Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

conclusie tot verwijzing der zaak naar de Maastrichtsche Recht bank voor toewijzing vatbaar is, wat door den ged. is betwist o' grond dat: 1

1°. in de Maastrichtsche zaak bereids op 17 Nov. 11. uitspraal zou zijn gedaan ;

2 . de eischer onbevoegd zou zijn om tegen zijne eigene vorde ring deze exceptie op te werpen ;

3°. de beweerde conexiteit niet bestaat;

O. ad Ium:

dat deze tegenwerping eerst dan waarde zou kunnen hebben wanneer was gebleken dat de uitspraak te Maastricht, gesteld a zij heeft inderdaad plaats gehad, eene eindbeslissing inhield;

dat echter nu hiervan niets is gebleken en dus ook niet ii aangetoond dat de instantie te Maastricht is afgeloopen, voor d( Rechtbank geen reden bestaat om althans op dezen grond d( gevraagde verwijzing te weigeren ;

O. ad Hum :

dat wel is waar de wet, waar zij eene verwijzing als de thans gevraagde toelaat, klaarblijkelijk is geredigeerd in de veronderstelling van het meest gewone geval, dat de ged. de verwijzing vraagt, maar dit de bevoegdheid des eischers om, wanneer zijn belang en eene goede procesorde zulks eischen, ook zijnerzijds de verwijzing te vorderen, niet uitsluit;

dat ondertusschen de eischer geacht zal moeten worden van die bevoegdheid afstand te hebben gedaan, wanneer hij door eenige processueele handeling heeft getoond zelf de verwijzing en de daarna te volgen voeging niet te willen;

dat dit laatste thans het geval is, wijl de eischer lang nadat het exploit van verzet in de Maastrichtsche zaak was uitgebracht, dat wil zeggen na 26 Maart 1892, ter zake van de thans gevorderde ontbinding op 20 April 1892, den ged. voor deze Rechtbank heeft gedagvaard en zulks terwijl hij even goed die ontbinding voorzoover zij verband houdt met de Maastrichtsche zaak door middel eener incidenteele vordering aldaar had kunnen doen beslissen ;

dat derhalve de eischer zijn recht om de verwijzing te vorderen heeft verwerkt en zijne betreffende conclusie hem mitsdien behoort te worden ontzegd ;

O. daarenboven ad Illum :

dat tegenover des gedaagden ontkentenis van het bestaan deibeweerde verknochtheid, deze door eischer moest worden bewezen, hoedanig bewijs door hem niet is bijgebracht;

dat toch uit het verhandelde in de dingtalen niet blijkt in hoeverre de thans gevraagde ontbinding verband houdt met de te Maastricht beweerde vordering van ged. op eischer, terwijl van het proces tusschen de Maastrichtsche zaak, waaruit zou kunnen blijken, niets aan de Rechtbank is overgelegd, in het bijzonder niet de akte van verzet, die bij des eischers incidenteele conclusie is in geding gebracht;

dat het vragen van aanvulling van den dossier aan de Rechtbank niet raadzaam voorkomt omdat eischer door zijn niet tegengesproken houding in de andere zaak te Maastricht getoond heeft, dat deze vordering hem voor dat proces onverschillig is geworden ;

dat dus in ieder geval op dezen grond aan den eischer zijne incidenteele conclusie moet worden ontzegd ;

Rechtdoende enz.:

Verleent akte waarvan akte is gevraagd;

Ontzegt den eischer zijne incidenteele vordering tot verwijzing der zaak naar de Maastrichtsche Rechtbank;

Veroordeelt hem in de kosten van het incident tot aan deze uitspraak verevend op f 50.

(Gepleit door de procureurs van partijen).

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM. Eerste Kamer.

Zitting van den 16 Januari 1893.

Voorzitter, Mr. J. A. Vaillant.

Rechters, Mrs.: E. Fkiih en Th. J. Hoppe.

Is een verzoeker tot interventie, die bij zijn oorspronkelijk verzoek tot interventie in een delimitaiieproces, een vergissing begaat bij de aanduiding van de omstandigheid waaruit zijn belang zou blijken, gerechtigd die vergissing bij nadere conclusie te herstellen, zonder dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek behoeft te leiden? — Ja.

Is onder „belang" in art. 285 B. R. siechts een processueet belang bedoeld, of moet zoodanig belang geacht worden dan aanwezig te zijn, wanneer tengevolge van de uitspraak des rechters in een tusschen twee partijen hangende procedure, nadeelige gevolgen en verwikkelingen voor een derde te vreezen zijn t — ln laatstgemelden zin beslist.

Is zoodanig belang in casu aanwezig ? — Ja

j. Criellaert, particuliere, wonende te Rotterdam, requirante tot interventie, advocaat en procureur Mr. j. Knottenbelt tegen

M. Poot, weduwe van A. van Herk, wonende te Hillegersberg eischeres, advocaat en procureur Mr. J. G. L. Nolst TremtI' en tegen

den polder Blommerdijk, ook bekend en genoemd wordende als Oost Blommerdijkschen Polder, gedaagde, advocaat en procureur Mr. E. E. van Raalte.

De Rechtbank enz.;

Gehoord der partijen conclusien en pleidooien :

Gehoord de conclusie van den heer officier van justitie daartoe strekkende dat de interveniente niet-ontvankeJijk worde verklaard in haar verzoek tot interventie ;

Gezien de ter terechtzitting overgelegde otukken en bescheiden, allen voor zooveel noodig behoorlijk geregistreerd;

Overwegende omtrent de feiten :

dat blijkens overgelegd extract uit het audientieblad bij de Eerste Kamer van de Arrond.-Rechtbank te Rotterdam bij vonnis ter terechtzitting dier Rechtbank gewezen op den 29 Febr. 1892 tot deskundigen zijn benoemd en den 4 April 1892 ter openbare terechtzitting dier Rechtbank zijn beëedigd : 1°. G. Scholten, fabriek landmeter van Schieland; 2°. R. A. M. Vermeulen, landmeter van het kadaster beiden te Rotterdam woonachtig en 3°. L. Exalto, hoofdopzichter van den Zuidplaspolder te Moordrecht woonachtig, ten einde de oostelijke kadastrale grenslijn van het vroeger kadastraal perceel gemeente Hillegersberg sectie A nomrner 2005 en de ,

zuidelijke kadastrale grenslijn van de strook ter oppervlakte van 5 centiaren vroeger deel uitgemaakt hebbende van het kadastraal perceel 3267 en later gevoegd bij het kadastraal perceel nommer 3270 op de plaats zelve met kennelijke teekenen aan te wijzen en daarvan eene kaart of teekening te maken en bij het aanwijzen, alsmede op kaart brengen van die grenslijnen, tevens daarbij aan te geven in hoeverre die afwijken van de door eischeres bij dagvaarding voorgestelde grenslijn •

dat blijkens overgelegde grosse van een arrest van het Gerechtshof te s Gravenhage dd. 5 Mei 1890, ter bevestiging van een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Rotterdam uitgesproken den 25 Maart 1889, de gedaagde polder Blommerdijk van het perceel sectie A, nommer 2005 en van de strook ter oppervlakte van 5 centiaren, een en ander hier voren reeds genoemd is verklaard te zijn eigenaar, terwijl blijkens een overgelegd afschrift van een ter griffie van de Arrond.-Rechtbank te Rotterdam gedeponeerd verslag van voorzegde deskundigen, geregistreerd te Rotterdam den 23 Mei 1892, deel 97 folio 79 recto, vak 6, 8 bladen geen renvooi. Ontvangen voor recht f 1.20 De fd. ontvanger g. a. (get.) de Jong ter bepaling van de zuidelijke grenslijn van voorzegde strook ter oppervlakte van 5 centiaren, de deskundigen als punt van uitgang hebben genomen het hart der sloot welke zich uitstrekt ten zuiden van het perceel van de oorspronkelijke eischeres, welk perceel ten noorden, althans gedeeltelijk wordt begrensd door voormelde strook ter oppervlakte van vijf centiaren;

dat laatstbedoelde sloot welke is gelegen ten zuiden van het perceel van eischeres, ten noorden grenst aan het perceel gemeente Rotteidam, kadastraal bekend sectie C, nommer 268, toebehoorende aan interveniente;

dat interveniente, na bij conclusie dd. 26 Sept. 1892 gesteld te hebben, dat de deskundigen als hun gevoelen hebben te kennen gegeven in voorzegd hun rapport, dat de gezochte zuidelijke grenslijn van meergenoemde strook ter oppervlakte van 5 centiaren woidt aangegeven door het hart van de sloot, welke ten zuiden langs den grond der eischeresse loopt, bij conclusie van repliek dd. 24 Oct. 1892 op die mededeeling met betrekking tot dat rap.1S teruggekomen en het gevoelen der deskundigen met betrekking tot de door hen aangegeven zuidelijke grenslijn van meergemelde strook gronds en het punt van uitgang om die grensyn als vermeld te bepalen, met juistheid heeft weergegeven ;

dat voorts interveniente bij conclusie nog heeft gesteld, dat de sloot in questie in 1887, zooals deze op de kadastrale kaart vooromt en waarvan het hart tot op dien tijd de grenslijn tusschen de eigendommen van interveniente en de noordelijk gelegen perceelen vormde, verlegd is, daar toch in 1887 de noordzijde van die sloot voor een groot gedeelte is aangedamd en daarentegen de zuidzijde, juist tegenover het erf van de oorspronkelijke eischeres, aanmerkelijk is afgegraven, waarvan mitsdien het gevolg is geweest, dat de sloot thans meer zuidelijk loopt dan op de kadastrale kaart is aangegeven, en dat de grenslijn tusschen het perceel der interveniente en de noordelijk gelegen perceelen niet meer door het hart dier sloot gevormd wordt;

dat alzoo wanneer het punt van uitgang door de deskundigen in hun rapport gesteld, foutief is en zuidelijker, dat is meer naaide zijde van den eigendom van interveniente, wordt aangenomen dan inderdaad behoort te geschieden, alsdan ook de gezochte zuidelijke grenslijn foutief en zuidelijker zal worden vastgesteld dan waar die grenslijn inderdaad loopt;

dat wanneer eenmaal bij rechterlijk vonnis die gezochte zuidelijke kadastrale grenslijn zal zijn vastgesteld, daarop niet meer valt terug te komen en het kadastrale perceel der eischeres dan van die lijn uitgaande, zich ten nadeele van den eigendom der interveniente zuidelijker zal uitstrekken dan inderdaad het geval behoort t.p. ziin •

dat alzoo interveniente onder aanbod om door getuigen te bewijzen, hetgeen zij omtrent de door haar beweerde afgravingen van de sloot in questie heeft medegedeeld verzoekt, dat het der Rechtbank beliage de interveniente toe te laten om tusschen te komen in het bovenvermelde tusschen M. Poot, weduwe van A. van Herk, wonende te Hillegersberg, als eischer en den polder Blommerdijk, ook bekend en genaamd Oost- Blommerdijkschen ■ Polder, als gedaagde, bij deze Rechtbank hangende geding, ten einde daarin voor hare belangen te waken en zoodanige conclusien te nemen als zij geraden zal oordeelen en partijen te gelasten j het geding gezamenlijk met interveniente voort te zetten, met eisch van kosten tegen diegene der partijen, welke deze vordering zullen i tegenspreken ;

dat ged. bij monde van zijn procureur in antwoord op het verzoek tot interventie heeft geconcludeerd :

dat het geding tusschen de oorspronkelijke eischeres en den ged. loopt over de vaststelling der grenzen tusschen een perceel van s ged. en een perceel van eischeres •

dut de ten processe bedoelde zuidelijke grenslijn van de meer- t genoemde strook van 5 centiaren dan ook niet vormt de grensscheiding tusschen het perceel, waarvan de requirante tot inter- c ventie eigenares beweert te zijn en de perceelen der beide proce- 1 deerende partijen, doch alleen de grensscheiding tusschen de laatstgenoemde perceelen;

dat die zuidelijke grenslijn (de eenige zuidelijke waarvan in het vonnis dd. 29 Febr. 1892 sprake is) op een ganschen afstand van ie door requirante tot interventie bedoelde sloot loopt en het eene ten eenenmale ODjuiste voorstelling is, dat de deskundigen die 'renslijn zouden hebben bepaald in het hart van gemelde sloot iat ged. alles wat door requirante tot interventie wordt beweerd, omtrent aandamming en afgraving der meerbedoelde sloot ten itelligste ontkent, doch ook op het standpunt dat die feiten even uist waren als zij inderdaad met de waarheid in strijd zijn, het »edane verzoek dat op eene misvatting steunt en dat in niet voledige bekendheid met het aanhangig proces zijn grond vindt, voor ;oewijzing niet vatbaar is ;

dat toch in elk geval de requirante tot interventie elk belang aij het tusschen eischeres en den gedaagde polder aanhangige •echtsgeding mist, concludeerende de ged. dan ook tot niet-ontrankelijkverklaring van requirante tot het gedaan verzoek tot nterventie;

dat de oorspronkelijke eischeres hoewel de juistheid van het verzoek tot interventie ondersteunende, zich daaromtrent echter •efereert aan het oordeel van den rechter van welke referte zij ikte vraagt;

O. in rechte :

dat in de eerste plaats moet worden onderzocht de viaag of de 'erzoekster in haar verzoek tot interventie al of niet ontvankelijk D°et_ worden verklaard op grond, dat zij aanvankelijk stellende, ti lat de zuidelijke grenslijn van voorschreven perceel groot 5 centi- k >ren door de deskundigen wordt aangegeven als het hart van de rc loot welke ten zuiden langs den grond der eischeres loopt, bij d onclusie van repliek op die feitelijke voorstelling terugkomt en d vereenkomstig het rapport der deskundigen stelt, dat deze als d< itgangspunt om tot de zuidelijke grensscheiding van meergezegde 3 trook grond te komen, hebben genomen het hart der sloot ten S uiden loopende langs het perceel van eischeres en ten noorden 1 an dat van de verzoekster tot interventie; J y(

n O. daaromtrent, dat interveniente door in hare repliek terug te il komen op eene dwaling en verkeerde voorstelling van plaatselijke toestanden, niet heeft gehandeld in strijd met, art. 134 B R daar toch daardoor geen verandering of vermeerdering van eisch is ontstaan, terwijl, met het oog op de omstandigheid dat een verzoek tot interventie met eene introductieve dagvaarding moet wor. en ffeIÜk gesteld, de door interveniente begane vergissing met betrekking tot plaatselijke toestanden niet tengevolge kan hebben de niet-ontvankelijkheid van het gedaan verzoek, daar de grondslag van de vordering, zijnde in casu het beweerde belang, door hel herstellen der vergissing geen verandering ondergaat, reden waarom de aanvankelijk onjuiste plaatselijke voorstelling aan zijde van interveniente en de daarop door haar gedane rectificatie niet Kan leiden tot niet-ontvankelijk-verklaring van het verzoek tot interventie ;

O. voorts dat, met uitzondering der beweerde afgraving en aandamming der sloot in questie, alle daadzaken door partijen gesteld, zijn buiten contest en alzoo slechts de vraag ter beantwoording rest of inderdaad termen bestaan aan het verzoek tot interventie gevolg te geven ;

O. daaromtrent, dat ingevolge art. 285 B. R. een ieder welke een belang heeft in een rechtsgeding hangende tusschen andere partijen, aan den rechter kan verzoeken zich te mogen voegen of te mogen tusschenkomen ;

dat nu, hoewel de wetgever het woord „belang" niet nader gedefinieerd heeft, blijkens de geyoerde beraadslagingen over dat artikel, hetzelve niet in zulk een enge beteekenis mag worden opgevat, dat daarmede slechts een processueel belang bedoeld wordt en dat belang eerst dan geacht kan worden aanwezig te zijn wanneer tengevolge van eene rechterlijke uitspraak ook het recht van een derde zou worden gedetermineerd, doch dat integendeel dat belang ook geacht moet worden dan aanwezig te zijn, wanneer tengevolge van de uitspraak van den rechter nadeelige gevolgen voor een derde kunnen ontstaan ;

O. dat alsnu behoort te worden onderzocht in hoeverre de incidenteele verzoekster in verband met het hiervoren overwogene belang heeft in het tusschen eischeres en ged. aanhangige geding zich te voegen ; ®

is. uaaromirent:

dat blijkens het rapport der deskundigen, deze, om te bepalen de zuidelijke grenslijn van het meergenoemde perceel groot 5 centiaren, als uitgangspunt hebben genomen het hart der sloot zooals deze thans begrensd wordt door het perceel van eischeres ten noorden en het perceel van interveniente ten zuiden en zij dit, met het oog op de tegenwoordige ligging der sloot zeer terecht hebben gedaan, daar, zoolang het tegendeel niet blijkt, eene sloot tusschen 2 erven moet geacht worden gemeen te zijn en bij verdeeling dier sloot het hart daarvan als grens moet worden genomen ; b

dat echter door interveniente is gesteld en door eischeres bii conc usie bevestigd, dat in 1887 de noordzijde van de questieuse 8 °.°} ..T00r. ®en Sro°t gedeelte is aangedamd en daarentegen de zuidzijde, juist tegenover het erf van de oorspronkelijk eischers aanmerkelijk is afgegraven ingevolge waarvan de sloot thans meer zuidelijk loopt dan op de kadastrale kaart is aangegeven ;

0. aat dit sustenu van de incidenteele eischeres bewezen zijnde er inderdaad met betrekking tot de grensscheiding der eigendommen van deze en de oorspronkelijke eischeres verwikkelingen zouden kunnen ontstaan voor het geval de Rechtbank, zich vereenigende met het rapport der deskundigen en bedoelde grenslijn vaststellende zooals door hen werd gedaan, als uitgangpunt aannam het hart der questieuse sloot in overeenstemming met haar tegenwoordige ligging en het derhalve in het belang van de incidenteele eischeres is, dat ook gedurende het onderwerpelijk geding worde uitgemaakt of het hart der sloot, zooals deze thans is gesitueerd, de grenslijn daarstelt tusschen de eigendommen van de incidenteele verzoekster en van de oorspronkelijke eischeres, of dat die grenslijn in verband met eene vroegere ligging der sloot op een ander punt moet worden vastgesteld, in welk laatste geval ook tot vaststelling der zuidelijke grenslijn van meergemeld perceel grond groot 5 centiaren, wellicht een ander uitgangspunt zal moeten worden aangenomen ;

. ?* dat, ait het hiervoren overwogene blijkt, dat inderdaad de incidenteele eischeres belang heeft in het tusschen de oorspronkelijke eischeres en ged. hangende rechtsgeding en zij diensvolgens op grond van art. 285 B. R. het recht heeft zich in dat gedin» te voegen; s 6

Gezien art. 285 B. R.;

Verleent akte aan partijen waarvan akte is gevraagd ;

Staat interveniente toe in het onderwerpelijk rechtsgeding tusschenbeide te komen;

Gelast partijen het geding gezamenlijk met interveniente voort te zetten;

Veroordeelt den oorspronkelijk ged. in de kosten op dit incident gevallen tot aan de uitspraak daarvan aan zijde van interveniente begroot op f 75. '

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE GRONINGEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 3 November 1892.

Voorzitter, Mr. H. D. Güyot.

Rechters, Mrs.: J. de Sitter en B. van Roijen.

Art. 89, 311 4° Strafrecht.

Levert het in een kelder afdalen door een venster, gelijkvloers met de straat, in den zin der wet inklimming op1 Neen.

De Officier van Justitie,

tegen

F. v. d. W., 19 jaar, arbeider, geboren te Kloosterburen, c. s.

De Rechtbank enz.,

Gelet op de vordering van het Openb. Min., na toelichtino ter tafel overgelegd, strekkende tot schuldigverklaring van de" beklaagden aan diefstal gepleegd door 3 vereenigde personen gedurende den voor de nachtrust bestemden tijd in eene woning waartoe de schuldigen zich den toegang hebben verschaft door inklimming door no. 2 en 3 beneden den leeftijd van 16 jaren met oordeel q?n °r, ielS-e -e en tot hunne veroordeeling op grond van art. d 10 311 ïnitio en sub 3, 4 en 5 Strafrecht, 189, 214, 215, 219 otratvord. tot gevangenisstraf voor den tijd van 1 jaar de eerste,

maand de tweede en derde en hoofdelijk in de kosten des gedings verhaalbaar by lijfsdwang met bepaling van den langsten duur

Sluiten