Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 29 Maart 1893. jy 0311

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

y/JF-EN- VIJFTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dlt^lad verschijnt des Maandags. Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der vertenhën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven. enz., franco aan de Uitgevers.

^et auieursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124)

Leemten in het Wetboek van Strafrecht?

ii.

Waar het Verslag der Eerste Kamer het feit constateert, dat men «op verschillende plaatsen van het land voortdurend opruit», volgt, na eene korte omschrijving van de wijze, waarop dit veelal in zijn werk gaat de klacht: «dit alles geschiedt tot veler bezorgheid veelal straffeloos».

De regeering antwoordde: swaar strafbare feiten (1) worden gepleegd, blijven ze niet alleen niet onvervolgd, maar wordt met zorg en kracht gehandeld».

De Minister van Justitie was volkomen gerechtigd tot dit antwoord, dat wel van hem afkomstig zal zijn, al draagt het de onderteekening van zijn ambtgenoot van Financiën.

De feiten spreken.

Men kan in de laatste maanden bijna geen courant

in de hand nemen, waarin men niet leest van eene ver-

vo ging, hier of daar ingesteld wegens overtreding van art. 131 W. v. Sr.

wij hebben den indruk wel eens gehad, dat sommige van die vervolgingen, met eene vrijspraak of een ontslag van rechtsvolging, enkele zelfs met eene veroordeeling geëindigd, beter achterwege waren gelaten; maar dit was dan ook niets meer dan een indruk, want om over den rechtskundigen grondslag en de opportuniteit van dergelijke vervolgingen een juist oordeel te vellen, moet men de zaken goed kennen en er dus meer van weten dan men uit courantenberichten te weten krijgt. Wat daarvan zij, bij mogelijken en geoorloofden twijfel aan de gegrondheid of opportuniteit van enkele der vele vervolgingen, verheugen wij ons, dat in het algemeen streng de hand wordt gehouden aan art. 131 W. v. Sr., en zien wij daarin allerminst grond om met het Sociaal Weekblad klaagliederen aan te heffen ovei «vei volgingswoede» of «vervolgingsepidemie» en zelfs in zijn nommer van 18 Maart jl. over «den geest van ketterjagerij, die sedert eenige maanden door het land vaart».

Veeleer heeft de vraag reden van bestaan, of het begrip van opruiing in art. 131 W. v. Sr. niet te eng wordt opgevat, waar dit artikel alleen treft hem die in het openbaar tot eenig strafbaar feit opruit_ Uit deze beperking volgt, dat werkelijk, zooal niet veelal seliik het Verslag der Eerste Kamer zegt, dan toch dilfwÏ «straffeloos» in het openbaar «onderricht (kan worden) «gegeven in de middelen om het gezag omver te werpen». Ons verwondert het dan ook niet, dat blijkens het antwoord op het Verslag de aandacht der regeering ook hierop ernstig is gevestigd, al heeft zij zich wij- ' selijk voordat de gewichtige vraag, of het belang der openbare orde eene nieuwe beperking der vrijheid van ' spreken eischt, nader is overwogen, door geene bepaalde toezeggingen gebonden. Men moge over hare beantwoor- 1 lng denken zooals men wil, uitbreiding of verruiming ^an art- "131 met het Verslag, den schrijver van twee ' ^oofdai tikelen der Nieuwe Rotter damsche Courant van en 18 februari jl. en anderen wenschelijk achten of ( ' ^een er>kele reden bestaat er om de vraag niet ' e !g onder de oogen te zien, wat reeds voor vier jaar ^

Tilmeening was en no8 onze meening is. j

do 0lm'ns' mag men zich daarvan laten terughouden , °°r f groote woorden en de onjuiste voorstellingen,

we e et Sociaal Weekblad in zijn nommer van 25 Fe- ,

ïuan achtte aan het adres van hen, die zich naar zijn *

(1) Wy spaticeren.

oordeel door «socialistenvrees en vervolgingswoede» van P den rechten weg laten afleiden.

' ln favorem lïbertatis. Ziedaar eene kostelijke leus, waaraan wij nooit ontrouw hopen te worden, mits men haar opvatte in den eenig redelijken zin, buiten welken men alle strafwetten, om niet te zeggen alle wetten, I zoude moeten afschaffen, dat de wetgever geen enkel ; °^er mag eischen van de individueele vrijheid, dat niet , wordt gevorderd door de openbare orde of het algemeen maatschappelijk belang.

Daarom gaat de quaestie, die reeds ernstig gesteld werd bij de samenstelling van ons Wetboek van Strafrecht, om niets minder, maar ook om niets meer. Men is waarlijk niet nu eerst «tot de ontdekking gekomen», dat dit wetboek opruiingen ongestraft laat, die vroeger in Nederland strafbaar waren en in de meeste landen van Europa nog Strafbaar zijn, en zoo er zijn, die meenen te goeder trouw, dat het geldende wetboek', met het oog op de sedert zijne samenstelling veranderde verhoudingen en omstandigheden, aanvulling eischt, zij wenschen niet — de redactie van het Sociaal Weekblad weet zelf wel beter — «de gevangenis (te) laten dienst doen als muizenval voor ieder die zich in het publiek minder gepast (2) mocht uitlaten».

Van «deftige bladen als de Nieuwe Rott. Courant», die van meening mochten zijn, dat opruiing tot ongehoorzaamheid aan de wet strafbaar moet zijn, ook al neemt die ongehoorzaamheid niet aan den concreeten vorm van een strafbaar feit, heet het verder in het S. W., dat zij, «zijn uitgetogen om te zoeken naar het middel hoe men iemand kan muilbanden zonder hem een muilband aan te doen, want ... er moet over het algemeen veel meer gestraft worden, maar de vrijheid van spreken, daar moet je afblijven».

Dit alles pleit voor het speelsche vernuft van den redacteur van het S. W., maar het snijdt geen hout.

Een muilband >s een aardig beeld voor de wettelijke beperking van de vrijheid van spreken, maar daar geene wet, althans niet de Nederlandsche wet, die vrijheid als absoluut erkent, is het in deze beeldspraak de vraag ook volstrekt niet of «men iemand een muilband zal aandoen», maar alleen of men dezen wat strakker zal spannen dan hij nu reeds gespannen is, en zoekt dus niemand naar de oplossing van het onoplosbare probleem «hoe men iemand kan muilbanden zonder hem een muilband aan te doen».

«De vrijheid van spreken, — daar moet je afblijven». Wel zeker niet, daar blijft het Wetboek van Strafrecht ook nu niet af, zie de artt. 111 vgg., 117 vgg. 131—134 152, 1°., 153, 240, 261-271, 272, 273 en 451. Bij eené aanvulling van art. 131, zooals b.v. de N. R. C■ verlangt, geldt het dus niet de door onze en alle strafwetten ontkennend beantwoorde vraag, of men van de vrijheid van spreken moet afblijven, maar alleen of het belang der openbare orde eischt bij de vele wettelijke beperkingen van die vrijheid er nog een te voegen. Ziedaar eene vraag niet van beginsel, maar eenvoudig van min of meer.

Nu stelt niemand, althans geen verstandig en bezadigd man, tot welke partij ook behoorende, zich ten doel zooals het S. W. zegt — «nog grooter razzia onder de volksredenaars te houden dan thans reeds gehouden wordt». Strafwetten maakt men met den wensch, dat zij geëerbiedigd zullen worden, haar doel is waarlijk niet, dat het volk — in het geval, waarmede wij hier te doen ' hebben, «de volksredenaars» — er zich niet aan zal storen. Nu is «het rechtsgevoel» van het volk een zeer eerbied- , waardig gevoel, dat de wetgever zooveel mogelijk moet 1 eerbiedigen, waarmede hij steeds rekening heeft te hou- i den, al kan hij het niet altijd volgen; maar «dat het 1

den rechten weg laten afleiden.

ln favorem lïbertatis. Ziedaar eene kostelijke leus, waaraan wij nooit ontrouw hopen te worden, mits men haar opvatte in den eenig redelijken zin, buiten welken men alle strafwetten, om niet te zeggen alle wetten, zoude moeten afschaffen, dat de wetgever geen enkel offer mag eischen van de individueele vrijheid, dat niet wordt gevorderd door de openbare orde of het algemeen maatschappelijk belang.

Daarom gaat de quaestie, die reeds ernstig gesteld weid bij de samenstelling van ons Wetboek van Strafrecht, om niets minder, maar ook om niets meer. Men is waarlijk niet nu eerst «tot de ontdekking

dat dit wetboek opruiingen ongestraft laat, die vroeger in Nederland strafbaar waren en in de meeste landen van Europa nog Strafbaar zijn, en zoo er zijn, die

meenen ie goeaer trouw, dat het geldende wetboek, met het oog op de sedert zijne samenstelling veranderde

rechtsgevoel van verreweg de meerderheid van het volk

lijnrecht zoude inloopen» tegen eene ruimere opvatting , van het begrip van straf bare opruiing dan aan art. 131 ï W. v. Sr. eigen is, is eene onbewezen en onbewijsbare ï stelling, waarop de ernstige overweging der vraag, of de , openbare orde eene uitbreiding van dat artikel vordert l in den zin van het vroeger hier gegolden hebbende en t thans nog in de meeste landen van Europa geldende i recht niet eenvoudig mag afstuiten.

Over den vroegeren rechtstoestand hier en den gelden1 den rechtstoestand elders nu nog enkele opmerkingen.

De Code Pénal kent geene algemeene straf bepaling i tegen opruiing tot misdrijf. Zij was slechts strafbaar gesteld in enkele gevallen, soms als daad van deelneming aan het misdrijf indien dit was gevolgd, soms hetzij in het algemeen, hetzij alleen indien zij zonder gevolg was gebleven als eigen delict. Zie de artt. 102, 202, 203, 217, 285 en 293.

Hierin werd voor Nederland verandering gebracht door art. 2 der wet van 16 Mei 1829 (Stbl. no. 34), dat opruiing tot strafte als medeplichtigheid aan misdrijf en, miste zij elk gevolg, daarop eene afzonderlijke straf stelde. Art. 3 der wet van 1 Juni 1830 (Stbl. no. 15) voegde daarbij eene strafbepaling «tegen al wie boosaardiglijk en openbaar, op welke wijze en door welk middel ook, de verbindende kracht der wetten aangerand of tot ongehoorzaamheid aan dezelve aangespoord zal hebben».

Gelijksoortige strafbepaling vindt men algemeen in de nieuwere wetboeken van strafrecht, die niet staan op den bodem van den Code Pénal (3). Men zie § 65b te vergelijken met § 278 vgg. van het Oostenrijksche wetboek van strafrecht van 1852, § 172, 174 van het Hongaarsche strafwetboek van 1878, § 110 van hetDuitsche rijksstrafwetboek en art. 247 van het wetboek van strafrecht van het Koninkrijk Italië (in werking getreden den len Januari 1890). Daartoe bepalen deze wetboeken zich niet; ook openbare opruiing tot klassenhaat, waarin de sociaal democraten bij ons zooveel virtuositeit ontwikkelen, wordt strafbaar gesteld (§ 130 Duitschland, art. 247 Italië), en in overeenstemming met art. 2 der Nederlandsche wet van '16 Mei 1829 (Stbl. no. 34), dat bij de vaststelling van ons wetboek van strafrecht is zoek geraakt, zonder dat blijkt waarom, is ook naar luid van de genoemde buitanlandsche strafwetboeken, zoo mede van art. 446 G. P. Beige en de artt. 30 en 33 der Fransche perswet van 1881, de diffamatie van openbare lichamen en autoriteiten, thans bij ons straffeloos gepleegd, een strafbaar feit (4).

Wat betreft de openbare opruiing tot ongehoorzaamheid aan de wet — «hetzij een wettelijk voorschrift hetzij een krachtens wettelijk voorschrift gegeven ambtelijk bevel» — en de openbare beleediging van gestelde machten of openbare lichaam heeft het Ontw. van een W. v. Sr. voor de Europeanen in Ned. Indië, door eene

(3) Met uitzondering van de artt. 102 en 217, reeds ingetrokken bij de wet van 17 Mei 1819, gelden de boven aangehaalde artikelen nog in Frankrijk. Daarbij zijn nu gekomen de artt. 23, 24 en 25 der wet van 29 Juli 1881 sur la liberté de la presse, volgens welke opruiing (niet zonder tegenspraak in de Kamer en den Senaat) wordt beschouwd als medeplichtigheid van het daardoor uitgelokte misdrijf, en, mist zij elk strafbaar gevolg, alleen in de door de wet omschreven gevallen, als zelfstandig misdrijf strafbaar is. De Belgische O. P. van 1867 (art. 66) ziet ook in openbare opruiing een vorm van deelneming (als dader-) aan het daardoor uitgelokte misdrijf. „Erfolglose" opruiing is strafbaar gesteld bu de Belgische wet van 23 Augustus 1887, die echter bij gebreke van vernieuwing, slechts driejaar zoude gelden. Of zij nu nog van kracht „, is ons niet bekend. Zie over een en ander ™ 0—Ïse DB°' de strafbare "P'tiing, 's Gravenhage 1890, blz-

.q(74)TZr-OOStenrijk' § 49ï' Hon&arije> § 262, Duitschland, §§ l96 197, Italië, art. 197. '

(2) Wij spatieeren.

Sluiten