Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over dit onderwerp vooriaan iets in het midden wil brengen, moet het werk van den heer Naber kennen".

Het boek is verdeeld in tien hoofdstakken. Eene inleiding over Grondboek, grondboekwetgeving, grondboekrecht (bl. 1—-6) gaat vooraf; een Besluit {Grondboekrecht en Rechtsvordering bl. 155—160) beantwoordt de vraag, die wegens haar verwijderd verband tot de overige vragen van grondboekwetgeving opzettelijk tot het slot bewaard is: „Welke invloed komt aan de openbare registers op het gebied van het actiënreeht, op de burgerlijke rechtsvordering toe" ?

Uit de inleiding blijkt, dat de schrijver het woord „Grondboek" in anderen of ruimeren zin opvat dan men onder onze juristen gewoon is te doen. Gewoonlijk spreekt men van Grondboek alleen in een positief stelsel, hetzij dan het Duitsche of het Australische. Volgens Prof. Naber hebben wij ook in ons relatief stelsel een „grondboek", waaronder hij verstaan wil hebben e 1 k „openbaar register, bestemd om, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere gegevens van de daarin opgenomen goederen den eigenaar benevens de zakelijke rechten daarop gevestigd, alsmede de ontheffing van de bezwaren te doen kennen". Tegen deze terminologie, volgens welke ook het Nederlandsche stelsel een grondboekstelsel is, heeft de heer Boer (2) bezwaar, ook omdat daarin niet duidelijk is, welk boek op het kantoor van den hypotheekbewaarder nn eigenlijk het grondboek is, zoodat een boekhouder op dat kantoor allicht in onzekerheid zoude verkeeren: „welke zijner registers den eernaam van grondboek verdient".

Hoofdst. I (bl. 7—16) draagt tot opschrift Materieel recht en Grondboekrecht en bevat de eerste uiteenzetting van deze tegenstelling, waarop de schrijver herhaaldelijk terugkomt. „Van het oogenblik af" — aldus onder meer op bl. 7 en 8 — „dat aan het Grondboek invloed op den rechtstoestand wordt toegekend, hetzij in positieven of in negatieven zin, wordt het conflict een rechtsconflict, ontstaat de mogelijkheid van tweeërlei recht, eenerzijds het recht, dat het Grondboek behoorde te constateeren, andererzijds het recht, dat door het Grondboek wordt gewaarborgd". Verder: „Dit laatste recht is door ons reeds benaamd als Grondboekrecht, het eerste recht heet passend Materieel recht". Van deze tegenstelling wil de heer Boer niets weten (3); volgens hem ontleent zij reden van bestaan alléén aan des schrijvers bewering of onderstelling, dat het grondboekrecht, bepaaldelijk volgens de Duitsche opvatting, niet is of kan zijn materieel recht. „Zijn materieel recht is niets anders dan het Komeinsch begripsrecht, het dogma nemo plus juris etc." —- wat wij voor roerend goed in ons wetboek niet aannemen, althans niet in alle zijne gevolgen erkenden — „komt door de reten gluren1*. Post alia: „Leeft het rechtsbeginsel ; de vervolgbaarheid (ook) van onroerend goed is beperkt tot de tweede hand (4) in het volksrechtbewustzijn, dan is er geen sprake van een conflict, want wat Mr. N. specifiek grondboekrecht noemt, is dan inderdaad niet anders dan een materieel recht". Ook de referent in het W. v. N. en R., de heer Tbedb, betwijfelt „of de schrijver ons met de importatie van dit op Duitschen bodem geteelde onderscheid een dienst heeft bewezen". Dezen kundigen referent wil het voorkomen ; „dat hij met zijne beschouwingen over de superioriteit van het materieel recht boven het Grootboekrecht niet geheel vrij is van natuurrechts-aanvechtingen". Of dit laatste juist is, mogen wij betwijfelen. Met het oog op de antecedenten van Prof. Naber is er reden om te onderstellen, dat hij evenzeer bestand is tegen „natuurrechts-aanvechtingen" als tegen aanbidding van „het Romeinsch begripsrecht". Veeleer ben ik dan ook geneigd met Mr. Treub aan te nemen, dat de tegenstelling tusschen „materieel recht" en „grondboekrecht", door den hoogleeraar in zijn boek uitgewerkt, minder algemeen is dan zij luidt, daar de schrijver het opneemt niet zoozeer voor het materieel recht, als eene abstractie of eene traditie uit het Romeinsche of eenig ander verstorven recht, als voor het economisch beginsel van vrij verkeer en vrije beschikking over den eigendom, waarop het grondboek grooter inbreuk maakt dan naar zijn oordeel het stellige recht in onzen tijd en in ons land behoort te doen.

De zaak nit dat standpunt beschouwende, oefent de schrijver (H. III, bl. 63—84) eene scherpe kritiek uit over het „het positieve grondboekrecht", niet denkbaar zonder verificatie van den ter in- of overschrijving aangeboden titel (bl. 48), waarin hij den dood ziet van „het vrije verkeer" (bl. 70). Dit kan hem niet bevredigen ook niet in het stelsel der voorloopige inschrijvingen (H. IV, bl. 84—91), tot het nemen waarvan de Pruisische wetgever hen bevoegd verklaart, die een beter recht meenen te hebben dan de ingeschreven titularis, indien zij summier bewijs van hun recht leveren, welk bewijs de Australische wet voor zoodanige voorloopige inschrijving zelfs niet vordert. Het positieve stelsel vindt bij ons vele verdedigers, maar ook vele bestrijders, die dan allen zijn voorstanders van het negatieve stelsel, al geven zij toe, dat dit in zijne toepassing volgens de bij ons geldende wetgeving voor vele verbeteringen vatbaar is. Dit standpunt werd ook ingenomen door de staatscommissie van 1867 in haar den Koning onder dagteekening van 21 April 1870 aangeboden rapport (5). Niet alzoo Prof. Naber. Bevredigt het positieve stelsel hem niet, ook met het negatieve kan hij zich niet vereenigen. Dit blijkt meer bepaaldelijk uit zijn zevende Hoofdstuk (bl. 106—118): Kritiek van het negatieve Grondboekrecht. Waarom ? Omdat ook het negatieve stelsel „in beginsel onvereenigbaar (is) met de vrijheid van het verkeer" (bl. 123), vermits „geen overdracht zonder de medewerking der administratie kan worden voltrokken" (bl. 120), en, wat men hierbij moet voegen, geen zakelijk recht op onroerende goederen zonder gelijke medewerking kan worden gevestigd; terwijl bij weigering van de over- of inschrijving tusschenkomst des rechters, die geld en tijd eischt, zelfs niet in alle gevallen een voldoend middel van redres geeft (bl. 121, 122).

Alzoo volgens Prof. Naber geen positief, maar ook geen negatief stelsel. Maar wat dan? Antwoord: „Het stelsel der eenvoudige openbaarheid" (bl. 123). Wat dat is, hoe het werkt, zeggen wij liefst met des schrijvers eigen woorden:

„Geene acte hebbe zakelijke werking, tenzij ter inschrijving aangeboden ; doch die werking knoope zich aan de inlevering, niet aan de boeking. Men legge partijen de verplichting op om aan de overheid het noodige materiaal voor de samenstelling van het Grondboek te verschaffen ; doch de bewerking van dat materiaal worde weder eene administratieve handeling, zonder positief of negatief rechtsvolg".

Ziedaar het resultaat van het boek. Of daarmede nu de steen

(.2) K. M., t. a. p., bl. 554

(3) R. M., t. a. p., bl. 547.

(4) „H and is houder te eigen behoeve. De kooper is b. v. tweede hand ten aanzien van den verkooper. De houder eener hypotheek, door den kooper gevestigd, is ten opzichte van den verkooper derde hand. De opvolgende erfgenamen vormen slechts ééne hand; eveneens gever en begiftigde volgens de meeste wetgevingen"-. Boer, t. a. p., bl, 540.

(5) Verslag en Bijlagen ('s Gravenhage, Gebr. BelinpantB, 1870), bl. 83.

der wijzen is gevonden in deze moeilijke zaak ? Ik geloof het niefj of liever, het zij met alle bescheidenheid gezegd, ik ben overtuigd van het tegendeel. Ik zal hier niet overschrijven wat reeds in W. v. h. N. en R., no. 1189 tegen het stelsel van „eenvoudige openbaarheid" is aangevoerd (6), maar ik wil niet verzwijgen, dat ik het geheel eens ben met de conclusie van Mr. Treub, uitgedrukt in deze woorden: „Het stelsel van eenvoudige (?) openbaarheid lacht ons van alle door Mr. Naber besproken stelsels nog het minste toe. Practisch wijkt het van het negatieve stelsel alleen af door mindere eenvoudigheid, eu de theoretische voordeelen, die het biedt, schijnen ons van weinig gewicht".

Practisch resultaat voor de herziening onzer wetgeving aangaande de eigendomsoverdracht van, en de vestiging van zakelijke rechten op onroerend goed, in den door Prof. Naber aanbevolen zin, wensch ik en, ronduit gesproken, verwacht ik dan ook niet. Toch heeft zijn boek voor mij groote waarde èn om de scherpzinnige kritiek, daarin uitgeoefend over de verschillende stelsels, die in H. I, III, IV en VI de revue passeeren, èn, vooral niet minder, om de duidelijkheid, waarmede in de overige hoofdstukken strekking en werking van die stelsels worden omschreven. Mij trok vooral aan de beschrijving van „de theorie van het positieve Grondboekrecht" in het uitvoerige, in zes paragrafen (7) onderverdeelde Tweede Hoofdstuk (bl. 17—55).

a. a. d. p.

hooge raad. — bulletin.

(Burgerlijke Kamer.)

Zitting van Donderdag, 2 Februari.

Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

I. Uitspraak gedaan in zake;

(cassatie) C. L. E. Kaufman, eischer, advocaat Mr. P. J. Snel, tegen P. Kok, weduwe W. F. G. L. van Erkelens, verweerderesse, advocaat Mr. A. J. E. A. Bik. Verworpvn.

II. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake: (cassatie) J. Hillen, eischer, advocaat Mr. B. M. Vlielander

Hein, tegen Mr. R. Baron de Bieberstein Rogalla Zawadsky qq., verweerder, advocaat Mr. H. de Ranitz. De proc.-gen. concludeert tot verwerping. Uitpraak 3 Maart.

Zitting van Vrijdag, 3 Februari.

Voorzitter, Mr. j. g. Kist.

I. Beëedigd als raadsheer in het Gerechtshof te 's Hertogenboscb, Mr. A. H. Sassen.

II. Uitspraak gedaan in zake:

(cassatie) Mr. J. H. Schober, eischer, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen C. J. van Eeghen qq., verweerder, advocaat Jhr. Mr. w. Th. C. van Doorn. Het vonnis der Rechtbank te Zwolle vernietigd, de vordering ontvankelijk verklaard en de zaak naar gemelde Rechtbank teruggewezen.

III. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake: (cassatie) T. Planteijdt c. s., eischers, advocaat Mr. B. M.

Vlielander Hein, tegen J. Asjes c. s., verweerders, advocaat Mr. A. M. van Stipriaan Luïscius, en tegen J. Hart c. s., mede-verweerders, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein. Adv.-gen. van Maanen concludeert tot verwerping. Uitspraak 10 Maart.

IV. Conclusie door partijen genomen in zake:

1°. (cassatie) J. Bieruma Oosting, eischer, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen den burgemeester van Weststellingwerf, verweerder, advocaat Mr. W. Thorbecke. Pleidooien bepaald op 10 Maart.

2°. (id.) J. F. S. Thieme, eischer, advocaat Mr. J. Limburg, tegen M. Daemen, verweerder, advocaat Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn. Pleidooien bepaald op 16 Februari. 3°. (id.) G. Ch. F. Scheffel, eischer, advocaat Mr. P. J. Snel, tegen M. E. Mortier, huisvrouw van G. Ch. F. Scheffel, verweerderesse, advocaat Mr. H. de Ranitz. Pleidooien bepaald op 17 Maart.

4°. (id.) de naamlooze vennootschap Maatschappij tot exploitatie van „de Brakke Grond", eischeresse, advocaat Mr. F. W. van der Plas, tegen H. Schwerdfeger, verweerder, advocaat Mr. G. A. P. Bax. Pleidooien bepaald op 2 Maart.

(Strafkamer.)

Maandag, 6 Februari.

Uitspraak. H. J. R., tegen een arrest van het Hof te Amsterdam.

Id. T. R., tegen een arrest van het Hof te s Gravenhage.

(Burgerl. kamer.)

Donderdag, 9 Februari.

Pleidooi. e. Warnders, eischer, advocaat Mr. p. j. Snel, tegen t. Venema Azn., als burgemeester tan Sappemeer, verweerder, advocaat Jhr. Mr. e. n. de Brauw.

Vrijdag, 10 Februari.

Uitspraak, (revisie) De naamlooze vennootschap „de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen", gevestigd en kantoor houdende te Utrecht, eischeresse, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw, tegen den Staat der Nederlanden, verweerder, advocaat Mr. W. Thorbecke.

Id. H. Belgraver, eischer, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw, tegen Mr. J. N. A. Bucaille, burgemeester van Groningen, verweerder, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein.

Id. f. Witteveen, tegen den officier van justitie te Leeuwarden, tegen een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Leeuwarden.

(6) Vgl. Boer, t. a. p., bl. 561—563.

(7) § 1 Omvang van den waarborg, § 2 Het object van den waarborg, § 3 Eerste inschrijving en wijzigingen, § 4 De datum van het zakelijk recht, § 5 Grondboekblad en certificaat, § 6 Mobilisatie.

Pleidooi. H. C. van Dijk, eischer, advocaat Mr. A. D. H. Quintus, tegen A. A. J. van Dooren, verweerder, advocaat Mr. J. G. S. Bevers.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. besluit van 1 Februari 1893, no. 22, is benoemd tot rechter-plaatsvervanger in de Arrond.-Rechtbank te Winschoten, Mr. H. I. Schönfeld, thans kantonrechter-plaatsvervanger, alsmede advocaat en procureur aldaar.

— Bij Kon. besluit van 1 Februari 1893, n'. 24, is, aan W. Voormolen, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als kantonrechter-plaatsvervanger te Doesburg.

— Bij Kon, besluit van 3 Februari 1893, no. 31, is benoemd tot rechter in de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage, Mr. C. Krabbe, thans kantonrechter in het eerste kanton te Amsterdam.

ADVERTENTIEN.

Te koop voor den meestbiedende:

eeri fraai exemplaar IVederlandgch Staatsblad, compleet van 1813—1888. De jaargangen 1813 tot 1880 keurig gebonden.

Adres: Lett. A B bureau van dit blad.

Uitgaven GEBR. BELINFANTE, DEN HAAG.

Paulus (Mr. ,T.) Het consulair recht en de consulaire

werkkring. ........ f 3, .

Polenaar (Mr. B. .T.) Het ontwerp faillissement behan-

deld . . . . . . . . . , 1.25

Pinto (Mr. A. A. de) Indisch Strafwetboek . . . 3,

Ontwerp Burgerlijke Rechtsvordering. . . g 25

Raad van State, 32e deel (1892), Geschillen van Bestuur,

vel 1—50 en 10 jarig register 15.

Register Staatsblad 1813—1884 ..... 10.25

Rochussen {Jhr.) Nijverheid en Overheid . . . 3.

— Mémoire sur le Bimétalisme international . . 2.—

Studies over Geld- en Muntwezen . . . 3,—

——— Theorie der Inkomstenbelasting .... 2.25 Rossem Bz. {Mr. W. van) Rechtspraak Burgerlijke

Rechtsvordering, 5 dln. en supplement . . . 24.25 Schermbeek (J. C. van) Synoptische Tabellen, behoorende

bij het Burgerlijk Wetboek . . . . , j

Schooneveld PJzn. {Mr. M.) Code Pénal, met suppl. . 12.50

Schreuder (L. H. G. P.) Wet Nationale Militie, 2 dln. 15. .

Sickenga (Mr. F. N.) Geschiedenis Ned. belastingen

1810—1883, 2 dn 7.80

Simons (Mr. D.) De Vrijheid van Drukpers . . . 2.25

— — {Mrs. Asscher en —j Wetboek van Strafrecht . 7.—

lex {Mr. C. A. den) Encyclopaedia Jurisprudentiae . 5.75 Themis, Regtskundig Tijdschrift 1892 .... 13.— Treub {Mr. M. W. F.) Over de Civielrechtelijke Verantwoordelijkheid van den Notaris .... 1.—

Vernée (L. G.) De Arbeidswet . . . . . 0.15

Vos {Is.) Wet Registratie 3 7 5

Vreede (Prof. P. W.) Gesch. Diplomatie Bataafsche

Republiek 20.30

— Inleiding Gesch. Nederlandsche Diplomatie . 18.90

Wattel (H. M. ,T.) Algemeen Register op Recht en Wet 0.75 Inleiding tot de beoefening van het Ned. Privaatrecht, afl. 1—9 5.40

Wetboek van Koophandel, volksuitgave, ing. f 0.65, geb. . 0.90 Winckel {Mr. C. P. K.) Formulierboek van Burgerlijke

Rechtsvordering, ing. f 16, geb 20.—

Wintgens (Mr. W.) Politieke Nabetrachting, (2e druk) . 1.

Zilcken (Mr. G. J. E. E.) Consulaire Rechtsmacht . 6.—

Zillesen (Mr. H.) Wetb. van Strafvordering, afl. 1 —10. 4.—

Bij GEBR. BELINFANTE, te 's-Gravenhage, is verschenen :

Het Ontwerp van Wet

OP HET

faillissement en ie na» van tetalii,

BEHANDELD DOOR

Mr. B. J. POLENAAK,

Advocaat en Procureur te Amsterdam.

PRIJS / 1.25.

Bij dezelfden zijn verkrijgbaar:

Ontwerp Staatscommissie Faillissement f 2.25

Handelspapier . . . 0.60

Yennootschappen . . . . .1.75

Wetboek van Koophandel . . . 4.60

Burg. Wetb. le boek, geb. . . . 7.—

Regeeriugs-Outwerp Faillissement, met

Memorie van Toelichting .... 1.50

Snelpersdruk en Uitgave van GEBR. BELINFANTE, te 's-Gravenhage.

Sluiten