Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen

de Naamlooze Vennootschap „de Zutpbensche Schroefstoombootreederij", gevestigd te Zutphen, gedaagde, procureur Mr. J. J. Henny.

I.

Interlocutoir vonnis.

De Rechtbank enz.;

Overwegende dat de eischer bij de dagvaarding stelt:

dat het aan eischer toebehoorende stoomschip genaamd „Waterboot" in den namiddag van den 3cn Sept. 1890, terwijl het, van de Willemskade te Rotterdam, wilde overvaren naar de schuins daartegenover liggende Nassaukade op Feijenoord, en gekomen was aan de vlak voor Rotterdam in de Maas liggende boei 5, waaraan 2 groote stoombooten op stroom lagen, zacht aanstoomende zijn koers vervolgde, is aangevaren dcor het stoomschip „Zeelandia", in eigendom toebehoorende aan de gedaagde ;

dat deze aanvaring geheel te wijten was aan ie schuld van den schipper van Zeelandia, dewijl hij met volle vaart stoomde vlak bij boei 5, komende van achter de bovengemelde groote stoombooten, waardoor hij niet vroeger van de Waterboot konde gezien worden ;

dat de schipper van de Waterboot, zoodra hij den rook van de Zeelandia zag, stopte, evenwel zonder dat daardoor de aanvaring konde worden voorkomen, zoodat de Zeelandia een halven voet in het dek van de Waterboot aan stuurboordzijde doordrong, waardoor groote schade aan dit schip werd teweeggebracht;

dat de schipper van de Zeelandia door zijne slechte zeemanschap de schuld draagt van deze aanvaring;

dat hij toch, van de linker Maasoever den mond van de Leuvehaven willende binnenstoomen, langs boei 4 had behooren te varen, en gezegde mond met een bocht had moeten bereiken, in plaats van rechtstreeks langs boei 5, op de Leuvehaven aan te stoomen, terwijl hij door voorzegde groote stoombooten, voor schepen, die van den rechter-Maasoever langs boei 5 moesten varen, verborgen gehouden werd ;

dat door de aanvaring, aan de Waterboot zijn beschadigd: 3 huidplaten, 2 eiken berghouten, 1 beulinglijst en een hoekijzer voor berghout, het timmerwerk in de kajuit en een gedeelte van het ruim, het verfwerk, terwijl voorts zijn gebroken : 1 beulingijzer op de reeling, 2 hoekijzers, 1 dekplaat, 1 knieplaat, 1 dekbalk en de eischer voorts hellingskosten heeft moeten maken, en kosten voor het uit- en inbrengen van kolen heeft moeten voldoen, alles als een gevolg van de aanvaring, welke schade en kosten de eischer onmiddellijk heeft doen constateeren door 3 gerenommeerde experts, van welke expertise de kosten ook door ged. moeten worden voldaan ;

dat de ged. niet in den minste tot vergoeding van bovenvermelde schade is te bewegen ;

Concludeerende de eischer op vorenstaande gronden, dat de ged. zal worden veroordeeld aan den eischer te vergoeden alle schaden, kosten en interessen, door dezen reeds geleden en nog te lijden, nader op te maken bij staat en te verevenen volgens de wet c. e.; O. dat de ged. bij hare contra-conclusie heeft geantwoord; dat zij de feiten by de dagvaarding gesteld ontkent, doch onder protest tegen eene ongeoorloofde splitsing van haar aveu wel wil erkennen :

dat de Zeelandia op Woensdag den 3en Sept. 1890 des namiddags ten ongeveer 3 ure, stoomde naar de stoomboot Elpis, liggende op de Maas aan boei 7, ten einde uit dat schip 5 last gerst in te laden ;

dat de Zeelandia daartoe aan de zuidzijde van de Elpis lag, met den kop stroomafwaarts, en nk het inladen der gerst, ongeveer ten 5 ure, achteruit is gestoomd, ten einde op haar achterschip te draaien en tusschen de boeien 4 en 5 door, 3tadswaarts te gaan, terwijl 2 groote stoombooten op de boeien 5 en 6 lagen, waardoor de Zeelandia belet werd te zien, of van de overzijde (Willemskade en Willemsplein) schepen naderden;

dat het op dien dag, te 6 uur 45 minuten hoog water was, zoodat men zich, te 5 uur, toen het gerelateerde plaats had, in het felle van den vloed bevond, die met eene snelheid van minstens 2*/, mijl per uur liep, gelijkstaande met 75 meter per minuut;

dat de Zeelandia, met de vloed achteruitgaande, voorbij boei 5 gekomen, op haar achterschip draaide om de Noord, of over stuurboord, zoodat de kop vrij konde komen van de boei, waartoe zij minstens eene minuut noodig had, zoodat, toen de kop in positie konde komen en het schip eenige vaart konde hebben, die aanvaring mogelijk maakte, de Zeelandia reeds 75 meter door den vloed verwijderd was van boei 5, langs welke de Waterboot had moeten oversteken, vermits dit haar vaarwater was;

dat het feit, dat de Waterboot aan haar stuurboord is ingeloopen aantoont dat dit vaartuig, in stede van overeenkomstig de reglementen, laDgs boei 5 over te steken, verkeerdelijk tot bij boei 4 genaderd zijnde, zich buiten haar vaarwater bevond en zij niets deed om de aanvaring te voorkomen ; terwijl de Zeelandia stopte, onmiddellijk achteruitsloeg en geen schuld heeft aan de aanvaring ;

Concludeerende de ged. op deze gronden tot niet on'.vankelijkverklaring van den eischer in zijne vordering, immers tot ontzegging van zijn eisch ;

Ó. dat de eischer bij eene nadere conclusie zijne dagvaarding en conclusie, waarbij gesteld was, dat 2 groote stoombooten aan boei 5 op stroom lagen, heeft gewijzigd, door te stellen : dat die 2 groote stoombooten op stroom lagen, de eene aan boei 5, de andere aan boei 6 ; en verder heeft aangevoerd ;

dat nu ged. erkent dat de Waterboot bij boei 5 moest oversteken, en verkeerdelijk bij boei 4 genaderd was, de vordering des eischers zal zijn gejustiliceerd, wanaeer door hem wordt bewezen, dat de Waterboot werkelijk by boei 5 is overgestoken en nab'y deze boei door de Zeelandia is aangevaren, daarmede de schuld van den schipper dezer boot zal zijn bewezen, weshalve de eischer stelt en aanbiedt door getuigen te bewijzen:

a. dat de Waterboot langs boei 5 overstak,

b. dat de aanvaring bij boei 5 plaats had, door de Zeelandia, met flinke vaart stoomende,

c. dat de Waterboot floot en stopte, toen zy de Zeelandia bemerkte ;

dat door deskundigen kan worden bewezen, dat de Zeelandia langs boei 4 had behooren over te steken ;

Concludeerende de eischer dat de Rechtbank, zulks noodig oordeelende, lot de benoeming van deskundigen moge overgaan ;

dat met het oog op art. 12 van het Koninklijk Besluit van 13 Juni 1875 (Si6i. no. 119) tot voorkoming van aanvaring op de rivieren, de aanvaring aan de schuld van den schipper van de Zeelandia moet worden geweten, waarop door den ged. is gedupliceerd :

dat de eischer zich ten onrechte beroept op art. 12 van het Koninklijk Besluit van 13 Juni 1875 (Stbl. no. 119);

dat de Waterboot, aan stuurboordzijde ingevaren zijnde, alzoo

de Zeelandia aan haar stuurboord had, en derhalve, volgens art. 18 van voorzegd reglement, tot wjjken verplicht was ;

dat derhalve uit de door eischer ten bewijze gestelde feiten, de schuld van de Zeelandia niet kan komen te blijken, maar zelfs de Waterboot, door het bewijs dier feiten niet zoude zijn gedisculpeerd ; naardien het zeker ongeoorloofd is, om zonder te kunnen vooruitzien of het vaarwater vrij is, lompweg door eene opening te stoomen, terwijl er voor de Zeelandia geen verbod bestond, om zich op dat punt in de open rivier te bevinden, en aldaar op zijn achterschip te draaien ;

dat de gestelde feiten, hoewel ter zake dienende, niet afdoende zijn, refereerende de ged. zich overigens, met betrekking tot de toelaatbaarheid daarvan aan 's rechters oordeel;

Ten aanzien van het recht:

O. dat tusschen partijen in confesso is : dat de aanvaring heeft plaats gehad, terwijl de stoomboot van den eischer en de Zeelandia van de ged. Maatschappij in tegenovergestelde richtingen, voor Rotterdam de Maas overstaken, varende de Waterboot van de Willemskade naar de Nassaukade op Feijenoord, terwijl de Zeelandia van de zuidzijde der Maas naar de Leuvehaven wilde oversteken j

dat partijen het ook hierover eens zijn, dat destijds de toestand op de Maas voor Rotterdam zoodanig was, dat de beide booten, tusschen de, in het midden der rivier op stroom liggende boeien 4 en 5 moesten doorvaren, en eindelijk dat de onderwerpelijke aanvaring tusschen deze 2 boeien heeft plaats gehad ;

0. dat, bij onderzoek omtrent de schuld waaraan deze aanvaring is te wijten, in het oog moet worden gehouden dat volgens het algemeen bij de scheepvaart aangenomen beginsel, uitdrukkelijk gehuldigd bij art. 12 van het Kon. Besluit van den 13en Juni 1875 («S(M. no. 119), 2 vaartuigen onder zeil of stoom, die elkander in tegenovergestelde koersen tegemoet gaan, naar stuurboord moeten houden en elkander aan bakboord moeten voorbijvaren, zoodat beide schepen rechts behooren uit te wijken ;

O. dat bij inachtneming van dezen regel de voren vermelde stoombooten, toen zij gelijktijdig in tegenovergestelde richtingen, tusschen de boeien 4 en 5 wilden doorvaren, naar stuurboord hadden moeten wijken, mitsdien de Waterboot van den eischer langs boei 5 en de Zeelandia langs boei 4 hadden behooren te varen ;

O. dat hier dus het voorschrift van art. 12 omtrent het uitwijken had moeten worden in acht genomen ; en dat, nu de eischer beweert dat door zijne boot aan dat voorschrift is voldaan, en de Zeelandia daarentegen in strijd met hare verplichting heeft gehandeld en hieraan de aanvaring te wijten is, de eischer daarvan bewijs moet leveren, en derhalve moet worden toegelaten door getuigen te bewijzen:

1°. „dat de Waterboot van den eischer in den namiddag van den 3en Sept. 1890, van de Willemskade te Rotterdam naar de schuins daartegenover liggende Nassaukade op Feijenoord willende overvaren, dicht langs boei 5 overstak ;

2°. „dat de Waterboot alstoen dicht bij boei 5 door de Zeelandia, die van de tegenoverliggende zijde kwam en met een flinke vaart stoomde, is aangevaren" ;

Op vorenstaande gronden rechtdoende enz.,

en alvorens definitivelijk te vonnissen :

Laat den eischer toe, om de hiervoren gearticuleerde daadzaken door getuigen te bewijzen, ter terechtzitting dezer Rechtbank van den 14en Jan. e. k. des voormiddags ten 11 ure, behoudens tegenbewijs van de zijde der ged.;

Reserveert de uitspraak omtrent de proceskosten.

ir.

Eindvonnis.

De Rechtbank enz.;

Overwegende dat, ten aanzien der daadzaken en der procedure de Rechtbank zich refereert aan hetgeen dienaangaande is vermeld in het bovenaangehaalde interlocutoir vonnis van 19 Nov. 1891, waarbij aan den eischer is toegestaan door getuigen te bewijzen de volgende daadzaken :

1°. enz.,

O. dat de eischer ter voldoening aan voormeld vonnis ter terechtzitting van den 25en Febr. jl. 4 getuigen had doen dagvaarden, doch een hunner door ziekte verhinderd is te verschijnen, weshalve de Rechtbank aan den eischer vergund heeft ten dage voor de contra-enquête bepaald, in plaats van den niet-verschenen getuige, een anderen te doen hooren ;

0. dat, uitwijzens het op den 25en Febr. jl. opgemaakte procesverbaal van getuigenverhoor, is verklaard door den get. O. Jansen, roeier bij het loodswezen te Rotterdam, dat hij den 3en Sept. 1890 als schipper in dienst van den eischer met diens Waterboot van de Willemskade naar de overzijde der Maas villende varen, tusschen de boeien 4 en 5 moetende passeeren, stuurboordzijde hield, en alstoen, van achter de groote ;op stroomliggende booten, de Zeelandia te voorschijn heeft zien komen, die ofschoon zij langs boei 4 moest varen, nog op korteren afstand dan de Waterboot boei 5 naderde, en alstoen dit schip aan stuurboordzijde heeft ingevaren; .

O. dat verklaard is door den 2en get. L. Westdijk, machinist van de Waterboot:

dat, toen hij zich in den namiddag van den 3en Sept. 1890, op het dek dier boot bevond, de gelibelleerde aanvaring plaats heeft gehad op een afstand van circa 7 meter van boei 5 ;

dat de Waterboot van de Willemskade naar Feijenoord overstekende, verplicht was stuurboordzijde te houden, en dus langs boei 5 te varen, hetgeen zij dan 00^ gedaan heeft, gebiedende haar de voorzichtigheid om die boei niei dichter te naderen dan zy gedaan heeft;

dat alstoen de Zeelandia, die van den kant van Feijenoord wilde overvaren eu dus langs boei 4 had moeten varen, plotseling van achter groote op stroom liggende booten te voorschijn komende, nog dichter aan de Waterboot bij boei 5 naderde en de Waterboot aan derzelver stuurboordzijde heeft ingevaren ;

O. dat de 3e get. J. M. Roodenburg heeft gedeponeerd:

dat hij tijdens de gelibelleerde aanvaring als kapitein op de Waterboot van Rotterdam naar de overzijde der Maas willende varen tusschen door de boeien 4 en 5, stuurboordzijde houdende en tot nabij boei 5 genaderd zijnde, heeft gezien dat de Zeelandia eensklaps van achter groote stcombooten te voorschijn kwam in het vaarwater van de Waterboot, en nog dichter dan deze langs boei 5 varende, dit schip aan deszelfs stuurboordzijde heeft ingevaren ;

O. dat de eischer eindelijk nog ten dage, waarop de contraenquête gehouden werd, als getuige heeft doen hooren F. van Luyk, die verklaard heeft:

dat hy den 3en Sept. 1890 als conducteur eener stoomboot van Feijenoord naar Rotterdam varende, gezien heeft dat de Zeelandia, die ook van den kant van Feijenoord naar Rotterdam voer, zeer

nabij boei 5 kwam, alwaar zij de Waterboot ontmoetende, deze aan stuurboorzijde heeft aangevaren;

0. dat door de getuigen der contra-enquête is verklaard als volgt:

1°. door F. Zwang: dat hij den 3en Sept. 1890 als kapitein van de Zeelandia van de zijde van Feijenoord naar Rotterdam willende varen stuurboordzijde heeft gehouden en dicht bij boei 4 genaderd zijnde, in haar vaarwater heeft ontmoet de Waterboot, die haar koers nam dicht langs boei 4, en daardoor oorzaak was, dat zij in aanraking kwam met de Zeelandia, die pas op haar achterschip gedraaid zijnde, nog geen vaart had, door welke aanvaring de Waterboot averij heeft bekomen ;

2°. door W. Reichert, machinist op de Zeelandia: dat hij zich op het oogenblik waarop het ongeval plaats had, op het dek bevond, toen deze boot nabij boei 4 op haar achterste gedraaid zijnde, nog geen groote vaart had, en dat alstoen de Waterboot in het vaarwater der Zeelandia verschenen, met deze in aanraking is gekomen ;

3°. en 4°. door de getuigen C. Vrijenhoek, dekknecht en J. Fransen, matroos beiden op de Zeelandia, dat zij zich tijdens het ongeval plaats had, op gemelde boot bevonden, die van boei 7 tot nabij boei 4 door den vloed opgedreven zijnde, met weinig kracht stoomde, daar ze pas op haar achterste gedraaid was;

dat zij toen eensklaps nabij boei 4 in het vaarwater der Zeelandia hebben gezien de Waterboot, die naar den kant van Feijenoord willende varen boei 5 had moeten passeeren, waarop de schepen met elkander in aanraking gekomen, door de Waterboot averij is gekregen ;

0. dat de door de vorenvermelde getuigenissen van wederzijds aangevoerde bewijzen even gewichtig zijn en geloofwaardig schijnen, doch tevens in zoo groote mate tegenstrijdig dat zy elkander krachteloos maken, de eischer den grondslag zijner vordering niet heeft bewezen, en deze derhalve aan hem moet worden ontzegd ;

Rechtdoende enz.;

Ontzegt aan den eischer zijne vordering en veroordeelt hem in de kosten.

III.

Arrest.

A. Kopeke, reeder en koopman, wonende te Katendrecht, gemeente Charlois, appellant, procureur Mr. F. N. L. Aberson, advocaat Mr. B. Denekamp te Rotterdam,

tegen

de Naamlooze Vennootschap „de Zutphensche Schroefstoombootreederij", gevestigd te Zutphen, geintimeerde, procureur Mr. I. Everts BHz., advocaat Mr. B. C. J. Loder te Rotterdam.

Het Hof enz.,

Overwegende dat tusschen partijen het volgende vaststaat :

dat in den namiddag van 3 Sept. 1890 tuschen 4 en 5 uren het aan appellant toebehoorende stoomschip „Waterboot", liggende aan de Willemskade te Rotterdam, van daar is afgevaren met bestemming naar de schuins tegenoverliggende Nassaukade (Feijenoord) ; dat genoemd stoomschip ten einde die overvaart te bewerkstelligen moest varen door het Maasvlak op de overgelegde kaart aangeduid als gelegen tusschen de zich daar bevindende boeien 5 en 4, daar in de richting stroomafwaarts langs boei 5 groote stoomschepen lagen; dat op dienzelfden tijd het aan geint. toebehoorende stoomschip „Zeelandia", die langs de zijde van een groote zeeboot achter boei 5 lag, van daar naar de stad is afgevaren en eveneens zijn vaart door het door beide vermelde boeien aangewezen watervlak, maar in omgekeerde richting als de waterboot moest nemen; dat de Waterboot, wilde zij naar behooren varen, koers moest houden langs boei 5 en de Zeelandia om dezelfde reden langs boei 4; dat vervolgens tusschen die beide boeien beide schepen met elkander in botsing zijn gekomen en de Zeelandia met haren voorsteven de Waterboot aan stuurboordzijde heeft aangevaren, waardoor laatstgemeld stoomschip schade heeft geleden;

0. dat de door app. in prima tegen geint. ingestelde rechtsvordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, door gemelde aanvaring veroorzaakt, hierop is gegrond dat de aanvaring geheel te wijten is aan de schuld van den schipper der Zeelandia, die in stede van langs boei 4 te varen zyne koers langs boei 5 nam, in wier nabijheid volgens app. de aanvaring heeft plaats gehad;

O. dat die wijze van voorstelling door geint. is bestreden, welke steeds heeft volgehouden dat haar schipper bij boei 4 is overgestoken en in de nabijheid van die boei met de Waterboot, die zich aldaar in verkeerd vaarwater bevond, in aanraking is gekomen, zoodat de schuld der aanvaring niet bij den schipper der Zeelandia maar bij dien van de Waterboot zou liggen ;

O. dat derhalve het verschilpunt tusschen partijen bestond en nog bestaat in de vraag: bij welke der 2 genoemde boeien de bewuste aanvaring heeft plaats gehad, en dat de uitslag van het proces van de beslissing dier vraag afhankelyk is;

0. dat app. in eersten aanleg toegelaten om de feiten gelijk die bij het interlocutoir der Rechtbank zijn omschreven, ten bewijze van de juistheid zijner voorstelling door getuigen te staven van zijne zijde 4 getuigen heeft doen hooren terwijl van zijde der geintimeerde een gelijk getal voor tegenbewys is bijgebracht, en dat de Rechtbank in haar eindvonnis, waarvan appèl, de verschillende afgelegde verklaringen der getuigen tegenover elkander stellende, van oordeel is geweest dat de van wederzijde aangevoerde bewijzen even gewichtig en geloofwaardig schijnen, doch tevens in zoo groote mate tegenstrijdig zijn dat zij elkander krachteloos maken, en, wegens het alzoo niet bewezen zijn van den grondslag der ingestelde vordering, aan app. die vordering heeft ontzegd;

O. dat dus te onderzoeken is of, gelijk door app. wordt beweerd, de eerste rechter ten onrechte het vereischte bewijs niet geleverd heeft geacht en met name of die rechter in zijne beoordeeling van de waarde der afgelegde getuigenverklaringen het voorschrift van art. 1945 B. W. genoeg in het oog heeft gehouden, wat aan app. toeschijnt niet het geval te zijn geweest;

0. dienaangaande dat, volgens den tusschen partijen on betwisten inhoud dier verklaringen, de van zijde des app.'s gehouden getuigen ten aanzien van het hier alles beheerschende punt: de plaats waar de aanvaring heeft plaats gehad, werkelijk geheel andere opgaven hebben gedaan dan de door geint. bijgebrachte getuigen, daar app.'s getuigen beweren dat die plaats gelegen was bij boei 5 terwijl die van geint. volhouden dat de aanvaring geschied is in de nabijheid van boei 4; dat echter bij de beoordeeling van de betrouwbaarheid dezer verschillende getuigenissen niet mag uit het oog verloren worden dat de eerste getuige van zijde der geint. op den dag der aanvaring was kapitein op de Zeelandia, en dat hij, indien, gelijk door app, beweerd is, de aanvaring aan

Sluiten