Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemelde artikelen zijn blijven fabriceeren en verkoopen, en dat daarbij mondeling afgesproken werd, dat alles in gemeen overleg zoude geschieden ; dat eischer onder meer belast was met het houden der kas en ged. met het houden der boeken, doch dat nimmer is bepaald, da:, eventueele geschillen zouden worden onderworpen aan de beslissing van 3 scheidslieden; datinOct. 1892 eischer zich begon schuldig te maken aan allerlei, met de goede trouw en de gemaakte afspraak strijdige handeliagen, en dat ged. daarin aanleiding vond, om de boeken die hij op het kantoor niet meer veilig achtte, tot zich te nemen om die te voorschijn te brengen zoodra en zoo dikwijls zulks noodig zal zijn, terwijl daarenboven aan ged. werd en wordt berokkend groote schade, die eischer hem zal hebben te vergoeden ; dat alzoo de feitelijke grondslag der ingestelde vordering ontbreekt, immers deze geheel onbewezen is, en de eischer daarin dus niet-ontvankelijk is, immers die hem zal moeten worden ontzegd c. e.

0. dat de eischer daarop ontkennende gedaagde's posita, voor zoover die met die des eischers in strijd zijn, in het geding heeft gebracht de akte van vennootschap, hierboven sub I omschreven, bewerende : dat daardoor 1°. de onwaarheid van gedaagde's opgaven is aangetoond; 2°. zijne bekentenis mag worden gesplitst; en 3°. eischers beweringen omtrent den grondslag der onderhavige akte bewezen zijn ; terwijl hij voorts in het geding heeft gebracht het expïoit, hierboven sub II omschreven, bewerende dat daaruit volgt zoowel gedaagde's weigering om de boeken af te geven, als die om de 3 door eischer voorgestelde scheidslieden aan te nemen;

O. dat de ged. daarop incidenteel en onder reserve van alle zijne rechten ten principale, heeft doeri zeggen, dat hij op 3 Jan. 1893 ter Griffie dezer Rechtbank heeft overgelegd eene akte, door hem zelf geteekend, waarbij hij ged. 1°. de stellige verklaring heeft gedaan, dat de door eischer overgelegde onderhandsche akte, door hem voor valsch wordt gehouden op grond der navolgende daadzaken en omstandigheden :

„dat het onwaar is, dat die akte op den 1 April 1892 door partijen in duplo zou zijn geteekend ; dat het integendeel in facto waar is, dat die akte door den ged. in duplo geteekend, op den 8 April 1892 door den ged. aan den eischer ten fiue van beoordeeling is overhandigd ; dat bij die overhandiging door den ged. aan den eischer is verzocht, om ingeval van goedkeuring, een exemplaar dier ak'.e, door hem geteekend terug te mogen ontvangen ; dat de eischer nimmer een door hem geteekend exemplaar dier akte aan den ged. heeft teruggegeven, doch integendeel de beide exemplaren ongeteekend in zijn bezit heeft gehouden ; dat de eischer op vordering van den ged., om de akten terug te mogen ontvangen, laatstelijk nog op den 15 Oct. 1892 den ged. heeft geantwoord daaraan niet te kunnen voldoen, omdat de akten vernietigd waren; dat de eischer na laatstgemelden datum de beide akten aan anderen heeft vertoond, en dat de handteekening van eischer daarop toen nog niet voorkwam"; 2°. heeft verklaard dat hij zich voor.'telt de door hem beweerde valschheid te bewijzen door getuigen en zoo noodig door den beslissenden eed;

O. dat ged. dienovereenkomstig heeft geconcludeerd, dat hij zal worden toegelaten de door hem beweerde valschheid van gemelde onderhandsche akte door getuigen en zoo noodig door den beslis* senden eed te bewijzen, met eisch van kosten ingeval van tegenspraak, die anders zullen worden gereserveerd tot het eindvonnis ;

O. dat de eischer daarop de toelaatbaarheid van het door ged. aangeboden bewijs van valschheid bestrijdende, heeft beweerd, dat

nu ged. overigens geene middelen heeft aangevoerd, en dit ook niet kon tengevolge van zijn processueele houding blijkende uit

zijne conclusie van aniwoora, eiscners vordering voor onmiddellijke toewijzing vatbaar is ;

0. dat de ged. daarop heeft verklaard, dat hij voor het geval de Rechtbank van oordeel mocht zijn, dat het door hem aangeboden bewijs der valschheid niet toelaatbaar is, zich uitdrukkelijk reserveert om door alle middelen rechtens het tegenbewijs te leveren van hetgeen in meergemelde onderhandsche akte is vermeld, zoodat er in dat geval van eene onmiddellijke toewijzing der ingestelde vordering geen sprake kan zijn ;

In rechte:

0. dat het de vraag is, of uit de daadzaken, door welke ged. zich voorstelt de valschheid van bovengemelde onderhandsche akte te bewijzen, gesteld zij stonden tusschen partijen vast, of zij waren bewezen, die valschheid voortvloeit;

0. dat het feit, dat de akte niet op 1 April 1892 zooals zij vermeldt, maar op 8 April zooals ged. beweert, geteekend zoude zijn, geene valschheid daarstellen kan, waar zooals eischer terecht heeft opgemerkt, ged. zelf erkent zijne handteekening onder de geproduceerde akte geplaatst te hebben, en die akte aldus aan den eischer te hebben overgegeven ;

0. dat ged. daardoor zelf te kennen gegeven heeft, te willen, dat die akte, al ware zij op 8 April door hem geteekend, tusschen partijen zoude worden beschouwd dit den eersten te zijn gedaan ;

0. dat valschheid evenmin voort zoude vloeien uit de omstandigheid, dat ged. die akte aan den eischer ten fine van beoordeeling zoude hebben overhandigd en bij die overhandiging hem zoude hebben verzocht ingeval van goedkeuring één exemplaar dier akte door hem geteekend terug te mogen ontvangen, aan welk verzoek eischer niet zoude hebben voldaan, doch de beide door ged. geteekende exemplaren dier akte in zijn bezit zou hebben gehouden ;

0. dat eischer terecht heeft aangevoerd, dat deze omstandigheid met echtheid of onechtheid niet3 te maken heeft;

0. bovendien 1°. dat ged. de akte, door hem geteekend, den eischer ten fine van beoordeeling zendende, daardoor zijnerzijds te kennen gegeven heeft onder de bepalingen in de akte vermeld de bewuste vennootschap te willen aangaan, terwijl eischer die akte daarna onderteekenende, of van die akte tegen ged. gebruik makende, toonde, tot de alzoo door ged. gedane wilsverklaring toe te treden; en 2°. dat de omstandigheid dat eischer niet zoude hebben voldaan aan gedaagde's hierboven gemeld verzoek, hoogstens voor ged. een reden had kunnen zijn van eischer eeu geteekend exemplaar op te vorderen, doch geenszins tengevolge zou kunnen hebben gehad, dat de bewuste overeenkomst kan beschouwd worden niet tot stand gekomen te zijn ;

0. dat evenmin de akte als valsch aan te merken zoude zijn, indien de eischer in strijd met de waarheid laatstelijk op 15 Oct. 1892 aan ged. op diens verzoek om eene akte terug te mogen ontvangen, gezegd had dit niet te kunnen doen, omdat de akten vernietigd waren, daar toch eene dergelijke mededeeling omtrent het later lot van eene akte, de akte zelf niet valsch of onecht kan maken ;

0. dat deze evenmin valsch wordt door de omstandigheid door ged. aangevoerd, dat eischer de akte eerst na 15 Oct. zoude hebben geteekend, daar diens onderteekeniug tijdig genoeg geschiedde, zoodra eischer de akte uit handen geven moest, of tegen ged. moest gebruiken en zij in geen geval als valsch aan te mer&en zoude zijn, zoolang eischer haar niet geteekend had ;

0. dat waar uit de daadzaken door ged. gesteld, de valschheid der geproduceerde akte dus niet voortvloeit, hij in zijne conclusie om die daadzaken hetzij door getuigen, hetzij door een beslissenden eed, die echter door ged. zelfs nog niet geformuleerd is, te bewijzen, öiet-ontvankelfjk is j

0. dat gedaagde's reserve, om als dit door hem aangeboden bewijs niet toelaatbaar is, door alle middelen rechtens het tegenbewijs te leveren van hetgeen in de akte vermeld is, behoort te worden gepasseerd, daar hij die reserve makende, in elk geval in strijd handelt met het bepaalde in art. 178, al. 2 B. R.:

0. dat waar ged. alzoo niet heeft aangetoond, dat de onderhandsche akte valsch is, deze als echt moet worden aangemerkt en eischer door deze bewezen heeft de door hem beweerde oprichting der vennootschap onder de firma J. Vrijland & Co., zoodat het nu alleen de vraag is in hoeverre eischers vordering hem met het oog op gedaagde's verweer bij antwoord gedaan, overigens kan worden toegewezen ;

0. dat ged. wel is waar bij het nemen van zijne incidenteele conclusie zich nog alle rechten ten principale heeft gereserveerd, doch dat deze reserve buiten beschouwing moet blijven, waar hij alle gelegenheid heeft gehad om zijn verweer ter bekwamer tijd, dat is bij conclusie van antwoord voor te dragen ;

0. als nu, dat zijne bewering, dat er geene vennootschap opgericht zoude zijn, is gebleken valsch te zijn, en dat dientengevolge door zijn antwoord bevestigd wordt, wat eischer bij dagvaarding had gesteld en bovendien uit meergemeld exploit van den deurwaarder Lorwa mede blijkt, dat er tusschen partijen als leden van gemelde vennootschap geschillen waren ontstaan ;

O. dat er volgens het vennootschappelijk contract, dus alleszins termen waren, om zich aan de uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen, en dat waar ged. in gebreke is gebleven op de tot hem gerichte sommatie tot het benoemen van scheidslieden mede te werken, of de door eischer voorgestelde aan te nemen, partyen moeten geacht worden ook daarover geschil te hebben ;

0. dat eischer alzoo terecht die benoeming van den rechter vraagt;

Gezien behalve de aangehaalde wetsartikelen, art. 56, 620 en 624 B. R.;

Verklaart den ged. in zijne incidenteele conclusien niet-ontvankelijk ; en

Passeerende de door hem gemaakte reserves ;

Recht doende ten principale ;

Wijst den eischer zijne vordering toe;

Benoemt tot scheidsmannen ter beslechting van het door eischer gestelde en tusschen partijen bestaande geschil, de heeren Mrs.: M. Tels, J. II. Uiterwijk en M. M. van Valkenburg, advocaten en procureurs te Rotterdam ;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande hoogere voorziening;

Veroordeelt den ged. in de kosten van het geding.

(Voor den eischer werd gepleit door Mr. Jos. van Raalte).

HOOGJE RAAD. — BULLETIN.

(Burgerlijke Kamer.)

Zitting van Donderdag, 30 Maart.

Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

I. Uitspraak gedaan in zake:

(cassatie) J. F. S. Thieme, eischer, advocaat Mr. J. Limburg, tegen M. Daemen, verweerder, advocaat Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn. Niet-ontvankelijk verklaard.

II. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake: (cassatie) A. F. Moris, weduwe W. A. A. van Aken, eische-

resse, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen G. Wendelaar c. s., verweerders, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw, en tegen P. J. van Aken, mede-verweerder, advocaat Mr. F. J. Munzebrock en tegen M. D. Snoeck, mede-verweerder, advocaat Mr. L. V. van Rossem. De proc.-gen. concludeert tot verwerping. Uitspraak 5 Mei.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. besluit van 27 Maart 1893, 110. 24, is aan A. G. W.

Boll, op zijn daartoe gedaan verzoek, me: ingang van 15 Mei 1893, eervol ontslag verleend als notaris te Gorinchem.

BERICHTEN.

's-Gravenhage, 30 Maart.

Van den uiterever der Verzameling ..Wetgeving" ontvingen wij

de volgende mededeeling, die wij op zijn verzoek ter kennis van onze lezers brengen :

Bericht betreffende de wetten van 27 September 1892 (Stbl. nos. 223 t/m 227),

I. op de vermogensbelasting,

II. tot vermindering van sommige evenredige registratie- en hypotheekrechten,

III. tot afschaffing van den accijns en wijziging van het invoerrecht op zeep,

IV. tot verhooging van den accijns op het gedistilleerd, en

V. houdende bepalingen omtrent den accijns op het zout.

Na rijpe overweging hebben de ondergeteekenden besloten, de hierboven vermelde wetten niet in de „Wetgeving" op te nemen.

Zij vertrouwen hierdoor te bandelen overeenkomstig den wensch der inteekenaren.

De stukken over die wetten hebben namelijk een zóó ianigen omvang en de beraadslagingen zijn zóó breedvoerig geweest, dat zij te zamen een boekdeel van ongeveer 1000 bladzijden zouden vullen. De prijs van den jaargang 1892 zou derhalve door de opneming van die wetten aanzienlijk hooger worden, dan waarop vermoedelijk door inteekenaren is gerekend.

De stukken en beraadslagingen bij uittreksel mede te deelen, zou strijden met het bij deze uitgave vooropgezette beginsel. Bovendien zijn reeds onderscheidene zoodanige bewerkingen, althans van de wet op de vermogensbelasting, verschenen.

De ondergeteekenden blijven echter bereid, om, zoodra hun blijkt dat zij zich ten aanzien der wenschen van een niet gering aantal inteekenaren hebben vergist, de stukken en beraadslagingen betreffende de bovengemelde wetten alsnog volledig te doen verschijnen.

Zij die zoodanige uitgave mochten verlangen, zullen daarvan den uitgever wel gelieven te verwittigen.

Bij voldoende deelneming zou de uitgave betrekkelijk spoedig kunnen plaats vinden, want de redactie is met de bewerking der bouwstoffen reeds geheel gereed.

Leiden, Maart 1893.

De Redactie, De Uitgever,

H. van der Hoeven. E. J. Brill.

— Omtrent de toepassing der voorwaardelijke invriiheidstellintr

in Bilgië gedurende het jaar 1891 deelt de Belg. Jud. in haar nommer van 5 Maart jl. de volgende cijfers mede, ontleend aau het Verslag, door den Minister van Justitie uitgebracht aan de Kamers ter voldoening aan art. 10 der wet van 31 Mei 1888 (1):

„177 propositions de libération conditionnelle ont été soumises au ministre de la justice, Tannée 1891 :

„123 ont été accueillies ;

„45 ont été rejetées (35 k. cause de la nature ou de la gravité des faits qui avaient motivé la condamnation; 2 paree que 1'amendement des détenus a été jugé insuffisant; 8 k cause des antécédents ou de la conduite habituelle des condamnés) ; pour 9, les motifs invoqués a 1'appui de la proposition de libération conditionnelle, ont paru justifier une mesure de clémence plutöt que 1'application de la loi du 31 mai 1888. Les 9 condamnés ont été graciés.

„113 requêtes tendantes a 1'obtention de la libération conditionnelle ont été adressées au ministre de la justice au cours de la même année.

„21 ont été laissées sans suite, la loi n'étant pas applicable, ou les motits invoqués par les pétitionnaires n'étant pas de nature a

justifier une instruction d'office.

„Des 92 requêtes sur lesquelles 1'instruction d'office a été ou verte, 47 ont été accueillies ;

„45 ont été rejetées :

„26 a cause de la nature ou de la gravité des faits ;

„12 paree que Tamendement a paru insuffisant;

„6 a cause de la conduite habituelle ou des aniécédents des condamnés ;

„l paree que le pétitionnaire avait encouru une nouvelle condamnation au cours de 1'instruction".

(I) Zie den tekst van dit artikel in W. no. 6136.

ADVERTENTIEN.

Bij GEBIl. BELINFANTE, te VGr a ven h age, wordt uitgegeven :

Algemeene Beginselen

VAN

De Leer der Regtsgeldigheid

VAN

Verbindtenissen uit Overeenkomst

zooals zich die in het Romeinsche Regt gevormd en later in Europa ontwikkeld heeft,

DOOll

F. B. Coulnck Lichting.

Vice-President bij den Huoyen Raad der Nederlanden.

P r ij s ƒ 6. —.

Door GEBR BELINFANTE. te 's Gravenhasre. is

aan de inteekenaren verzonden de eerste aHevering van het:

Tachtigjarig Alphabetisch Register

OP HET

STAATSBLAD

van het Koninkrijk der Nederlanden,

van 1813 1892.

Tnteekeningsprijs: in afleveringen of ingenaaid f 10, gebonden in half leêren band f ! 1.

De inteekening blijft tot 1 Mei ]89j opengesteld. Na dien termijn wordt de prijs verhoogd.

Uitgaven van GEBR. BELINFANTE, te's-Gravenhage.

Men Tan Prof, (HOOIER.

Het Burgerlijk Wetboek verklaard. 1)1. I- XII

afl. 1, met Algemeene Bepalingen, f 54.45, geb. f 65.45.

Aanteek. op de Wet houdende Alg. Bepalingen, 4c dr. f 3.IC.

— In welken geest is onze Grondwet te verstaan? f 1.

Politisehe B ij dragen.

I. Volkswil en vrije Verkiezingen, f0.40.

II. Regt der Gesch. in het vraagstuk der vrije Verkiezingen. f 0.50.

III. Souvereiniteit des Volks, f 0.60.

Snelpersdruk en Uitgave van GEER. BELINFANTE, te 's-Gravenhage.

Sluiten