Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den procureur van den toen ged. ontvangen had, nadat haai reeds vroeger eene som van f 2500 was ter hand gesteld;

dat de eischeres toen in dato 20 Maart 1888 het navolgende aan den ged. had verklaard:

De ondergeteekende J. G. E. K., wonende te Haarlem, wiei huwelijk met Dr. H. B. S. H. door echtscheiding is ontbonden verklaard bij vonnis der Arrond.-Rechtbank te Rotterdam dd. 2S Maart 1887 verklaart behalve een reeds uitgekeerde som van f 2500 waarvoor bereids bij volmacht kwijting is gegeven, alsnog uit handen van haren gewezen echtgenoot Dr. H. B. S. H, te hebben ontvangen eene som van f 800, met de uitbetaling van welke som van f 800 de ondergeteekende uitdrukkelijk erkent afstand te doen van het recht om de scheiding en deeling te vragen van de gemeenschap van goederen voorzoover die bestond tusschen haar en genoemden Dr. H., verklarende de ondergeteekende dat al hare aanspraken en rechten op die gemeenschap door de uitbetaling van genoemde som ten volle en zonder eenig voorbehoud geheel zijn gekweten, alsmede verklarende dat door de uitbetaling van voormelde som alle overige rechten gekweten zijn, welke zij zoude kunnen geldend maken krachtens de akte van huwelijksvoorwaarden door de ondergeteekende met genoemden Dr. H. in dato 12 Mei 1865 aangegaan voor den te Susteren (provincie Limburg) resideerenden notaris J. F. H. Meeuwissen, zoodat zij de vorderingen ingesteld bij exploit van dagvaarding in dato 5 Nov. 1887 beteekend door den deurwaarder S. P. Vink te Rotterdam intrekt, als zijnde naar genoegen gekweten.

Haarlem, 20 Maart 1888. (w. g.) J. G. E. K.;

dat nu uit vorenstaande verklaring blijkt zoo ondubbelzinnig mogelijk, dat de eischeres van ged. niets hoegenaamd meer te vorderen heeft naar aanleiding der bestaan hebbende beperkte gemeenschap van goederen, daar de algeheele gemeenschap van goederen was uitgesloten krachtens de hierbij overgelegde akte van huwelijksvoorwaarden, waarvan afschrift aan partij wordt overgegeven, wordende hieraan nog toegevoegd het meervermeld exploit van dagvaarding in dato 5 Nov. 1887 vanwege eischers uitgebracht;

dat alhoewel nu tusschen eischeres en ged. de scheiding niet aldus plaats moge gehad hebben dat daarbij in alle de'tails de bestanddeelen van de beperkte gemeenschap zijn genoemd zoo wat de passiva als de activa betreft, toch de scheiding en deeling in dier voege is tot stand gekomen dat eischeres zich met eene uitkeering ten slotte van f 3300 heeft tevreden gesteld en deswege ged. volkomen heeft gedechargeerd, zoodat de eischers geen enkel belang kunnen doen gelden om alsnu nog eene scheiding en deeling te erlangen daar alle rechten daaruit voortvloeiende reeds zijn vereffend en waar geen belang bestaat, bestaat ook geen actie;

O. dat de eischers replicerende daartegen aangevoerd hebben dat het stuk den 20en Maart 1888 door eischeres geteekend, het bewijs in zich draagt dat het door bedrog is verkregen en tevens bewijst dat er nog geen scheiding en deeling heeft plaats gehad;

dat immers de eischeres bij dit stuk uitdrukkelijk erkent afstand te doen van het recht om de scheiding en deeling van de gemeenschap te vragen en dus als in strijd met de bepaling van art. 1112 B, W. alle waarde mist;

dat voorts de f 2500 die zij ontvangen heeft, voortspruiten uit den verkoop van 2 huizen die niet behoorden tot de gemeenschap H.—K. en zij daar te boven maar */, van het provenu dier huizen ontvangen heeft, terwijl daarvan aan den gemachtigde van den ged. zijn afgegeven ;

dat die verkoop heeft plaats gehad op 17 Febr. 1886 en dus meer dan een jaar voor de uitspraak der echtscheiding op 28 Maart 1887 ;

dat zij f 800 aangenomen heeft op een tijdstip dat zij in zeer droeve flnantieele omstandigheden verkeerde;

dat haar in 1892 door den notaris Westerouen van Meeteren en den candidaat-notaris Ruijchaver een volmacht en eene projectakte van scheiding is voorgelegd en die volmacht strekken moest om namens haar mede te werken tot scheiding en deeling van de gemeenschap van goederen waarin zij met haren vroegeren echtgenoot gehuwd was en om de daarvan op te maken akte te teekenen, biedende zij van die volmacht en project-scheiding mededeeling aan, bewerende zij voorts dat daaruit dus volgt dat er nog nooit eene scheiding of deeling plaats gehad heeft;

Concludeerende zij mitsdien dat de Rechtbank de akte van 20 Maart 1888 zou verklaren nietig en van onwaarde, althans die te vernietigen en dat den eischers hunne vordering zal worden toegewezen ;

O. dat de ged. aupliceerende heeft opgemerkt dat hetgeen door de le eischeres wordt opgegeven, niet strekken kan om aan te toonen dat de akte van 20 Maart 1888 op bedriegelijke wijze zou zijn verkregen ;

dat de erkenning van de ontvangst van f 2500 niet zijn voorgesteld als de opbrengst van huizen, maar dat zij die na de uitspraak der der echtscheiding als uit de gemeenschap voortspruitende, ontvangen heeft op 6 Jan. 1888 ;

dat de eischeres de ontvangst van de f 800 evenzeer erkent en dus ook daaruit niet volgt dat de akte op bedriegelijke wijze verkregen zou zijn ;

dat de ged. van het ter teekening aanbieden van eene volmacht of nadere akte van scheiding niets weet en daartoe geen last gegeven heeft, dat alinea 2 van art. 1112 B. W. in deze alle toepassing mist nadat eischeres bij dagvaarding van 5 Maart 1887 de scheiding gevorderd heeft en daarna van die vordering afstand gedaan heeft bij de tusschen partijen tot stand gekomen transactie ;

Weshalve hij bij zijne conclusie bleef persisteeren ;

In rechten:

O. dat tusschen partyen in confesso is dat de le eischeres die met deu ged. gehuwd is geweest doch wier huwelijk bij vonnis dezer Rechtbank van 28 Maart 1887 door echtscheiding is ontbonden verklaard, den 5en Nov. 1887 den ged. voor deze Rechtbank heeft geroepen om met haar over te gaan tot scheiding en deeling der beperkte gemeenschap van goederen waarin zij bij huwelijksche voorwaarden blijkens akte den 12en Mei 1865 voor den notaris J. F. H. Meeuwissen verleden, waren gehuwd;

dat de le eischeres van die vordering echter afstand gedaan had bij transactie den 20en Maart 1888 te Haarlem onder de hand geteekend en waarvan de inhoud hiervoor in de conclusie van antwoord des gedaagden is wedergegeven;

O. dat de eischers nu beweren dat die akte zou zijn nietig, vooreerst omdat de eischeres daarin zou erkennen afstand te doen van het recht om scheiding en deeliug der voormelde gemeenschap te vragen en ten andere omdat die akte door bedrog zou zijn verkregen ;

O. nu wat die akte betreft, dat de le eischeres daarin verklaart dat zij behalve eene som van f 2500 alsnog uit handen van haren gewezen echtgenoot ontvangen heeft de som van f800, met de uitbetaling van welke som zij uitdrukkelijk erkent afstand te doen van het recht om scheiding en deeling te vragen van de gemeenschap van goederen, verklaiende zij dat al hare aanspraken

en rechten op die gemeenschap door die uitbetaling ten volle en zonder eenig voorbehoud geheel zijn gekweten, alsmede dat door ! de uitbetaling van voormelde som alle overige rechten gekweten zijn welke zij zou kunnen geldend maken krachtens de akte van huwelijksvoorwaarden, tengevolge waarvan zij dan ook hare vordering bij exploit van 5 Nov. 1887 beteekend, intrekt, als zijnde naar genoegen gekweten ;

O. dat uit die akte wel niet anders valt af te leiden dan dit, dat de le eischeres die een recht om boedelscheiding of scheiding van huwelijksgemeenschap te vorderen had, volkomen naar genoegen gekweten was en dus van hare vordering tot scheiding en deeling in rechten afstand deed ;

O. dat die akte, daar de eischeres sui juris was en tegenwoordig, immers dat zij die akte onderteekend heeft wordt door haar erkend, dus voldoet aan hetgeen art. 1115 B. W. voor eene akte van boedelscheiding vordert;

O. dat daartegen dan ook niet kan afdoen wat nu door de eischers beweerd wordt, dat zij daarbij afstand zou gedaan hebben van haar recht om boedelscheiding te vorderen, hetgeen bij alinea 2 van art. 1112 uitdrukkelijk zou verboden zijn;

O. dat art. 1112 B. W. wel is waar voorschrijft dat de boedelscheiding niettegenstaande eenig daarmede strijdig verbod ten allen tijde kan worden gevorderd, maar dat aan dit voorschrift toch niet dezen zin toegekend kan worden dat die ook dan nog gevorderd zou kunnen worden wanneer die reeds met goedkeuring van al de belanghebbenden, mits het vrij beheer over hunne goederen hebbende en tegenwoordig zijnde, was tot stand gekomen gelijk in casu heeft plaats gehad ;

O. dat de eischers de transactie ook nog bestrijden met de bewering dat zij door bedrog zou zijn tot stand gekomen ;

O. dat de eischers geen gronden voor die bewering opgeven, immers dat de bewering dat er pogingen in 1892 aangewend zouden zijn om alsnog eene scheiding tusschen partijen bij notarieele akte tot stand te brengen, dat bewijs niet kunnen leveren, noch zelfs waarschijnlijk maken, dewijl de brieven van den notaris Westerouen van Meeteren aan den advocaat der eischers en de ontwerp-scheiding door den procureur der eischers voor copie conform geteekend, in het geding gebracht, geen aanleiding geven, tot het vermoeden dat deze pogingen zouden zijn in het werk gesteld op verzoek of zelfs met medeweten van den ged., die dit dan ook ontkent;

O. daar te boven dat die pogingen dan eerst vele jaren na het ontstaan der transactie zouden hebben plaats gehad en dus zeker op die transactie niet van invloed geweest kunnen zijn;

O. dat uit het bovenoverwogene volgt dat inderdaad de scheiding en verdeeling der gemeenschap tusschen de eerste eischeres en den ged. bij bovenvermelde transactie is tot stand gekomen ;

O. dat de vordering der eischers dus als ongegrond moet worden ontzegd ;

Gezien art. 1112 en 1115 B. W., art. 56 B. R.;

Ontzegt den eischers hunne vordering ;

Veroordeelt hen in de kosten der procedure.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE AMSTERDAM.

Tweede Kamer.

Zitting van den 1 December 1892.

Voorzitter, Mr. Ph. W. Scholten.

Rechters, Mrs.: A. Heemskerk en J. J. A. L. Beuns.

Art. 1401 B. W.

Bij aanrijding van een persoon ligt voorloopig althans de schuld

bij den voerman, die terzake kundig moet zijn.

Het bewijs ter ontzenuwing ligt dus bij dien voerman, om aan te

toonen dat hij het feit niet heeft kunnen verhinderen.

De vader is aansprakelijk voor de handelingen van zijn minderjarigen zoon, tenzij hij kan aantoonen op den dag waarop zijn zoon heeft gereden en als voermam bestuurd, uitdrukkelijk zijn zoon dit rijden le hebben verboden.

(Vgl. vonnis Rechtbank Amsterdam dd. 5 Nov. 1889, W. no. 5812.)

K. Doorn, te Bussum, als vader van A. Doorn, minderjarige dochter, procureur en advocaat Mr. L. Rinkel,

tegen

J. Schothorst, stalhonder, te Bussum, gedaagde, procureur Mr. D. E. Lioni, advocaat Mr. J. Kappeijne van de Coppello.

De Rechtbank enz.,

Gelet op de conclusie van den officier van jnstitie strekkende, <

1°. om den eischer toe te laten tot het bewijs der door hem ge- 1 stelde feiten, 2°. om ambtshalve den gedaagde het bewijs op te

leggen, dat hij de „schadelijke daad niet heeft kunnen beletten", ;

onder reserve der kosten tot de einduitspraak; <

Gehoord partijen ; £

Gezien de stukken ; \

Ten aanzien der feiten : c

Overwegende dat de eischer zoo bij dagvaarding als bij overeen- t stemmende conclusie heeft gesteld:

dat H. N. Schothorst, zoon van gedaagde, minderjarig en bij \

ged. inwonende, door dezen aangesteld, om den omnibus, bespan- 1 nen met één paard, op Maandag 20 April 1891 te besturen en

daarmee te rijden van het station Bussum naar ged.'s stalhouderij 1

te Bussum, met dien omnibus rijdende des namiddags omstreeks g

6 uur in draf is gekomen te Bussum, ter hoogte van de woning d

van Bouwman en aldaar, zonder den gang van het paard te ver- t

minderen, A. Doorn, de eischeres, oud toen 5 jaren en zich be- v

vindende op den publieken weg, heeft aangereden, waarop een b wiel van het rijtuig over het handje van gemeld kind is gegaan;

dat daardoor de hand is verminkt; ^

dat toch de beide eerste vingers van die hand gedeeltelijk zijn h

verpletterd en de voorste leden daarvan zijn verkort en verstijfd: i

waardoor dat kind het uitoefenen van handenarbeid grootendeels t voor altijd zal worden belet;

dat A. Doorn terstond na het ongeval onder behandeling van s

een geneeskundige is gekomen en alsnog eene operatie noodig is, r

om het gekliefde lid van een der vingers te doen samengroeien ; n

dat het van zelf spreekt, dat het kind daardoor schade heeft

geleden, daar onverminderd de kosten van geneeskundige hulp en z

ile nog te maken kosten voor de operatie, het kind op later leeftijd o

grootendeels voor handenarbeid ongeschikt zal zijn; d

dat ged. verplicht is aan eischeres die schade te vergoeden 1°. als d

vader van H. N. Schothorst, 2°. als meesier die H. N. Schothorst t' tot het rijden met den omnibus had aangesteld ,

dat de schade op minstens f 300 moet worden gesteld; waarom hij vordert en eensluidend heeft geconcludeerd voor eisch :

dat de ged. zal worden veroordeeld, om aan den eischer te betalen de som van f 300 of zooveel minder als de Rechtbank billijk zal vinden, voor schadevergoeding alsvoren met de renten h. 5 pet. e 's jaars sedert den dag der dagvaarding c. a.;

O. dat de ged. op dien eisch heeft geantwoord :

;, dat uit het feitelijk relaas der dagvaarding niet volgt, dat H. » N. Schothorst eenige schuld heeft aan het treurig ongeval, dat

aan A. Doorn overkwam ;

; dat uit dien hoofda de vordering niet-ontvankelijk is;

dat ged. bovendien de gestelde feiten ontkent;

dat ged. een omnibus-dienst van het station naar het dorp Bussum onderneemt;

dat die omnibus wordt gevoerd of door ged. zelf of door ziin knecht;

dat ged. in den vroegen morgen van 20 April 1891 uit Bussum naar Weesp is vertrokken, om daar hooi te laden en zijn knecht heeft belast met het voeren van den omnibus ;

dat ged. eerst des avonds laat in zijn woonplaats is teruggekeerd ;

dat ged. s zoon dien dag builen weten, zelfs in strijd met een uitdrukkelijk verbod van ged. den omnibus — een zwaren wagen met een stalhouderspaard bespannen — heeft gereden ;

dat paard en wagen zich ten tijde en ter plaatse bij dagvaarding genoemd, in een sukkeldrafje op het midden van den rijweg voortbewogen, terwijl A. Doorn aan den kant des wegs, zonder eenig opzicht, speelde;

dat de voerman dns geen enkel gevaar te duchten had, toen plotseling het spelende kind, den weg willende oversteken en in onbezonnenheid op niets lettende, feitelijk onder den wagen liep en licht aan de hand werd verwond;

dat ged.'s zoon — gelijk geen voerman in zijn plaats — dit heeft kunnen beletten, noch door den slakkengang van het paard te verminderen, noch door eenigen anderen maatregel;

dat de eischer, die zijn 5-jarig kind zonder opzicht aan een publieken rijweg liet spelen, alléén "schuld heeft aan het genoemde ongeval;

dat ged. dadelijk A. Doorn bezocht heeft, aanbiedende haar een bedje te koopen, hare verpleging te bekostigen, waarmee de eischer eerst dankbaar instemde, doch thans, 7 maanden later, rechtskundig bijgestaan, geld poogt te slaan uit een ongeluk, dat alleen aan zijn zorgeloosheid te wijten is, weshalve hij concludeert tot afwijzing der vordering c. a.;

O. dat bij repliek nog is aangevoerd: dat waar H. N. Schothorst, reeds vóór 20 April 1891, meermalen den bij dagvaarding bedoelden omnibus en ook andere rijtuigen zijns vaders bestuurd heeft, hij dus óók geacht mag worden op 20 April 1891 doorzijn vader te zijn aangesteld, om den omnibus te besturen;

dat alleen aan den jeugdigen leeftijd van H. N. Schothorst het ongeval te wijten is, zoodat ged. terecht word aangesproken ;

dat eischer betwist, dat het ongeval zich heeft voorgedaan, zooals ged. het voordraagt, onder opmerking dat A. Doorn met een ander kind omstreeks 8 jaar oud een brood had gekocht bij den bakker de Vries in de Nassaustraat te Bussum ;

dat ged. eerst niets van zich liet hooren, maar toen eischer die reeds een ledikantje had gekocht zich om schadevergoeding bij hem vervoegde, ged. aanbood de rekening van den doctor te zullen betalen ;

dat eischer aanbiedt, de door hem bij dagvaarding en conclusien gestelde feiten, voor zooveel ze zijn ontkend, door getuigen te bewijzen;

waarna de eischer, akte vragende van zijn bewijsaanbod, persisteert bij de genomen conclusie ;

O. dat ged. bij dupliek heeft gezegd dat eischer het middel van niet-ontvankelijkheid niet heeft bestreden en dit dus gegrond is;

dat de opmerking dat het ongeval alleen te wijten is aan den jeugdigen leeftijd van H. N. Schothorst, de schuld niet aantoont, daar jeugd geen schuld is ;

dat het positum, dat een kind op den publieken weg is aangereden door een rijtuig, zonder meer, geen aansprakelijkheid van den bestuurder of van wien ook rechtvaardigt;

dat het koopen van een brood bij bakker de Vries of het mededeelen omtrent een ledikantje den eisch nietontvankelijk maakt;

dat ged. ontkent zijn zoon ooit te hebben aangesteld tot het besturen van eenig rijtuig ;

dat de vordering dus wanneer zij steunt op art. 1403 alinea 3 B. W. niet kan opgaan, terwijl de aansprakelijkheid van ged. als vader op grond van het laatste lid van bedoeld artikel niet bestaat;

dat mitsdien elk bewijsaanbod niet toelaatbaar is doch de ged. zich daarenboven niet kan uitlaten over het al of niet afdoende van de feiten, die eischer bewijzen wil, omdat deze noch genoemd, noch omschreven zijn, weshalve de ged. blijft volharden bij zijn genomen conclusie;

In rechten:

O. dat niet juist is de bewering van ged. in zijn conclusie van dupliek, dat nu de eischer het middel van niet-ontvankelijkheid niet heeft bestreden, dit gegrond is te achten ;

dat dit toch slechts geldt „daadzaken" welke eene partij door getuigen wenscht te bewijzen en deze feiten moeten worden erkend of ontkend, of anderszins „kunnen" (niet eens : moeten) worden gehouden voor erkend, doch deze bevoegdheid niet geschreven is voor een rechtsmiddel, dat ter beoordeeling van den rechter staat, onafhankelijk van de vraag of de partij dit uitdrukkelijk heeft bestreden;

O. dat dit middel dan hierop steunt: dat uit de feiten der dagvaarding niet zou volgen, dat H. N. Schothorst eenige schuld heeft aan het ongeval A. Doorn overkomen ;

O. dat de rechtsvordering gegrond op de artt. 1401—1405 B. W. onvolledig is opgezet, wanneer daarin niet melding wordt gemaakt van „schuld, nalatigheid of onvoorzichtigheid", maar daaruit nog niet volgt, dat deze bij die wetsbepalingen gebezigde woorden in de dagvaarding juist met namen behooren te worden vermeld, als slechts uit de omschrijving der feiten genoegzaam blijkt, dat bedoeld element daaraan niet ontbreekt;

dat nu dit vereischte duidelijk genoeg voortvloeit uit de dagvaarding en conclusie en wel waar deze luiden : „dat H. N. Schothorst met dien omnibus rijdende des namiddags omstreeks 6 uur in draf is gekomen te Bussum, en zonder den gang van het paard te verminderen A. Doorn heeft aangereden";

dat dus de schuld, onvoorzichtigheid of nalatigheid ligt opgesloten in het zonder den draf van het paard te verminderen aanrijden van iemand, die zich op den weg bevond, weshalve dit middel moet worden verworpen ;

O. dat bij partijen geen verschil bestaat: 1°. over de aanrijding zelve, terwijl H. N. Schothorst gezegden omnibus bestuurde; 2°. over de dientengevolge verkregen verwonding, de behandeling en de gevolgen boven in 't breede omschreven ; 3°. over het bedrag der schadevergoeding, dat op zich zelf niet als te hoog is betwist ;

dat verder tusschen partijen is erkend, dat H. N. Schorthorst

Sluiten