Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 15 Februari 1893.

Na. 6293.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIJF-EN- VIJFTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt des Maandags. Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 10; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der

advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 134).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN..

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 19 Januari 1893.

Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

Raadsheeren, Mrs.: J. Kalff, J. J. van Meerbekb, I. Tf.lting, 1j- R. Feith, Ph. van Blom en A. P. Th. Eyssell.

Wanneer ter zake van drie onderscheidene contracten drie verschillende rechtsvorderingen zijn ingesteld, welke niet zijn gevoegd en waarvan twee zijn onbetwist en de derde is betwist, dan moet het aanbod gevolgd door consignatie door den schuldenaar van een bepaald bedrag in eens, ter voldoening van al hetgeen de schuldeischer van hem te vorderen heeft, ongeldig worden verklaard.

Jhr. p. j. van der j)oes (jc Willebois, burgemeester van 's Hertogenbosch, eischer, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw,

tegen

A' K1''""e. verweerder, advocaat Mr. D. S. van Emden, gepleit H. j. van Leeuwen, uit 's Hertogenbosch.

De proc.-gen. heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren! De gemeente 's Hertogenbosch is uit 3 afzonderlijke contracten jegens den verweerder Klönne verbonden. Die contracten staan geheel op zich zelf en op ieder daarvan heeft de gemeente betalingen op rekening gedaan (zie 7e overweging quoad jus). De vordering waarover dit proces loopt spruit voort uit het contract van 25 April 1889, waarbij aan Klönne is aanbesteed de levering van apparaten voor de gêiiieeiiielijke gasfabriek, ter zake van welke levering Klönne beweert, per resto f 10376 van de gemeente te vorderen te hebben. Tegen die vordering, die bewezen is (14e overweging quoad jus), beroept de gemeente zi< h op bevrijding door aanbod en consignatie want nog vóór d; dagvaarding heeft de gemeente de som van f27926.41 aan Kiönne laten aanbieden, en, toen hij weigerde ze aan te nemen, geconsigneerd. En nu is de beslissing van het Hof dat dit aanbod met consignatie ongeldig is, zulks op de gronden vervat in de 16e en 17e overweging, waarbij, volgens den eischer in cassatie, voor aanbod en consignatie eischen zouden zijn gesteld die de wet niet kent, en aangenomen zoude zijn, dat bijvoegingen, welke de wet niet verbiedt, het aanbod vitieeren.

In de 16e overweging beslist het Hof dat, vermits de stadjegens Klönne uit 3 afzonderlijke contracten is verbonden aanbod en consignatie 3 afzonderlijke bedragen voor elke der 3 verb»ndtenissen hadden behooren in te houden, en derhalve aanbod en consignatie eener som in eens voor al wat Klonne te vorderen heeft, volkomen ongeldig zijn, ook omdat Klonne in Mt moe zijn om in elke der twee zaken waaromtrent geen verschil bestaat het aangebodene aan te nemen, zonder te worden gedwongen om ter verkrijging van dadelijke betaling op 2 onbetwiste vorderingen zijne rechten uit de derde vordering voortvloeiende te laten varen. Maar stelt het Hof daardoor voor aanbod en consignatie eischen,

die de wet niet kent? Ik meen het te mogen ontkennen. uc

crediteur krachtens de wet kan vorderen dat hem het verschuldigde geheel worde betaald, en de wet voorschrijft, dat het aanbod zal loopen over de geheele opeischbare som, daar zal het aanbod toch wel zoo moeten zijn ingericht dat de crediteur kan nagaan of hem al wat hij te vorderen heeft, de geheele opeischbare som, wordt aangeboden; maar hij kan niet nagaan, of hem wel voor zijne onbetwiste vordering al wat hem uit dien hoofde toekomt wordt aangeboden en dus het aanbod voor die vordering voldoende is, wanneer' niet is aangewezen welk bedrag voor zijne andere mede niet betwiste, en hoeveel voor zijne derde wel betwiste vordering in de aangeboden som begrepen is. En vermits de crediteur betaling voor zijn onbetwiste vordering kan e.schen, al is eene andere vordering van hem tegen denzelfden debiteur betwist, en al weigert hij zich daarover met z.jn debiteur te verstaan, zoo kan hij ook niet gedwongen worden, voor z.jne niet betwiste vordering genoegen te nemen met een aanbod waarmede voor hem de verplichting verbonden is het ook voor zijne betwiste vordering aan te nemen, en dat hij zonder daarmede ook voor zijne betwiste vordering genoegen te nemen, niet aannemen kan.

Zoodanig aanbod is onvoldoende, want wat onvoorwaardelijk verschuldigd is moet onvoorwaardelijk worden beta .

Daarom is ook juist dat wat het Hof in den 17en considerans bovendien beslist, dat ook de vermelding in het aanbod, dat het gedaan wordt ter voldoening van al hetgeen Klonne tevor het aanbod vitieert omdat, zegt het Hof, Klonne ni g

gen worden alle ook de niet in het aanbod vermelde rechten tegen de stad prijs te geven. Want door het aanbod aldus te doen heeft de gemeente niet voldaan aan hare verplichting tot onvoorwaardelijke betaling. En men kan niet met den eischer van Klonne vorderen dat hij het bestaan van rechten, die hij, dit aanbod aannemende zou prijs geven, bewijze, maar de gemeente, ie oor aan bod beweert te zijn gelibereerd, moet aantoonen dat zij een vo doend aanbod gedaan heeft, dus een aanbod, waarvan e aanneming voor Klönne geene renunciatie aan andere rechten, aan waarop bij de bepaling der aangeboden som is gelet, zou medebrengen. Maar ik blijf hierbij niet langer stilstaan, want het dictum van het arrest is volkomen gerechtvaardigd door hetgeen

in den 16en considerans, ja, door hetgeen in de eerste plaats daarbij

is overwogen. Voorbijgegaan kan dus ook worden 's Hofs motief

dat ook de bijvoeging onverplicht het aanbod vitieert, omdat Könne zich niet behoeft bloot te stellen aan de gipolgenf welke uit die reserve later voor hem zouden kunnen voortvloeien. Doch ook dat is juist, want de crediteur die recht op betaling heeft, kan door zijnen debiteur niet gedwongen worden het verschuldigde als niet verschuldigd aan te nemen, niet alleen omdat ook hetgeen onverschuldigd gegeven wordt niet wordt betaald, maar ook omdat de crediteur door de erkenning der onverschuldigde betaling, die in de aanneming van het aanbod zou gelegen zijn, zich bloot zou stellen aan de condictio indebiti, waarvoor bij art. 1395 B. W. niet als vereischte is gesteld, dat de onverschuldigde betaling een gevolg zij van dwaling. In die controvers zal ik mij echter niet verdiepen, want, ik herhaal het, ook dit laatste motief van de 17e overweging is superabundant.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep met veroordeeling van den eischer in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Partijen gehoord ;

Gezien de stukken ;

Overwegende dat als eenig middel van cassatie is voorgesteld: Schending en verkeerde toepassing van de artt. 1440, 1441, 1442, 1395, 1432, 1433, 1434 en 1435 B. W., doordien bij het beklaagde arrest is aangenomen de ongeldigheid van het gedane aanbod en de daarop gevolgde inbewaargeving, omdat zij betroffen eene som in eens voor al wat verweerder te vorderen had, in plaats van 3 afzonderlijke bedragen voor elke der 3 verbintenissen voortspruitende uit 3 afzonderlijke contracten tusschen partijen, en omdat het aanbod is gedaan ter voldoening van al hetgeen verweerder te vorderen heeft, en onverplicht, en dus eischen voor de geldigheid van aanbod en consignatie zijn gesteld, welke de wet niet kent, en is aangenomen dat bijvoegingen welke de wet niet verbiedt, het aanbod vitieeren ;

O. dat feitelijk vaststaat dat door den verweerder, oorspronkelijken eischer, 3 verschillende rechtsvorderingen tegen den eischer zijn ingesteld, voortspruitende uit 3 onderscheiden contracten ; dat deze zaken niet zijn gevoegd, en dat 2 dier vorderingen zijn onbetwist en de derde wordt betwist;

alsmede dat door den eischer een bepaald bedrag in eens aan den verweerder is aangeboden, ter voldoening van al hetgeen de laatste van den eerste te vorderen heeft, en dat dit aanbod is gevolgd door consignatie;

O. dat dit aanbod met consignatie bij het bestreden arrest ongeldig is verklaard, omdat in deze het aanbod en de consignatie 3 afzonderlijke bedragen voor elke der 3 verbintenissen hadden

penooren in te houden, en de verweerder in staat moest zijn, om in elke der 2 zaken, waaromtrent geen verschil bestaat, het aangebodene aan te nemen, zonder te worden gedwongen om, ter verkrijging van dadelijke betaling op 2 onbetwiste vorderingen, zijne rechten uit de derde vordering voortvloeiende te laten varen ;

O. dat deze beslissing is juist en daarbij geene eischen voor de geldigheid van aanbod en consignatie zijn gesteld, die de wet niet kent, omdat bij de artt. 1440 en 1441 B. W. wordt gevorderd dat het aanbod strekke tot betaling van het verschuldigde en loope over de geheele opeischbare som, en omdat uit het gedaan aanbod niet kan blijken, welk bedrag daarin als verschuldigd voor de beide onbetwiste vorderingen was vervat, noch ook of daarbij voor de betwiste vordering het werkelijk verschuldigde zou zijn aangeboden, terwijl de verplichting om deswege rechten prijs te geven, rechtstreeks met genoemd voorschrift der wet in strijd zou zijn ;

0. dat, vermits reeds op deze gronden het aanbod en de consignatie terecht ongeldig zijn verklaard, de overige bij het arrest ten overvloede daarvoor aangevoerde gronden buiten beschouwing kunnen blijven ;

Verwerpt het beroep in cassatie;

Veroordeelt den eischer qq. in de kosten daarop gevallen.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE VHERTOGENBOSCH. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 27 December 1892.

Voorzitter, Jhr. Mr. P. M. F. van Meeuwen.

Raadsheeren, Mrs.: E. G. J. Tilman, C. F. G. de Menthon Bake, Jhr. F. X. J. M. Verheijen, en H. G. P. Kolfschoten.

Een der eigenaren pro indiviso van een watermolen en aanhoorig erf kan ten laste daarvan evenmin eene uit haar aard ondeelbare erfdienstbaarheid vestigen als deze erkennen.

De bedding van niet bevaarbare en niet vlotbare rivieren behoort door recht van natrekking aan de oever'eigenaars.

C. C. K., koopman, wonende te Sittard, appellant bij exploit van 2 Dec. 1891, procureur Mr. Rits,

tegen

J. N. P., molenaar, wonende te Sittard, geintimeerde bij voormeld exploit, procureur Mr. Hengst.

Het Hof enz.,

Ten aanzien der feiten van de zaak en der gedingvoering in len aanleg zich gedragende aan het vonnis der Arrond.-Rechtbank te Maastricht van 7 Nov. 1891 ;

Voorts ten aanzien der thans te beslissen punten:

Overwegende dat bij breeder in bovengemeld vonnis omschreven dagvaarding C. K. tegen N. P. eene vordering heeft ingesteld, strekkende tot amotie met schadevergoeding van een afdak over en een houten beschot ter zijde van eene brug over de Geleenbeek en van een muur, lang ongeveer 3 y2 meter, gebouwd in de Geleenbeek op een grooteren afstand dan de helft dier beek ;

O. dat de wegneming van het afdak en het beschot worden gevorderd, als zouden zij belemmeren een servituut door F. A. verleend over zijn erf en zijn brug ten behoeve van des eischers erf bij akte van dading van 7 Sept. 1889 en de wegneming van den muur, omdat deze gebouwd is op die helft van de bedding der Geleenbeek, welke aan den eischer, als oevereigenaar toebehoort;

O. dat de molen, het erf en de brug, welke als lijdend erf met voormelde servituut van uitgang met een kruiwagen waren bezwaard, voor een zesde gedeelte aan F. A. pro indiviso behoorden en deze goederen doer diens rechtverkrijgende en door de overige mede-eigenaren op den 31 Jan. 1890 bij notarieele akte zijn verkocht aan den ged. en het geding voor de Rechtbank hoofdzakelijk heeft geloopen over deze twee vragen, of het feit dat slechts een der eigenaren pro indiviso voorkomt in de akte van dading, wordt verbeterd door de latere akte van verkoop en of de helft der Geleenbeek, waarvan het vaststaat dat zij is eene niet bevaarbare en niet vlotbare rivier, in eigendom toebehoort aan de oevereigenaars, alzoo in dit geval, ter plaatse waar de muur is gebouwd en waarvan het buiten geschil is, dat de eene oever aan den eischer en de andere aan den ged. behoort, voor de eene helft aan den eersten en voor de andere aan den tweeden •

0. dat bij het hierboven genoemd vonnis de eerste vordering ongegrond is verklaard, omdat eene niet zichtbare en niet voortdurende erfdienstbaarheid, zooals de onderwerpelijke, slechts bij titel kan worden gevestigd en noch de notarieele akte van dading, noch de notarieele akte van verkoop als zoodanig kunnen gelden, terwijl de tweede vordering niet ontvankelijk is verklaard, op grond dat bij geene wetsbepaling de eigendom der bedding eener niet bevaarbare en niet vlotbare rivier aan de oevereigenaren is toegekend en de bedoeling van den wetgever tot dit einde door de geschiedenis van het Burgerlijk Wetboek geenszins wordt bewezen ;

O. dat, met conclusie tot vernietiging van dit vonnis en toewijzing zijner in len aanleg genomen conclusiën, C. K. zich bij dit Hof in hooger beroep heeft voorzien, met het betoog: dat bij de akte van 7 Sept. 1889 het vroeger recht van uitgang over de brug slechts is erkend, maar dat geen nieuw servituut van uitgang is gevestigd, terwijl die akte ook geen dading is maar een verkoop, en dat één der medeeigenaren pro indiviso tot het een

en het andere bevoegd is; dat voorts de geintimeerde van F. A. heeft verkregen en hij zich dus niet kan verzetten tegen hetgeen de rechtverkrijgende van F. A. heeft toegestaan; dat overigens de overige medeëigenaren, bij de akte van verkoop van den molen van 31 Jan. 1891, den bok hebben verkocht, welken de auteur van den geintimeerde, onrechtmatig op appellants grond had geplaatst, daarbij stilzwijgend ratificeerende de akte van 7 Sept. 1889, waarbij F. A. dien bok had verworven ; dat de geint. bij het bepleiten der zaak slechts bij dupliek heeft aangevoerd, dat onder de medegerechtigden van F. A. zich een minderjarige bevond, toen de akte van 7 Sept. 1889 werd aangegaan en dit een rechtsmiddel is, dat bij conclusie had moeten worden voorgedragen ; dat zeer zeker het administratief gezag rechten heeft op de Geleenbeek, welke de appellant heeft te eerbiedigen, maar dat dit niet verhindert appellants eigendom van 4ie helft der bedding van die beek; dat die bedding de eigendom van niemand anders kan zijn dan van de oevereigenaren en dat het wetsvoorschrift van art. 644 B. W. zulks duidelijk aantoont;

O. dat de geint. hierop heeft geantwoord: dat de familie A., als eigenares van den molen, het recht van uitgang over de brug had, op het terrein van den app. en daarom drie trappen heeft daargesteld ; dat F. A. bij de akte van 7 Sept. 1889 zich slechts persoonlijke opofferingen getroost heeft, om zijne familie tegen een procesiustigen bouwman te vrijwaren, maar geenszins heeft gekocht een bok, welke de eigendom was van de familie A. vermits zij dezen met eigen materialen in de Geleenbeek had gebouwd ; dat, zooals reeds onmiddellijk in len aanleg door geint. is aangetoond, de nieuw daargestelde werken de uitoefening der servituut, zoo haar bestaan wordt aangenomen, niet belemmeren en de muur, waarover het proces loopt, in de plaats is gekomen der balklaag; dat artt. 647 en 646 B. W. aantoonen, dat de bedding der Geleenbeek aan niemand toebehoort en gerustelijk mag worden aangenomen, dat de Gedeputeerde Staten, welke het werk waartegen de app. opkomt, hebben goedgekeurd, daartoe in den bestaanden toestand volledig bevoegd waren, nu app. zelf toegeeft, dat zijn genot van de halve bedding der beek, afhankelijk is van eene niet te voorziene gebeurtenis ; dat mitsdien de geint. tot bevestiging van het vonnis concludeert;

0. dat daarna de app. en de geint. nog van conclusiën hebben gewisseld, waarbij eerstgenoemde drie notarieele akten van eigendomsverkrijging in het geding heeft gebracht, ten betooge, dat zijn erf zich ter plaatse van de brug tot de beek uitstrekte en laatstgenoemde een kadastraal extract, ten bewijze, dat de meergenoemde bok geheel in de beek is gebouwd, waarna beide partijen hunne zaak hebben bepleit en die aan het Hof ter beslissing hebben overgegeven;

In rechte:

1. Omtrent de erfdienstbaarheid:

O. dat de meergenoemde akte van 7 Sept. 1889 tusschen C. C. K. en M. J. H. F. A. notarieel is aangegaan, teneinde een rechtsgeding te voorkomen omtrent den eigendom van den zoogenaamden bok of pilaster, zich langs de Geleenbeek bevindende en dat daarbij C. K. ten behoeve van F. A. afstand doet van alle rechten,

Sluiten