Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schending door niet-toepassing van art. 35 j°. art. 31 en 34 der wet van 20 Juli 1S70 (Stbl no. 131) in verband met art. 1 en 3 al. 1 van het Kon besluit van 27 Maart 1888 (Stbl. no. 67), gewijzigd bij art. 1 van het Kon. besluit van 12 Mei 1889 (Stbl. no. 62) laatstelijk gewijzigd bij het Kon. besluit van 20 Mei 1890 (Stbl. no. 92).

Bekend is het dat in de zooeven genoemde wet tot regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie naar verschillende door den koning te geven besluiten wordt verwezen.

Zoo bepaalt art. 31, dat omtrent de verplichting toten de plaats èn de wijze van begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens deze wet afgemaakte of aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee, de voorschriften zullen worden gevolgd door ons gegeven of te geven, — en art. 34 : dat door ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aangewezen zullen worden welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden, waarbij tevens wordt vastgesteld, welke der in deze wet genoemde maatregelen bij het heerschen of dreigen van elk dier ziekten moet worden toegepast.

Aan laatstgenoemd artikel werd uitvoering gegeven door het Kon. besluit van 27 Maart 1888 (Stbl. no. 67), later gewijzigd bij Kon. besluit van 12 Mei 1889 (Stbl. no. 62). Gemeld besluit hepaalt in art. 1 sub 5 dat voor besmettelijk wordt gehouden de schurft bij de eenhoevige dieren en de schapen en beval in de 2e § de maatregelen welke tegen elke der besmettelijke ziekten toegepast moeten worden, waaronder in art. 3 voorschriften omtrent het begraven voorkomen.

Het vee, dat aan besmettelijke ziekte is gestorven moet zoo spoedig mogelijk na de in al. 1 van dat artikel bedoelde kennisgeving binnen een door den burgemeester te bepalen termijn worden verbrand, begraven of op andere wijze worden onschadelijk gemaakt en om daartoe te kunnen geraken legt die al. 1 aan ieder houder of hoeder van een aan besmettelijke ziekte lijdend stuk vee de verplichting op om, zoodra dit gestorven is, daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, Waar het gestorven dier zich bevindt.

Zonder die kennisgeving zou het voor den burgemeester ondoenlijk zijn tijdig maatregelen tot begraviug of vernietiging te bevelen. Die kennisgeving is derhalve een uitvloeisel van den in de wet genoemden maatregel van begraven, waarvan de verplichting en de wijze waarop aan de door den Koning te geven voorschriften is overgelaten. Dat „kennisgeving aan den burgemeester van de gemeente waar het dier zich bevindt" geen in de wet ongekende maatregel is volgt bovendien uit art. 13 der wet, waar diezelfde verplichting aan den houder of hoeder van aan besmettelijke ziekte 'ijdend vee wordt opgelegd.

Bekl. heeft derhalve zich schuldig gemaakt aan overtreding Van hetgeen door den Koning krachtens de artt. 31 en 34 der _wet is vastgesteld en had mitsdien krachtens art. 35 der wet J°- art. 10 no. 26 der wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64) moeten zijn veroordeeld.

Ik heb mitsdien de eer te concludeeren dat de Hooge Raad het in deze door den kantonrechter te Meppel gewezen vonnis zal vernietigen en zal verklaren, dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit oplevert de overtreding van hetgeen door den koning krachtens de artt. 31 en 34 van de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. oo. 13 lj js vastgesteld, zonder dat die uitspraak eenig nadeel zal toebrengen aan de rechten door bekl. verkregen.

De Hooge Raad enz.,

Geilen eene verklaring van den griffier bij het Kantongerecht te Meppel van 17 Oct. 1892, houdende dat geen hooger beroep noch cassatie tegen bovengemeld vonnis is aangeteekend;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld •

Schending door niet-toepassing, van art. 35 jis. de artt. 31 en 34 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) in verband met de artt. 1 en 3, al. I Kon. besluit van 27 Maart 1888 (S bl. no. 67), gewijzigd bij art. 1 Kon. besluit van 12 Mei 1889 (Stbl. no. 62), laatstelijk gewijzigd bij het Kon. besluit van 20 Mei 1890 (Stbl. no. 92);

Overwegende dat de bekl. voor het Kantongerecht te Meppel is gedagvaard ter zake dat hij in de maand Jan. 1892 te Eemster in de gemeente Dwingelo, nadat 2 door hem gehouden wordende schapen, welke lijdende waren aan de besmettelijke veeziekte „de schapenschurft" aldaar waren gestorven, van het sterven dier dieren niet onmiddellijk heeft kennis gegeven aan den burgemeester der gemeente Dwingelo ;

dat dit feit door den kantonrechter bewezen is verklaard, doch "iet strafbaar is geoordeeld, op grond dat „wel bij art. 3 Kon. besluit van 27 Maart 1888 (Stbl. no. 67) aan den houder van een stuk vee, dat, aan eene besmettelijke ziekte lijdende, is gestorven, de verplichting is opgelegd om daarvan onmiddelijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente waar dat gestorven yee zich bevindt, maar dat dit voorschrift, nu het geen maatregel is, genoemd in de wet tot regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige pojitie, dus niet vastgesteld is krachtens art. 34 dier wet, niet behoort tot die, wier overtreding bij deze wet, welke regelt de veeartsenijkundige politie in haren geheelen omvang, met straf is bedreigd";

O. dat tot bestrijding van deze beslissing bij de toelichting van het middel is aangevoerd, dat volgens art. 31 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) omtrent de verplichting tot en de plaats en wijze van begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee de voorschriften Juoeten worden gevolgd door den koning gegeven of te geven terwijl bij art. 34 aan regeling bij algemeenen maatregel van bestuur wordt overgelaten zoowel de aanwijzing welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden, als de vaststelling welke der in die wet genoemde maatregelen bij het heerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten worden toegepast; dat, ter uitvoering van een en ander, bij het Kon. besluit van 27 Maart 1888 (Stbl. no. 67), gewijzigd bij dat van 12 Mei 1889 (Stbl. no. 62), in art. 1 de besmettelijke veeziekten, waaronder de schurft bij de schapen, zijn aangewezen, en in art. 3 voorschriften 7-'jn gegeven ten aanzien van het verbranden, begraven of op andere wijze onschadelijk maken van aan een dier ziekten gestorven vee; dat tot die voorschriften behoort de verplichting bij het eerste lid van dit artikel aan den houder of hoeder van dat vee opgelegd om van het sterven onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester, en dat, vermits het den burgemeester ondoenlijk zon zijn zonder zoodanige kennisgeving tijdig maatregelen tot begraving of vernietiging te bevelen, die kennisgeving een uitvloeisel is van den in de wet genoemden maatregel van begraven, zoodat de bekl., door die kennisgeving na te laten, had overtreden een door den Koning krachtens de artt. 31 en 34 der wet gegeven voorschrift, waarop bij art. 35 straf is

gesteld;

O. daaromtrent, dat bij evengenoemd art. 35 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) gew-ijzigd bij art. 10 no. 26 der wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64) straf is gesteld op de overtreding van hetgeen krachtens de artt. 31 en 34 der eerstgemelde

wet bij algemeenen maatregel van bestuur door den koning is de ged. zijn zetbaas of knecht, doch dat hij heeft geageerd tegen

voorgeschreven; . v. W„ na te hebben gesteld, welke ook de verhoudTng tusschen dat derhalve de fregrondheid van het middel hiervan afhangt, partijen moge zijn, omdat v. W. ook als vennoot rekenplichtig is

flu ' lï\ IJ:* KJ0n" beSla" T.27 Maar^ 1888 en h» vreesde dat v" W" misbruik zoude maken van het feit, dat (Stbl. no. 67), ge yzigd bij dat van 12 Mei 1889 (Stbl. no. hij hem in brieven noemde „waarde compagnon" en hii hem ver-

62) en dat van 20 Mei 1890 (Stbl. no. 92) een voorschrift bevat, gund had f 250, welke hij v"an de zaak, dafis van eischer te vor-

gegeven krachtens de bij de artt. 31 en 34 der wet van 20 deren had, in de zaak te laten-

Juh ,187,0. {SlbL DO' 131) aan den Koning voorbehouden be- O. dat beide partijen nog nader van conclusiën hebben gediend

V°r) riÜ't hii art 11 rKo . . , , , en eenige stukken in het geding gebracht, met volharding bij de

O. dat bij art. 31 dier wet aan den koning is voorbehouden het door hen in dit geding aangenomen houding •

geven van voorschriften ten aanzien, o. a. van de verplichting O. dat de Rechtbank bij vonnis van den'19 Dec. 1890 heeft tot en de plaats en wijze van begraven, verbranden of op andere overwogen, dat alleen de dagvaarding den grondslag der vordering wijze vernietigen van aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee ; uitmaakt, de eischer daarin geen andere verhouding voorop stelt, dat art. 3 van het lvon. besluit voornoemd zoodanige voor- dan die van patroon tot zetbaas, doch daaraan alleen voorzichschriften bevat, en dat, ingevolge art. 34 der wet, deze voor- tigheidshalve heeft toegevoegd dat, zoo de verhouding eene venschriften bij het esluit zijn verklaard te behooren tot die maatre- nootschappelijke mocht zijn, ged. ook als vennoot rekenplichtig folee' 1- 8 besmettelijke veeziekte moeten worden is; dat de ged. die opvatting der dagvaarding deelt, zoodat de °n ''j8.' v,„. . ... , Rechtbank het als het verlangen van beide partijen aanmerkt.dat U. dat het eerste lid van gemeld art. 3, betreffende de kennis- thans uitspraak geschiede over de vraag welke verhouding tusgevmg aan den burgemeester van het sterven van aan besmette- schen partijen bestaat; dat de ged. zich tegen de in de dagvaarding lijke ziekte lijdend vee, in rechtstreeksch verband staat tot het tweede gestelde verhouding van patroon tot zetbaas kan beroepen op een lid, volgens hetwelk zoo spoedig mogelijk na de in het eerste lid vijftal omstandigheden, welke naar het oordeel der Rechtbank, bedoelde kennisgeving, binnen een door den burgemeester te niet onbelangrijk zijn, doch niet zoo gewichtig, dat het door den bepalen termijn, net gestorven vee door de zorg van den eigenaar eischer aangeboden getuigenbewijs, moet worden afgewezen ; dat moet worden verbrand, begraven of op andere wijze onschadelijk dit bewijs toelaatbaar is, omdat het hier geldt eene zaak van koopgemaakt ; handel en de gestelde feiten tot de beslissing der zaak kunnen dat tot de wijze van begraven, verbranden of op andere leiden, hetgeen de mogelijkheid en de wenschelijkheid der prowijze onschadelijk maken behoort het daartoe niet overgaan bui- ductie van nadere stukken niet uitsluit • dat mitsdien de Rechtten voorkennis van den burgemeester, en dat derhalve dein bank den eischer toelaat tot het bewijs der volgende feiten: 1°. het eerste lid bedoelde kennisgeving deel uitmaakt van de dat hij schulden der firma v. W. & Co. betaald heeft ■ 2". dat hij voorschriften, door den koning krachtens de artt. 31 en 34 der gelden, namens de firma v. W. & Co. bij kassiers gedeponeerd als bovenvermelde wet ten aanzien van het daarin vermelde onder- de zijne heeft tot zich genomen zonder medeweten van ged. en zonwerp gegeven ; der dat deze daarop aanmerkingen maakte; 3°. dat ged. door hem dat het middel van cassatie mitsdien is gegrond; gehuurd is als zetbaas tot beheering der gemelde zaak op een Vernietigt, in het belang der wel, het door den kantonrech- salaris van f 150 per drie maanden; 4°. dat op 13 Sept. 1887 ter te Meppel op 18 Juni 1892 in deze zaak gewezen vonnis; alles wat in de fabriek en depöt was werd opgenomen en ten Verklaart dat het bewezen verklaarde feit oplevert: het als slotte werd overeengekomen, dat de nog aanwezige voorraad zou houder van aan eene besmettelijke ziekte lijdend, gestorven vee, worden opgewerkt onder beheer van ged. en onder toezicht van van dat sterven niet onmiddellijk kennis geven aan den burge- eischer, niets meer zou worden bijgekocht en dan de zaak zou meester der gemeente, waar dat gestorven vee zich bevindt, zijn opgeheven, terwijl wat aan voorraad, materiaal enz. zou aanstrafbaar volgens art. 35 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. wezig zijn, aan eischer zou worden opgeleverd en verder alles ter l^1)» gewijzigd bij art. 10 no. 26 der wet van 15 April 1886 zijner beschikking zou worden gesteld;

(Stbl. no. 64) ; dat tegen dit vonnis v. W. zich te bekwamer tijd beeft voor-

Verklaart dat dit arrest geen nadeel kan toebrengen aan de door zien in hooger beroep, met dagvaarding zijner tegenpartij voor dit

partijen verkregen rechten. Hof en met de conclusie, welke in het hoofd van dit arrest wordt

vermeld, doende hij bij nadere schriftuur tegen de uitspraak der

======================= Rechtbank de volgende grieven kennen: dat in de dagvaarding

GERECHTSHOVEN slechts van e'e'ne verhouding sprake is, namelijk die van patroon

tot zetbaas, zoodat de zinsnede welke ook de verhouding van par-

— tijen moge zijn, daarop terugslaat, en dus alleen beteekenen kan, dat die verhouding kan zijn mandaat, huur van diensten of iets

GE RECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH. anders; dat daaruit niet te lezen is, dat de eischer in de dagvaarding ageert als patroon en voorzichtigheidshalve nog als ven-

Burgerlijke Kamer. n?ot • dat het niet het verlangen van app. is, dat de Rechtbank

uitmake, welke de eigenlijke verhouding tusschen partijen is ; dat

Zitting van den 22 December 1891. de Rechtbank te beslissen had, of tusschen de v. d. S. en v. W.

de verhouding van patroon tot zetbaas bestond en dat, zoo neen,

Voorzitter, Jhr. Mr. L. P. M. F. van Meeuwen. de act'e vervalt, omdat de eischer alleen op dien grond ageert;

a M w n t rn n ™ nï tj dat na door hetgeen reeds in dit geding vaststaat voldoende wordt

Kaadsheeren, Mrs.: E. G. J. Tilman, C. F. G. de Menthon Bake, „ w ■ . j .u j a m ^

tv,- t? v t \r . tj /*, u tt- aangetoond, dat v. W. met was de zetbaas van de firma v. W. en Co.

Jhr. F. X. J. M. Verheijen en H. G. P. Kolfschoten. u .. , • , . , .

en dat de leiten, tot welker bewijs de eischer is toegelaten, niet

Procureur-Generaal, Jhr. Mr. Th. Sbrraris. ter zake dienende en afdoende zijn ;

O. dat de geint. met een beroep op de dagvaarding, beweert,

Het bestaan van eene vennootschap en commandite behoeft tus- dat de rechtsverhouding, krachtens welke hij ageert, niet door hem

schen de vennooten niet door eene schriftelijke akte bewezen te behoeft te worden genoemd ; doch dat het voldoende is, als deze

worden, maar kan ook door vermoedens worden gestaafd. uit de feitelijke verhoudingen, in de dagvaarding voorkomende,

resulteert; dat hij voorts bemerkt dat het winstaandeel, waarvan

G. v. W„ wonende te 's Hertogenbosch, appellant bij exploit van t vaTtd°°rf.hem aao/' is ^«gd. doch dat

3 Maart 1891, procureur Mr. Baron van Hugenfoth, wasTn he 1 TBn, ?e omfaml*h<;ld üf, e,r fw»Dst

was en net bedrag van geïntimeerde s goedvinden, terwijl de f 250,

tegen waarvan in de dagvaarding sprake is, afkomstig zijn van den

Jhr. h. R. d. v. d. S., wonende te Zevenaar, geintimeerde bij ^00PPrÜ6, voor de "oegere zaak door geint. besteed en alsnog

gemeld exploit, procureur Mr. Hengst. °°r £emt* persoonlijk aan app. verschuldigd; dat het bestaan

van een vennootschap zal moeten worden bewezen op de wijze

Hef TTnf pn, bedoeld bij art. 22 W. v. K., concludeerende de geint. tot beves-

xaet *101 enz. tiging van het vonnis, waarvan appèl;

Gezien de stukken; In rechte.

Tpn^o^^o1''^11' f •. , ,. . o. dat, blijkens den hierboven medegedeelden inhoud der dag-

pp,-ctpn B„n|p " vJ Jten van de zaak en der gedingvoering in vaarding, geen andere grondslag voor de vordering is gesteld dan

t . • . tr g age"de aan hetgeen dienaangaande voor- de verhouding van patroon tot zetbaas;

komt in net beroepen vonnis vnn 1 q T)pc 1890 * 1 > , '

Voorts met het oog op de thans te beslissen punten • v h * Posltum! dat aan eene vennootschappelijke

irsrswraws* srr-»

sr Sr •? =£ B

I vorcnhnifiifrM •• c * , blijkens de bovenstaande overweging, de v. d. S. in dit hooger be-

n" W nipttpuensKianripZIJn i,'"r'tp rmm't"' ^, e: dat roeP bet feit zoodanig heeft toegelicht, dat daaraan elk vennoot-

• v- W"> nie tegenstaande gerechtelijke sommat.e, zich als heer schappelgk karakter is ontnomen f

Bn meester gedraagt m e«ne ^baksfabriek wdke de v. d. S. in O. dat de eischer tegenover de ontkentenis van den ged. de

van ' ' , oenma evennoot, gekocht feiten, welke aan zijne vordering ten grondslag liggen, zal moeten

had en waaromtrent tusschen de v. d S. en v W. is overeenge- bewijzen, terwijl uit niets blijkt, dat, als hij dit bewijs nieUevm

komen, dat de laatste ze te en een salaris van f 600 per jaar voor de ged. er in toestemt, om als complementair vennoot tot het af-

eerstgenoemden en onder diens toezicht en opzicht zoude admini- leggen van rekening tè worden veroordeeld;

«reeren terwjjl de zaak zoude worden gedreven onder de firma O. evenwel dat de Rechtbank op de gronden in haar vonnis

Gr. v. W. & Co. en het gebouw de ge ee e inventaris, materiaal voorkomende den eischer tot de hierboven bedoelde bewijslevering

'n voorraad het eigendom zoude blijven van de v. d. S. ; dat kort verplicht acht, zoodat de vraag is vooreerst, of v. W. reeds zooveel

nadat v. W. als zetbaas was aangenomen hij aan de v. d. S. bewijs voor de door hem beweerde vennootschap en commandite

heeft gevraagd en deze heeft toegestaan om f 250, welke de firma heeft aangebracht, dat aangenomen kan worden dat het bevolen

hem schuldig was in de zaak te la en; dat v. W. voor de zaak getuigenbewijs toch tot niets zal leiden en, ten tweede, of de te

bij de Noordbrabantsche bank een schuld gemaakt heeft op den bewijzen toegelaten feiten ter zake dienende en afdoende ziin •

sept. 1887 f 36800 bedragende, at niettegenstaande partijen 0. aangaande het eerste punt, dat app. zich beroept op'een

op 13 Sept, 1887 waren overeengekomen, dat onder beheer van bewijs door vermoedens, namelijk op de sommatie van 3 Jan. 1890,

v. W. en onder toezicht van de v. . b. de aanwezige voorraad op de onderteekening der brieven, op de quitantiën van betaalde

Boude worden opgewerkt en daarna alles ter beschikking van de huur en op de wijze waarop de v. d. S. in zijn brieven v W

v. d. S. zoude worden gesteld en v. ff. b\j exploit van 3 Jan. aanspreekt-

1M0 was gesommeerd tot het afleggen van rekening over de O. dat wel is waar in zijne schriftuur van appèl de v. d. S.

tabaksfabriek en tot afgifte van al hetgeen op de zaak betrekking beweert, dat eene vennootschap en commandite door eene schrif-

heeft, v. W. weigerachtig blijft van wat dan ook te doen; dat telijke akte moet en dus niet door vermoedens kan worden bewc-

echter, welke ook de naam der verhouding tusschen hem en v. W. zen, doch dat deze bewering niet aanneembaar is, omdat het

moge zijn, de v. d. S. het recht heeft om den onhoudbaren tóe- voorschrift van art. 39 van den Franschen Code de Commerce, waarbij

le doen eindigen; eene schriftelijke akte wordt voorgeschreven, niet in het Neder-

O. dat, na eenige beschouwingen over de houding zijner tegen- landsch "Wetboek van Koophandel is overgenomen, zoodat het

partij vóór en tijdens het proces, v. W. op die dagvaarding heeft bestaan van vennootschappen en commandite tusschen de ven-

beantwoord, dat het hem duister is op grond van welke betrek- nooten door de gewone bewijsmiddelen kan worden gestaafd •

king de eischer ageert, wat toch duidelijk zoude behooren te zijn, O. nu dat de beide eerstgenoemde vermoedens, waarop v' W

Wilde reken plichtigheid van den ged. worden aangenomen; dat zich beroept, weinig afdoen; dat toch de sommatie de verhouding

hij V. w. derhalve ontkent al wat de dagvaarding omtrent de van v. W. tot de v. d. S. qualificeert „eigenlijk als zoogenaamd

verhouding van partijen mededeelt en daartegenover als zijn on- zetbaas" en v. W. daarin gesommeerd wordt tot afgifte van alle

splitsbaar aveu stelt, dat hunne verhouding was die van comple- activa, welk een en ander niet strookt met eenig vennootschappe-

Bentair tot complementair vennoot; üjk karakter aan de in de sommatie omschreven overeenkomst toe

O. dat de v. d. S. daarop heeft geantwoord, dat uit de dagvaar- te kennen en dat voorts de brieven door een deide namens

ling duidelijk blijkt en ook alleen waar is, dat hij uitsluitend v. W. & Co. zijn onderteekend en dus niet tegen de' v d S

iigenaar is der zaak, gedreven onder de firma v. W. & Co., en I bewijzen;

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 22 December 1891.

Voorzitter, Jhr. Mr. L. P. M. F. van Meeuwen. Raadsheeren, Mrs.: E. G. J. Tilman, C. F. G. de Menthon Bake, Jhr. F. X. J. M. Verheijen en H. G. P. Kolfschoten.

Procureur-Generaal, Jhr. Mr. Th. Sbrraris.

Het bestaan van eene vennootschap en commandite behoeft tusschen de vennooten niet door eene schriftelijke akte bewezen te worden1 maar kan ook door vermoedens worden gestaafd.

G. v. W., wonende te 's Hertogenbosch, appellant bij exploit van 3 Maart 1891, procureur Mr. Baron van Hugenfoth,

tegen

Jhr. L. R. d. v. d. S., wonende te Zevenaar, geintimeerde bij gemeld exploit, procureur Mrf Hengst.

Het Hof enz.,

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

len aanzien der feiten van de zaak en der gedingvoering in eersten aanleg, zich gedragende aan hetgeen dienaangaande voorkomt in het beroepen vonnis van 19 Dec. 1890];

Voorts met het oog op de thans te beslissen punten : Overwegende dat bij dagvaarding breeder omschreven in het beroepen vonnis, Jhr. L. R. de v. d. S. heeft gedagvaard G. v. W. tot het doen van gerechtelijke rekening en verantwoording en tot afgifte van hetgeen bij het sluiten der rekening aan de°v. d. S. zal blijken verschuldigd te zijn of toe te behooren, ter zake : dat G. v. VV., niettegenstaande gerechtelijke sommatie, zich als heer en meester gedraagt in eene tabaksfabriek, welke de v. d. S. in 1883 van G. v. W. en diens toenmaligen medevennoot, gekocht had en waaromtrent tusschen de v. d. S. en v. W. is overeengekomen, dat de laatste ze tegen een salaris van f 600 per jaar voor eerstgenoemden en onder dien3 toezicht en opzicht zoude administreeren, terwijl de zaak zoude worden gedreven onder de firma G. v. W. & Co. en het gebouw, de geheele inventaris, materiaal en voorraad het eigendom zoude blijven van de v. d. S. ; dat kort nadat v. W. als zetbaas was aangenomen hij aan de v. d. S. heeft gevraagd en deze heeft toegestaan om f 250, welke de firma hem schuldig was in de zaak te laten ; dat v. W. voor de zaak bij de Noordbrabantsche bank een schuld gemaakt heeft op den 1 Sept. 1887 f 36800 bedragende; dat niettegenstaande partijen op 13 Sept, 1887 waren overeengekomen, dat onder beheer van v. W. en onder toezicht van de v. d. S. de aanwezige voorraad zoude worden opgewerkt en daarna alles ter beschikking van de v. d. S. zoude worden gesteld en v. W. bij exploit van 3 Jan. 1890 was gesommeerd tot het afleggen van rekening over de tabaksfabriek en tot afgifte van al hetgeen op de zaak betrekking heeft, v. W. weigerachtig blijft van wat dan ook te doen ; dat echter, welke ook de naam der verhouding tusschen hem en v. W. moge zijn, de v. d. S. het recht heeft om den onhoudbaren tóestand te doen eindigen ;

O. dat, na eenige beschouwingen over de houding zijner tegenpartij vóór en tijdens het proces, v. W. op die dagvaarding heeft geantwoord, dat het hem duister is op grond van welke betrekking de eischer ageert, wat toch duidelijk zoude behooren te zijn, wilde reken plichtigheid van den ged. worden aangenomen; dat hij v. "W". derhalve ontkent al wat de dagvaarding omtrent de verhouding van partijen mededeelt en daartegenover als zijn onsplitsbaar aveu stelt, dat hunne verhouding was die van complementair tot complementair vennoot;

O. dat de v. d. S. daarop heeft geantwoord, dat uit de dagvaarding duidelijk blijkt en ook alleen waar is, dat hij uitsluitend eigenaar is der zaak, gedreven onder de firma v. W. & Co., en

Sluiten