Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verloren, dat het dictum van eene rechterlijke uitspraak in zijn geheelen omvang is executabel, zoodat de eischers, ingeval hun eisch ongewijzigd wordt toegewezen, daarvan de geheele uitvoering, onafhankelijk van de motieven, kunnen bewerkstelligen, zoodat het petitum met de middelen nauwkeurig dient overeen te stemmen, zal de eisch ontvankelijk zijn; terwijl die rechter in de tweede plaats de ter dagvaarding gearticuleerde feiten niet heeft getoetst aan de bedoeling der partijen met het afstaan en overgeven van dien opweg, en hierdoor niet heeft bevonden, dat de doleantie in de dagvaarding niet enkel ongeoorloofde maar ook geoorloofde feiten onafscheidelijk omvat, zoodat ook uit dien hoofde meer gevorderd wordt, dan waartoe de eischers recht kunnen hebben ;

O. dat deze vordering mitsdien niet kan worden ontvangen, en dientengevolge de behandeling van de tweede grief der appellanten overbodig is geworden ;

Gezien de artt. 1375 B. W. en 56 B. R.;

Rechtsprekende enz.;

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep ;

Verklaart de oorspronkelijke eischers, nu geintimeerden, nietontvankelijk in hun eisch ; en

Veroordeelt hen in de kosten van het geding in beide instantien, die aan zijde van de wederpartij begroot en vastgesteld in eersten aanleg op f 226.821/1, in appel op f 238.40.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKTE's-HERTOGENBOSCH. Eerste Kamer.

Zitting van den 2 December 1892.

Voorzitter, Jhr. Mr. L. C. J. A. van Meeuwen.

Rechters, Mrs.: A. J. J. Baron van Styrum en de Wit.

Actie ter scheiding en verdeeling van het vermogen van eent naar der eischers beweren ontbonden gilde.

Ontzegging dezer actie op grond, dat het besluit tot ontbinding van het gilde, als genomen in eene door daartoe onbevoegden bijeengeroepen vergaderingf niet wettig was.

1°. J. H., 2°. J. L. M., 3°. C. V., 4°. N. v. D., 5°. A. M., 6°. A. M., allen wonende te Heesbeen, gemeente Heesbeen, Eethen en Genderen, eischers, aanvankelijk procureur Mr. Bosch, later procureur Mr. Baron van Hugenpoth,

tegen

1°. R. d. B., 2°. B. B., 3°. A. v. d. M., 4°. G. H., 5°. J. V., 6°. J. B. en 7®. J. B., allen wonende te Heesbeen, gemeente Heesbeen, Eethen en Genderen, gedaagden, sub 1°—3®. aanvankelijk procureur Mr. Bosch, later procureur Mr. Baron van Hugenpoth, en sub 4°—7°. procureur Jhr. Mr. van Sasse van Ysselt,

en tegen

1°. W. B., arbeider, en 2°. H. R., arbeider, wonende te Heusden, interveniënten, aanvankelijk procureur Mr. Boll, later procureur Mr. Baron van Hugenpoth.

De Rechtbank enz,,

Ten aanzien der feiten :

Overwegende dat de eischers gesteld hebben, dat, tot voor korten tijd, te Heesbeen bestond het gilde der gezworen schutters van den kruis- of voetboog, ook wel genaamd het schuttersgilde van St. Joris, waarvan leden waren de 6 eischers met de 7 gedaagden ; dat in de vergadering van dat gilde, gehouden den 19 Jan. 1889, besloten is tot ontbinding van het gilde, liquidatie zijner bezittingen en verdeeling van het saldo onder de leden ; dat mitsdien het vermogen van het vroegere gilde thans onverdeeld toebehoort aan de eischers en de gedaagden, en eischers bevoegd zijn scheiding en deeling daarvan te vorderen, weshalve zij vroegen veroordeeling der gedaagden om met hen, in den vorm der wet, daartoe over te gaan, kosten ten laste des boedels, tenzij in j geval van tegenspraak;

O. dat de 6e en 7e ged. aanvankelijk geen procureur hadden gesteld, waarop tegen hen verstek en tegen de andere aanhouding is uitgesproken met reserve van kosten ; dat vervolgens die beide ' gedaagden, op nieuw gedagvaard, procureur hebben gesteld, waarna de eischers hebben geconcludeerd conform de dagvaarding;

0. dat de gedaagden sub 4—7 hebben geantwoord: dathetontbindingsbesluit van 19 Jan. 1889 is nieiig 1°. omdat het strijdt met de instelling en het reglement van het gilde, 2°. omdat het niet is genomen op eene behoorlijke daartoe belegde vergadering en niet-leden daartoe hebben meegewerkt; dat bedoeld gilde dan ook nog steeds bestaat en de vordering ongegrond is ; dat zij in elk geval ontzegd moet worden aan de eischers I, 4, 5 en 6 die geen leden van het gilde zijn en niet kan toegewezen worden tegen de gedaagden sub 1 en 2, die evenmin leden van het gilde zijn weshalve deze gedaagden concludeerden tot niet-ontvankelijk-' althans ongegrondverklaring der vordering cum expensis; subsidiair zulks te doen ten aanzien der genoemde eischers, met verklaring voor recht, dat de gedaagden 1 en 2 geen lid van het gilde zijn en met ontzegging der vordering ook tegen die gedaagden ;

0. dat vervolgens de beide interveniënten in het geding hebben willen tusschenkomen en bij vonnis van 14 Nov. 1890 ook toegelaten zijn met reserve van kosten en met bepaling, dat de vraag, of zij de beweerde doch betwiste qualiteit hadden, bij het geding ten principale zoude beslist worden;

0. dat de gedaagden 1—3 hebben geantwoord, dat de vordering gegrond is; dat de bewering als zouden de gedaagden 1 en 2 geen lid zijn eveneens onjuist is ; dat van dat lidmaatschap, volgens het oud gebruik, geen schriftelijk bewijs wordt afgegeven en dus ook niet bestaat, biedende zij aan door getuigen te bewyzen : „dat zij voor lange jaren, nog onder de werking van het reglement van 1769, op de gebruikelijke wijze als lid zijn aangenomen" ;

0. dat de eischers overlegden het reglement van 1884, na te noemen exploit en notulen der vergadering van 19 Jan. 1889 en vervolgens hebben aangevoerd: dat het gilde lang voor 1855 bestond; dat het, bij gebreke van bepalingen in de statuten omtrent zijne opheffing, kan worden ontbonden bij meerderheid van stemmen, conform art. 14 reglement van 7 Mei 1884; dat ook de vergadering wettig belegd was ; dat zij was belegd door de eischers en de gedaagden 1—3 en deze bij deurwaarders-exploit van 15 Jan. 1889 de overige leden daartoe hebben opgeroepen, met aanzegging der te behandelen punten, waartoe een voorstel tot ontbinding behoorde ; dat, wat de medewerking van niet-leden aan¬

gaat, de eischers getuigenbewijs aanboden omtrent de ontkende hoedanigheid van de eischers sub 1, 4, 5 en 6 ;

0. dat de gedaagden 4—7 nader hebben opgemerkt: dat de personen, ten wier verzoeke het exploit gedaan is, ook al waren zij allen leden geweest, toch niet bevoegd waren om eene vergadering uit te schrijven, omdat zoodanige uitschrijving eene bestuursdaad is en, volgens het reglement, het bestuur berust bij den Hoofdman of Deken, welke hoedanigheid geen der voorzegde personen bezat; dat een deel der leden op die vergadering niet verschenen is en de besluiten toen genomen niet bindend zijn ; dat dit laatste bovendien het geval is, omdat een goed deel van voorzegde personen geen leden van het gilde waren, nl. de personen van R. d. B., N. v. D., B. B. en J. H.; dat R. d. B. op die vergadering bovendien gepresideerd heeft in strijd met het reglement; dat in elk geval tegen de 4 genoemde personen de vordering moet ontzegd worden, zijnde zij geen leden; dat de vroeger gevoerde verwering als zouden de beide M.'s geen leden zijn, wordt teruggenomen ; dat van de andere 4 R. d. B. en B. B. geen leden meer zijn, omdat zij in de vergadering van 23 April 1884 van hun lidmaatschap vervallen zijn verklaard, terwijl N. v. D. en J. H. toen geen leden meer waren, omdat zij niet meer te Heesbeen woonden, hetgeen zoowel volgens het oude als volgens het nieuwe reglement afstand van het lidmaatschap meebracht, wordende het feit der woning elders, gesteld en te bewijzen aangeboden ;

0. dat vervolgens bij ée'nzelfde conclusie van 10 Febr. 1892 geconcludeerd hebben: de gedaagden sub 1 en 2, dat hunne schrapping als lid in de vergadering van 23 April 1884 onwettig en van onwaarde is; de eischer sub 4: dat volgens het oude reglement uitwoning geen verlies van lidmaatschap meebracht; dat alléén het nieuwe reglement van 1887 dit bepaalt, maar dit niet geldt voor die leden, die tijdens de herziening elders woonden ; de eischer sub 1 : dat hij tijdens de vergadering van 19 Jan. 1889 nog te Heesbeen woonde;

O. dat de gedaagden 4—7 bij akte van 19 Maart jl. het bij die conclusie, van 10 Febr. 1892, gestelde, zijn blijven ontkennen ;

0. dat de interveniënten zich geschaard hebben aan de zijde der eischers en zoo hunne qualiteit betwist werd, daarvan getuigenbewijs hebben aangeboden ;

0. dat de gedaagden 4—7 hebben geantwoord: dat instemming met een eisch geen voldoende conclusie is voor interveniënten ; voorts, dat beide interveniënten door verandering van woonplaats hun lidmaatschap hebben verloren en bovendien de interveniënt sub 2 in 1884 vervallen verklaard is van zijn lidmaatschap en in Jan. 1892 overleden is, gaande zijne rechten in geen geval over op zijne erven;

O. dat de interveniënten, overleggende een vonnis van 6 Sept. 1867, hebben aangevoerd, dat de interveniënt sub 2 in 1884 niet vervallen was verklaard en wel in 1892 gestorven is, maar zijn recht op zijn erven was overgegaan, tengevolge van het ontbindingsbesluit van 1889; dat, wat het uitwonen betreft, zij reeds lid waren en buiten Heesbeen woonden toen in 1887 het reglement werd herzien en dus dit reglement op gemeld punt hen niet bindt;

0. dat de gedaagden 4—7 hunne verwering nader hebben volgehouden en overgelegd de kaart van 1769 ;

En ten aanzien van het recht:

dat, wat er zijn moge van de overige middelen der gedaagden 4—7, aan de Rechtbank zeer gegrond voorkomt hunne bewering, dat de vergadering van 19 Jan. 1889 onwettig is geweest, omdat zij door onbevoegden uitgeschreven was; dat toch het uitschrijven eener vergadering is eene bestuursdaad; dat in het gilde het bestuur werd uitgeoefend door Hoofdman of Deken en de bewuste vergadering niet door Hoofdman of Deken bijeengeroepen is ; dat nu wel het reglement, behalve de gewone, ook buitengewone vergaderingen kent en, bij gebleken onwil of ontstentenis van Hoofdman of Deken, wel aan een of meer leden het recht zou kunnen worden gegeven om dergelijke buitengewone vergaderingen te beleggen, maar dat ten deze van dien onwil of ontstentenis niet gebleken is; dat mitsdien in Jan. 1889 het gilde verkeerde in gewonen, normalen toestand en het alsdan zeker niet aangaat om aan ieder lid of aan meerdere leden te vergunnen om, bniten het bestuur om, vergaderingen uit te schrijven en daarvoor eigenmachtig dag, uur en plaats te bepalen, zooals hem of hun zal goeddunken ; dat, waar zulks toch gebeurt, de andere leden niet verplicht kunnen worden om telkens te vergaderen, zoo dikwijls de eene of andere eene vergadering belieft uit te schrijven ; dat dit alles te meer klemt, omdat dit reglement vele gewone vergaderingen kent, zoodat deze buitengewone te minder noodig was en omdat, zoo men eene andere opvatting huldigt, enkele leden het steeds in hunne macht zouden hebben om, door van voor hun gunstige omstandigheden te profiteeren, besluiten voor te dragen, die anders door de meerderheid zouden verworpen worden ;

O. dat mitsdien het ontbindingsbesluit onwettig was ; dat het gilde gevolgelijk nog steeds wettig bestaat en van goederen, niet toekomende aan de leden, door dezen geen scheiding kan worden gevraagd;

Rechtdoende enz.;

Verleent akte, waarvan akte is gevraagd ;

Verklaart de eischers ongegrond in hunne vordering en ontzegt hun die;

Veroordeelt hen in al de proceskosten (behalve de hieronder vermelde) verevend tot aan dit vonnis aan zijde der gedaagden 1—3 op f 110; aan zijde der gedaagden 4—7 op f200 ; aan zijde der interveniënten op f 150;

Veroordeelt de gedaagden 6 en 7 in de kosten, die een gevolg waren van het verstek, verevend aan zijde der eischers op f 23 en aan zijde der andere gedaagden op f 5.

(Gepleit voor de eischers, door Mr. Baron van Hugenpoth, voor de gedaagden 4—7, door Jhr. Mr. van Sasse van Ysselt, beiden advocaat te 's Hertogenbosch en voor de interveniënten door Mr. Boll, advocaat te Gorinchem).

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTERDAM. Eerste Kamer.

Zitting van den 17 October 1892.

Voorzitter, Mr. J. A. Vaillant.

Rechters, Mrs.: E. Feith en Th. J. Hoppe.

De bekentenis is eerst dan onsplitsbaar, wanneer het aan de bekentenis toegevoegde zoo volledig en gepreciseerd is> dat de waarheid daarvan bewezen zijnde, de schuldenaar van elke schuld wordt bevrijd.

M. D., binnenlandsch commissionair, te Amsterdam, eischer, advocaat en procureur Mr. J. H. Uiterwijk,

tegen

J. F. S. Th., stoffeerder, te Rotterdam, gedaagde, advocaat en procureur Mr. Jos. van Raalte.

De Rechtbank enz.;

Gehoord der partijen conclusien en pleidooien :

Gezien de stukken, allen voor zooveel noodig behoorlijk geregistreerd en meer bepaaldelijk de akte van sommatie en dagvaarding den 27 Febr. 1892 door den deurwaarder H. F. te Rotterdam den gedaagde beteekend;

Overwegende, wat betreft de daadzaken :

dat eischer bij dagvaarding en conclusie van eisch heeft gesteld :

dat de eischer op 17 Jan., 13 Maart en 6 Juli 1891 aan den ged. op bezichtiging heeft gezonden en deze als zoodanig ontvangen heeft verschillende aan eischer in eigendom toebehoorende stalen tapijt, waarvan de nummers en maat bij dagvaarding en conclusie voor wat elk staal betreft specifiek zijn opgegeven;

dat op 17 Jan. 1891 tien, op 13 Maart 1891 zestien en op 6 Juli aan ged. zes stalen tapestrij werden verzonden, respectievelijk ter waarde van f 59.50, f 36.68 en f 11.41 ;

dat de eischer verlangende zijn eigendom terug te ontvangen bij herhaling bedoelde stalen van den ged. heeft terug gevraagd, doch deze de stalen wederrechtelijk terug houdt en te vergeefs tot afgifte er van is gesommeerd ; concludeerende alzoo eischer, dat de ged. zal worden veroordeeld om binnen 24 uren na de beteekening van het in deze te wijzen vonnis aan den eischer tegen behoorlijke decharge de boven omschreven stalen tapijt af te geven en in behoorlijken staat op te leveren, of voor het geval hij daaraan binnen dien termijn in het geheel niet of slechts ten deele mocht voldoen, aan den eischer te vergoeden de waarde der niet opgeleverde stalen, zooals deze bij dagvaarding en conclusie specifiek is opgegeven, wijders de ged. zal worden veroordeeld tot vergoeding van alle kosten, schaden eri interessen door zijne wederrechtelijke terughouding van bedoelde stalen bij den eischer reeds geleden of nog te lijden, nader te begrooten bij staat en te vereffenen volgens de wet, alles met veroordeeiing van den ged. in de kosten ;

dat ged. voor antwoord doet zeggen :

dat hij de feiten, zooals die door eischer zijn gesteld, ontkent; dat hij alleen kan mededeelen en zulks onder protest tegen elke splitsing, dat hem door eischer een aantal stalen zijn gezonden, die hij allen (behalve één) aan eischer heeft teruggezonden, terwijl hij dat eene staal (Wilton) volgens opdracht van eischer aan den behanger L. te Rotterdam heeft afgegeven ;

dat al wat eischer verd r stelt omtrent zijn beweerd eigendomsrecht, de maat, de waarde der stalen en alles wat door ged. niet is erkend, door ged. moet worden ontkend;

Weshalve ged. concludeert, dat de eischer worde verklaard niet ontvankelijk in zijn eisch, immers hem die worde ontzegd met zijne veroordeeling in de proceskosten ;

dat eischer bij conclusie van repliek nog aanvoert: dat hij ontkent eenige opdracht aan ged. te hebben gegeven om een der hem toegezonden stalen Wilton te zenden aan den behanger L. te Rotterdam, blijvende ged. in gebreke door nadere aanduiding of omschrijving mee te deelen, van welk der tien hem toegezonden stalen Wilton die afgifte aldus zou hebben plaats gehad ;

dat ged. voorts beweert, dat de overigen stalen door hem aan eischer zijn teruggezonden, doch dat die bewering op geenerlei wjjze wordt aannemelijk gemaakt, door tevens mee te deelen, wanneer en met welke gelegenheid die terugzending zou hebben plaats gehad ;

dat de ontkenning aan zijde van ged. gedaan van het eigendomsrecht der bedoelde stalen in strijd is met de door ged. beweerde terugzending en afgifte ;

dat de mededeelingen van ged. op welker onsplitsbaarheid hij zich beroept, niet als een onsplitsbaar geheel bunnen worden aangemerkt, daar de aan eene halve erkentenis door hem toegevoegde opgaven zijn onbepaald en onbestemd en niet bevatten zoodanige gepreciseerde feiten, als waarvan de valschheid zou kunnen worden bewezen ;

dat des gedaagden algemeene en vage ontkentenis van de gestelde feiten niet kan worden aangenomen als een voldoend verweer tegen de bij dagvaarding en conclusie van eisch zoo gespecificeerde opgave des eischers, en dat alzoo des eischers vordering als vaststaande aangemerkt en zonder verdere bewijslevering hem toegewezen zal moeten worden ;

dat voor het geval de Rechtbank mocht van oordeel zijn, dat voor des eischers posita het volledige bewijs nog niet aauwezig is, dan toch zeker in ieder opzicht die posita geenszins van bewijs zijn ontbloot en er termen zullen worden gevonden om den eischer op te leggen een suppletoiren eed, weshalve de eischer concludeert, dat hij, onder bereidverklaring en aanbod van zijne sustenuen, zoo noodig, onder eede te bevestigen, persisteert bij zijne conclusie van eisch;

O. in rechte:

dat in de eerste plaats behoort te worden onderzocht, of de toevoeging aan zijde van ged. gedaan, dat hij alle pretense stalen (op een na) aan eischer heeft teruggezonden en dat hij een staal op last van eischer heeft gezonden aan den behanger L. te Rotterdam, al of niet mag worden gesplitst van de door ged. gedane bekentenis, zooals die bij conclusie van antwoord is meegedeeld ;

0. daaromtrent, dat elke aan eene bekentenis vastgeknoopte toevoeging, zoo volledig en gepreciseerd moet zijn dat de waarheid daarvan bewezen zijnde, de schuldenaar van elke schuld wordt bevrijd, in welk geval het adject moet worden beschouwd als met de bekentenis een geheel uit te maken, en dat adject van de bekentenis niet mag worden afgescheiden ten nadeele van hem die de bekentenis heeft afgelegd;

dat in casu de door ged. aan het aveu gedane toevoeging niet die volledigheid heeft, zooals hiervoren als vereischte voor de onsplitsbaarheid is gesteld, daar, stel dat aan ged. ware opgelegd te bewijzen de terugzending der stalen, zooals door hem is beweerd, dan nog niet zou zijn bewezen, dat die terugzendiug was geschied tempore utili, d. i., vóór het uitbrengen der sommatie en dagvaarding en alzoo door de toevoeging aan zijde van ged. gedaan, al ware die bewezen, het recht van vorderen aan zijde van eischer nog volstrekt niet boven allen twijfel zou zijn ontheven ;

dat alzoo de toevoeging aan het door ged. in rechten gedane aveu slechts als eene exceptieve verdediging moet worden aangemerkt van het bestaan van welke exceptie de rechter, ook met aanvulling der vereischte daadzaken, ambtshalve het te leveren bewijs vermag op te leggen ;

O. dat, nu de bekentenis van de door ged. gedane toevoeging, mag worden gesplitst, door die bekentenis de toezending der stalen door eischer aan ged. is bewezen ;

dat wel is waar ged. ontkent dat de questieuse stalen den eischer in eigendom toebehooren en hij eveneens ontkent de juistheid der door eischer opgegeven maat en waarde der stalen, doch

Sluiten