Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 26 Juni 1893. j\° 6549

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

V1JF-EN-VIJFTIGSTE JAARGANG. JUS ET VERITAS

Dit blad verschijnt des Maandags. Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang /' 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der

advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. w°. 124).

WETGEVING.

EERSTE KAMER DER STATEN-GENERAAL,

Wijziging van artikel 3 der wet van 26 April 1852 (Staatsblad no. 92), houdende regeling der afkondiging van algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat.

(Zie het V. V. der Tweede Kamer in W. no. 6323 en het antwoord daarop in W. no. 6336).

VOORLOOPIG VERSLAG.

Verscheidene leden hadden bezwaar tegen deze wetsvoordracht. Zij achtten de voorgestelde verkorting van den termijn van het in werking treden van die algemeene maatregelen van bestuur, waarvan gelijktijdige plaatsiDg in het Staatsblad en de Staatscourant bevolen wordt, bedenkelijk. Het is toch volgens hen zeer Hogelijk, dat de algemeene maatregel niet in alle streken van het Rijk reeds op den tweeden dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en der Staatscourant, waarin hij is opgenomen, bij het Publiek bekend is. Men had hierbij het oog op vele afgelegen Plaatsen aan de grenzen, met geringe middelen van verkeer. Toch zoude juist daar de toepassing van de maatregelen, welke het hier betreft, veelvuldig kunnen voorkomen ; het verkorten immers van den termijn geschiedt voornamelijk ten behoeve van sanitaire doeleinden. In vele gevallen zullen daarbij verbodsbepalingen omtrent doorvoer van vee of van goederen zijn voorgeschreven, waarmede de vaak verspreid en ver af wonende bewoners in aanraking zullen komen, zonder ze nog te kennen.

Het antwoord door den Minister gegeven op eene opmerking van gelijken aard als hier medegedeeld voorkomende in het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer, dat bij overtreding vaneenen maatregel van algemeen bestuur uit onbekendheid wegens het niet tijdig aankomen van de Staatscourant of het Staatsblad, ook de autoriteit zelve, die de overtreding zoude hebben te constateeren, veelal onbekend met den maatregel zoude zijn, achtten deze leden weinig afdoende, daar de autoriteiten spoediger de besluiten vernemen dan het publiek, dat in streken als hierbedoeld geen Staatscourant of Staatsblad leest. In dit gemis aan kennisneming der officieele bladen wordt ook niet voldoende voorzien door het lezen der kleine plaatselijke bladen, die niet altijd de officieele publicaties opnemen, hunne berichten dikwerf ontleenen aan andere bladen en soms slechts enkele malen of eens per week verschijnen. Eene goede wijze van bekendmaking aan de ingezetenen is de mededeeling van besluiten door den Commissaris der Koningin aan de burgemeesters, die vervolgens door aanplakking in hunne gemeente de gemeentenaren van het besluit in kennis stellen, maar dit zal binnen eenen termijn van slechts twee dagen na de afkondiging niet altijd mogelijk zijn.

Bovendien moet nog in het oog gehouden worden, dat, mogen wetten door den weg, dien zij hebben moeten afleggen alvorens tot stand te komen, bij hare afkondiging aan het publiek eenigszins bekend zijn, althans niet gezegd kunnen worden het te verrassen, dit laatste met eenen algemeenen maatregel van bestuur ■wel het geval kan zijn. Met het oog hierop woog het bezwaar te meer tegen den verkorten termijn, die van zelf werkt, alleen reeds door de wijze van publiceeren. De Regeering heeft wel medegedeeld in haar antwoord aan de Tweede Kamer, dat zij er ongetwijfeld naar zal streven aan den aandrang zooveel mogelijk gevolg te geven om zich niet dan bij hooge noodzakelijkheid van dien korten termijn te bedienen, maar men zoude de voorkeur geven aan eene goede regeling ook voor die gevallen, die het streven der Regeering te machtig bleken.

De vraag werd gedaan of wellicht niet op andere wijze dan op de thans voorgestelde was te voorzien in buitengewoon spoed eischende gevallen. Men zoude bijvoorbeeld de bestaande bepaling kunnen aanvullen als volgt: „in bijzondere spoed eischende gevallen kan laatstgemelde termijn tot 2 dagen worden ingekort." Men zoude aan dien korten termijn kunnen bezigen voor die maatregelen, die in afgelegen plaatsen niet bekend behoeven te zijn. Volgens het voorstel der Regeering zal men slechts de keuze hebben tusschen twintig en twee dagen.

Andere leden verklaarden de hier ontwikkelde bezwaren niet te deelen. Zij meenden, dat met den geregelden postdienst van den tegenwoordigen tijd zeer goed in eén dag in de verst verwijderde plaatsen van het Rijk de gepubliceerde algemeene maatregelen van bestuur zouden bekend zijn: zij konden zich met de wetsvoordracht vereenigen.

Vastgesteld 12 Juni 1893.

De Savornin Lohman. Rahusen.

Nijsingh. Pijnappel. Vlielander Hein.

MEMORIE VAN ANTWOORD.

Naar aanleiding van de bezwaren, door verscheidene leden blijkens het Voorloopig Verslag ten aanzien van deze wetsvoordracht geopperd, veroorlooft de ondergeteekende zich, aan hetgeen door andere leden tegen die bedenkingen werd aangevoerd, alsnog bet volgende toe te voegen.

Naar de thans voorgestelde regeling zal de algemeene maatregel van bestuur, waarvan gelijktijdige plaatsing in het Staats¬

blad en de Staatscouraat bevolen wordt, in werking treden op den tweeden dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en de Staatscourant, waarin hij gsplaatst is. Nu draagt de Staatscourant steeds de dagteekening van den dag volgende op dien waarop zij wordt uitgegeven. Zoodanige maatregel zal dus eerst in werking treden meer dan tweemaal vier en twintig uren nadat de Staatscourant, waarin het betrekkelijk besluit is opgenomen, werd uitgegeven. Aan het bezwaar dat niet ieder de Staatscourant leest, komen, voor zooverre dit bestaat en in aanmerking behoort te worden genomen, de niet officieele bladen in zeer belangrijke mate te gemoet. Officieele publicaliën plegen door sommige couranten reeds opgenomen te worden in de nummers die denzelfden avond waarop de Staatscourant wordt uitgegegeven, verschijnen. Waar het besluiten betreft bij welker spoedige kennisneming, juist om den spoedeischenden aard daarvan, het publiek groot belang heeft, rechtvaardigt de ondervinding de verwachting, dat zij ook in 't vervolg in de plaatselijke nieuwsbladen reeds den daarop volgenden dag, in ieder geval vóór de inwerkingtreding, bekend genaakt worden. Wel zijn er kleine plaatselijke bladen, die slechts enkele malen of eens per week verschijnen, maar in de plaatsen waar die couranten worden uitgegeven, zijn dat dan niet de eenige bladen die aldaar gelezen worden.

Men kan aannemen dat ook daar van een of meer der in eene omliggende gemeente dagelijks verschijnende bladen, zoo deze des avonds verschijnen, den volgenden dag en anders op den dag der uitgifte wordt kennis genomen. Bovendien, ware het bezwaar van ernstigen aard, het zou zich thans reeds, zij het dan ook in geringer mate, hebben doen gevoelen voor die plaatsen waar slechts eenmaal per week een blad verschijnt, ook in de gevallen waarin naar de bestaande wet de algemeene maatregel in werking treedt op den vijfden dag na de afkondiging.

Uit de bedenking in het Voorloopig Verslag aangevoerd tegen eene bekendmaking door middel van aanplakking van het besluit in de verschillende gemeenten des Rijks zou volgen, dat dit middel van openbaarmaking tot bereiking van het door deze wetswijziging beoogde doel op zich zelf niet voldoende zou zijn. Eene mededeeling van het besluit door de Regeering aan de Commissarissen der Koningin, die daarmede de burgemeesters in hunne provincie zouden moeten in kennis stellen, waarna dan door laatstgenoemden de aanplakking moet worden bevorderd, zou inderdaad grooter tijdsverloop vorderen dan vereenigbaar is met den korten termijn van inwerkingtreding. Maar niets belet, om in voor het algemeen belang werkelijk dringende gevallen, waarin de gemeentenaren zeiven tot de toepassing moeten medewerken, van Regeeringswege rechtstreeks eene opdracht tot publicatie aan de burgemeesters te doen.

In 't bijzonder wordt in het Voorloopig Verslag de aandacht gevestigd op besluiten houdende verbodsbepalingen omtrent doorvoer van vee of van goederen. Mocht werkelijk in eenig bijzonder geval door sommige ver af wonende bewoners geen kennis kunnen zijn genomen van zoodanig besluit dan mag veilig verwacht worden, gelijk de ondergeteekende ook de eer had op te merken in de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer, dat in zoodanig geval eene strafvervolging niet zal worden ingesteld.

De vraag werd gedaan of wellicht niet op andere dan de thans voorgestelde wijze in buitengewoon spoedeischende gevallen kon worden gehandeld, bij voorbeeld door aan de bestaande bepaling toe te voegen : „In bijzondere spoedeischende gevallen kan laatstgemelde termijn tot 2 dagen worden ingekort." Het denkbeeld verdient voorzeker overweging. Over de vraag echter, of de Grondwet zoodanige bepaling toelaat, zou eene gedachten wisseling te dezer gelegenheid niet beantwoorden aan het doel waarmede deze wetsvoordracht is ingediend.

De ondergeteekende meent in den tegenwoordigen stand der zaak dan ook in 't midden te kunnen laten, of door de bedoelde bepaling het in de afdeelingen geopperd bezwaar wel zou worden opgeheven, daar deze wetsvoordracht, blijkens de Memorie van Toelichting, in het bijzonder op het oog heeft maatregelen die ten doel hebben afwending van besmettelijke ziekten onder menschen of vee, dus juist de zoodanige die dikwijls in afgelegen plaatsen moeten werken. Wat daarvan echter ook zij, de gemaakte opmerking zal niet uit het oog worden verloren. Bij eene wenschelijke geheele herziening der wet van 26 April 1852 {Staatsblad no. 92), die bezwaarlijk zal kunnen achterwege blijven, zal het aangegeven denkbeeld ongetwijfeld nader in ernstige overweging worden genomen, en zal de thans gegeven wenk op de alsdan te nemen beslissing, naar verwacht mag worden, niet zonder invloed blij ven.

■De Minister van Justitie, Smidt.

Het wetsontwerp, aan de orde van behandeling in de Vergadering van 16 Juni jl., werd na een uitvoerige gedachtenwisseling tusschen Jhr. de Savornin Lohman en den Minister van Justitie aangenomen met 32 tegen 10 stemmen.

Tegen stemden de heeren Pijnappel, van Nispen tot Pannerden, Kist, Sassen, Melvil van Lijnden, van Pallandt van Waardenburg van Neerijnen, Fransen van der Putte, de Savornin Lohman, Muller en van Royen.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 18 Mei 1893.

Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

Raadsheren, Mrs.: J. Kalff, I. Teltino, P. R. I^eith, Jhr. B.

C. de Jonge, Ph. van Blom en A. P. Th. Eyssell.

Eene beslissing berustende op de uitlegging van eer.e tusschen partijen getroffen overeenkomst kan geen punt van onderzoek in cassatie uitmaken.

Door de bepaling dat, waar overeengekomen is betaling vóór de levering, de kooper recht heeft, alvorens te betalen, de goederen te bezichtigen, kunnen de artt. 1302 en 1303 B. W. niet geschonden zijn.

G. L. G. van Ditzhuyzen, eischer, advocaat Jhr. Mr. E. N. de

Bkadw,

tegen

A. H. Rodrigues, verweerder, advocaat Mr. H. de Ranitz, gepleit

Mr. B. E. Asscher, uit Amsterdam.

De proc.-gen. heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

hde.1 Hoog Achtbare Heeren ! De wetsartikelen die in het middel gezegd worden te zijn geschonden en verkeerd toegepast zijn 1302, 1302 en 1493 — 1554 B. W. Er wordt dus geklaagd ook over schending en verkeerde toepassing van den geheelen titel van het Burg. Wetb. van koop en verkoop, met uitzondering alleen van de in de beide laatste afdeelingen van dien titel vervatte bepalingen betrekkelijk het recht van wederinkoop en den koop en verkoop van inschulden en andere onlichamelijke rechten. En nu is het wel waar dat de eischer bij pleidooi zijne bedoeling heeft gepreciseerd, door op te geven welke van de 61 in het middel genoemde artikelen uit den titel van koop en verkoop hij beweert te zijn geschonden (hij wees aan de artt. 1493, 1510 en 1511), maar art. 406 B. R. wil dat hel middel zal aanwijzen de wette lijke voorschriften die de eischer beweert te zijn geschonden of verkeerd toegepast, en aan dien eisch der wet is met de aanwijzing in het middel van de artt. 1493—1554 B. W. niet voldaan. Het gevolg daarvan is echter niet dat de voorziening niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard, maar slechts dat de beweerde schending en verkeerde toepassing van de artt. 1493—1554 B. W. buiten aanmerking zal behooren te blijven en alleen zal kunnen worden onderzocht of door de aangevallen beslissing de artt. 1302 en 1303 B. W. zijn geschonden of verkeerd toegepast.

Men zie de ook door den verweerder aangehaalde arresten van 26 Febr. 1864, 25 Jan. 1867 ; 19 April 1870 en 2 Juni 1876 ( Weekbl. nos. 2568, 2872, 3997, mede te vinden bij v. d. Honert B. R., deel 28 pag. 338, deel 31 pag. 56, deel 34 pag. 401 en deel 46 pag. 279).

Het middel is, dat de daarbij genoemde wetsartikelen zijn geschonden of verkeerd toegepast, doordien bij het beklaagde arrest is aangenomen dat de kooper — indien hij de gekochte hem niet reeds bekende zaak niet aan een onderzoek kan onderwerpen tijdens het tot stand komen der overeenkomst, hetzij omdat de zaak zich op eene andere plaats bevindt, hetzij omdat de zaak, zooals in casu nog gefabriceerd moet worden, of nog eenige bewerking ondergaan — gerechtigd is bedoeld onderzoek te doen zoodra hij daartoe in de gelegenheid is, en zulks voor en afgescheiden van de levering, en op dien grond in casu, waar gelijk feitelijk vaststaat, was bedongen betaling vóór de levering, de overeenkomst van koop en verkoop op vordering van den verweerder ontbonden is verklaard met schadevergoeding, omdat de eischer in cassatie niet aan die beweerde verplichting tot het doen bezichtigen door den kooper van de gefabriceerde zaak heeft voldaan, terwijl de wet in geen der bepalingen omtrent koop en verkoop den kooper zulk een recht (toekent), den verkooper zulk eene verplichting oplegt, en de kooper, als hij de zaak heeft gekocht zonder haar te kennen, wel in de gelegenheid is bij de levering, alvorens de te leveren zaak aan te nemen, die te bezichtigen en te onderzoeken, waartoe in den regel de gelegenheid bestaat vóór de betaling, omdat de kooper slechts behoeft te betalen tegen en bij de levering, doch de kooper het zich zelf te wijten heeft indien hij heeft toegestemd in het beding betaling vóór de levering, dat hij nu tot die bezichtiging bij de levering slechts na de betaling in de gelegenheid zal zijn.

Het middel is dus alleen gericht tegen de beslissing van het Hof op des app.'s (nu eischer) eerste grief, dat de Rechtbank ten onrechte zou hebben aangenomen dat, waar overeengekomen is betaling vóór de levering, de kooper recht zou hebben, alvorens te betalen, de goederen te bezichtigen; zoodat buiten beschouwing behoort te blijven dat wat het Hof heeft uitgemaakt betrekkelijk des app.'s tweede grief, dat zijne weigering om den kooper tot bezichtiging toe te laten in geen geval zon zijn eene nalatigheid in de levering, op grond waarvan alleen bij dagvaarding de ontbinding gevraagd is, en ook slechts uitgesproken kon worden.

Maar nu behoeft het toch zeker geen betoog, dat de vraag of de kooper bevoegd is vóór en afgescheiden van de levering 'bezichtiging te vorderen van het gekochte, dat hij tijdens het tot stand komen der overeenkomst niet heeft kunnen onderzoeken en ot de verkooper verplicht is hem die bezichtiging toe te staan, hare oplossing niet kan vinden in de artt. 1302 en 1303 B. W.,

Sluiten