Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begraven is eene onrechtmatige daad, die door art. 180 der Gemeentewet niet wordt gerechtvaardigd.

In facto mag als vaststaande worden aangenomen, dat de verweerder zich op 22 Nov. 1891 met een geslacht half rund op de markt te Helmond heeft bevonden en dat dit vleesch toen door den keurmeester der gemeente als schadelijk of vermoedelijk schadelijk voor gebruik door menschen is afgekeurd, waarna het op last van Burg. en Weth. door de politie is in beslag genomen en in den grond gegraven.

Op grond van die feiten heeft de verweerder van den eischer schadevergoeding gevorderd, omdat de inbeslagneming en vernietiging is geschied buiten onteigening en in strijd met de wet.

Bij het vonnis, waartegen dit beroep in cassatie is gericht, is in de eerste plaats beslist, dat er van onteigening van eens anders eigendom ten deze de rede niet is, omdat er geen overgang van eigendom van den een op den ander heeft plaats gehad, maar slechts gehandeld is met het doel om het vleesch te vernietigen ten einde daardoor het publiek voor schade te vrijwaren.

Die beslissing is volkomen juist en in overeenstemming met verschillende arresten van den Hoogen Raad.

Evenwel bestond er bij den Raad geen vastheid van zienswijze omtrent de vraag hoever zich het politierecht uitstrekt ten opzichte van schadelijke en gevaarlijke voorwerpen van eigendom, vooral bij het toepassen van plaatselijke verordeningen.

Veelal beschouwde de Raad zoodanige verordeningen van kracht als slechts beperkende den eigendom. (Arresten 24 Sept. 1872 v. d. Honert, G. Z., deel 26 bl. 371, 16 Oct. 1866, Rspr. dl. 84 bl. 112, 103 bl. 301,) 8 Mei 1867 (Rspr. dl. 86, bl. 14) 9 Febr. 1877, Rspr. dl. 115 bi. 162) Heemskerk, Grondwet dl. II bl. 29), Weekbl. nos. 3512, 2851, 2917, 4098.

Bij arrest van 8 Dec. 1873 (Rspr. dl. 105 bl. 364, Weekbl. no. 3672) echter oordeelde de Hooge Raad in strijd met de conclusie van het Openb. Min., dat de verplichting opgelegd aan den eigenaar om zijn hond te dooden wegens vermoeden van hondsdolheid eene onwettige onteigening opleverde.

Daarbij werd uit het oog verloren, dat tot het wezen van het rechtsinstituut der onteigening eigendomsovergang behoort; en het voldoen aan gezegde verplichting bracht zoodanige overgang niet te weeg.

Bestond er dus onzekerheid, in hoever het politierecht zich uitstrekt en waar het onteigeningsrecht begint, de Grondwetgever van 1887 heeft in overeenstemming met de de Staatscommissie dit ook ingezien en art. 147 der Grondwet van 1848 vervangen door de bepalingen van art. 151 en 152 der tegenwoordige Grondwet.

In het algemeen bestond er bij de Gemeentebesturen geen twijfel, dat krachtens de begrippen van politierecht bij verordening kan worden bevolen verbeurdverklaring en vernietiging van voor de gezondheid schadelijke etenswaren, enz. In tal van verordeningen, die dat onderwerp regelen, vindt men gelijke bepalingen als in die van Helmond; ik bepaal mij er toe te wijzen op de artt. 158 en 162 van de Pol. Verord. van den Haag.

En voor zoover ik heb kunnen nagaan heeft een geval als het onderhavige zich nog niet voorgedaan, is het althans niet ter cognitie van den rechter gebracht.

De beslissing dan van de Rechtbank berust hierop dat het voorschrift van art. 56 der verordening in strijd is met art. 625 B. W. en daarom niet verbindend, dat wel het eigendomsrecht ilft ar hij mocht worden beperkt, doch dat de verordening niet zoover mag gaan, dat het voorwerp van eigendom vernietigd, of voor

het doel waartoe het bestemd is, geheel ongeschikt gemaakt wordt, zooals in deze heeft plaats gehad, waar het vleesch aan verrotting is prijs gegeven.

De juistheid van deze uitspraak zou slechts bedenkelijk zijn, onder vigneur der Grondwet van 1848, doch naar mijne bescheiden meening staan we thans op geheel anderen bodem.

De memorie van toelichting op de artt. 151 en 152 der nieuwe Grondwet, zégt, na te hebben gewezen op de onzekerheid die er bestond ten aanzien van onbruikbaarmaking of onteigening van eigendom: „In het belang eener juiste onderscheiding, is de onteigening ten algemcenen nutte gesteld tegenover het vernietigen en het onbruikbaar maken van eigendom en beperking van het eigendomsrecht". (Arntzenius, Grondwet dl. I bl. 30, dl. II bl. 68). Bij gezegde Grondwetsartikelen met elkander in verband beschouwd, wordt uitdrukkelijk gesanctionneerd het in theorie steeds gehuldigde politierecht, dat zijne uitdrukking vindt in het gewraakte art. 56 der Helmondsche Pol. Verord.

In verband hiermede merk ik in het voorbijgaan op, dat de Staatscommissie ook voor beperking van den eigendom in strijd met hetgeen tot dien tijd rechtsgeldig was, en de bij de wet niet uitgesloten gevallen, schadeloosstelling wilde geven, iets waarmede de Regeering zich niet vereenigde (Arntzenius dl. 1 bl. 64 en 65, Buijs, dl. Hl, bl. 274).

Aan de besproken onzekerheid is thans werkelijk een einde gemaakt, art. 152 erkent de bevoegdheid van de gemeentebesturen tot het maken van dergelijke bepalingen.

Waar art. 56 meergenoemd dus in overeenstemming is roet de door de Grondwet gehuldigde beginselen, kan er van ongeldigheid wegens strijd met de gewone burgerlijke wet geen sprake zijn, en kon de eischer dus binnen den kring zijner bevoegdheid het voorschrift van dat artikel doen uitvoeren, want de verordening is posterieur aan de laatste Grondwet. En nu zegge men niet, dat art. 5 der additionele artikelen bepaalt: „Het eerste lid van art. 152 der Grondwet blijft buiten toepassing, tot dat de wettelijke regelen omtrent de gevallen, waarin geene schadeloosstelling wegens voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden".

Dit ziet alleen en kan alleen zien op het in werking treden van de toe te kennen schadeloosstelling, niet op het beginsel, waaruit dat artikel was geresulteerd. En wel om 3 redenen: 1°. omdat er vroeger niet aan is gedacht om voor waardelooze of schier waardelooze voorwerpen, zooals voor de gezondheid schadelijk vleesch, die in het algemeen belang moesten worden vernietigd, schadeloosstelling te geven j 2°. omdat niet is bepaald overeenkomstig het voorstel der Staatscommissie, om ook in geval van beperking van het eigendomsrecht schadeloosstelling te geven, hoezeer daardoor dat recht veelal vrjj wat meer wordt benadeeld, dan door vernietiging of onbruikbaarmaking en 3°. omdat de beperking nopens de schadeloosstelling in art. 152 niet is in het leven geroepen wegens een daarop toekomend recht, maar bloot uit een oogpunt van billijkheid (Bijijs, Grondwet dl. III, bl. 271 en 272).

Art. 152 erkent het bestaan van het recht, maar werkt niet ter bekoming van eventueele schadeloosetelling, voor de tot standkoming der wet.

Om die redenen ben ik van meening dat het voorschrift van art. 56 j°. art. 51 der verordening voor Helmond, ten onrechte niet verbindend is verklaard bij het vonnis waartegen dit beroep is gericht.

Ik heb daarom de eer te concludeeren dat gezegd vonnis bij arrest van den Hoogen Raad zal worden vernietigd en deze ten •vjnoinaie rechtdoende en doende wat de Rechtbank had behooren

te doen het vonnis van den kantonrechter te Helmond, dd. 25 Sept. 1891 zal vernietigen en aan den oorspronkelijken eischer, thans verweerder in cassatie, de door hem ingestelde vordering zal ontzeggen en hem zal veroordeelen in de proceskosten

De Hooge Raad enz.,

Partijen gehoord ;

Gezien de stukken ;

Overwegende dat als eenig middel van cassatie is voorgesteld: Schending en verkeerde toepassing van de artt. 142, 144 en 152 en van het 5e additioneel artikel der Grondwet, van de artt. 135 en 180 der Gemeentewet, van art. 625 B. W. en van de artt. 51 en 56 van de Alg. Pol. Verord. van de gemeente Helmond van 10 Mei 1890, doordien bij het beklaagde vonnis is overwogen dat art. 56 der Alg. Pol. Verord. voornoemd is in strijd met art. 625 B. W. en daarom niet verbindend, en dat de daad van het dagelijksch bestuur om overeenkomstig art. 56 der Pol. Verord. afgekeurd vleesch te doen begraven, is eene onrechtmatige daad, die door art. 180 der Gemeentewet niet wordt gerechtvaardigd ;

O. daaromtrent, dat bij art. 56 in verband met art. 51 der Alg. Pol. Verord. voor de gemeente Helmond, vastgesteld den 10 Mei 1890, is bepaald, dat vleesch en visch, waarvan het gebruik schadelijk is, of vermoed wordt schadelijk te zijn, voor de gezondheid, en dat daarom door den keurmeester is afgekeurd, niet voor gebruik wordt bestemd, maar met toepassing van art. 180 der Gemeentewet op last van Burg en Weth. ten koste van den eigenaar op eene behoorlijke diepte begraven wordt met de voorzorgen die worden noodig geacht;

O. dat bij het bestreden vonnis die bepaling als niet verbindende is beschouwd, omdat zij in strijd 7ou zijn met art. 625 B. W., hetwelk in verband mei art. 135 der Gemeentewet wel toelaat in het belang der openbare gezondheid het eigendomsrecht te beperken, doch die beperking niet zóó ver mag gaan dat een voorwerp van eigendom vernietigd wordt, of voor het doel waartoe het bestemd is, geheel onbruikbaar gemaakt wordt, en de bevoegdheid daartoe ook niet kan worden afgeleid uit 180 der Gemeentewet;

O. dat de juistheid dier beslissing afhangt van de vraag, of volgens de thans geldende Grondwet, na welker invoering de hiervoor vermelde verordening tot stand kwam, de Gemeenteraad van Helmond bevoegd was eene bepaling als die van art. 56 der Verord. vast te stellen ;

dat al moge het onder de werking der Grondwet van 1848 twijfelachtig geweest zijn of art. 147 dier Grondwet in verband met art. 625 B. W. toeliet om bij Gemeenteverordening krachtens art. 135 der Gemeentewet in het belang der openbare gezondheid de vernietiging of onbruikbaarmaking te bevelen van schadelijke stoffen of voorwerpen, — die onzekerheid heeft opgehouden, nu bij art. 151 der tegenwoordige Grondwet onteigening ten algemeenen nutte gesteld is tegenover het vernietigen of onbruikbaarmaken van eigendom bij wijze van maatregel van politie, en bij art. 152 der Grondwet uitdrukkelijk is erkend dat het openbaar gezag daartoe bevoegd is onder geene andere voorwaarde dan die van schadeloosstelling, tenzij de wet het tegendeel bepaalt ; a>

dat nu wel bij art. V der additioneele artikelen van de Grondwet is bepaald dat het eerste lid van art. 152 der Grondwet voorloopig buiten toepassing blijft, doch dat uit de toelichting op dit additioneel artikel, door de Regeering gegeven, blijkt dat

ucb uaaruij onuer anctere ook ae Dedoeling is geweest om te veroorloven dat plaatselijke verordeningen worden gemaakt, waarvan vernietiging of onbruikbaarmaking van goederen een gevolg kan zijn,—terwijl omtrent het al of niet toekennen van schadeloosstelling in die gevallen naar den bestaanden wettelijken toestand werd verwezen totdat de wet, in art. 152 der Grondwet bedoeld, zal zijn gemaakt;

dat derhalve moet worden aangenomen dat, al blijft art. 15^, le lid, der Grondwet voorloopig buiten toepassing, bij het 5e der additioneele artikelen van de Grondwet geen wijziging is gebracht in het reeds in de Grondwet zelve nedergelegde beginsel dat er streng behoort te worden onderscheiden tusschen onteigening ten algemeenen nutte en het vernietigen of onbruikbaar maken van eigendom als politiemaatregel, en dat de bevoegdheid om dit laatste bij de wet of wettige verordening te bevelen, bij art. V der additioneele artikelen thans uitdrukkelijk is erkend;

O. dat hieruit volgt, dat het voorschrift van art. 56 der Verord. niet met de Grondwet in strijd is, en de Gemeenteraad van Helmond dus bevoegd was om die bepaling vast te stellen, en dat dei halve Burg. en Weth. dier gemeente, als belast met de uitvoering van de verordeningen van den Raad, ook geene onrechtmatige daad pleegden door aan het voorschrift van dat artikel uitvoering te geven ;

O. dat de Rechtbank, door anders te oordeelen, de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen heeft geschonden of verkeerd toegepast, en dat mitsdien het bestreden vonnis zoowel als het daarbij bevestigde vonnis van den kantonrechter te Helmond behoort te worden vernietigd ;

Vernietigt het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te Roermond op 27 Mei 1892 in hooger beroep in deze zaak gewezen;

En ten principale rechtdoende krachtens art. 105 R. O.;

Vernietigt mede het vonnis door den kantonrechter te Helmond op 25 Sept. 1891 in deze zaak gewezen;

Ontzegt aan den oorspronkelijken eischer, nu verweerder in cassatie, zijne vordering en vetoordeelt hem in de .proceskosten zoo in eersten aanleg als in hooger beroep en in cassatie gevallen.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 19 December 1892.

Voorzitter, Mr. F. B- Coninck Liefsting.

Raadsheeren, Mrs.: Jhr. B. C. Jonqe, A. J. Clant Van der

Mijll, B. H. M. Hanlo, P- van Bemmelen, S. M, S. dk

Ranitz en E. W. Guljé.

Ook na de invoering der wet van 6 Juli 1850 (Stbl. no. 39), gelden ten aanzien van de tolheffing op de geconcessioneerde provinciale wegen, waarop de heffing niet als belasting, maar alleen als retributie kan plaats vinden, de Kon. besluiten van 5 Mei 1850 (Stbl. no. 23) en van 7 Febr. 1822 (Stbl.no. 4), waarbij, lot verzekering van die heffing, aan nadere regeling bij provinciale verordening niets is overgelaten.

Geen wet of wettige verordening geeft aan den provincialen wetgever '

5 de bevoegdheid om buiten het geval van art. 116 der genoemde

r> wet "a" 1850, voorschriften te geven omtrent tolheffing, hetzij

r" ten bate der provincie, hetzij ten bate van gemeenten of van

s- anderen.

Art. 30 van hei provinciaal reglement op de wegen en voetpaden in Overijssel van 7 Nov. 1859 mist verbindende kracht.

Het in de provincie Overijssel op den geconcessioneerden grindweg van Enschedé over Lonneker naar Haaksbergen den tol door omrijding ontduiken, is niet strafbaar.

2 G. J. R., oud 31 jaren, landbouwer, geboren en wonende te t. Rutbeek, gemeente Lonneker, is req, van cassatie tegen een vonnis e van den kantonrechter te Enschede' van 31 Aug. 1892, waarbij hij is schuldig verklaard aan „het in de provincie Overijssel op s een ten dienste van het algemeen bestemden geconcessioneerden n weg den tol door omrijding ontduiken", en te dier zake, met toee passing van de artt. 30 en 38 van het Prov. Regl. op de wegen r en voetpaden in Overijssel van 7 Nov. 1859, bij" latere besluiten

• gewijzigd en aangevuld, de artt. 11, 42 en 43 der Invoeringswet,

• art. 23 Strafrecht en de artt. 214, 215 en 253 Strafvord. is veroordeeld tot eene geldboete van f 4 met vervangende hechtenis

r van een dag en in de kosten, invorderbaar bij lijfsdwang van ten ] hoogste een dag.

k

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Clant van r der Mijll, heeft de adv.-gen. Patijn geconcludeerd tot verwerping r van het beroep.

De Hooge Raad enz.,

Gezien eene bij de stukken gevoegde memorie van cassatie;

Overwegenie dat niet blijkt, dat de memorie van cassatie binnen > den door de wet gestelden termijn is ingediend, en daarop alzoo 1 geen acht kan worden geslagen ;

t 0. ambtshalve, dat bij het beklaagde vonnis als bewezen is i aangenomen, dat de req. in den morgen van 19 April 1892 den - geconcessioneerden grindweg van Enschede' over Lonneker naar Haaksbergen heeft bereden, komende van Haaksbergen; dat hij alstoen den grindweg op een afstand van ongeveer 185 meter van den tol onder Lonneker beeft verlaten en langs een omweg aan f de andere zijde van den tol op een afstand van ongeveer 105 meter van den tol weder op den grindweg is gekomen en verder naar Enschedé is doorgereden ;

O. dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat hierdoor overtreden was art. 30 van het Prov. Regl. op de wegen en voetpaden in Overijssel, waarbij verboden wordt „den tol door omrijding, door omdrijving of omleiding te ontduiken", terwijl hetzelfde artikel bepaalt dat „door omrijding, omdrijving of omleiding wordt verstaan het verlaten van een weg aan de eene zijde van een tolboom, om dien weg aan de andere zijde van den tolboom weder te gebruiken, indien de afstand tusschen het punt waar de weg wordt verlaten en het punt waar deze weder wordt bereikt, minder bedraagt dan 1000 meters";

O. dat^ bij de vraag, of dit artikel en de daaraan verbonden strafbepaling van art. 38 terecht zijn toegepast, in de eerste plaats in aanmerking komt het Kon. besluit van 5 Mei 1850 (Stbl. no. 23), houdende bepalingen omtrent de tolheffing op de wegen, geene groote wegen zijnde;

0. dat bij dit besluit, waarbij de bedoelde wegen zijn omschreven als de zoodanige welke door of ten koste van provinciën, gemeenten of bijzondere personen zijn aangelegd en waarop bij Koninklijke besluiten tolheffing is toegelaten of daartoe is gemachtigd, op deze wegen van toepassing zijn verklaard de bepalingen van art. 4 K. B. van 29 Oct. 1833 (Stbl. no. 59), met dien verstande dat het doortrekken van den tolboom zonder betaling van den tol zal worden gestraft volgens de wet van 6 Maart 1818 (Stbl. no. 12);

O. dat, vermits bij het aangehaalde art. 4 K. B.. van 1833 is voorzien zoowel tegen weigering van betaling van den tol, als tegen het doortrekken van den tolboom zonder betaling op 's Rijks groote wegen, bij deze besluiten in verband met dat van 7 Pebr 1822 (Stbl. no. 4) dit onderwerp in zijn geheel is geregeld ;

0. dat nu wel, wat betreft de provinciale wegen, hierin verandering is gekomen doordat sedert de invoering der wet van 6 Juli 1850 (Stbl. no. 39) tolheffingen op die wegen, als provinciale belasting geregeld, overeenkomstig art. 116 dier wet door onderscheidene wetten, met aanhaling van de door den Koning goedgekeurde bepalingen omtrent de invordering zijn bekrachtigd, doch dat ten aanzien van de geconcessioneerde wegen, waarop de heffing niet als belasting, maar alleen als retributie kan plaats vinden, nog steeds gelden de bovenvermelde Koninklijke besluiten, waarbij tot verzekering van die heffing, aan nadere regeling bij provinciale verordening niets is overgelaten;

dat ook geen wet of wettige verordening aan den provincialen wetgever de bevoegdheid geeft om, buiten het geval van bovengenoemd art. 116, waarvan hier geen sprake is, voorschriften te geven, omtrent tolheffing, hetzij ten bate der provincie, hetzij ten bate van gemeenten of van anderen ;

0. dat derhalve het toegepast art. 30 van het Prov. Regl. op de wegen in Overijssel verbindende kracht mist en de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit hiervan afhangt, of het valt onder het bereik van de hiervoren vermelde besluiten ;

O. dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, omdat bij het besluit van 1850 op de daarin bedoelde wegen van toepassing is verklaard niet art. 3 van het besluit van 7 Febr. 1822, waarbij „alle bedrog door afspanning van paarden als anderzins begaan" strafbaar wordt gesteld, maar alleen art. 4 van het besluit van 1833, waarbij wordt voorzien tegen weigering van betaling en tegen het doortrekken van den tolboom zonder betaling, en aan den req. het een noch het ander is ten laste gelegd ;

dat mitsdien de art. 30 en 38 van het Prov. Regl. op de wegen en voetpaden in Overijssel verkeerd zijn toegepast, en art. 1 Strafrecht door de uitgesproken veroordeeling is geschonden ;

Vernietigt het beklaagde vonnis ;

Rechtdoende ingevolge art. 105 R. O. en gezien art. 370 Strafvord.;

Verklaart het bewezen verklaarde feit niet strafbaar;

Ontslaat den req. te dier zake van alle rechtsvervolging; de kosten zoo in eersten aanleg als in cassatie gevallen te dragen door den Staat.

Sluiten