Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GERECHTSHOVEN,

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 28 December 1892.

Voorzitter, Mr. J. Spoor.

Raadsheeren, Mrs. : J. J. van Geuns, J. B. J. N. Ridder de van der Schüeren, W. J. Karsten en H. van Manen.

Door bij dagvaarding te stellen : dat huur ontbinding van onroerend gond gevraagd wordt op grond van wanbetaling van pachtpenningen, van het niet voorzien van het gehuurde met de bedongen hoeveelheid vee, en van het bebouwen van de verhuurde landerijen in strijd met het daaromtrent bedongene, alsmede dat de niet'Voldoening aan de voorwaarden der overeenkomst grond oplevert tot schadevergoeding en in verband daarmee te eischen schadevergoeding reeds berokkend en nog te berokkenen — moet worden aangenomen dat eischer wel degelijk beweert en kennelijk en ondubbelzinnig heeft gesteld schade geleden te hebben en dus het feitelijk positum dat door de wanpraestatie nadeel is berokkend, in de dagvaarding niet ontbreekt — daargelaten of dit voor de ontvankelijkheid der ingestelde actie met het oog op art. 1625 B. W.y in casn wel eens noodzakelijk was.

De bij art. 1625 B. W. opgelegde verplichting om het gehuurde te voorzien van beesten en bouwgereedschappen heeft niet uitsluitend ten doel den huurder een onderpand te verzekeren.

Ook in appel is de eischer bevoegd tot den ajloop zijner zaak zijn eisch te wijzigen of te verminderen. Art. 134 B. R.

Door de bijvoeging „voor zooveel noodig" wordt enkel bedoeld dat de eischer zijne vordering vermindert voor het geval het Hof zich mocht vereenigen met de zienswijze der Rechtbank dat de zaak zonder het bevolen getuigenverhoor niet vatbaar was voor eene eindbeslissing.

(Zie het vonnis a quo in W. no. 6205).

van Iperen Czn., landbouwer, wonende te Rijnsater wou de, appellant, procureur Mr. C. J. Fran^ois,

tegen

C. Berckenkamp, grondeigenaar, wonende te Mijdrecht, geïntimeerde, procureur Mr. P. J. Snel.

Het Hof enz.,

Gehoord partijen ;

Gezien de stukken van het geding voor zooveel noodig geregistreerd ;

Ten aanzien der daadzaken en in eersten aanleg gevoerde procedure:

Overwegende dat het Hof zich gedraagt aan en overneemt de aartoe betrekkelijke overwegingen, voorkomende iu het vonnis oor de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage op den 25 Maart 892 tusschen partijen gewezen, waarvan het dictum luidt: „Rechtdoende, alvorens eindvonnis te wijzen :

Laat den eischer toe, en voor zooveel noodig beveelt hem om door getuigen te bewijzen, dat de gedaagde, in den loop van 1891 al het bouwland van het verhuurde onroerend goed heeft geploegd en met winterkoren heeft bezaaid ;

Bepaalt dat dit getuigenverhoor zal worden gehouden ter terechtzitting dezer Rechtbank van Vrijdag 24 Juni 1892, des voormiddags ten 10XA ure;

Reserveert de uitspraak omtrent de kosten" ;

O. dat de oorspronkelijke ged. van dit vonnis is gekomen in hooger beroep en dat partijen wederzijds haar sustenuen bij haar schrifturen in hooger beroep hebben uiteengezet en geconcludeerd gelijk aan het slot dier schrifturen vermeld staat, terwijl de oorspronkelijke eischer, nu geint., daarbij heeft verklaard, dat hij zijn vordering tot huurontbinding met vergoeding van kosten, schaden en interessen, voor zooveel noodig vermindert met de vergoeding van kosten, schaden en interessen, welke op de in zijn schriftuur van antwoord nader omschreven, wederrechtelijke wijze van bebouwing is gegrond;

In rechte:

O. dat de door den oorspronkelijken eischer, nu geint., tegen den oorspronkelijk ged., thans app., ingestelde vordering strekte t(>t ontbinding van een overeenkomst van huur en veriiuur van een hofstede met landerijen en schadevergoeding met hetgeen verder bij dagvaarding geëischt werd, en zulks op grond dat de ged. (huurder) nalatig zou zijn gebleven in de betaling van de verschenen termijn huur, en bovendien, in tweeërlei opzicht in strijd met de bepalingen van het huurcontract gehandeld zou hebben ;

dat de Rechtbank, na te hebben onderzocht en bevonden dat twee door den ged. opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkbeid moeten verworpen worden, en dat de tegen de gegrondheid der vordering bijgebrachte middelen onaannemelijk zijn, alvorens eindvonnis te wijzen, den eischer het bovenvermeld bewijs door getuigen heeft opgedragen, en dit uit overweging;

„dat wel de gevorderde ontbinding van het huurcontract den eischer reeds zou kunnen volgen op grond van de beide bij de dagvaarding eerstgemelde feiten van wanpraestatie, doch dat de door den eischer mede ingestelde schadeactie ook op de wederrechtelijke wijze van bebouwing is gegrond, zoodat de zaak voor geene eindbeslissing vatbaar is, alvorens ook die tusschen partijen n°g betwiste handelwijze van den ged. afdoende is gestaafd of weerlegd";

O. nu dat de ged. en app. tegen dat vonnis de navolgende grieven heeft aangevoerd:

1°« dat de Rechtbank ten onrechte zijn eerste middel van niet°ntvankelijkheid heeft verworpen en de vordering ontvankelijk geoordeeld;

2°. dat zij, ofschoon aannemende dat voor het instellen der Vordering vereischt wordt, dat door het niet nakomen der gemaakte bedingen schade is veroorzaakt, de vordering in allen gevalle had moeten ontzeggen daar niet beweerd veelmin bewezen is dat door het niet nakomen der gestelde bedingen, schade Was ontstaan ;

3°. dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist, dat de geint. door zijn op 14 Nov. 1891 aan app. beteekend exploit geen afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht voor de op 1 Mei 1891 verschenen huurtermijn van f 650 ;

4°. dat zij verkeerdelijk aannam dat de door den app. op zich genomen verplichting om het gehuurde te voorzien van een voldoende hoeveelheid vee, ook na den ten zijnent op 29 Oct. 1891 'en verzoeke van geint. gehouden gerechtelijken verkoop daarvan, bleef bestaan en de geint. op het niet nakomen daarvan zijn vor- i dering ook mocht doen steunen ; en

5°. dat de Rechtbank ten onrechte den geint. heeft toegelaten

tot het voormeld bewijs door getuigen, hetwelk als niet ter zake dienende en afdoende had behooren te worden gepasseerd ; O. ad Ium :

dat deze grief ongegrond voorkomt en het middel van nietontvankelijkheid, hierin bestaande dat de eischer zijn vordering ontleenende aan de bepaling van art. 1625 B. W., zou hebben verzuimd om in de dagvaarding te stellen dat er uit 's huurders wanpraestatie voor hem nadeel is ontstaan, zij het al niet met zooveel woorden dan toch metterdaad door het toelaten van den eischer tot het leveren van getuigenbewijs, terecht verworpen is;

dat het Hof, daargelaten nog de vraag of het met het oog op art. 1625 B. W. voor de ontvankelijkheid van de tegenwoordige actie wel eens noodzakelijk was, ten aanzien van elk der drie beweerde feiten van wanpraestatie te stellen dat er nadeel door berokkend werd, met den rechter a quo van oordeel is dat dit feitelijk positum in de dagvaarding niet ontbreekt-

dat du toch moet worden aangenomen, niet slechts om de redenen in t vonnis a quo reeds uiteengezet, maar ook omdat de eischer bij dagvaarding en conclusie van eisch uitdrukkelijk poseert dat de beweerde niet-voldoening aan de voorwaarden der overeenkomst grond oplevert tot vergoeding van kosten, schaden en interessen en in verband daarmede dan ook bepaaldelijk vordert vergoeding van alle kosten, schaden en interessen door gedaagdes wanpraestatie aan den eischer reeds bèfokkend en nog te berokkenen, uit welk een en ander immers ondubbelzinnig blijkt, dat de eischer wel degelijk beweert schade geleden te hebben ; 0. ad Hum :

dat de onjuistheid van appellants stelling, dat de eischer niet zou hebben beweerd benadeeld te zijn, sub I reeds is aangetoond, terwijl zijn verder beroep op gemis van bewijs van benadeeling thans ter zake niets kan afdoen;

dat hij toch in eersten aanleg alléén heeft betwist dat de eischer zou hebben gesteld benadeeld te zijn, maar niet heeft tegengesproken of ontkend dat de ingeroepen wanpraestatie nadeel aan den eischer heeft, veroorzaakt; weshalve er voor den rechter aquo geen termen bestonden tot dadelijke ontzegging der vordering omdat er geen nadeel bewezen was ;

dat voor zoover met deze grief beoogd mocht zijn om in hooger beroep het in eersten aanleg niet betwiste feit der benadeeling alsnog tegen te spreken, dit nieuw middel van verweer den app. niet meer baten kan, aangezien het dan door zijn houding in het geding ter eerster instantie is gedekt;

O. ad Illum :

dat de app. ter ondersteuning van deze grief, uitvoerig heeft trachten te betoogen, dat de geint. ter zake van onrechtmatige handelingen bij gelegenheid van een executorialen verkoop op 29 Oct. 1891, op diens last ten (zijnent gehouden, een veel grootere geldsom aan hem verschuldigd was dan de op 1 Mei 1891 verschenen huurtermijn bedroeg en dat hij ingevolge het hem op 14 Nov. 1891 van wege den geint. beteekend exploit, gerechtigd was zijn schadevordering te verrekenen met de verschuldigde huur doch dat hij naar 's Hofs oordeel in dit betoog niet is geslaagd;

dat immers door de Rechtbank op goede gronden waarbij het Hof zich aansluit en die door den app. in 't minst niet ontzenuwd zijn, is uitgemaakt dat de geint. in het gezegd exploit volstrekt geen afstand deed van zijn vorderingsrecht op de met 1 Mei bevorens verschenen pachtpenningen, terwijl uit de door den app. in hooger beroep overgelegde bescheiden en gevoerde beschouwingen in geenen deele resulteert dat de geint. zou hebben toegegeven en bewezen zou zijn, dat de voorwaarde waaronder laatstgenoemde zich bereid verklaard had een eventueeh-door hem verschuldigd schadecijfer in mindering on de hmir te billen laten melden was vervuld ;

dat mitsdien de Rechtbank dit middel van verdediging terecht niet aannam en de hiertegen gerichte grief dus almede niet opgaat;

O. ad IVum :

dat de app. ten eenenmale in gebreke bleef de redenen aan te geven waarom de beslissing van den eersten rechter op dit punt, door het Hof volkomen juist geacht, onjuist zou wezen en hij er zich dan ook enkel toe bepaald heeft de aandacht te vestigen op een tweetal omstandigheden waarin zijns inziens de Rechtbank aanleiding had moeten vinden om in casu het niet voldoen aan deze contractueele verplichting te verklaren tot een onvoldoenden grond ter rechtvaardiging van den daarop gebouwden eisch ;

dat hij daarbij evenwel voorbij zag, dat de eerstbedoelde omstandigheid, te weten, dat geint. bij de executie op 29 Oct. 1891 appellants vee enz. deed verkoopen tot een bedrag ver boven de f 1000 meer dan hij volgens recht mocht, geheel onbewezen is, en dat de andere, namelijk, dat de verhuurder geen waarborg noodig had omdat er toen nog geen huurpenningen vorderbaar waren, alleen dan van eenigen invloed zou kunnen zijn indien de in art. 1625 B. W. aan den huurder opgelegde verplichting om het gehuurde te voorzien van beesten en bouwgereedschappen uitsluitend ten doel had den verhuurder een onderpand te verzekeren, hetgeen echter het geval niet is;

dat bijgevolg ook deze grief is ongegrond ;

0. verder, dat, aangezien de geint. gelijk hierboven in factis overwogen werd, iu hooger beroep zijn vordering heeft gewijzigd en verminderd in voege als daar is gezegd een onderzoek en be- * slissing omtrent de gegrondheid van de sub no. 5 tegen het vonnis aangevoerde grief onnoodig is geworden en vervalt • i

0. dat van die vermindering van eisch immers dit het noodzakelijk gevolg is, dat de interlocutoire beslissing der Rechtbank reeds om die reden alléén, en daargelaten of de app. er zich al dan niet terecht mede bezwaard acht, niet kan worden in stand gehouden en in elk geval zal moeten worden te niet gedaan ;

O. dat volgens de in den aanhef aangehaalde juiste beschou- ï wing der Rechtbank, in den toenmaligen stand van het geding, 1 wijl de eischer zijn-vordering tot schadevergoeding mede geba- * seerd had op de bewuste wederrechtelijke wijze van bebouwing ( door den ged. ontkend, de zaak nog niet rijp was voor een eind- J beslissing maar dat in den tegenwoordigen stand van het proces, nu de eischer en geint. zijn eisch tot schadevergoeding uit dien hoofde heeft laten varen, het daarover gerezen geschilpunt dien- * tengevolge geheel vervallen en uit het debat verwijderd is, en ' derhalve het bevolen getuigenverhoor, waardoor dat punt tot klaarheid moest worden gebracht, nutteloos en doelloos is ge- ^ worden; 1

dat alzoo onder deze omstandigheden, vermits niet meer kan * gezegd worden dat de bedoelde daadzaken ter zake dienende en ^ afdoende en van invloed kunnen zijn op de beslissing der zaak, • het gegeven bevel tot het houden van het getuigenverhoor dan 1 ook niet zou strooken met de wet en dus in geen geval kan worden gehandhaafd ;

O. dat nu wel is waar de app. bij zyn nadere conclusie in hooger beroep zich verzet heeft tegen die vermindering van eisch s en beweerd, dat zij den geint. niet meer kan te stade komen, c doch dat de daarvoor door hem aangevoerde gronden moeten t wijken voor de duidelijke bepaling van art. 134 B. R., inhoudende i dat een eischer bevoegd is tot den afloop der zaak zijn eisch te ^ wijzigen of te verminderen, terwyl wat betreft de door app. ge- s wraakte bijvoeging „voor zooveel noodig" dient te worden opge- v

e merkt dat daarmede enkel te kennen gegeven wordt, dat de geint. zijn vordering vermindert voor 't geval het Hof zich mocht vereenigen met de zienswijze der Rechtbank dat de zaak zonder - meergemeld getuigenverhoor, niet vatbaar was voor een eindbe; slissing;

i O. eindelijk dat het Kof ruimschoots termen aanwezig acht om » gebruik te maken van de bij art. 356 al. 1 B. R. gegeven bet voegdheid om, met vernietiging van het interlocutoir vonnis, de i *aak tot zich te trekken en in het hoogste ressort ten principale ; te vonnissen •

1 ...ll'. immers al de door den ged. en app. tegen de ontvankelijkheid en gegrondheid van de ingestelde actie opgeworpen middelen van verweer behoorlijk zijn onderzocht, en vermits het Hof, zooals ook uit het vroeger overwogene blijkt de rechtsbesehouwin'gen van den eersten rechter dienaangaande deelt, en voor zooveel noodig, die overneemt en zich mede daaraan gedraagt, den eischer en geint. zijn verminderde vordering bij gemis aan afdoende tegenspraak, zal behooren te worden toegewezen;

Gezien art. 56 B. E. eu de overige ten deze toepasselijke wetsartikelen ;

Rechtdoende op het ingesteld hooger beroep:

Verklaart den oorspronkelijk eischer, nu geint., ontvankelijk in de door hem ingestelde vordering zooals die nu is verminderd;

Verleent hem akte waarvan akte is gevraagd-

Doet te niet het op 25 Maart 1892 door de Arrond.-Rechtbank te s Gravenhage tusschen partijen gewezen vonnis waarvan appel;

En voorts de zaak tot zich trekkende en in het hoogste ressort ten principale vonnissende:

Wijst den oorspronkelijk eischer, nu geint., zijne vordering toe gelijk hij die in hooger beroep heeft verminderd;

Vei klaart ontbonden de bij de introductieve dagvaarding omschreven overeenkomst van huur en verhuur wegens de wanpraestatie van zijde des gedaagden, nu app., zooals die bij die dagvaarding sub nos. 1 en 2 wordt vermeld •

Beveelt hem om het gehuurde met al de zijnen en het zijne — voor zoover dit door of namens den eischer en geint. alsdan niet beslagen mocht zijn te ontruimen en tot diens vrije beschikking te stellen;

Machtigt dezen om, bij gebreke van ontruiming binnen 5 dagen na de beteekening van dit arrest, die ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van den sterken arm;

Veroordeelt den ged. en app. om aan den eischer en geint. te vergoeden alle kosten, schaden en interessen — daaronder begrepen alle kosten zonder onderscheid bij art. 11 van het huurcontract omschreven — door des eerstgenoemden hiervoren vermelde daden van wanpraestatie aan den laatstgenoemde reeds berokkend en nog te berokkenen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

Verklaart dit arrest, behalve wat betreft de uitspraak omtrent de kosten, uitvoerbaar bij voorraad zonder borgstelling;

Veroordeelt den oorspronkelijk ged. en app. in de kosten van beide instantiën.

(Gepleit door Mr. H. J. Kranenburg, advocaat te Utrecht, voor app., en door Mr. P. J. Snel, advocaat en procureur te s Gravenhage, voor geint.)

NEDERLANDSCHE LITERATUUR

Mr. J. C. Naber. Beginselen van Grondboekwetgeving. Utrecht, J. L. Beijers, 1892. 160 blz.

Het is nu ongeveer anderhalf jaar geleden, dat ik in W. no. 6057 eene vrij breedvoerige aankondiging schreef van het werk van den heer Bouman : Beschouwingen over het recht betrekkelijk onroerende goederen in Nederland, benevens vertaling van de Pruisische grondboekwetten. Een jaar vroeger was door wijlen den heer J. B. Vroom, den nog steeds betreurden uitstekenden beoefenaar der Nederlandsche wetgeving op de registratie en het notariaat, in W. no. 5904 eene beknopte aankondiging gegeven van het werk van den heer J. Boes Hz. : Verkrijging van onroerende zaken. Beginselen van het Negatieve, het Torrens- en het Grondboekstelsel. Binnen een tijdvak van twee jaren verscheen nu een derde boek over het even belangrijke en ingewikkelde vraagstuk, in Nederland reeds ruim drie en dertig jaar (sedert de indiening van het ontwerp Boot—van Bosse bij de Tweede Kamer, 5 Januari 1860) aan de orde. De bespreking van dat boek, waarvan de titel hierboven is afgeschreven, had de redactie van het Weekblad, die het dadelijk na de uitgaaf „ter recensie'" ontving, gaarne toevertrouwd heizij aan een onzer juristen, die door de bijzondere richting zijner studiën, hetzij aan een man van het vak, die door dagelijksche praktijk vertrouwd is met ons kadaster en in verband daarmede met onze boekhouding op onroerende goederen, hunne eigendomsoverdracht en de op die goederen gevestigde zakelijke rechten. Nu de redactie niet slaagde in de daartoe aangewende pogingen en zij toch het stilzwijgen niet geheel mocht bewaren over het verdienstelijke werk van den Utrechtschen hoogleeraar, besloot ik ten slotte er — beter laat dan nooit — nog, voor zooveel noodig, met een woord de bijzondere aandacht der lezers van het Weekblad op te vestigen.

Voor zooveel noodig. Immers het boek van Prof. Naber is in andere rechtsgeleerde organen reeds uitvoerig besproken, eerst in het Weekblad voor Notarisambt en Registratie (nis. 1179, 1181 en 1189) door den redacteur Mr. M. W. F. Treub (1), daarna door den heer Boer in eene nieuwe bijdrage over het Grondboeken het Torrens-stelsel in de jongste aflevering van het Rechtg. Mag. (XI, bl. 536—567). Na deze uitvoerige besprekingen kan het Weekblad te eerder met eene beknopte aankondiging volstaan, omdat het vraagstuk, dat in twee jaren het onderwerp leverde voor drie boeken, daar het nog altijd eene bevredigende oplossing wacht, is geplaatst op de agenda der eerstvolgende algemeeae vergadering van de Nederlandsche Juristenvereeniging, en wij ter voorbereiding van de in die vereeniging daarover te voeren debatten binnenkort niet minder dan drie preadviezen te wachten hebben, waarin het boek van Prof. Naber vermoedelijk ook niet bloot voor memorie zal worden vermeld. Immers, het werd reeds gezegd in no. 1179 van het W. v. N. en R.: „Ieder die hier te lande

(1) Als een vervolg van het werk van Prof. Naber kan beschouwd worden zijne „Beginselen van mobilisatie", eene voordracht gehouden in eene vergadering der Notarieele Vereeniging te Amsterdam, opgenomen in het W. v. N. en R.t nis. 1197 en 1198. In no. 1202 van hetzelfde Weekblad schreef de heer N. J. Verkoren, onder het opschrift Eenvoudige openbaarheid en mobilisatie, eenige belangrijke beschouwingen naar aanleiding van deze voordracht.

Sluiten