Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo is ook eene danspartij niet wel denkbaar zonder een dansmeester, maar verkeerd zou het zijn te beweren dat de dansmeester, die bij iemand wordt ontboden om de dansen te regelen, de danspartij houdt.

Ik heb de eer te concludeeren dat de Hooge Raad den heer req. zal verklaren niet ontvankelijk in zijn beroep ; de kosten in cassatie gevallen te dragen door den Staat.

De Hooge Raad enz.,

Gezien de memorie, waarbij als middel van cassatie is voorgesteld :

Verkeerde toepassing der wet door niet toe te passen art. 160 van het Reglement van politie voor de gemeente Groningen, afgekondigd 17 Nov. 1886 in verband met art. 47 Strafrecht;

Overwegende dat den gereq. bij dagvaarding was ten laste gelegd : „dat hij op 3 Oct. des avonds te ongeveer 9 uur, en op 4 Oct. 1892, des avonds te ongeveer 81/, uur, in een lokaal van het koffiehuis van J. B. aan den Heereweg te Groningen, eene muziekpartij heeft doen houden, waartoe het publiek met of zonder betaling werd toegelaten, zonder schriftelijke vergunning van den burgemeester";

dat dienaangaande bij het bestreden vonnis is overwogen : „dat door de bijgebrachte bewijsmiddelen bewezen is niet dat ged. de muziekpartijen heeft doen houden, maar dat hij die gehouden heeft;w alzoo dat onbewezen waren de feiten zooals deze ten laste van den bekl. waren omschreven in de dagvaarding;

dat nu wel de rechter na deze beslissing, die eene vrijspraak tengevolge moest hebben, treedt in eene rechtsbeschouwing ten betooge dat de ten laste gelegde feiten, ook al waren zij bewezen, noch bij art. 160 van het reglement van politie voor de gemeente Groningen, noch bij eenige andere bepaling strafbaar zijn gesteld, welke beschouwing leidt tot het uitgesproken ontslag van rechtsvervolging ;

dat echter het vonnis, waarin dit ontslag is uitgesproken, vermits daarbij vooraf is uitgemaakt dat de feiten zooals zij waren ten laste gelegd, niet waren bewezen, werkelijk inhoudt eene vrijspraak, waartegen een gewoon beroep in cassatie is uitgesloten ;

Gezien de artt. 347 en 370 Strafvord. ;

Verklaart het beroep in cassatie niet ontvankelijk; de kosten te dragen door den Staat.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 19 Januari 1893.

Voorzitter, Mr. W. C. J. J. Cremers.

Raden, Mrs.: D. G. Kortenbout van der Sluys, J. S. Hijmaks, D. J. Mom Visch, L. Hertzveld en L. U. de Sitter.

De schuldeischer in een faillissement, die in de eerste vergadering ter verificatie der schuldvorderingen zijne pretentie opzettelijk te hoog opgeeft, maar in de tweede vergadering daarop uit eigen beweging terugkomt en voor het juiste, hem verschuldigde bedrag wordt overgebracht op de lijst der erkende schuldeischers, valt niet onder het bereik van art. 344, 2°. Strafrecht of van eenige andere strafbepaling.

Het Hof nam van deze zaak kennis krachtens verwijzing van den Hoogen Raad bij arrest van 5 Dec. 1892, W. no. 6284. Na vernietiging van het nu aan het oordeel van het Hof in hooger beroep onderworpen vonnis der Arrond.-Rechtbank te Heerenveen van 16 Juni 1892, zulks op de gronden vervat in de twee laatste overwegingen van 's Hoogen Raads arrest, werd een ontslag van rechtsvervolging uitgesproken bij 's Hofs hieronder volgend arrest, waarvan wij alleen mededeelen de overwegingen betreffende de zaak ten principale.

Het Hof enz.,

Overwegende dat de bekl. zoowel in eersten aanleg, als ter 's Hofs terechtzitting heeft opgegeven, dat hij in de eerste op den 15 Maart 1892 in het gerechtsgebouw te Heerenveen gehouden vergadering ter verificatie van schuldvorderingen in het faillissement van T. A. de Wr., koopman en winkelier te Joure, eene vordering van f 800 ter verificatie heeft aangeboden, onder overlegging van een afschrift eener ten overstaan van den te Heerenveen resideerenden notaris G. B. op den 29 Jan. 1892 verleden akte, waarbij aan hem (bekl.) tot een bedrag van f 800 hypotheek is verleend op het huis en erf van genoemden de Wr., en deze erkende op dien datum dat bedrag van den bekl. ter leen te hebben ontvangen, zoomede van een borderel van inschrijving ; dat hij op die vergadering zich herhaaldelijk heeft bereid verklaard de deugdelijkheid dier vordering met eede te bevestigen ;

dat de verificatie dier vordering, toen zij door den Curator in genoemd faillissement werd bestreden, echter is aangehouden tot de op den 29 Maart d. a. v. te houden tweede verificatie-vergadering, dat hij, ter dezer vergadering door den failliet hoorende beweren, dat deze aan hem in het geheel f 800 schuldig zoude zijn, en wetende dat deze slechts f 600 aan hem schuldig was, waaronder f 500 oude schuld en f 100 die hij den failliet op den dag waarop de akte van hypotheek is gepasseerd, geleend heeft, zulks toen dadelijk aan den rechter-commissaris heeft te kennen gegeven;

dat hij daarop heeft verzocht, in stede van voor eene som van f800, te mogen worden geverifieerd voor: a. een bedrag van f 500 wegens op 28 Juli 1890 geleend geld; b. een bedrag van f 12.50 wegens een half jaar rente dier som naar 5 pet.; c. een bedrag van f 100 wegens op 29 Jan. 1892 geleend geld en d. een bedrag van f 16.92 wegens kosten van het passeeren der op laatstgenoemden dag ten overstaan van den notaris G. B. te Heerenveen verleden akte, en hij alstoen voor de hier voren gemelde bedragen is geverifieerd geworden ;

O. dat deze opgaven van bekl. in hoofdzaak worden bevestigd :

1°. door den in eersten aanleg onder eede gehoorden get. T. A. de Wr., die verklaard heeft: dat hij, destijds koopman en winkelier te Joure, op den 27 Febr. 1892 bij vonnis der Arrond.-Rechtbank te Heerenveen, op eigen verzoek, in staat van faillissement is gesteld; dat hij geruimen tijd vóór den aanvang van zijn faillissement, en wel in Juli 1890, van den bekl. eene som van f700 heeft ter leen ontvangen, en korten tijd later daarvan eene som van f 200 aan dezen heeft afbetaald, dat hij daarna op den 28 Jan. 1892 van bekl. eene som van f 300 heeft ter leen gevraagd en toen aan bekl. heeft toegezegd dezen tot een bedrag van f 800, zijnde bet bedrag dat hij alsdan aan bekl. zou verschuldigd zijn, hypotheek te verleenen op een hem (get.) toebehoorend huis en

erf te Joure; dat hij vervolgens in den avond van den 29 Jan. d. a. v. nadat op dien dag door den te Heerenveen resideerenden notaris G. B., ten overstaan van bekl. en hem (get.) eene akte was verleden, waarbij aan bekl. tot een bedrag van f 800 hypotheek is verleend op get.'s huis en erf te Joure, van den bekl. na het passeeren dier akte in stede van f 300 slechts eene som van f 100 heeft ter leen ontvangen, onder belofte de resteerende f200 te zullen geven, zoodra hij het afschrift van bedoelde notariëele akte had ontvangen; dat hij evenwel nimmer die f 200 heeft ontvangen ; dat hij voorts op de tweede verificatievergadering in zijn faillissement wel heeft opgegeven eene som van f 800 aan bekl. verschuldigd te zijn, doch dat hij bij later nadenken tot de slotsom gekomen is, dat er f 200 op was afbetaald, zoodat er inderdaad slechts f 600 overbleef;

2°. door den inhoud van het ter terechtzitting in eersten aanleg voorgelezen extract uit het proces-verbaal van het verhandelde in de eerste vergadering tot verificatie van schuldvorderingen in het faillissement van T. A. de Wr., koopman en winkelier, wonende te Joure, op den 15 Maart 1892 in het Paleis van Justitie te Heerenveen gehouden, waaruit onder andere blijkt: dat T. W. te Joure (de bekl. in deze), in persoon verschenen, ter verificatie had aangeboden eene hypothecaire schuldvordering groot f 800 ; doch dat die vordering tot de tweede verificatie-vergadering is aangehouden, omdat volgens de opgaven van den failliet aan den Curator die hypotheek strekte tot dekking van oude schuld en de akte binnen veertig dagen vóór de faillietverklaring is opgemaakt en de overschrijving daarvan heeft plaats gehad, terwijl de crediteur W. beweert, dat het geld is geleend op denzelfden dag waarop de akte is gepasseerd, en

3°. door den inhoud van het ter zelfder terechtzitting voorgelezen extract uit het proces-verbaal van het verhandelde in de tweede vergadering tot verificatie van schuldvorderingen in opgemeld faillissement, op den 29 Maart 1892 in gezegd Paleis van Justitie gehouden, waaruit onder meer resulteert, dat T. W. bovengenoemd, die in de eerste vergadering ter verificatie heeft aangeboden eene schuldvordering van f 800 wegens geleend geld met opgave van hypotheek, ten bewijze waarvan toen door hem werden overgelegd het afschrift eener op den 29 Jan. 1892 voor den notaris G. B. te Heerenveen verleden akte van schuldbekentenis en een borderel van inschrijving, doch welke vordering toen door den curator werd bestreden en waarvan de beëediging althans werd verlangd en die daarom tot deze tweede vergadering werd aangehouden, in persoon verschenen thans verklaart, in afwijking van zijne vroegere opgaven en in strijd met den inhoud van bedoelde akte, dat hij in het geheel heeft te vorderen en alzoo wenscht te worden geverifieerd voor: a. een bedrag van f 500 wegens op 28 Juli 1890 geleend geld; b. een bedrag van f 12.50 voor een halfjaar rente van die som naar 5 pet.; c. een bedrag van f 100 voor geleend geld op 29 Jan. 1892, en d. een bedrag van f 16.92 voor kosten van het passeeren der voormelde hypothecaire akte, voor alle welke hij preferentie verzoekt zonder daarvoor nadere grondeD op te geven ;

dat met goedvinden van den curator de hiervoren vermelde vier posten zijn aangenomen en diens volgens overgebracht op de lijst der erkende schuldeischers; en voorts aan den comparant W. akte is verleend van zijn gedaan verzoek om preferentie;

O. dat, blijkens bovengemeld extract-proces-verbaal van tweede verificatie, de failliet alstoen heeft beweerd, dat hij aan W. (den bekl.) schuldig is de bedoelde f 500 en f 100 maar bovendien nog f 200 en alzoo in het geheel f 800;

0. dat door de omstandige opgaven van bekl., bevestigd door de eedelijke verklaringen van voornoemde getuigen en door den inhoud van bovenaangehaalde extracten uit de processen-verbaal van de eerste en de tweede verificatie-vergadering van schuldvorderingen in meergemeld faillissement, een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, wel wettig en overtuigend zijn bewezen de daadzaken, zooals die in de akte van dagvaarding breeder omschreven daarbij aan den bekl. zijn ten laste gelegd, maar tevens eveneens het bewijs is geleverd, dat de bekl. op de tweede vergadering ter verificatie van schuldvorderingen, tot welke vergadering zijne in de eerste vergadering ter verificatie aangeboden vordering van f 800 was aangehouden, onder erkenning dat de failliet hem slechts f 600 schuldig is, in afwijking van zijne vroegere opgaven en in strijd met den inhoud van bovenbedoelde akte van hypotheek, heeft verzocht alsnu geverifieerd te worden voor a. een bedrag van f 500 wegens op 28 Juli 1890 geleend geld; b. een bedrag van f 12.50 wegens een half jaar rente van die som naar 5 pet.; c. een bedrag van f 100 wegens op den 29 Jan. 1892 geleend geld en d. een bedrag van f 16.92 wegens kosten voor het passeeren der op laatstgenoemden dag voor den notaris G. B. te Heerenveen verleden akte, voor welke bedragen de bekl. dan ook alstoen is geverifieerd geworden en op de lijst van de erkende schuldeischers overgebracht;

O. dat uit deze alzoo bewezen feiten volgt, dat de daaronder begrepen aan den bekl. ten laste gelegde, mede bewezen daadzaken niet opleveren het misdrijf in art. 344 sub 2° Strafrecht omschreven en evenmin bij eenige andere wettelijke bepaling zijn strafbaar gesteld ;

/f O. toch, dat de bekl. bij de verdere behandeling zijner schuldvordering op de tweede ter verificatie van schuldvorderingen belegde vergadering, die ten zijnen opzichte en wat de verificatie zijner schuldvordering betrof, slechts eene voortzetting der eerste verificatie-vergadering was, zijne vroegere onware opgave betrekkelijk het bedrag dier schuldvordering niet heeft volgehouden, maar die vordering uit eigen beweging tot haar juiste bedrag heeft teruggebracht en voor dit bedrag toen dan ook is geverifieerd geworden; dat hij derhalve meergemelde schuldvordering bij de verificatie daarvan niet tot een verhoogd bedrag in gezegd faillissement heeft doen gelden, maar integendeel haar nog tijdig, vóór dat het tot de tweede verificatie-vergadering verdaagde debat daarover gesloten werd, geheel vrijwillig heeft gerectificeerd en dat bijgevolg door die rectificatie het bedoelde misdrijf niet is voltooid geworden ;

0. dat dus de den bekl. ten laste gelegde daadzaken niet anders zouden kunnen worden gequalificeerd dan als het geven van een begin van uitvoering van een misdrijf, waarvan echter de uitvoering zelf blijkens het boven overwogene, uitsluitend ten gevolge van eene van bekl.'s wil afhankelijke omstandigheid, namelijk door gemelde vrijwillige, tijdige rectificatie der schuldvordering, niet is voltooid geworden, en alzoo als eene niet strafbare poging; ,

O. dat mitsdien de bekl. van alle rechtsvervolging te dier zake zal moeten worden ontslagen ;

Gezien de art. 216 2de al. en art. 219 1ste al. Strafvord.;

Verklaart wettig en overtuigend bewezen de daadzaken zooals ze hierboven zijn omschreven, waaronder begrepen die bij dagvaarding aan bekl. ten laste gelegd ;

Verklaart die daadzaken niet strafbaar;

Ontslaat den bekl. mitsdien van alle rechtsvervolging te dier zake ;

De kosten zoo in eersten aanleg als in hooger beroep en die in cassatie gevallen te dragen door den Staat;

Beveelt dat het afschrift der meergemelde notariëele akte en het borderel van inschrijving, die als stukken van overtuiging dooi¬

den bekl. in deze zijn afgestaan, na verloop van 8 dagen nadat dit arrest in kracht van gewijsde zal ziju gegaan, aan dezen zullen worden teruggegeven.

Naar wij vernemen heeft de proc.-gen. bij het Hof zich tegen dit arrest in cassatie voorzien.

ARROMmSSEMENTS-RECHTBANKEN.

A IiRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE 's-HERTOGENBOSCH. Eerste Kamer.

Zitting van den 2 December 1892.

Voorzitter, Jhr. Mr. P. M. F. van Meeuwen.

Rechters, Mrs.: A. A. J. Baron van Styrum en A. Bosch. Subst.-Officier van Justitie, Mr. Baron Speijart van Woerden.

Er bestaat geen reden om de wegens verknochtheid gevraaqde verwijzing eener zaak naar een anderen rechter te weigeren, op grond dat in de zaak bij dien rechter aanhangig een uitspraak heeft plaats gehad, wanneer niet blijkt dat die uitspraak eene eindbeslissing inhield.

Ook de eischer kan wegens connexiteit de verwijzing der zaak naar een anderen rechter vorderen.

De eischer in deze heeft zijn recht om die verwijzing ie vorderen verwerkt, daar hij zijn eisch door middel eener incidenteele vordering door den rechter bij wien de andere zaak aanhangig had kunnen doen beslissen.

De eischer moet, bij ontkentenis van den gedaagde, het bestaan der verknochtheid bewijzen.

C. L., brander en distillateur/ wonende te Maastricht, eischer, procureur Mr. Hengst,

tegen

F. J. H. E., wonende te 's Hertogenbosch, gratis procedeerende krachtens beschikking dezer Rechtbank dd. 27 Mei 1892, gedaagde, procureur Mr. van Leeuwen.

De Rechtbank enz.,

Gehoord partijen in hare middelen en conclusien;

Gezien de stukken, voor zooveel noodig geregistreerd ; Overwegende ten aanzien der feiten :

dat de eischer bij dagvaarding stelt, dat op 1 Dec. 1882 tusschen hem en ged. op de voorwaarden in het breede in de dagvaarding omschreven, is overeengekomen dat ged. bij eischer in dienst zou treden ten einde behulpzaam te zijn bij het drijven van eischers branderij ;

dat ged. in gebreke is gebleven de overeenkomst na te leven door in strijd met haar 1°. geheel willekeurig eischers dienst te verlaten, 2°. verschillende zaken, die hij van eischer had geleerd of vernomen aan derden mede te deelen, 3°. terwijl hij bij eischer in dienst was te 's Bosch. eene branderij geheel gelijk aan die van eischer te helpen oprichten en daarna als helper-deelgenoot en concurrent van eischer in die branderij op te treden ;

dat blijkens dat alles de ged. des eischers zaken niet op alle mogelijke eerlijke manieren heeft behartigd, terwijl de eischer door die handelingen en verzuimen van ged. groote schade lijdt en ten slotte dat het hier eene zaak van koophandel geldt;

dat de eischer op al deze gronden vordert ontbinding der vooromschreven overeenkomst althans voorzoover ze nog niet is uitgevoerd met veroordeeling des gedaagden tot vergoeding van kosten, schade en interessen door den eischer wegens niet nakoming van het contract, reeds gehad en gele.en of nog te hebben en te lijden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en ten slotte dat het te wijzen vonnis zal worden verklaard uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of hooger voorziening en zelfs bij lijfsdwang alles c. e.;

O. dat de eischer ten dienenden dage niet ten principale heeft geconcludeerd, doch bij incidenteele conclusie heeft gesteld dat, nadat eischer den ged. bij exploit van 27 Febr. 1892 voor de Rechtbank te Maastricht had doen dagvaarden tot betaling van lü. f 372.50 en 2°. f 450 en nadat te dier zake eene veroordeeling bij verstek was uitgesproken, de ged. bij exploit van 26 Maart 1892 welk exploit in het geding werd gebracht, tegen dat vonnis in verzet is gekomen, als middel stellende eene tegen vordering ontleend aan het contract waarvan thans de ontbinding wordt gevraagd, dat alzoo die tegenvordering afhankelijk is van het bestaan van het contract, waarvan thans de ontbinding gevraagd wordt en dan ook in de procedure te Maastricht een beroep is gedaan op het niet bestaan van dat contract wegens het vervuld zijn der ontbindende voorwaarde, waaronder het is aangegaan, concludeerende hij op al die gronden dat deze zaak wegens connexiteit met de bovenbedoelde bij de Rechtbank te Maastricht aanhangige zaak naar die Rechtbank zal worden verwezen, kosten als rechtens;

dat ged. in antwoord op die incidenteele conclusie heeft gesteld : dat de eischer niet bevoegd is om tegen de door hem zelf aanhangig gemaakte zaak eenige exceptie op te werpen en hij dus op dien grond alleen in zijne incidenteele vordering is niet-ontvankelijk;

dat daarenboven die vordering is ongegrond, wijl tusschen deze vordering en die te Maastricht aanhangig geene connexiteit bestaat ; dat toch des gedaagden verwering tegen de Maastrichtsche zaak niet zou worden gedeerd door de toewijzing dezer vordering; dat is onjuist de bewering dat het betrokken contract niet meer zou bestaan, terwijl eene ontbinding, naar aanleiding dezer vordering uitgesproken, toch nooit het gevolg zou kunnen hebben, dat het contract als nimmer te hebben bestaan zou moeten worden beschouwd ;

dat in elk geval ged. met recht kan blijven volhouden, dat de betrokken overeenkomst béstond op het oogenblik dat hij zijne 'verwering, tegen de Maastrichtsche vordering bij 't exploit van verzet van 26 Maart 1892 heeft te berde gebracht, concludeerende hij mitsdien tot niet-ontvankelijk-, althans ongegrond verklaring der exceptie, door den eischer tegen zijne eigene vordering opgeworpen c. e.;

dan ten slotte de ged. ten dage der pleidooien nog heeft gevraagd akte, dat in de te Maastricht hangende procedure, na pleidooi van zijde des eischers, door de Maastrichtsche Rechtbank de uitspraak is bepaald op 17 Nov. e. k. waarvan in geval van betwisting, voor zooveel noodig bewijs werd aangeboden, tegen welk verzoek de procureur van eischer, zonder het gestélde feit tegen te spreken, zich niet heeft verzet;

O. ten aanzien van het recht:

dat thans alleen te onderzoeken valt of des eischers incidenteele

Sluiten