Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat eischer zich bij de gedane keuze beroept op het bestaan eener bizondere schuld, als gevolg van eene overeenkomst met ged. dat deze hem schadeloosstelling voor te lang crediet zou betalen van zijne vordering over 1883 gedurende 3 jaren, van die over 1884 gedurende 2 jaar en van die over 1885 gedurende één

jaar, en dit in voorrang boven de rekening over 1883 en alzoo op eene overeenkomst waarbij worden op zijde gesteld de bepalingen der wet, ingeval van compensatie, nl. dat de betaling zal strekken tot voldoening van de oudste en meest bezwarende der vorderingen voor den schuldenaar;

dat toch de regels omtrent schuldvergelijking hier van toepassing zijn, waar de eischer de goede ontvangst meldende van gedaagdes gequiteerde rekening ad f 430,21, dit bedrag erkent en zegt dat hij die som heeft aangewend tot de daarbij omschreven schadeloosstelling en dus daarover heeft beschikt ;

dat eischer daarom ook het bewijs moet leveren daartoe recht te hebben en daartoe zich beroept op de erkenning dier schuld door ged., die eischers verklaring dat het erkend bedrag zou strekken tot voldoening van de opgegeven renten, heeft aangenomen zonder protest te doen, althans vóór den aanvang dezer procedure en mitsdien die schuldvordering heeft goedgekeurd;

dat echter in het ontvangen van een brief, waarin de schuldeischer verklaart gelden te hebben ontvangen tot voldoening in het bijzonder van eene daarbij aangewezen schuld, geen bewijs is gelegen voor het bestaan dier schuld, dewijl bij het niet bestaan daarvan, in die verklaring geene kwijting kan gelegen zijn voor hem, die den brief ontvangt; immers de schuldenaar steeds het recht heeft de schuld te betwisten, zoolang het recht tot opvordering dier inschuld bestaat, mits hij maar die verklaring niet hebbe aangenomen als eene kwijting en derhalve als een stuk dat kon dienen tot bewijs van delging van eene bestaande, hetzij door den schuldenaar erkende of aliunde bewezene schuld ;

dat tegen ged. uit dien brief — ook nu hij dien zonder protest tegen den inhoud, reeds sedert 1887 onder zich had — geene gevolgtrekkingen als vermoeden voor het bestaan der daarin vermelde schuld kunnen gemaakt worden en alzoo het recht tot betwisting daarvan niet is teniet gegaan voor ged., zoolang niet van elders de eischer het bewijs voor de door hem geposeerde schuld heeft geleverd;

dat eischer wel daarvoor] aanvoert, dat „ iedere betaling eene schuld veronderstelt, doch dat dit den eischer niet kan baten, waar uit diens gespecificeerde rekening blijkt, dat er tijdens de betaling door den schuldenaar, verschillende hoofdsommen verschuldigd waren, in elk geval die praesumptie niet kan strekken tot het bewijs van het bestaan eener verplichting tot betaling van rente ;

dat eischer het bewijs verder put uit: 1*. de in den houthandel bestaande gewoonte om één jaar crediet te verleenen en voor latere betaling rente wordt berekend, doch voor die gestelde gewoonte geen bewijs heeft aangeboden ; 2°. uit de volgende omstandigheden : dat ged. na den brief van 12 April 1887 aan eischer heeft geschreven, dat hij de verschuldigde rekening zou voldoen zonder een cent schade en zich alzoo aansloot bij eischer, die hem schadevergoeding wegens te lang verleend crediet in rekening had gebracht;

dat hij voortgegaan is met betalingen te doen in 1888 en 1890 en zelfs na gerechtelijke sommatie in 1891, dat ged. den 29en ei 1888 aan hem heeft geschreven : ik beur van mijne vorderingen die ik wel van 1883 en 1884 te boek heb, geen rente, in a e welke handelingen eene goedkeuring en bekrachtiging zou gelegen zijn van de door eischer gedane toerekening;

dat echter die feiten wel bewijzen het stilzwijgen van ged., nadat hij kennis had genomen van de gedane toerekening, maar niet zoovele vermoedens zijn tot bewijs van erkenning van schuld, dewijl er voor het niet tegenspreken der gedane toerekening voor den ged. verschillende redenen kunnen bestaan hebben en hij tot die tegenspraak eerst verplicht was, toen die toestemming als grond van eischers vordering in rechten gesteld werd •

dat in ieder geval, voor zoover daarin al enkele 'vermoedens gelegen mochten zijn voor de erkenning tot betaling van rente in het algemeen, daaruit toch niet het bewijs zou kunnen geput worden voor het toestaan der bijzondere overeenkomst hiervoor als noodzakelijk omschreven, juist voor eene rente van de jaren 1883, 1884 en 1885, tot de gestelde bedragen en dit met afwijking der wettelijke compensatie, terwijl toch in de gespecificeerde rekening van eischer bij geen enkele post melding wordt gemaakt van rente ;

dat, nu de eischer geen ander bewijs voor die overeenkomst en zijn recht tot de in rekening gestelde afbetaling als rente heeft aangeboden of geleverd, zijne vordering voor dit bedrag is ongegrond en voor zoover behoort te worden afgewezen en die slechts kan worden toegewezen tot een bedrag van f 111,65;

dat ged. vraagt de van waardeverklaring van een door hem gedaan aanbod van betaling op 12 Nov. 1892, met bepaling dat hij met de consignatie van het aangeboden bedrag kan volstaan ;

dat echter die vordering niet kan worden toegewezen, dewijl het gedane aanbod na de dagvaarding in deze zaak, van 14 Oct. te voren, plaats had en alzoo tot beeindiging der zaak niet kon bijdragen, immers eene bereidverklaring tot betaling dier som dezelfde gevolgen zou hebben;

dat alzoo de kosten in dat opzicht door ged. gemaakt en veroorzaakt geheel ten zijnen laste komen ;

dat wat de overige kosten der procedure betreft, deze voor het grootste deel moeten worden-gebracht ten laste van den eischer als de in het ongelijk gestelde partij in het geschil;

Gezien art. 1902 en 1434 B. W. en 56 B. R.;

Veroordeelt den ged. om tegen behoorlijke kwijting ter zake voorschreven, aan eischer te betalen de som van f 111,65 met de wettelijke interessen ;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, enz.;

Ontzegt den eischer het meergevorderde ;

Verklaart ged. niet-ontvankelijk in zijne conclusie ten aanzien van het gedane aanbod van betaling;

Ontzegt hem die en veroordeelt ged. in de kosten op dat aanbod gevallen ;

yeroordeelt eischer in een gedeelten der kosten aan zijde van ied Sevalleu tot een bedrag van f 75; verstaat dat overigens ere Partij hare eigene kosten drage.

KOLONIALE ZAKEN.

HOOG-GERECHTSHOF VAN NED.-INDIË.

Eerste Kamer.

Zitting aan den 15 December 1892.

President, Mr. J. Sibeniüs Teip.

Raadsheeren, Mrs. : V kkntka , Lowe, van Dissel en van de Poel.

Daad vak koophandel. — Handelsbediende.

„Drijven ^ van zaken beteekent „het aan het hoofd staan van zaken , „de impulsie geven van zaken", v het zelfstandig bewerkstelligen of diriqeeren van handelsoperatien'1'' hetgeen kan geschieden op eigen naam, voor rekening van een derde of onder welke vormen dan ook, waaruit volgt, dat hij, die „eene zaak drijftwel tevens daden van koophandel kan verrichten, maar niet dat een ieder, die in den handel werkzaam is, speciaal niet een handelsgeèmploieerde, zaken drijft, wordende anders niet genoegzaam gelet op het bestaande onderscheid tusschen de verrichtingen van den meester en den bediende.

A. E. van Swieten, appellant, advocaat en procureur eerst Mr. T. Henny, daarna Mr. C. A. Henny,

tegen

Het Agentschap te Soerabaja der Oostenrijksch Overzeesche Handel-Maatschappij, qq., advocaat en procureur eerst Mr. P. Maclaine Pont, daarna Mr. A. Maclaine Pont.

Het Hof enz.,

Gehoord partijen ;

Gezien de stukken ;

Met betrekking tot de daadzaken:

Overnemende de uiteenzetting daarvan in het door den Raad van Justitie te Soerabaia op den 16en Maart 1892 tusschen partijen gewezen vonnis, waarbij in substantie met passeering van den eisch incidenteel subsidiair, de vordering toegewezen en de ged. (thans app.) veroordeeld is geworden om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan den eischer (geint.) te betalen de som van f 5000.— met de wettelijke interessen a die litis motae ; het vonnis uitvoerbaar verklaard is bij voorraad, zonder borgtocht en zelfs bij lijfsdwang, en ged. in al de kosten van het proces is verwezen ; En wijders :

Overwegende, dat de ged. zich met die uitspraak bezwaard achtende, daarvan te bekwamer tijd is gekomen in hooger beroep en ter adstructie zijner grieven hoofdzakelijk heeft aangevoerd :

dat hij als beheerder van geintimeerde's handelszaken te Soerabaia optredende zich (bij brief van 10 Mei 1888) verbond om „bij het verlaten zijner betrekking gedurende 5 jaren daarna geen zaken in huiden te drijven, noch op zijn naam, noch voor rekening van een ander onder welke vorm ook op verbeurte eener boete van f 5000.—";

dat echter in rechten niets anders vaststaat dan dat hij als empioijé in dienst is van de firma Harmsen Zorn & Co. en deze in huiden handel drijft, voor welken tak van haar bedrijf zij, evenals voor alle andere van appeliants diensten gebruik heeft gemaakt ;

dat de Raad van Justitie app. derhalve niet tot het betalen der

boete hail moeten veroordeelen, en evenmin den gevraagden lijfsdwang had moeten toestaan, vermits het fundamentum petendi niet is van commercieelen aard, wordende mitsdien geconcludeerd tot tenietdoening van het vonnis a quo en niet-ontvankelijk-verklaring immers ontzegging van den gedanen eisch c. e.;

O. dat door geint. in substantie hiertegen in het midden is gebracht:

dat volgens art. 1338 al. 3 B. W. de tusschen partijen gesloten overeenkomst te goeder trouw moet worden ten uitvoer gebracht en zij volgens art. 1339 ibidem den app. verbindt niet alleen tot datgene wat uitdrukkelijk bij dezelve bepaald is, maar ook tot al hetgeen volgens naar haren aard door de billijkheid, het gebruik en de wet wordt gevorderd;

dat de duidelijke bedoeling van het boetebeding in de overeenkomst is, den app. te verhindereu binnen de 5 jaren, in welken vorm ook, met geint. te concurreeren ;

dat al viel nu hetgeen app. gedaan heeft niet onder de letter der overeenkomst wat des ja -— dan toch zeker de goede trouw zoude meebrengen, dat hij ook als dienaar van een ander van de huidenmarkt wegbleef, omdat hij den geint. evenzeer benadeelt wanneer hij met eigen kapitaal, als wanneer hij met geld van de firma Harmsen Zorn & Co. zijne kennis van — en relatiën in het huidenvak productief maakt;

dat het vonnis betoogt, dat vermits de in confesso zijnde daden van app. volgens het Wetboek van Koophandel daden van koophandel daarstellen, hij gezegd kan worden zaken in huiden gedreven te hebben, ergo onder het boetebeding te vallen ;

dat de overeenkomst veel verder gaat en uit wil sluiten alle zaken in huiden als genus, dus zoowel de species, welke daden van koophandel daarstellen als die welke niet onder het begrip handelszaken zouden vallen („in welken vorm ook") ;

dat app. dus niet bezwaard kan zijn met een vonnis, waarbij de rechter het criterium zoo eng mogelijk heeft gesteld;

dat wijders terecht beslist werd, dat waar de tusschen partijen gesloten overeenkomst van commercieelen aard is, de verbintenis om boete te betalen bij schending van de overeenkomst, als sequeel en accessoir, mede van commercieelen aard is, en overigens app. geen verder belang heeft bij de vraag, of hij al dan niet lijfsdwang plichtig is, aangezien hij de f 5000,— reeds onder protest heeft betaald ;

dat voor het geval het Hof van oordeel mocht wezen, dat de door app. erkende feiten geen contractschennis mochten daarstellen, nader bewijs van die schending wordt awngeboden;

dat app. het in de eerste plaats heeft doen voorkomen, alsof hij geen ander middel van bestaan had dan het huidenvak, en mitsdien nooit de bedoeling kan hebben gekoesterd zich bii de

overeenkomst uitoefening van dat vak in dienst van een ander buiten te sluiten, maar zulks niet overeenstemt met het feit, dat hij chef is van eene galanterie-zaak en winkel, genaamd de Parijsche Bazar, welke met het huiden vak niets gemeen heeft;

dat wijders ongegrond is zijn beweren als zoude hij slechts een ondergeschikt instrument wezen in dienst der huidenfirma Harmsen Zorn & Co. en deze firma integendeel eerst haren huidenhandel heeft aangevangen, nadat app. den dienst van geint. verlaten had, hebbende app. dien handel juist geheel voor haar georganiseerd, weshalve de contractschennis zoo apert mogelijk is ;

dat geint. alsnu subsidiair verzocht de volgende daadzaken met getuigen te bewijzen :

!e. dat de app. te Soerabaia drijft een winkelnering onder den

I

naam van Parijsche Bazar, alwaar geen huiden worden ingekocht noch verkocht;

2e. dat voordat de app. den dienst van geint. verliet de te Soerabaia kanteerende firma Harmsen Zorn & Co. geen zaken dreef in huiden en dat de app. de tegenwoordige huidenzaak dier firma neeft georganiseerd;

3e. dat de huidenloodsen dier firma gebouwd zijn naar de inzichten, aanwijzingen, bevelen van den app.;

firma d&t ^ aPP' zelfstandiS handelt in de 'huidenafdeeling dier

5e. dat de app. al ds transacties in huiden, welke die firma doet, zelf afsluit, en zulks zelfstandig;

6e. dat de app. door de leden dier firma bevoegd is verklaard om, behoudens zijne verantwoordelijkheid aan haar, geheel zelfstandie: haar huidenafdpplino- t* .

wordende in verband daarmede geconcludeerd voor antwoord in appel en eisch incidenteel subsidiair pro ut in scriptis ;

O. dat app. hierop bij conclusie van antwoord incidenteel subsidiair zich aan 's Hofs oordeel, onder protest van kosten refereerende, de ten bewijze aangeboden feiten heeft ontkend met uitzondering van het eerste, waarna partijen hare conclusiën nog mondeling bij pleidooi hebben toegelicht en de uitspraak is bepaald op heden ;

Ten aanzien van het recht:

O. dat app. erkend heeft zich verbonden te hebben om bij het verlaten zijner betrekking (bij geint.) gedurende 5 jaren daarna geen zaken in huiden te drijven, noch op zijn naam, noch voor rekening van een ander onder welken vorm ook, op verbeurte eener boete van f 5000.—;

dat eveneens vaststaat, dat app., ondanks de meerbedoelde clausule en binnen den evengemelden termijn, als empioijé bij de oo in huiden handelende firma Harmsen Zorn & Co. in dienst is getreden ;

dat nu de Raad van Justitie onder de uitdrukking „het drijven van zaken in huiden enz.' mede begrijpt het als empioijé dienen bij een koopman, die in huiden handelt;

dat echter het „drijven van zaken" volgens spraakgebruik beteekent ,?het aan het hoofd staan van zaken", „de impulsie geven in zaken , „het zelfstandig bewerkstellingen of dirigeeren van handelsoperatiën", hetgeen kan geschieden op eigen naam, voor rekening van een derde of onder welke andere vormen dan ook, en hieruit volgt, dat hij, die „eene zaak drijft" wel tevens daden van koophandel kan verrichten, maar niet dat een ieder, die in den handel werkzaam is, speciaal niet een handelsgeëmploijeerde, zaken drijft, hebbende de Raad van Justitie te Soerabaia dan ook bij zijne gewraakte uitspraak niet genoegzaam acht gegeven op het bestaande onderscheid tusschen de verrichtingen van den meester en den bediende;

dat verder de bewoordingen der overeenkomst duidelijk zijn, en met de mogelijke bedoeling van partijen niet te rade kan worden gegaan ;

dat derhalve geint. zal behooren te worden toegelaten om, gelijk hij subsidiair verzocht heeft, door getuigen te bewijzen de sub 2e. tot en met 5e. vermelde, door app. ontkende daadzaken, welke in haar onderling verband kunnen aantoonen, dat hij, app. niet zuiver bediende is in eene huidenzaak, maar eenigermate voor rekening van een ander zaken in huiden drijft, kunnende het sub le. vermeld feit als in hoofdzaak door app. onbetwist bij het te houden getuigenverhoor buiten sprake worden gelaten ;

Gelet behalve op de aangehaalde wetsbepalingen op art. 1342 B. W., art. 58 en 171 vlg. Regl. Burg. Rechtsvord.;

Alvorens ten principale te beslissen ;

Staat den geint. toe door getuigen te bewijzen:

vuuruat ue app. ueu uienst van geint. vernet ue ie oucraoaia kanteerende firma Harmsen Zorn en Co. geen zaken dreef in huiden, en dat de app. de tegenwoordige huidenzaak dier firma heeft georganiseerd;

dat de huidenloodsen dier firma gebouwd zijn naar de inzichten, aanwijzingen, bevelen van den app. •

dat de app. zelfstandig handelt in de huidenafdeeling dier firma;

dat de app. al de transacties in huiden, welke die firma doet zelf afsluit en zulks zelfstandig ;

Draagt het verhoor op aan "den Raad van Justitie te Soerabaia onder wiens ressort de getuigen woonachtig zijn en tot wien de meest gereede partij zich zal hebben te wenden ter bepaling van dag, plaats en uur van het verhoor;

Reserveert de kosten tot de einduitspraak.

(Ind. W. v. h. E. no. 1548).

BUITENLANDSCHE LITERATUUR.

Revue Pratique de Droit International

Privé, par M. René Vincent, 1 890

1891. — Paris, L. Larose et For-

cel, 1891.

Op verzoek der redactie van het W. v. h. R. vestig ik met een enkel woord de aandacht van den belangstellenden lezer op dit reeds voor geruimen tijd bij de redactie „pour compte-rendu" ontvangen werk.

Het verschijnt in twee-maandelijksche afleveringen en bevat een overzicht van de practijk van het Internationale Privaatrecht. Het werk heeft dan ook vooral een practisch doel.

De samensteller heeft zich daarbij, blijkens het titelblad, verzekerd van de medewerking van verschillende rechtsgeleerden voor het meerendeel landgenooten, doch ook enkele buitenlanders. Onder deze laats ten vinden wij, wat ons vaderland betreft, genoemd de heerea Tripels, advocaat te Maastricht, en H. J. A. Mulder advocaat te 's Gravenhage. '

De jaargang 1890 — 1891, die voor ons ligt, loopende tot 1 Juli 1891, is een lijvig boekdeel en laat zich gevoegelijk in drie gedeelten splitsen.

Het eerste gedeelte (452 bladzijden) behelst de Fransche en de Buitenlandsche Rechtspraak.

De 1 ransche Rechtspraak heeft daaraan het leeuwenaandeel — 424 bladzijden —, terwijl het buitenland zich moet tevreden stellen met de overige 28 bladzijden. Die verhouding — of liever wanverhouding — moge voor het Fransche rechtsgeleerde publiek aangenaam zijn, de waarde van het werk zelf kan daarbij echter niet winnen.

Immers het mag betwijfeld worden of alleen in Frankrijk, in de jaren 1890-1891, zooveel meer geschillen van internationaal privaatrecht zijn berecht geworden, dan in Italië, Zwitserland, België, Nederland en Monaco te samen.

Andere landen zijn niet vermeld.

Om weder bij ons land te blijven, vinden wij slechts opgenomen een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 11 Maart 1890, in zake de „Société de 1'Exposition d'Amsterdam .

Sluiten