Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat naar aanleiding van deze verdediging van de beklaagden moet worden onderzocht en beslist, of het reglement op het bev sschen van de Schelde en Zeeuwsche Stroomen vastgesteld bij I .od. besluit van 11 Aug. 1892 (Stbl. no. 198), toepasselijk is ook < p die wateren, welke niet aan den Staat maar aan derden toebehooren ;

0. daaromtrent, dat het vroeger geldende reglement op 'gemelde visscherijen, vastgesteld bij Kon. besluit van 17 Juli 1875 (Stbl. no. 134) toepasselijk werd geacht alleen op het domein van den Staat, omdat art. 1 van dat besluit alleen van de „tot het domein van den Staat behoorende"" visscherijen op de Schelde en Zeeuwsche Stroomen melding maakte, en dat in verband hiermede de bevoegdheid van den Koning om dat reglement vast te stellen werd ontleend aan art. 577 B. W., hetwelk bepaalt dat de bevaarbare en vlotbare stroomen en rivieren met hunne oevers behooren aan den Staat, onverminderd de door titel of bezit verkregen rechten van bijzondere personen of gemeenschappen ;

dat evenwel het reglement van 1875 is ingetrokken en vervangen door dat van 1892, welk laatste reglement zijn wettelijken grondslag vindt in het aan het hoofd daarvan aangehaald art. 9 der wet van 21 Juni 1881 (Stbl. no. 76), houdende bepalingen omtrent de zeevisscherijen ;

dat dit art. 9 aan den Koning de bevoegdheid toekent om bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur voorschriften vast te stellen tot regeling der visscherijen in het algemeen in de Schelde en Zeeuwsche Stroomen ;

dat volgens de duidelijke bewoordingen van dit artikel deze bevoegdheid is algemeen en niet beperkt tot het domein van den Staat;

dat wel is waar — gelijk door den raadsman van de beklaagden terecht is opgemerkt — bij de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer der Staten-Generaal (zie Handelingen 1880/81 blz. 1338 vlgg.) de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid heeft verklaard, dat het niet in de bedoeling der regeering lag door deze bepaling aan het besluit van 1875 eene andere beteekenis of wijdere strekking te geven dan werd aangenomen in het arrest van den Hoogen Raad van 3 Juni 1878, (zie Weekblad van het Recht no. 4254) waarbij het reglement van 1875 alleen op het Staatsdomein toepasselijk werd geoordeeld •

dat echter — daargelaten of de wet van 1881 eenige rechtskracht kon geven aan een besluit van 1875 en of de in art. 9 dier wet niet uitgedrukte bedoeling van den toenmaligen Minister bij de uitlegging daarvan in aanmerking zou mogen worden genomen — in ieder geval die verklaring alleen betrekking had op het destijds geldende reglement van 1875, maar geenszins aan den Koning ontnam de hem bij gemelde wetsbepaling uitdrukkelijk toegekende bevoegdheid om later politievoorschriften van algemeene strekking uit te vaardigen, waardoor ook het gebruik van aan particulieren in eigendom toebehoorende visscherijen kon worden geregeld en beperkt;

dat mitsdien de Koning overeenkomstig art. 56 der Grondwet bevoegd is krachtens art. 9 der wet van 1881 bij algemeenen maatregel van bestuur bepalingen, door straffen te handhaven, te maken tot regeling der visscherij in de Schelde en Zeeuwsche Stroomen, niet alleen voor zooveel die wateren aan den Staat, maar ook voor zooveel die aan derden toebehooren;

0. dat thans te onderzoeken overblijft, of in het reglement van 1892 van die bevoegdheid is gebruik gemaakt, ook ten aanzien van de wateren en visscherijen van derden;

0. daaromtrent dat, terwijl het reglement van 17 Juli 1875 was gehecht aan — en een geheel uitmaakte met het besluit van dezelfde dagteekening en tengevolge daarvan tot het domein van den Staat was beperkt, daarentegen het reglement van 1892 van dat nog geldende besluit van 1875 is losgemaakt en berust op art. 9 der wet van 1881, hetwelk wordt aangehaald in het besluit, waarbij dit reglement wordt vastgesteld en, gelijk hiervoren reeds is opgemerkt, de visscherij in de Schelde en Zeeuwsche Stroomen in het algemeen omvat;

dat bovendien, in tegenstelling met art. 1 van het besluit van 1875, volgens art. 20 van het reglement van 1892 onder de Schelde en Zeeuwsche Stroomen worden verstaan o. a. de buitendijks en buiten de havenhoofden stroomende wateren in de provincie Zeeland, zonder dat deze beperkt worden tot die welke tot het domein van den Staat behooren, waaruit volgt dat ook de aan derden toebehoorende wateren daaronder zijn begrepen ;

dat deze uitlegging van het reglement nader wordt bevestigd door de artt. 10 en 11, welke alleen op de visscherijen van den Staat toepasselijk worden verklaard, hetgeen overbodig zoude zijn indien het geheele reglement uitsluitend op die visscherijen van toepassing was ; .

0. dat de Rechtbank op deze gronden van oordeel is dat het reglement van 1892, voor zooveel daarin niet uitdrukkelijk anders is bepaald, toepasselijk is zoowel op de wateren en visscherijen van derden als op die van den Staat;

0. dat mitsdien volgens art. 1 van het reglement ook zij, die de particuliere wateren in de Schelde en Zeeuwsche Stroomen bevisschen, moeten voorzien zijn van een consent, zoodat de waardeering van de aan de beklaagden te laste gelegde feiten niet afhangt van de beslissing der vraag, of het perceel, waarop zij vischten, aan de gemeente Brouwershaven dan wel aan den Staat toebehoort;

0. dat derhalve het namens beklaagden gedane verzoek om wegens dit geschilpunt van burgerlijk recht de strafvervolging te schorsen, behoort te worden afgewezen en einduitspraak moet worden gedaan ;

O. alsnu dat de bewezen verklaarde feiten voor ieder der beklaagden moeten worden gequalificeerd: „het in vereeniging bevisschen van de Schelde en Zeeuwsche Stroomen, zonder voorzien te zijn van een door het bestuur der visscherijen op die stroomen afgegeven consent", overtredingen voorzien en strafbaar gesteld bij art. 1 van het reglement op het bevisschen van de Schelde en Zeeuwsche Stroomen, vastgesteld bij Kon. besluit van 11 Aug. 1892 (Stbl. no. 198) en art. 2 van dat besluit in verband met art. 20 der wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64);

Gezien, behalve evengenoemde artikelen, art. 23 Strafrecht, artt 214, 215, 247, 256 Strafvord. ;

Rechtdoende in hooger beroep;

Vernietigt het vonnis waarvan hooger beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Wijst af het namens de beklaagden gedaan verzoek tot schorsing der strafvervolging;

Verklaart de beklaagden schuldig aan de hun te laste gelegde feiten, hiervoren gequalificeerd;

Veroordeelt hen ieder tot eene geldboete van f 50;

Bepaalt dat enz.

(Door beklaagden is tegen voormeld vonnis cassatie aangerekend).

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE LEEUWARDEN. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 3 November 1892.

Voorzitter, Mr. B. W. N. Servatius.

Rechters, Mrs.: C. W. de Vriese en J. J. Gockinga.

Officier van Justitie, Mr. T. J. Noyon.

Het recht van verhaal, den man gegeven bij art. 185 B. W., is dat van den gesubrogeerden schuldeischer, en kan dus eerst worden uitgeoefend, wannear hij de schuld der gemeenschap betaald heeft, niet reeds zoodra hij tot betaling is aangesproken.

Van leeuwen, in hoedanigheid van curator in het kennelijk onvermogen van T. J. Hiemstra, eischer, procureur Mr. J. van Leeuwen,

tegen

Ij. R. Hoogland, toeziend voogd over J. R. J. Jippe en P. Hiemstra, minderjarige kinderen van T. J. Hiemstra uit zijn huwelijk met wijlen J. R. Jippes, welke Hoogland na het overlijden van T. J. Hiemstra is vervangen in dit proces door den over genoemde minderjarige kinderen benoemden voogd, C. v. d. Sluis, gedaagde, procureur Mr. T. van Hettinga Tkomp.

De Rechtbank enz.,

Gezien de conclusie van den heer officier van justitie strekkende daartoe, dat de eischer qq. zal worden verklaard niet-ontvankelijk in zijne vordering en veroordeeld in de kosten van het geding ; Wat de daadzaken betreft:

Overwegende dat de eischer qq. bij oorspronkelijke dagvaarding IJ. R. Hoogland, landbouwer onder Vrouwen Parochie in zijne hoedanigheid van toeziend voogd over J. R. j. j. en P. Heemstra, minderjarige kinderen van T. J. Hiemstra en zijne eerste echtgenooten J. R. Jippes en als zoodanig verplicht de belangen van deze minderjarigen, welke in dezen in strijd zijn met die van hunnen vader-voogd waar te nemen, voor deze Rechtbank heeft geroepen en bij dagvaarding en conclusie van eisch voor zijne vordering aanvoert:

dat op 17 Dec. 1885 het huwelijk van T. J. Hiemstra en genoemde J. R. Jippes, welke in algeheele gemeenschap van goederen waren gehuwd is ontbonden door het overlijden van laatstgemelde; dat de overledene tot hare erfgenamen naar de wet heeft achtergelaten hare uit dat huwelijk geborene bovengemelde 3 nog minderjarige kinderen en dat ged. is benoemd tot toezien den voogd van dezen;

dat volgens notarieelen inventaris den 1 len Maart 1886 in tegenwoordigheid van ged. in zijne qualiteit opgemaakt, het totaal actief der gemeenschap bedroeg :

a. aan roerende lichamelijke goederen en vorderingen f5842.20 ;

b. eene zathe en landen onder Finkum, sedert door T. J. Hiemstra] zoo voor zich als in qualiteit van vader voogd verkocht voor f 48.000, aan J. T. Hiemstra, onder meer onder voorwaarde, dat uit den koopprijs zouden worden betaald de ten laste der bedoelde huwelijksgemeenschap bestaande hypothecaire schulden, samen f 44.000, behalve de interessen, terwijl het dan nog overschietende zal strekken in mindering der door den kooper aan die gemeenschap verstrekte gelden ;

c. 7, aandeel gemeen en onverdeeld in den blooten eigendom der nalatenschap van der erflaatster vader door zijne weduwe in vruchtgebruik bezeten, dat bezwaard met '/„ in eene hypothecaire schuld van f 14.000, en vertegenwoordigende eene waarde van ongeveer f 6000 ;

d. 2 graven op het kerkhof der IJ. Gemeente te Fenkum ; terwijl het totaal passief dier gemeenschap beliep f 117.768.71 ; dat die gemeenschap bij een actief van nog geen f 60.000,

tegenover dit passief, na realisatie in ieder geval zoude sluiten met een nadeelig slot van ruim f 57.000 voor de helft voor rekening der minderjarigen ;

dat T. J. Hiemstra den 15en Nov. 1886 de schuld der gemeenschap wegens door zijnen vader J. T. Hiemstra aan hem geleende ge den, in den inventaris omschreven tot een totaal bedrag van 68.000 behalve de renten nader met dezen heeft vastgesteld op 0.000 rentende naar 4 ten honderd in het jaar sedert den len Mei 1886 ;

dat mtuit: bij gemelden inventaris is vermeld eene vordering van U. W. Terpstra wegens geleend geld, groot f 2000 rentende naar 5 ten 100 in het jaar ;

dat T. J. Hiemstra den 6en Juli 1891 is gesteld in staat van kennelijk onvermogen, met benoeming van eischer tot curator •

dat bij de verificatie der schuldvorderingen in dat kennelijk onvermogen als erkende sehuldeischers zijn toegelaten en deze alzoo T. J. Hiemstra over het geheel hebben aangesproken :

1". J. T. Hiemstra en 5 zijner kinderen, samen voor f 6658.79® makende met het moederlijk erfdeel van den in staat van kennelijk onvermogen verklaarde ad f 5841.21, hem toebedeeld in mindering van schuld van hem en zijne minderjarige kinderen bij scheiding der nalatenschap van C. E. P. Bosch, in leven echtgenoote van J. T. Hiemstra, den 18en Febr. 1891 ab intestato overleden, juist de door zijne eerste huwelijksgemeenschap per resto verschuldigde f 10.000 en 5 jaren rente daarvan ad f2000 samen f 12000; '

2°. U. W. Terpstra voor f 2000 met 5 ten 100 rente in het jaar, sedert den len November 1889, samen f 2100 op den len Nov. 1890;

dat mitsdien de boedel van T. J. Hiemstra van diens 3 kinderen als erfgenamen hunner moeder heeft te vorderen de helft van f 14.100 of f 7050,— waarop evenwel door hen kan worden gekort de som van f 2921.10, vertegenwoordigende de helft deiroerende lichamelijke goederen en vorderingen sub a van het actief der betrekkelijke huwelijksgemeenschap:

dat de nalatenschap voor de minderjarigen niet is aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving en dat hun alsnog toebehoort de helft in het onverdeeld 1/h aandeel in de nalatenschap van hun grootvader sub c hiervoren vermeld -

O• dat de gedaagde zonder de zaak au fond te bespreken, de niet-ontvankelijkheid der vordering voorstelt op grond :

1 . dat eischer niet vraagt teruggave van de helft der som, welke het gewezen hoofd der huwelijksgemeenschap werkelijk betaald heeft tot algeheele kwijting van schulden der gemeenschap en het zonneklaar is dat de toewijzing van den eisch de pupillen, voor wie ged. geroepen is op te komen, grootelijks zoude benadeelen en verongelijken; dat de sehuldeischers der gemeenschap terecht hunne vordering trachten te verhalen op den in staat van kenne- ] lijk onvermogen verklaarden boedel van het gewezen hoofd der gemeenschap en zij, indien zij daaruit niet meer dan 50 pet. hunner vorderingen mochten ontvangen, voor het restant hunne aan- i spraak kunnen richten tegen de erfgenamen der vrouw;

2 . dat de minderjarige erfgenamen der vrouw niet als zuivere

erfgenamen aangesproken en veroordeeld kunnen worden als hun voogd nagelaten heeft de nalatenschap te aanvaarden ónder het voorrecht van boedelbeschrijving; dat toch het absoluut gebiedend voorschrift der wet, dat de voogd niet anders mag aanvaarden dan onder benificie van inventaris, nietig maakt, al wat de voogd in strijd daarmede verricht en ook derden, welke dientengevolge met den voogd nietige handelingen hebben tot stand gebracht, zich die nietigheid zei ven hebben te wijten, daar zij geacht worden de wet te kennen, die zulke handelingen verbood ■ dat een en ander te meer klemt, omdat de curator, den boedel des vaders voor diens crediteuren te gelde makend en daartoe ook zijne vori deringen innend, eenvoudig de rechtsvorderingen van dien vader ' doet gelden en te dien opzichte geene meerdere rechten kan doen gelden dan de vader zelf had, terwijl nu deze, die een Gebiedend wetsvoorschrift had overtreden, toch onmogelijk door die overtreding zich zeiven tegenover zijne minderjarige kinderen in betere conditie had kunnen brengen, dan waarin hij geweest ware, zoo hij de wet had nageleefd ;

3°. dat volgens ged/s meening de vader en voogd niet reeds v«ór de slotrekening over het voogdijbeheer en staande de minderjarigheid der pupillen de gelden, welke hij beweert voor zijne minderjarige kinderen te hebben voorgeschoten, van hen kan terugvorderen, zonder rekening en verantwoording van zijn beheer en aldus illusoir maken het rechterlijk toezicht dat anders, zoo hangende de voogdij geld geleend of goed verkocht moet worden om uitgaven boven de inkomsten te dekken, de machtiging des Kantonrechters na advies der familie vordert •

O. dat eischer bij uitvoerige conelusie^deze niet-ontvankelijkheid bestrijdt hiermede :

1°. dat de wet voor deze vordering niet stelt de voorwaarde dat eischer de schulden betaald hebbe, maar alleen, dat hij deswege zij aangesproken, aan welke laatste voorwaarde is voldaan • dat de sehuldeischers door den man voor het geheel aan te spreken hunne vordering tegen de vrouw of hare erfgenamen voor de helft niel prijsgegeven en dat het daarom onverschillig is, hoeveel zij van den man hebben of zullen hebben verkregen ■

2 . dat hoezeer het instellen dezer vordering door de wet niet afhankelijk is gemaakt hiervan, dat de betrekkelijke nalatenschap niet beneficiair is aanvaard, intusschen de voogd er eindelijk toe is overgegaan de verklaring van aanvaarding onder beneficie ter Griffie der Rechtbank af te leggen, blijkens bij de conclusie in afschrift aan den procureur der gedaagden overgegeven extract van die op de minute geregistreerde en ter Griffie berustende akte, dat deze verklaring terugwerkt tot op den dag van het openvallen der erfenis en dat daarenboven niet alles, wat de voogd in strijd met het wettelijk voorschrift verricht, absoluut nietig is ;

3°. dat deze vordering niet praejudiceert op de rekénplichtigheid van den voogd en geheel onafhankelijk is van de voogdij als ingesteld door eischer die dezelfde rechten kan doen gelden als de vader tegen diens kinderen als erfgenamen zijner vrouw ■ dat eischer ten slotte nog een dubium opwerpt of niet ged.,' omdat hij zonder machtiging en zonder redelijken grond zich tegen de vordering verzet, niet uit eigen beurze de kosten van dit geding moet dragen ;

0. dat de ged. bij zijne middelen van verweer blijft volharden, vooral wijzende op de beteekenis van de uitdrukking „verhaal" in art. 185 B. W. en wat de later uitgebrachte verklaring van beneficiaire aanvaarding betreft, aanvoerende, dat een geding moet worden uitgewezen naar den stand van zaken ten dage der dagvaarding, om daarna zich voor te behouden bij pleidooi aan te toonen de onredelükheid der poging van eischer om ged. als een nalatig voogd en een temere litigans aan de kaak te stellen;

0. dat na het wisselen dezer conclusien bij geregistreerd exploit van den deurwaarder A. Voet, onder beteekening van een akte van overlijden van T. J. Hiemstra, in het hoofd der dagvaarding genoemd, op den 12en Maart 1892 en een authentiek afschrift van diens voor den notaris D. Burgy ter standplaats Roordahuizum op den 23en Oct. 1891 verleden testament, ten verzoeke van den heer C. v. d. Sluis, candidaat-notaris te Leeuwarden en ten verzoeke van den ged. qq. aan den eischer qq. is aangezegd dat tengevolge het overlijden van genoemden Hiemstra, ged. Hoogland zijne qualiteit, waarin hij bij bestaanden strijd van belangen dit proces voerde, heeft verloren en mitsdien het ophouden der betrekking waarin ged. Hoogland dit proces moest voeren, de oorzaak is der schorsing van dit geding en voorts dat dit proces door den heer van der Sluis voornoemd in zijne qualiteit van bij voormeld testament benoemd voogd over de minderjarigen

J. K. J. J. en P. Hiemstra op de laatste gedingstukken wordt nervati

0. dat ten processe vaststaat, dat T. J. Hiemstra en J. R. Jippes waren gehuwd in algeheele gemeenschap van goederen, dat hun huwelijk den 17en Dec. 1885 door den dood der vrouw is ontbonden, dat de overledene tot hare erfgenamen naar de wet heeft achtergelaten hare 3 thans nog minderjarige kinderen, dat de vereischte beschrijving der gemeenschap binnen 3 maanden na het overlijden heeft plaats gehad ; dat T. J. Hiemstra den 6en Juli 1891 is gesteld in staat van kennelijk onvermogen en dat bij de verificatie der schuldvorderingen in dit kennelijk onvermogen als erkende sehuldeischers zijn toegelaten 1°. J. T. Hiemstra voor eene som van f12000 en 2°. U. W. Terpstra voor eene som van f 2100, beide sommen door de huwelijksgemeenschap van T. J. Hiemstra en J. R. Jippes aan hen verschuldigd;

O. dat de curator in het „kennelijk onvermogen" van de erven der vrouw onder inroeping van art. 185 B. W. vordert, betaling van de helft der som, waarvoor J. Hiemstra en U. W. Terpstra in het „kennelijk onvermogen" zijn erkend en bijgevolg T. J. Hiemstra is aangesproken, zulks onder korting van het aandeel der erven in eenig actief der gemeenschap;

0. dat als eerste middel van niet-ontvankelijkhaid tegen deze vordering door de wederpartij is aangevoerd, dat het gewezen hoofd der gemeenschap na hare ontbinding alleen kan terugvorderen de helft van hetgeen hij werkelijk heeft betaald tot algeheele kwijting van schulden der gemeenschap maar geen actie uit genoemd art. 185 heeft zoolang hij nog slechts is aangesproken tot betaling;

0. aangaande dit middel, dat art. 185 B. W. na de ontbinding der gemeenschap den man voor het geheel aansprakelijk maakt voor de schulden der gemeenschap, dat zulks geschiedt in het belang en ten behoeve van de sehuldeischers, maar niet om daarmede af te wijken van den regel van het voorafgaand art. 183 in verband met art. 1147 B. W., volgens welken de vrouw of hare erfgenamen voor de helft in de betaling van de schulden der gemeenschap hebben te dragen ;

dat integendeel meergemeld art. 185 dien regel wil gehandhaafd hebben blijkens de slotwoorden, waarin het den man, die voor het geheel wordt aangesproken, verhaal op de vrouw of hare erfgenamen voor de helft laat behouden ;

O. dat dit woord „verhaal" in het corresponderend art. 1486 van den C. C. „recours" (droit de reprise) genoemd en ontleend aan het werkwoord „verhalen" gelijk opnieuw halen, terugkrijgen, herstellen (zie de woordenboeken van Weiland en van van Daalen in voce) ook door den wetgever passim wordt gebruikt

Sluiten