeft ter hand gesteld tot dekking van de zeep die deze zou vervoeren, zonder dat eene nadere motiveering wordt vereischt dat door de terhandstelling van de quitantie aan dien derde nadeel kon ontstaan.

In 's rechters beslissing dat de beklaagde bij de vervalsching het oogmerk had om de vervalschte zeepaccijnsquitantie als echt en onvervalscht te gebruiken, ligt opgesloten de beslissing dat het oogmerk niet alleen betrof den vervoer en den inslag, maar ook den uitslag.

De wet kent geen bewijsmiddel op grond waarvan de strafrechter verplicht zou zijn eenig feit ten laste of tot ontschuldiging van een beklaagde aan te nemen, indien dat niet met zijne overtuiging overeenstemt.

De strafrechter is dan ook volkomen bevoegd eene authentieke akte slechts voor een gedeelte als bewijsmiddel te bezigen en voor een ander gedeelte ter zijde te laten op grond ontleend aan andere bewijsmiddelen.

Voor het wezen van eene authentieke akte wordt niet gevorderd dat ze door den ambtenaar, van wien ze uitgaat, zeiven zij geschreven en evenmin dat de eigenhandig daaronder geschreven naam van den onderteekenaar voor anderen, die aan het schrift van den onderteekenaar niet gewoon zijn, leesbaar zij. H. R. 6520. 1.

— Valschheid, gepleegd door den administrateur eener militaire bakkerij in een door hem in wettelijken vorm gehouden register tot controle der administratie en tot bewijs bestemd.

Door het Hof beslist dat art. 360 W. v. Sr. alléén toepasselijk is op de boeken en registers, uitsluitend bestemd tot controle van de administratie. Krijgsraad 's-Gravenhage. 6322. 2. Hoog Mil. Gerechtshof. 6322. 3.

— Stellen de in de eerste plaats ten laste gelegde feiten zoodanige «listige kunstgrepen» daar, als bedoeld in art. 327 Strafrecht, of veeleer valschheid in geschrift en het gebruik maken daarvan, art. 225 Strafrecht? — In laatstgemelden zin beslist.

Moet derhalve beklaagde worden vrijgesproken, waar, op dit punt der aanklacht, de elementen voor strafbare valschheid ontbreken ? — Ja.

Zijn de sub 76 bedoelde verklaringen van overlijden, afgegeven door den ambtenaar van den burgerlijken stand, authentieke akten of onderhandsche geschriften ? — In laatstgemelden zin beslist. Rechtb. 's-Hertogenbosch. 6339. 3.

— Beweerde, maar niet bewezen valschheid van het adjectum eener overigens onsplitsbare bekentenis.

lmputatie van betaling op verschillende schulden bij haar gelijktijdig bestaan.

De hoofdschuldeischer is tegenover den hoofdschuldenaar slechts bevoegd, maar tegenover den borg verplicht te waken, dat alle waarborgen, die hij zich tot zekerheid zijner vordering verschaft (in het onderwerpelijk geval dien van art. 297 W. v. K.) behouden blijven. Rechtb. Breda. 6375. 3.

— Valschheid in een postwissel, door den Krijgsraad te Arnhem beschouwd als valschheid in onderliandsch geschrift, door het Hoog Militair Gerechtshof als valschheid in een authentiek geschrift. Hoog Mil. Gerechtshof. 6425. 3.

Varkenstiend. — Zie Tiendrecht. 6365. 1; 6370. 2.

Varseveldt en Co. ca. de Hudiksvall Fravarn Act.iebolag. 6393. 1.

Vaste woonplaats. — Zie Woonplaats. 6305. 2.

Vee. — Zie Accijnzen. 6405. 2. — Zie Beslag. 6279. 2. — Zie Besmettelijke veeziekte. 6394. 3. — Zie Koopman. 6345. 3.

Veeartsenijkundige politie. — Zie Veeziekte. H. R. 6288. 2.

Veen (J. van) ca. den Grooten Kerkeraad van de Zuider Doopsgezinde gemeente te Giethoorn. 6380. 1.

Veeziekte. — Art. 3, eerste lid van het K. B. van 27 Maart 1888 (Stbl. no. 67), gewijzigd bij dat van 12 Mei 1889 (Stbl. no. 62) en dat van 20 Mei 1890 (Stbl. no. 92) bevat een voorschrift, gegeven krachtens de bij de artt. 31 en 34 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) aan den Koning voorbehouden bevoegdheid. H. R. 6288. 2.

Veldman (B. J.) ca. H. H. Mulder en J. B. Veldman. 6307. 3; 6428. 2.

— Ca. II. H. Mulder. 6319. 4.

— Ca. den Staat. II. R. 6331. 1.

Veldwachter. — Zie Omkooping. 6299.4. — Zie Verzet. 6363. 2.

Venema (J. D.) ca. B. G. Posthumus en A. H. Boss. 6275. 1.

Vennoot. — Zie Onroerend goed. 6354. 3.

Vennootschap. De grondslag der middelen van cassatie kan alleen bewezen worden door het aangevallen arrest of vonnis.

De vennootschap onder firma is geen afzonderlijk rechtspersoon.

Faillietverklaring eener vennootschap onder firma is faillietverklaring van hare firmanten. H. R. 6287. 2.

(Zie het arrest a quo van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 Nov. 1892 in W. no. 6274).

— Over stemrecht in statuten van naaml. vennootschappen. H. R. 6287. 4.

— Het bestaan van eene vennootschap en commandite behoeft tusschen de vennooten niet door eene schriftelijke akte bewezen te worden, maar kan ook door vermoedens worden gestaafd. Hof 's-Hertogenbosch. 6288. 3.

— Art. 5, 2o. B. R.

De wet bepaalt niet dat waar eene partij die in rechten optreedt eene corporatie, maatschap of handelsvereeniging is, in de dagvaarding moet zijn verklaard dat die partij een zoodanig lichaam is.

Waar eene vennootschap onder firma is aangegaan tusschen twee of meer personen, kan uit het door haar gebezigde gebruik van den meervoudsvorm in de van haar uitgegane dagvaarding,

niet worden afgeleid dat zij zich niet als firma wil voordoen, en dit te minder waar zij in hare benaming gebruik maakt van het woord «Gebroeders».

Bij verwerping van eene exceptie van nietigheid van dagvaarding, kan de last van den rechter aan partijen om voort te procedeeren, worden achterwege gelaten. Rechtb. Amsterdam. 6293. 3.

— Waar de statuten eener naamlooze vennootschap bepalen dat het bestuur der vennootschap is opgedragen aan drie directeuren, dat de directie de vennootschap vertegenwoordigt zoowel in als buiten rechten, en aan de «directie» de keus is gelaten omtrent de wijze waarop de nalatige aandeelhouders tot storting van het door hen verschuldigde kunnen worden verplicht, is één der directeuren niet bevoegd eene vordering tot dit onderwerp betrekkelijk in te stellen, ook al zou die vordering eene zoodanige zijn, waarbij de rechten der vennootschap tegen twee directeuren worden gehandhaafd.

De directeur, die als zoodanig de vordering instelde, is in privé aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte kosten. Rechtb. Amsterdam. 6294. 4.

— Wanneer het lid eener vennootschap, bij het vennootschappelijk contract het recht bekomen hebbende om een zijner zonen in de firma te doen optreden, van dat recht gebruik maakt overeenkomstig de bepalingen van het contract, dan is die zoon lid der firma, ook voordat omtrent die opneming met den anderen vennoot een contract is gemaakt en kan de bij het bestaande contract arbitrale clausule ook door dien zoon tegen den anderen vennoot worden ingeroepen. Rechtb. Rotterdam. 6368. 3.

— Behelzen de statuten der gedaagde Maatschappij, thans appellante, eenige bepaling omtrent de wijze waarop de bij hare ontbinding en liquidatie boven het gestort kapitaal plus rente aanwezige baten tusschen de houders van volgestorte en niet volgestorte aandeelen moeten worden verdeeld? — Neen.

Is de algemeene vergadering van aandeelhouders bevoegd de wijze van verdeeling dezer baten tusschen die houders onderling te regelen? — Neen.

Volgt uit art. 1670 B. W. dat aan de houders van volgestorte en niet volgestorte aandeelen een gelijk recht op die baten toekomt? — Ja. Hof Amsterdam. 6373. 1.

(Vergelijk het in deze zaak op 8 Juni 1892 door de Rechtbank te Utrecht gewezen vonnis in W. no. 6192).

— Moet eene in het buitenland geldig bestaande naamlooze vennootschap ook hier te lande als geldig bestaande worden beschouwd? — Ja.

Is art. 36 W. v. K. ook op buitenlands geslotene naamlooze vennootschappen toepasselijk? — Neen.

Moet bij eene naamlooze vennootschap de plaats van vestiging geacht worden te zijn hare woonplaats? —Niet explicite beslist.

Maakt het opgeven eener verkeerde woonplaats (plaats van vestiging) eene dagvaarding wettig?

Is als «gemeenschappelijk kantoor» (art. 4 no. 4 B. R.) te beschouwen elk kantoor, waar de zaken die het voorwerp der onderneming zijn. ivoor hare en dus gemeenschappelijke rekening gedreven worden? — Ja.

Kan eene maatschappij of vennootschap op meerdere plaatsen gevestigd zijn en kantoor houden? — Ja. Rechtb.'s-Hertogenbosch. 6384. 2.

— Zie Verzekering. 6275. 4.

— (Commanditaire). — Zie Overeenkomst. 6309. 2.

— (Naamlooze). — Zie Eed. 6275. 3. — Zie Faillissement. 6383. 2.

Vennootschappen. — Over het recht om Kon. bewilliging te onthouden aan de bepaling der akte v. opr. eener naaml. venn., omtrent de benoeming van den directeur. 6392. 4.

— (Naaml.). — Zie Belastingen. 6307. 1.

venster. — Zie Inklimming. 6297. 3.

Verandering van eisch. — Zie Booger beroep. 6407. 3.

Verantwoordelijkheid. — De Staat is wel publiekrechtelijk

bevoegd om werken die ten nadeele van het verkeer op de rivieren door derden zijn gemaaakt, op te ruimen of te bebakenen, maar uit het verzuim om van die bevoegdheid gebruik te maken vloeit geen burgerrechtelijke verantwoordelijkheid voort ten opzichte van hen, die door deze werken schade lijden.

Die verantwoordelijkheid vloeit voor den Staat, ook niet voort uit de omstandigheid, dat hij, hoewel bekend met de aanwezigheid van zoodanig werk, dit niet kenbaar heeft gemaakt. H. R. 6331. 1.

— De beklaagde, bij het hem ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit te goeder trouw opvolgende het bevel van zijnen meester, gelijk hij sedert vele jaren gedaan had, is, onverschillig of zijn meester tot den gegeven last al dan niet bevoegd was, voor dat feit niet strafrechtelijk verantwoordelijk. Rechtb. Haarlem. 6381. 3.

— Zie Notariaat. 6355. 4.

Verbetering der registers. — Zie Burgerlijke stand. 6285. 3.

Verbeurdverklaarde voorwerpen. — Overgifte van ter griffie berustende —. 6316. 4.

Verbeurdverklaring. — Zie Hooger beroep. H. R. 6360.2.— Zie Jacht en visscherij. H. R. 6308. 2; H. R. 6336. 2; H. R. 6399. 1.

Verbindende kracht. — Zie Plaats. Verord. 6345. 3.

Verblijf. — Zie Echtscheiding. II. R. 6316. 1; 6394, 2.

— Zie Echtgenooten. 6399. 2.

Verbod. —- Zie Plaats. Verordeningen. H. R. 6274. 1.

— van inschrijving. — Zie Handelsmerk. 6316. 3.

Verboden vereeniging. — Zie Vereeniging. 6305. 1; 6310. 3.

Verborgen gebrek. — De verwering tegen eene actie tot schadeloosstelling wegens verborgen gebrek, dat in de dagvaarding niet is gesteld aanwezigheid van het gebrek tijdens den verkoop, is geene verwering ten principale, maar eene exceptie van nietigheid van dagvaarding, die vóór alle andere weren moet worden opgeworpen.

De actie gegrond op art. 1540 B. W. kan niet worden ingesteld tot het verkrijgen van vrijwaring voor al hetgene de eischer aan eenen lateren kooper ter zake van het verborgen gebrek zal hebben te betalen. Rechtb. Leeuwarden. 6342. 4.

— Zie Koop en verkoop. 6376. 3; 6402, 3.

—■ paal. — Zie Dagvaarding. 6420. 3.

Verbreking van afsluiting. — Zie Onrechtmatige daad. 6425. 2.

Verkuil (R.) ca. C. Smeenk. 6319. 3; H. R. 6372. 1.

Verdachte. — Zie Diefstal. H. R- 6369. 1.

Verdediging. Over het optreden van de — na schorsing van een geding door Mr. A. E. Bles. 6360. 4.

— Zie Cassatie. H. R. 6428. 1. — Zie Hooger beroep. 6346. 2.

— ten principale. — Zie Noodzakelijkheid. H. R. 6357. 2. — Zie Overeenkomst. 6309. 1.

Verdeelino. — Zie Boedelscheiding. 6387. 1. — Zie Scheiding en Deeling. 6404. 3.

— van baten. — Zie Vennootschap. 6373. 1.

Verdichtsels. — Zie Samenweefsel. 6375, 2.

Verduistering. — Waar de dagvaarding inhoudt dat de beklaagde opzettelijk een paar pantoffels dat het eigendom van een ander was en welke pantoffels hij van dezen ter herstel- ' ling had bekomen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door die te beleenen, is het misdrijf van verduistering ten laste gelegd, al vermeldt de dagvaarding niet dat de beklaagde de opbrengst van het beleende paar pantoffels zich heeft toegeeigend of te zijnen bate aangewend. Rechtb. Groningen. 6283. 4.

—- Art. 321 Strafrecht.

Het afhalen en het zich in bezit stellen van goederen — zonder daartoe bevoegd te zijn — is niet noodwendig een wederrechtelijke toeëigening. Deze heeft echter plaats door het te gelde maken der goederen en het ten eigen bate aanwenden van de opbrengst. Hof Amsterdam. 6308. 3.

— Leveren de feiten: dat iemand een zeker aantal postzegels koopt, voorgevende ze naar elders te moeten verzenden en daarbij de houding aannemende ze onmiddellijk te zullen betalen en verzoekt de postzegels in eene door hem te voorschijn gehaalde enveloppe te willen doen en daarna de enveloppe met de postzegels, hem door den winkelier ter hand gesteld, behendig verwisselt tegen eene andere ledige enveloppe met verzoek aan den winkelier laatstgenoemde enveloppe voor hem te willen bewaren tot hij met het noodige geld zou zijn teruggekeerd — op het misdrijf van oplichting of verduistering? Rechtb. 's-Gravenhage. 6381. 1. Hof 's-Gravenhage. 6381. 1.

— In de te lastelegging dat de beklaagde als gerneente-ontvanger opzettelijk verschillende gelden welke hij in zijne genoemde hoedanigheid en bediening onder zich had, doordien die sommen hem door of namens de in de dagvaarding genoemde belastingschuldigen ter voldoening van verschuldigde gemeentebelasting waren ter hand gesteld of betaald, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend en verduisterd, ligt opgesloten dat die gelden hem niet toebehoorden. H. R. 6425. 2.

— Zie Diefstal. 6419. 2. — Zie Getuigenverhoor. H. R. 6364. 1. — Zie Schade. 6385. 1. — Zie Voogdij. 6378. 3.

Vereeniging. — Eene vereeniging, die tot doel heeft de omverwerping der bestaande maatschappelijke orde met alle haar ten dienste staande wettelijke of onwettelijke, vredelievende of gewelddadige middelen, is, als in strijd met de openbare orde, bij art. 2 der wet van 22 April 1856 (Stbl. no. 32) verboden, en de deelneming daaraan of het bestuur daarvan krachtens art. 140, 2e en 3e lid, Wetb. van Strafrecht strafbaar. Hof Arnhem. 6305. 1.

— Uit het aannemen der in deze beschikking woordelijk aangehaalde motie blijkt niet, dat de Sociaal-Democratische Bond is eene bij art. 14Ö Strafrecht of bij eenige andere wet verboden vereeniging. Rechtb. Zwolle. 6310. 3.

— De sociaal-democratische bond, ofschoon geen rechtspersoon- -lijkheid bezittende, is in den zin der wet van 22 April 1855 (Stbl. no. 32), eene vereeniging, wier al of niet verboden karakter zoowel uit de wijze van haar optreden als uit de omschrijving van haar doel kan worden gekend.

Uit het eerst in de instructie overgelegd reglement van den bond blijkt, dat het doel der vereeniging niet geacht kon worden te zijn uitgedrukt in de Zwolsche motie, in den rechtsingang vermeld, voordat deze door een referendum der leden was goedgekeurd. Hof Arnhem. 6334. 1.

— van eigenaren van sleepbooten. — Zie Maatschap. 6428. 3.

Vereffeningsprocedure. — Waar eene partij bij verstek tot

het praesteeren van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, veroordeeld is, moet de vereffeningsprocedure worden aanhangig gemaakt bij eene dagvaarding, met inachtneming van de bij de wet voorgeschreven termijnen. Rechtb. 's-Hertogenbosch. 6292. 3.

Vergissing, — Zie Hypotheek. 6309. 4. — Zie Koop en verkoop 6343. 3.

Vergoeding van kosten. — Zie Hooger berep. H. R. 6328. 2.

Vergunning. — Zie Visscherij. 6344. 3.

vergunningen. Een voorstel van Jhr. Mr. A. J. Rethaan Macaré over intrekking van —. 6299. 4.

Verhaal, — Zie Borgstelling. 6290. 3. — Zie Lastgeving. 6429. 2.

— (Recht van). — Het recht van verhaal, den man gegeven bij art. 185 B. W., is dat van den gesubrogeerden schuldeischer, en kan dus eerst worden uitgeoefend, wanneer hij de schuld der gemeenschap betaald heeft, niet reeds zoodra hij tot betaling is aangesproken. Rechtb. Leeuwarden. 6335. 3.

Verheijen (H.). — Over hypnose. 6403. 4.

Verhindering van verdediging. — Zie Hooger beroep. 6346. 2.

Verhoor. — Zie Tegenstrijdig belang. 6363. 3.

— op feiten en vraagpunten. — Zie Successiewet. 6403. 2.

— op vraagpunten. — Waar gedagvaard is eene Hervormde Gemeente en tevens het bestuur van dat zedelijk lichaam en dit nog wel globaal en niet nominatim in de personen zijner leden of in den persoon van zijn voorzitter, is de actie tegen dat bestuur gericht en het verzoek om dat bestuur op vraagpunten te hooren, niet-ontvankelijk.

De door den gedaagde gedane ontkenning van zekere door r

den eischer beweerde handelingen, levert geen middel van nietontvankelijkheid, maar een middel ten principale op.

Het verzoek tot het doen antwoorden van een bestuur van een zedelijk lichaam op door den rechter ambtshalve te stellen vraagpunten, kan niet worden toegelaten. Rechtb. 's-Hertogenbosch. 6280. 3.

— Afwijzing van een verzoek tot verhoor der wederpartij op vraagpunten op grond van hare vèr verwijderde woonplaats.

Rechtb. Zierikzee. 6328. 3.

— door C. D. Reeling Knap. 6330. 3.

— Begin van bewijs door geschrift. — Suppletoire eed.

Een procesverbaal van een verhoor op vraagpunten kan als een begin van bewijs door geschrift worden aangemerkt, indien het de daadzaken waarop de tegenpartij van den ondervraagde zich beroept, waarschijnlijk maakt. Ktgr. Druten. 6334. 3.

— Artt. 81, 237 B. R.

Waar art. 81 B. R. spreekt van «eenige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging» den bij verstek veroordeelde bekend is, daar mag daaraan niet de beperkende uitlegging gegeven worden, dat de daad tegenover den executant gepleegd moet zijn.

Het complex der gestelde vraagpunten moet aan de eischen van art. 237 B. R. voldoen. Hof Amsterdam. 6337. 2.

— Art. 49 B. R. kent aan den rechter de bevoegdheid toe om partijen in persoon te hooren en aan haar zoodanige inlichtingen te vragen als tot opheldering van de feitelijke toedracht der zaak kunnen dienen.

De rechter mag van die inlichtingen gebruik maken bij zijne beslissing, ook al is het procesverbaal van het verhoor der partijen niet in het geding gebracht.

Na haar verhoor zijn partijen nog bevoegd hare belangen nader aan den rechter voor te dragen en stukken in het geding te brengen. i

Een procesverbaal van verhoor op vraagpunten kan een begin van bewijs door geschrift opleveren, hetwelk, versterkt door

Sluiten