Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volledig bhwiis. — Zie Kerkelijke liggers. 6416. 2.

Voluntaire jurisdictie. — Zie Onroerend goed. 6335. 2.

Vonnis. — De beslissing «dat de partij te wier laste een vonnis is gewezen, aan wie alle exploiten, de executie voorafgaande, in persoon zijn beteekend geworden, die de in executoriaal beslag genomen goederen als bewaarder onder zich heeft gekregen en ze daarna aan den deurwaarder heeft ter hand gesteld om te worden te gelde gemaakt, wiens onroerende goederen mede uit kracht van het vonnis in beslag zijn genomen, zonder aan zijne zijde eenig verzet te doen of op eenige andere wijze kenbaar te maken dat hij voornemens is tegen het vonnis op te komen, moet geacht worden daarin stilzwijgend te hebben berust», is niet in strijd met art. 334 Rechtsvord.

De vraag of de wil om zich aan het vonnis te onderwerpen, bij den eischer heeft bestaan, en of die wil uit zijne als bewezen aangenomen gedragingen ondubbelzinnig sprak, staat ter beoordeeling van den rechter, die over de feiten had te beslissen. H. R. 6281. 1.

— Het vonnis waarbij het bewijs der ten laste gelegde feiten is geput o. a. uit de extracten uit de processenverbaal van eerste en tweede verificatie in een faillissement, moet als niet voldoende gemotiveerd, worden vernietigd, indien in het vonnis niet is vermeld wat de extracten inhouden. (Vgl. LÉON, li. Strafvord., en de supplementen ad art. 211 litt. A sub no. 5.) H. R. 6284. 1.

— Het vonnis waarbij is uitgemaakt dat de bij de dagvaarding ten laste gelegde feiten niet zijn bewezen, houdt werkelijk eene vrijspraak in, niettegenstaande daarbij een ontslag van rechtsvervolging is uitgesproken, op grond dat de ten laste gelegde feiten, ook al waren zij bewezen, niet strafbaar zijn, zoodat daartegen het gewoon beroep in cassatie niet-ontvankeliik is. (Vgl. Léon, R. Strafvord., 2e dr., en suppl., ad art. 381, sub no. 3.) H. R. 6297. 1.

— Een vonnis, waarbij met toewijzing van eene vordering tot vergoeding van schaden, kosten en interessen de vereffening daarvan bij staat wordt gelast, is geen eindvonnis, maar een praeparatoir vonnis. Rechtb. Leeuwarden. 6306. 3.

— Komen de kosten van beteekening van een vonnis met bevel en de kosten van het daarop gevolgde gerechtelijk aanbod, voor rekening van hem die het vonnis liet beteekenen, wanneer vóór die beteekening, in der minne werd aangeboden hetzelfde wat daarna gerechtelijk werd aangeboden, welk aanbod werd aangenomen ? — Ja.

Is de vreemdeling, aan wien een eed werd opgelegd, gerechtigd de reis- en verblijfkosten, veroorzaakt door zijn overkomst tot het afleggen van den eed, aan zijn tegenpartij onder de kosten in rekening te brengen ? — Ja. Rechtb. Rotterdam. 6314. 3.

— Art. 138 Strafrecht.

Niet-ontvankelijk-verklaring in het hooger beroep van een vonnis waarbij de beklaagde in een voorgestelde wraking nietontvankelijk is verklaard, op grond dat er voor hem geen belang bestaat om afzonderlijk van die beslissing als zoodanig in hooger beroep te komen.

Waar in de dagvaarding vooreerst is ten laste gelegd het wederrechtelijk binnendringen in de gesloten woning bij een ander in gebruik en daarna het aangetroffen worden in diezelfde woning onder de omstandigheden in art. 138 al. 2 Strafrecht genoemd, en de rechter zich, wat de plaats gehad hebbende feiten aangaat, alleen uitlatende over het laatste gedeelte van het ten laste gelegde en geen feiten opnoemende waaruit van het eerste bij de dagvaarding Vermelde zoude blijken, desniettemin beide onderdeelen als bewezen verklaard heeft, — moet het veroordeelend vonnis als niet genoegzaam met redenen omkleed, worden vernietigd. Hof 's-Gravenhage. 6335. 1.

— Vermits uit de motieven van het in cassatie bestreden vonnis blijkt, dat de daarin gegeven vrijspraak werkelijk berust op het niet bewezene van het bij dagvaarding ten laste gelegde, is tegen dat vonnis een gewoon beroep in cassatie niet-ontvankelijk. H. R. 6340. 1.

— De dagvaarding behoeft niet te bevatten de qualificatie van het ten laste gelegde feit (Vgl. Léon, R. Strafvord., 2e dr. en suppl., ad art. 223 no. 2).

Het vonnis, houdende ontslag van rechtsvervolging, dat onderzoek, noch beslissing inhoudt omtrent de gesteldheid van de in de dagvaarding aangewezen plaats, waar het bewezen verklaard feit gepleegd was, moet worden vernietigd, indien van de beslissing daaromtrent de strafbaarheid van dat feit afhankelijk is. H. R. 6352. 2.

— Het vonnis waarbij het ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard o. a. door het procesverbaal van een rijksveldwachter, moet worden vernietigd, indien het niet vermeldt wat dat procesverbaal inhoudt, ook dan wanneer in het vonnis wordt gezegd dat dat procesverbaal inhoudt wat de relatant heeft gezien en waargenomen. (Vgl. Léon, R. Strafvord. 2e dr. en suppl., ad art. 211 A, sub no. 5). H. R. 6354. 2.

— De geintimeerde heeft geen recht van den appellant te vorderen afschrift van het vonnis, waartegen het hooger beroep is gericht, vooral niet indien hij tegen dat vonnis incidenteel in beroep is gekomen. Hof 's-Hertogenbosch. 6356. 2.

— Bij art. 133 B. R. worden bedoeld de bescheiden, welke den eisch rechtvaardigen, waaronder het afschrift der grosse van een beroepen vonnis niet kan worden gerangschikt.

Dit vonnis is gemeen aan partijen, zoodat door elk dezer van den griffier eene expeditie kan worden gevraagd.

De eene partij is mitsdien ongegrond in haar verzoek aan de wederpartij om mededeeling van het afschrift van het beroepen vonnis. Hof 's-Hertogenbosch. 6411. 3.

— De rechter is niet verplicht in een strafvonnis de juistheid van de door hem aan de feiten gegeven qualificatie met rechtsgronden te betoogen. (Vgl. Léon, R. Strafvord2e dr. en de suppl., ad art. 206, sub no. 3). H. R. 6422. 2.

— Uit den aard van het interlocutoir vonnis volgt, dat het den rechter bij zijn eindvonnis alleen bindt voor zooverre het inhoudt eene definitieve beslissing, terwijl hetgeen slechts is geprejugeerd alleen doet vermoeden, welke 's rechters eindbeslissing zal zijn.

De rechter, die bij interlocutoir vonnis, waarin door partijen is berust, den eischer heeft toegelaten tot het bewijs van zeker feit, is niet alleen bevoegd, maar ook verplicht den eisch te ontzeggen, wanneer hij later inziet dat, al is het toegelaten bewijs geleverd, de eisch toch als ongefundeerd in rechten behoort te worden ontzegd. Rechtb. Groningen. 6425. 3.

— Zie Bewijs. H. R. 6275. 1. — Zie Faillissement. 6383. 2. — Zie Getuigenbewijs. H. R. 6359. 1. — Zie Hooger beroep. 6296. 3; H. R. 6328. 2 ; H. R. 6360. 2. — Zie Onrechtmatige daad. 6296. 3. — Zie Ontruiming. 6306. 1. — Zie Splitsing. 6428. 3. — Zie Waterschappen. H. R. 6288. 1. — Zie Wegen en voetpaden. 6283. 2.

Voogd. — Zie Onroerend goed. 6352. 2. — Zie Rekeningproces. H. R. 6318. 1.

Voogdij. — Kan, waar de beide echtgenooten zijn veroordeeld als hoofdelijk aansprakelijke debiteuren, de berusting van de eene aan deze grond opleveren voor een middel van nietontvankelijkheid van het hooger beroep van den ander ? — Neen.

Kan, wanneer de moeder door het aangaan van een tweede huwelijk het vruchtgenot van de goederen der kinderen uit het eerste huwelijk heeft verloren en aan haar uit die inkomsten geene jaarlijksche uitkeering krachtens art. 373 B. W. is toegelegd, bij de voogdij-rekening aanspraak worden gemaakt op eene som voor noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk gerechtvaardigde uitgaven voor de opvoeding dier kinderen ? — Neen. Hof Leeuwarden. 6275. 1.

— Op hem die beweert dat de voogdij krachtens eenige wetsbepaling, in casu art. 407 B. W-, is verloren, rust de bewijslast van de gronden tot staving dier bewering. H. R. 6279. 1.

(Zie 's Hoogen Raads in het verzoekschrift aangehaald arrest van 16 Sept. 1892 in Weekbl. no. 6241).

— Stelt het bij voortduring aan vrouwen gelegenheid geven om zich aan ontucht over te geven in een voor een ieder toegankelijk huis en het leven van de opbrengst daarvan, met andere woorden de uitoefening van het beroep van bordeelhouder, daar het houden van een bekend slecht levensgedrag, op grond waarvan iemand uit de voogdij over minderjarigen kan worden ontzet? ■—■ Officier, Rechtbank en Procureur-Generaal: Ja. Hof: Neen. Rechtb. Arnhem. 6301. 1. Hof Arnhem. 6301. 2.

— Is de voogd niet bevoegd ook tegen den wensch der in de voogdij niet bevestigde moeder de plaats te bepalen, waar de minderjarige zal verblijven? — Ja.

Is niet een ieder die een rechterlijk vonnis heeft verkregen, bevoegd het, voor zoover mogelijk, met behulp van de openbare macht te doen uitvoeren ? — Ja. Rechtb. Utrecht. 6304. 3.

— Art. 434 4°. B. W.

Kan den requestrant, die op 61-jarigen leeftijd in eene toeziende voogdij is benoemd en thans 76 jaren telt, ontslag uit de voogdij worden verleend?— Ja. Rechtb. Rotterdam. 6328. 3.

— Art. 406 B. W.

De medevoogd kan niet zelfstandig zonder de moedervoogdes in judicio worden opgeroepen tot het doen der voogdijrekening aan het meerderjarig voorkind. Hof Amsterdam. 6330. 2.

(Zie het vonnis der Arrond.-Rechtbank te Amsterdam dd. 5 Nov. 1891 in deze zaak gewezen in W. no. 6143).

— Heeft een voogd, benoemd en opgetreden nadat de moeder als langstlevende der ouders de voogdij over hare minderjarige kinderen krachtens het bepaalde in art. 405 B. W. van rechtswege heeft verloren, het recht die kinderen van de moeder op te vorderen ? — Ja. Hof Amsterdam. 6348. 1.

(Zie het in deze zaak door de Arrond.-Rechtbank te Haarlem op 31 Mei 1892 gewezen vonnis in W. no. 6199).

— Artt. 468, 471 B. W.

Onder «slot van rekening» in art. 471 B. W- wordt hetzelfde bedoeld als hetgeen ir. art. 779 B. R. «saMo» genoemd wordt.

Op die voogdijrekening mogen ook als gerechtvaardigde uitgaven voorkomen hetgeen de voogd ook na de meerderjarigheid van zijn pupil voor diens verzorging heeft uitgegeven. Hof Amsterdam. 6357. 3.

— De medevoogd kan niet zelfstandig, zonder de moeder-voogdes, in rechte worden geroepen tot het doen der bij de artt. 467 en 468 B. W- bedoelde rekening en verantwoording. H. R. 6358. 1.

— Artt. 373, 374 en 446 B. W.

Is de moeder-voogdes bevoegd om, bij het aanvaarden der voogdij over haar natuurlijk en wettelijk erkend kind, aan den kantonrechter te vragen de som te bepalen die jaarlijks voor het onderhoud en de opvoeding van dat kind zal mogen worden besteed ? — Neen. Rechtb. Amsterdam. 6370. 3.

— De toeziende voogd, die een legaat aan den minderjarige opgekomen onder zich heeft, moet dat legaat aan den voogd uitkeeren, en kan niet volstaan met de afgifte van het bewijs van inschrijving op het Grootboek der Nationale Schuld, dat hij zelfstandig en buiten den voogd om, met de gelden van het legaat voor den minderjarige gekocht heeft.

De toeziende voogd die aldus handelt, kan zich niet beroepen op vrijwillige waarneming van de zaak van den voogd. Rechtb. 's-Gravenhage. 6378. 2.

— De voogd, die aan zijnen pupil toebehoorende effecten zonder rechterlijke machtiging verkoopt, maakt zich eerst schuldig aan verduistering, waar blijkt, dat hij door dien verkoop zich deze effecten wederrechtelijk heeft toegeëigend, wat in dit geval bewezen wordt door des beklaagden bekentenis en zijn ten eigen bate aanwenden van de opbrengst der effecten. Rechtb. Dordrecht. 6378. 3.

— Art. 408 C. P. —- Art. 321 Strafrecht.

De voogd, die in het jaar 1884 geldswaardige papieren aan zijnen pupil in eigendom toebehoorende, zonder rechterlijke machtiging verkoopt en de opbrengst ten eigen bate aanwendt, maakt zich niet schuldig aan eenig strafbaar feit.

Vernietiging van het vonnis des eersten rechters, op grond dat de beklaagde is schuldig verklaard aan en veroordeeld wegens een feit, dat hem in de dagvaarding niet was ten laste gelegd. Hof 's-Gravenhage. 6411. 3.

(Zie het vonnis a quo in W. no. 6378).

— Voogdijrekening.

De door den gedaagde aan den eischer opgedragen eeden, wier inhoud wijst op eene rekening en verantwoording in strijd met art. 470 B. W., zijn niet beslissend. Rechtb. Assen. 6411. 3.

Voorhanden hebben. — Zie Drankwet. 6362. 3.

Voorkind. — Zie Voogdij. 6330. 2.

Voorkoming tan misdrijf. — Zie Rechtmatige uitoefening. 6344. 3.

voorlezing. — Zie Procesverbaal. H. R. 6292. 2.

Voorraad. •— Zie Onzedelijke afbeeldingen. 6415. 2.

— in het klein. — Zie Drankwet. 6367. 3; 6425. 3.

Voorrecht. — Zie Faillissement. 6363. 1.

Voorst en Kist (yan) ca. E. Schallies en Mr. F. E. Posthumus Meijes. 6324. 1.

Voorthuizen. — De Herv. gemeente te — ca. W- Wilbrink. 6305. 2.

Vooruitspringende "werken. — Zie Balcons. H. R. 6294. 1.

Voorwaardelijk gedagvaard. — Zie Dagvaarding. 6407. 3.

Voorwaardelijke invrijheidstelling. — Toepassing der — in België. 6312. 4; 6325. 4; 6327. 4.

— veroordeeling in Frankrijk. —■ Hoofdart. 6376. 1.

— Indiening van een ontwerp betreffende een ontwerp tot invoering van de — in Italië. 6420. 3.

Voorwaarden. — Zie Overeenkcnnsl. 6294. 2.

Voorwerp. — Zie Koop en verkoop. 6302. 2.

Vordering. — Waar volgens des eischers eigen voorstelling de vensters door den gedaagde zijn gemaakt in den muur, welke tot afscheiding der erven van partijen dient en waartegen op gedaagdes erf is aangebouwd, en daarnevens de eischer niet

heeft weersproken gedaagdes bewering, dat deze de vensters heeft aangebracht in het door hem tot het optrekken eener verdieping zijner woning verhoogde gedeelte van dien muur, komt, wanneer de inrichting dier vensters niet aan de wettelijke voorschriften mocht hebben voldaan, de in art. 695 B. W. gegeven actie tot algeheele dichting der vensters en herstel van den muur in den vorigen toestand, den eischer niet toe.

Een eisch tot schadevergoeding, samenhangende met die vordering, kan alzoo den eischer niet volgen. Rechtb. 's-Gravenhage. 6357. 3.

— Art. 1902. B. W. is niet geschonden door toewijzing eener vordering, op grond dat het bedrag daarvan als niet weersproken, voor erkend kan worden gehouden, en bovendien overeenstemt met de slotcijfers van de door den gedaagde aan eischer toegezonden afrekeningen. H. R. 6422. 2.

— De gedaagde, die beweert dat dezelfde vordering tusschen dezelfde partijen reeds voor denzelfden rechter aanhangig is, vraagt terecht niet-ontvankelijkheid des eischers.

Deze exceptie behoort afzonderlijk berecht te worden, ook al heeft gedaagde (excipient) tevens op de hoofdzaak geconcludeerd.

Alléén wanneer èn oorzaak èn voorwerp van twee vorderingen dezelfde zijn, hebben deze hetzelfde onderwerp en kan er sprake zijn van litis pendentie. Rechtb. Rotterdam. 6424. 3.

Vordering. — Zie Beslag. 6389. 2. — Zie Dagvaarding• H. R.

6362. 1. — Zie Faillissement. 6403.3. — Zie Schadevergoeding. H. R. 6371. 1.

— tot vergoeding. — Zie Vonnis. 6306. 3.

Vorderingen. — Zie Koop en verkoop. 6371. 2.

Vraagpunten. — Zie Verhoor. 6337. 2.

Vrachtovereenkomst. — Heeft de schipper, waar het cognossement over een partij hout zeker stukstal vermeldt met opgaaf der kubieke maat en bepaald is dat de vracht berekend zal worden naar de ingenomen maat van de uitgeleverde hoeveelheid, recht op meer vracht dan over de ingenomen maat, enkel op grond dat hij een grooter stukstal dan op het cognossement aangegeven, aan boord zou hebben, zonder dat bij de lossing een hermeting van de kubieke maat heeft plaats gehad? — Neen.

Is, waar bepaald is dat de vracht betaald zou worden na lossing en behoorlijke aflevering der lading en dat alles wat aan boord is moet worden afgeleverd, de schipper niet-ontvankelijk in zijn vrachtvordering, wanneer hij een deel der lading, naar zijn oordeel een hoeveelheid boven de in het cognossement vermelde, niet heeft willen afleveren, dan tegen betaling der saldo vracht volgens cognossement en nog extra vracht bovendien ? — Ja.

Prejudicieert de rechterlijke autorisatie krachtens art. 486 W. v. K. gegeven op een eenzijdig verzoek des schippers, de rechten van den geconsigneerde ? — Neen. Rechtb. Dordrecht. 6314. 3.

— Art. 345, 346 W. v. K.

Het beding «vrij van beschadigdheid» ontslaat den schipper, tenzij hij zich aan een doleuse handeling heeft schuldig gemaakt, van alle verantwoordelijkheid voor schade aan de lading. Hof Amsterdam. 6316. 2.

Vreemd koopvaardijschip. —• Zie Zwaar lichamelijk letsel.

6363. 2.

Vreemde Souverein. — Zie Beleediging. 6372. 3.

Vreemdeling. — Zie Cautio. 6429. 1. — Zie Gijzeling. 6279. 2.

— Zie Huwelijk. 6303. 1. — Zie Vonnis. 6314. 3. — Zie Zekerheidstelling. 6295. 3. H. R. 6325. 1.

Vreemdelingen. — Zie Medeplichtigheid. 6407. 2.

vremeijer (A.) ca. Dr. G. van Goor. 6857. 3.

Vries (H. de) ca. H. Jager en de gemeente Leeuwarden. 6309. 2.

— (J. de) ca. J. C. Versteeg. 6371. 3.

Vrij van beschadigdheid. — Zie Vrachtovereenkomst. 6316.2.

Vrijgevigheid. — Zie Testament. 6332. 3.

Vrijheid van keuze. — Zie Huwelijk. 6303. 1.

— van nering en bedrijf. — Behandeling van een voorstel van Mr. Levy omtrent bescherming van de — bij de bedrijfsbelasting. 6349. 4.

Vrijland (J.) ca. N. H. van der Voort Maarschalk. 6312. 3.

Vrijspraak. — Zie Cassatie. H. R. 6329. 1. — Zie Omkooping. 6299. 4. — Zie Plaats. Verord. H. R. 6347. 1; H. R. 6428. 1.

— Zie Verzwarende omstandigheden. H. R. 6255. 1. — Zie Visscherij. 6405. 3. — Zie Vonnis. H. R. 6297. 1; H. R. 6340. 1.

Vrijwaring. Verzoek tot oproeping in —.

Bij de rekening en verantwoording ter zake van executorialen verkoop kan het verzoek van den executant, om den persoon in vrijwaring op te roepen, die voor hem die executie verricht heeft, niet worden ingewilligd. Hof Amsterdam. 6332. 1.

— Waar berusting in het vonnis waarbij de actio confessoria is ontzegd, de toewijzing van den eisch aan den appellant die niet berust heeft, niet in den weg behoeft te staan, is nietontvankelijk het verzoek van geintimeerde om den appellant die zoowel voor zich zelf als, zij het ook ten onrechte, namens andere appellanten, in het vonnis berustte bij eene akte van berusting, (in vrijwaring) op te roepen, ten einde geintimeerde tegen alle gevolgen van het hooger beroep te vrijwaren.

Dit verzoek is nog bovendien niet-ontvankelijk, waar de eisch tot vrijwaring zich zoude moeten oplossen in een schadeeisch, omdat zulk een vordering niet in hooger beroep kan worden aangebracht, met afwijzing van de eerste instantie. Hof 's-Hertogenbosch. 6384. 1.

— Art. 165 B. W.

De rechter kan het verzoek om een gehuwde vrouw in vrijwaring te mogen oproepen — zonder dat daarbij gevraagd is ook den man te dagvaarden — toestaan. Die inwilliging sluit in, dat bij de dagvaarding der vrouw tevens haren man ter assistentie moet worden gedagvaard.

Waar de verzoeker echter stelt, dat de overeenkomst door den man als bestuurder der goederen van diens vrouw is aangegaan, kan niet de vrouw, zelfs indien die handeling met hare voorkennis is geschied, in vrijwaring worden opgeroepen. Hof Amsterdam. 6386. 1.

— Eigendom van een strook gronds tusschen twee perceelen gelegen. — Eisch in vrijwaring. — Proceskosten.

Ontruiming van die strook kan alleen met vrucht gevraagd worden, bijaldien de eigendom over die geheele strook werd aangetoond.

Waar met ontzegging van den eisch ten principale, de vrijwaring van zelf komt te vervallen, moet niettemin de eischer tot vrijwaring (oorspronkelijk gedaagde) in de kosten der vrijwaring veroordeeld worden, als uit de koopakte blijkt dat de verkooper in den meest uitgebreiden zin niet tot vrijwaring was verplicht. Rechtb. Amsterdam. 6368. 2.

— De stelling dat een derde contractueel verbonden is den gedaagde het genot te verschaffen van de woning welke de eischer revindiceert, rechtvaardigt volkomen het verzoek van gedaagde om dien derde in vrijwaring te roepen.

Dit zou alleen dan niet het geval zijn indien reeds nu de volstrekte feitelijke onjuistheid der voor de oproeping in vrij-

Sluiten