Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan, voorts met last tot teruggave van de overtuigingsstukken aan den rechthebbende;

Gehoord de beklaagden in hunne verdediging ;

Overwegende dat aan beklaagden bij dagvaarding is te laste gelegd, dat zij te Groningen in den nacht van 5 op 6 Sept. 1892 omstreeks 12% uur, mitsdien gedurende den in na te melden buurt voor de nachtrust bestemden tijd te zamen en met elkaar vereenigd na daartoe onderlinge gemaakte afspraak zijn gegaan naar den winkel en woning van C. J. H. D. aan de Hooge der A. aldaar en na zich alle of althans de beide laatste beklaagden toegang tot den kelder dier woning te hebben verschaft door inklimming door een luik, terwijl de eerste op den uitkijk bleef staan, daaruit of uit den winkel, van uit den kelder toegankelijk, op welke plaatsen zij zich buiten weten en tegen den wil van den rechthebbende bevonden, hebben weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening eene hoeveelheid sterken drank in flesschen, tabak en sigaren, toebehoorende aan D. voormeld, hebbende althans de beide laatste beklaagden die goederen weggenomen en aan den eersten overgereikt;

0. dat beklaagden ieder voor zich ter terechtzitting hebben bekend, dat toen een hunner in den avond van 5 Sept. jl. aan de anderen had te kennen gegeven dat hij wat bij D. te stelen wist, zij na een tijd lang wachtens, volgens de beide eerste beklaagden te ongeveer 121/* uur, volgens den derden te ongeveer 12 uur 's nachts n& onderling overleg te zamen met dat doel naar de woning van bedoelden D. aan de Hooge der A alhier zijn gegaan en verder:

de eerste, dat daarop, terwijl de beide laatsten in den kelder van die woning door een luik afdaalden, hij bij de woning op de uitkijk is blijven staan, dat de beide laatste beklaagden hem uit dien kelder 3 ^ flesch jenever of brandewijn, 4 pakjes tabak en een aantal sigaren hebben gebracht, dat zij allen 1 M flesch gezamenlijk hebben opgedronken, hij de beide andere flesschen op den wal en achter hout verstopt en daarmede den volgenden morgen den tweeden getuige en anderen heeft getracteerd; dat de 4 pakjss en de sigaren onder hen drieën zijn verdeeld en 2 van die pakjes soortgelijk als in judicio voorhanden zijn, door de politie op hem zijn in beslag genomen ;

de tweede, dat daarop, nadat alle 3 door een luik afgedaald waren, hij uit den van uit den kelder toegankelijken winkel een paar sigaren en de le bekl. uit den kelder en winkel na aftapping 3)4 flesch jenever of brandewijn, 4 pakjes tabak en eenige sigaren weggenomen en naar buiten heeft gebracht, dat hij daar van den drank gedronken, een pakje tabak soortgelijk aan het in judicio aanwezige en eenige sigaren voor zijn aandeel gekregen, het pakje weggegooid en de sigaren opgerookt heeft, terwijl de eerste beklaagde de beide andere flesschen op straat heeft verstopt, zooals door dezen is opgegeven;

de derde, dat daarop, nadat alle 3 door een luik in den kelder dier woning waren afgedaald, de eerste bekl. daar na aftapping 37a flesch jenever of brandewijn en eenige pakjes tabak, soortgelijk als de in judicio aanwezige, uit den winkel weggenomen en naar buiten heeft gebracht, dat hij bekl. daar van den drank gedronken, een pakje tabak en eenige sigaren voor zijn aandeel gekregen, het pakje weggeworpen en de sigaren opgerookt heeft, terwijl de eerste bekl. de beide andere flesschen met drank op straat heeft verstopt, zooals door dezen is opgegeven ;

0. dat de volgende getuigen achtereenvolgens ter terechtzitting hebben verklaard :

1°. C. J. H. D. : dat hij in den morgen van den 6 Sept.jl. tusschen half 6 en 6 uur ontdekt heeft, dat een luik of venster van den onder zijne woning gelegen en daarmede in verbinding staanden kelder openstond, evenals ook het luik dat uit den kelder toegang tot den winkel geeft en dat er iemand bij een in den kelder liggend vat brandewijn moest geweest zijn, vermits de kraan daarvan een verkeerden stand had ; dat hij destijds in zijn daarboven gelegen winkel ook sigaren en pakjes tabak geheel gelijk aan de in judicio aanwezige, gemerkt L. Saan, in voorraad had, dat het onderste deel van eerstgenoemd kelderluik gelijkvloers met de straat is, dat denzelfden morgen de 2e getuige hem een soortgelijke flesch, als de in judicio voorhanden verkocht heeft, waarin naar hij rook brandewijn was geweest, welke flesch de politie onder hem in beslag nam ;

2°. G. P.: dat de eerste bekl. in den vroegen morgen van 6 Sept. jl. te ongeveer half 7 hem en eenige andere arbeiders op een borrel jenever of brandewijn heeft getracteerd uit 2 fFesschen welke die bekl. van den wal en van achter hout weghaalde, dat hij een der flesschen, soortgelijk aan de in judicio aanwezige aan den eersten getuige heeft verkocht onder wiens woning een kelder ligt, waarin een luik of venster waarvan het onderste deel gelijkvloers met de straat is ;

0. dat derhalve door de bekentenis van ieder der beklaagden voor zich en uitsluitend voor zooveel hem zelf betreft, gesterkt door de aanwijzingen uit vorenstaande getuigenverklaringen in verband met het gemeld procesverbaal van inbeslagneming voortvloeiende, wettig en overtuigend is bewezen, dat beklaagden tusschen den 5 en 6 Sept. 1892 te zamen en met elkaar vereenigd, na daartoe onderling gemaakte afspraak, zijn gegaan naar den winkel en woning van C. J. H. D. aan de Hooge der A te Groningen en uit den kelder van deze en uit den van uit dien kelder toegankelijken winkel in welken kelder althans de beide laatsten door een kelderluik waren afgedaald, terwijl de eerste op den uitkijk bleef staan, in onderlinge vereeniging hebben weggenomen een hoeveelheid sterken drank in flesschen, tabak en sigaren aan voormelden D. toebehoorende, zoomede hunne schuld daaraan ;

0. dat vermits de bekentenis van beklaagden ten aanzien van het tijdstip waarop de diefstal plaats greep niet door een ander bewijsmiddel is bevestigd en evenmin is gebleken, dat hier inklimming in den zin der wet heeft plaats gegrepen, beklaagden van al het meerdere hun ten laste gelegde behooren te worden vrijgesproken.

0. dat hoewel de beide laatste beklaagden den 16jarigen leeftijd nog niet hebben bereikt, den rechter evenwel door hunne houding en antwoorden ter terechtzitting is gebleken dat zij in dezen met oordeel des onderscheids hebben gehandeld, terwijl hunne bewering dat zij door den eersten bekl. onder bedreiging van een pak slaag zouden zijn gedwongen geworden tot het ten hunnen aanzien bewezene, den rechter onaannemelijk is voorgekomen ;

0. dat de bewezen verklaarde feiten opleveren het misdrijf van diefstal gepleegd door 3 vereenigde personen door den tweeden en derden beneden den leeftijd van 16 jaren, doch met oordeel des onderscheids voorzien en met straf bedreigd bij art. 310, 311 in A, sub 4, 39 Strafrecht;

Rechtdoende enz. :

Verklaart de beklaagden schuldig aan het misdrijf boven omschreven ;

Verklaart niet bewezen het meerdere hun te last gelegde;

Gezien voornoemde wetsartikelen en artt. 10 Strafrecht, 189, 214, 216, 216, 219 Strafvord,;

Verklaart de schuldigverklaarden ter zake voorschreven tot gevan¬

genisstraf den eersten voor den tijd van 1 jaar, den tweeden en derden elk voor den tijd van 1 maand.

Verwijst enz. ;

Spreekt de beklaagden vrij van het meerdere te laste gelegde.

MENGELWERK.

HOE CITEEREN WIJ ONZE WETTEN?

In Engeland hebben de wetten dikwijls, voor het gemak van 't citeeren, een zoogenaamden: „short title'\

Zoo luidt bijv. reeds het eerste artikel van The act to amend the law relating to Life Assurance Companies van 9 Augustus 1870 (33 en 34 Victoria ch. 61): „This act may be cited as": „The Life Assurance Companies act 1870" en het komt mij voor dat Engelands voorbeeld bij ons navolging verdient.

Reeds nu geeft onze Grondwet zich zelf dien naam maar in de andere wetten vinden wij niets dergelijks en de titels die zij als opschrift voeren, zijn voor het dagelijksch gebruik veel te lang.

Waar wij bijv. lezen van de Wet van 17 Augustus 1878 (S. no. 127) houdende herziening der Wet van 13 Augustus 1857 (-S. no. 103) tot regeling van het lager onderwijs, zooals die is gewijzigd bij de wetten van 27 Juli 1882 (S. no. 117), 3 Januari 1884 (S. no. 2), 11 Juli 1884 (5. no. 123), 15 April 1886 (£. no. 64) en 8 December 1889 (S, no. 175) zou het enkele woord : „LagerOnderwijs-Wet", veel eenvoudiger zijn geweest.

De practijk heeft zich dan ook reeds lang beholpen.

Wij spreken van Leger- of Militiewet, Schutterij wet, Kieswet, j Strafwet, Jachtwet enz., maar al die namen zijn niet officiëel en dus op examina of in vonnissen en andere officiëele stukken niet te gebruiken.

Onze wetgever schenke derhalve zelf aan zijne wetten korte namen, die licht uit te spreken en te onthouden, ook voor nietrechtsgeleerden te begrijpen zijn en zooveel mogelijk reeds dadelijk doen vermoeden wat de wet inhoudt. »

Maar hij kieze die met meer zorg dan thans soms aan de taalt onzer wetten wordt besteed.

In navolging der Grondwet van 1848 spreken wij bijv. steeds i van de Provinciale Wet, wat toch, zoo ik mij niet vergis : nPro• vincie-Wet", zijn moet (1).

Wij kennen provinciale staten, provinciale belastingen en provinciale verordeningen, maar provinciale wetten zijn er niet en de Wet van 6 Juli 1850 (S. no. 39) is evengoei eene Rijkswet als elke andere.

Niemand denkt er ook aan de Wetten op het Personeel en het Patent, Personeele of Patente Wetten te noemen.

Bijnamen als: Geeselbesluit, Ranselwet, Bloedwet enz. zullen door officiëele namen nooit geheel worden geweerd, maar voor zooverre zij verdiend zijn mogen zij nuttig en anders vrij onschadelijk worden geacht. ■«.

Zij beteekenen bovendien ook niet altijd kritiek en afkeuring zooals: „Zeven-kinderen-wet" enz., terwijl het vroeger zoo vaak voorkomende: „Blijde Incomste", juist van vreugde en tevredenheid getuigt.

Goed gekozen en daardoor populaire officiëele titels zullen ten slotte altijd wel het krachtigste middel blijken te zijn om minder gewenschte bijnamen te voorkomen of te verdringen.

Nu zal het ongetwijfeld niet altijd mogelijk zijn zulke titels te vinden, maar voor die gevallen verdient het voorbeeld der oude Romeinen ook nu nog aanbeveling.

Zij noemden de wetten naar de Magistraten, die ze voorstelden en dikwijls waren dat tevens de vaders dier wetten, die juist om hen tot verwezentlijking hunner denkbeelden in staat te stellen tot consul of volkstribuun werden gekozen.

Zooals wij spreken van de wet: „van Houten", al of niet met bijvoeging: „o/> den kinderarbeidspraken zij van de Leges Liciniae Sestiae, Corneliae, Juliae (Caesaris of Augusti) al of niet met bijvoeging: „de Comitiis Centuriatis, de magistratibus, agrariae" etc.

Ter erkenning dus van uitstekende verdiensten zouden ook onze wetten soms de namen harer auteurs kunnen voeren.

Herzij de Minister die de wet er door wist te krijgen, als zoodanig worde aangemerkt, dan wel het kamerlid dat het initiatief nam of de gewone burger die als bijzonder deskundige met het ontwerpen en desnoods ook verdedigen van het wetsontwerp is belast geweest.

Zulk eene onderscheiding zal door menigeen hoog worden gewaardeerd en waar andere eerbewijzen reeds lang vergeten zijn nog met de wet in de herinnering voortleven.

Niet voor alle wetten bovendien zal zulk een verkorte titel noodig zijn, maar slechts voor de meest voorkomende, die 't meest worden geciteerd.

Als geschiedkundige bijzonderheid zij hier ten slotte nog vermeld de gewoonte van het Kanonieke recht om de Pauselijke Bullen enz. naar de Aanvangswoorden te citeeren.

„Talis est mos constans et antiquus citandi in Ecclesia. Nam „et in corpore Juris citantur Decreta per priora verba et in De„cretalibus. Sic etiam Encyclicae" (2).

In het Engelsche Habeas Corpus vinden wij iets dergelijks maar zulk eene methode is voor een kleinen kring van vakmannen beter bruikbaar dan voor de groote menigte.

Onze meeste wetten beginnen ook met een considerans en dien- j tengevolge met het zelfde woordje: „Alzoo",

H. Verkouteren.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. besluit van 20 Februari 1893, no. 36, is aan Mr. J. J. de Reus, op het daartoe door hem gedaan verzoek, met ingang van 1 Maart 1893, eervol ontslag verleend als president der Arrond.-Rechtbank te Dordrecht, met dankbetuiging voor de door hem in rechterlijke betrekkingen bewezen diensten.

(1) Wij spreken immers ook niet van de Gemeentelijke- maar van de Gemeentewet. De Belgen zijn in dit opzicht ten minste consequent. Zij hebben eene Loi Provinciale (van 30 April 1838), maar daarnevens eene Loi Communale (van 30 Maart van hetzelfde jaar). Redactie.

(2) Zie : Extravagantes Johannis, Decretum Gratianum Caput Jejunium, dist. 76; In Decretalibus Caput: „Pervenit" de appellationibus ; In Extravag. Communibus : Caput Vas Electionis.

Ik dank deze bijzonderheden aan mijn geachten confrère: Mr. Hellegers.

— Bij Kon. besluit van 21 Februari 1893, no. 34, is, met ingang van 15 Maart 1893, benoemd tot officier van justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam, Mr. B. Ort, thans officier van justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Winschoten.

BERICHTEN.

's-Gravenhage, 21 Februari.

Wij hebben met veel genoegen kennis genomen van de Nederlandsch-Belgische overeenkomst dd. 31 Oct. 1892, met het ontwerp van wet ter goedkeuring daarvan en de memorie van toelichting, opgenomen in dit nommer. Het beneficium pauperum wordt wederzijds alléén verleend aan in Belgie gedurende anderhalf jaar gevestigde Nederlanders en aan in Nederland gedurende gelijken tijd gevestigde Belgen met de daaraan door art. III der conventie van rechtswege verbonden vrijstelling van alle anders op vreemdelingen als zoodanig rustende verplichtingen tot het stellen van zekerheid, onder welke benaming ook. Wij zijn dankbaar voor deze overeenkomst, maar voldaan zullen wij eerst zijn door eene wijziging van art. 855, 2e lid, Burg. Rv. in dien zin, dat, zonder te letten op reciprociteit, van het voorrecht om kosteloos te procedeeren hier te lande door de wet en buiten overeenkomst alleen worden uitgesloten onvermogende vreemdelingen, die hier te lande geene woonplaats hebben, zooals bepaald was bij art. 7, T. XII Boek I Ontw. B. R. 1865. Onze meening dienaangaande hebben wij naar aanleiding van het in de vergaderingen der Tweede Kamer van 2 en 3 Dec. 1891 gevoerd debat reeds uiteengezet in W. no. 6112. Onnoodig daarop thans terug te komen.

ADVERTENTIES.

Te koop voor den meestbiedende:

Het Weekblad van het Recht van 1840 tot en met 1892 elke jaargang gebonden inet titel op den rug.

Br. m. opg. van prijs bij den boekh. J. WEDDING Harderwijk.

Prij s ver m inder ing.

Mr. D. S. van Emden, Wetboek van Strafrecht,

opgehelderd uit de gewisselde stukken en de gevoerde beraadslagingen. Vermeerderde uitgave in 32° (vroeger f4,75 ing., f 5.15 geb,) is voortaan verkrijgbaar & f 2 10 ing., f 2,50 geb.

Van denzelfden schrijver zijn in hetzelfde formaat verschenen:

Burgerlijk Wetboek . . ing. f 2.10, geb. f 2.50 Koophandel ...» 1.50, » 1.90 Burgerlijke Rechtsvordering -< 2.10, » 2.50

De Wetboeken (tekstuitgave) blijven afzonderlijk verkrijgbaar :

Burgerlijk Wetboek . . ing. f 0.90, geb. f 1.25 Koophandel ..." 0.65, » 0.90 Strafrecht . . . " 0.80, » 1.10

Strafvordering . • » 0.65, » 0 90

GEBR. BEL1NFANTE.

Bij GEBR. BEI.INFANTE, te 's Gravenhage,

ziet het licht:

Mr. H Zillesen

Het Wetboek van Strafvordering,

zooals het gewijzigd is door de Wet van den 15en Jan.

1886 (Stbl. ii°. 5) en die van den 15en April 1886 (Stbl. n°. 64) met toelichting dier wijzigingen uit de gewisselde stukken en gevoerde beraadslagingen en eenige aanteekeningen.

Afl. 10.

PRIJS f 0.40.

In deze art. worden artt. 296—357 behandeld.

Snelpersdruk en Uitgave van GEBR. BELINEANTE, te 's-Gravenhage.

Sluiten