Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat de ged., thans opposante, tegen dit verstek-vonnis bij exploit van 29 Nov. 1892 is gekomen in verzet en bij hetzelfde exploit den eischer, thans geopposeerde, heeft gedagvaard ter terechtzitting dezer Rechtbank van 3 Dec. 1892, waarna partijen over en weer hebben geconcludeerd, de opposante, dat zij zal verklaard worden goed-opposante tegen bedoeld verstek-vonnis, en dit zal worden vernietigd, en de geopposeerde, dat de opposante zal worden verklaard kwaad-opposante en het verstek-vonnis zal worden bevestigd ;

O. dat blijkens de gewisselde dingtalen, als vaststaande mag worden aangenomen, 1°. dat de opposante op 17 Mei 1888 door bemiddeling van de heeren Zuijderhoff & Co. te Rotterdam voor rekening en op order van den geopposeerde heeft gekocht 500 zakken gezonde Santos koffie van goede middelbare qualiteit, te leveren in de maand December van dat jaar, tegen den prijs van 56'/, pfennig Duitsch geld per ]A kilo netto, onder bepaling, dat op deze transactie toepasselijk zoude zijn het Reglement der WaarenLiquidations Cassa te Hamburg, met uitzondering van het daarin bepaalde betreffende storting van marges bij prijsverandering, welke storting eerst zou kunnen worden gevraagd bij een achteruitgang in prijs van meer dan 6 mark per 50 kilo , 2°. dat de geopposeerde op 2 Sept. 1888 aan de opposante order heeft gegeven de voormelde 500 zakken koffie op 3 Sept. 1888 zoo goed mogelijk, doch niet lager dan voor 53 mark per 50 kilo te verkoopen, welke order de opposante wel heeft ontvangen maar niet ten uitvoer gebracht; 3°. dat op 3 Sept. 1888 de prijs van gezonde Santos koffie van goede middelbare qualiteit, te Hamburg fluctueerde tusschen 59l/k en 60 mark per 50 kilo; 4°. dat indien de order tot verkoop door de opposante op 3 Sept. 1888 ware ten uitvoer gebracht, de transactie door verrekening van den verkoopprijs op 3 Sept. 1888 met den inkoopprijs op 17 Mei 1888 onder aftrek der verschuldigde renten, courtage en commissie, den geopposeerde per saldo een voordeel zou hebben opgeleverd van 1337.68 Reichs Mark, overeenkomstig de becijfering daarvan door den geopposeerde in zijne conclusie van 5 Oct. 1892 gemaakt en door de opposante niet betwist;

O. dat de geopposeerde op grond van voormelde feiten en onder beweren, dat hij tot den leveringstijd het recht had de zaak te liquideeren wanneer hij wilde, en de opposante dan gehouden was de order tot verkoop der 500 zakken koffie uit te voeren en hem de daarop gemaakte winst uit te keeren, hetgeen echter door de opposante niet is geschied, — heeft gevorderd, dat de opposante zal veroordeeld worden hem gemeld bedrag van 1337.68 R. M. met de renten te betalen ;

O. dat de opposante de juistheid van deze sustennen des geopposeerde heeft weersproken en daartegen heeft aangevoerd, dat zij volstrekt niet verplicht was de order tot verkoop der 500 zakken koffie uit te voeren ; dat zij eerst dan gehouden zou zijn de haar verstrekte lastgeving te volvoeren wanneer zij die zou hebben aangenomen, waarvan echter, daar partijen toen in eene procedure waren gewikkeld, geen sprake was; dat de opposante mitsdien ook niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade door geopposeerde geleden tengevolge van de niet-uitvoering van bedoelde lastgeving;

O. dienaangaande dat op het bovenvermelde op 17 Mei 1888 tusschen partijen gesloten termijn-contract volgens den eigen inhoud daarvan, toepasselijk waren de bepalingen van het Reglement der Waaren-Liquidations Cassa te Hamburg, hetgeen niet anders kan beteekenen dan dat dezelfde op bedoeld Reglement gegronde rechten en verplichtingen, die bestaan wanneer iemand direct bij de Liquidations Cassa een contract afsluit, ook de gemelde tusschen de opposante en den geopposeerde aangegane overeenkomst beheerschten, of nadat de opposante tegenover den geopposeerde was verbonden, geheel op dezelfde wijze alsof deze bij de Liqnidations Cassa zelve het contract had afgesloten;

0. dat hieruit volgt, dat indien mocht blijken dat de Liqnidations Cassa, ingeval bij haar het bedoelde termijn-contract door den geopposeerde was gesloten, verplicht was ook de order van dezen tot realisatie der gekochte partij, te effectueeren, moet worden aangenomen dat ook op de opposante dezelfde gehoudenheid

rustte; „ , ,

O. nu dat de aard van een termijn-contract als het onderhavige, afgesloten bij een liquidatiekas, medebrengt, dat de contractant de bevoegdheid heeft om, voordat de leveringsmaand is aangebroken waarin hij, indien hij kooper is, door de liquidatiekas tot in ontvangst nemen der gekochte waren, of indien hij verkooper is, tot levering kan worden aansproken, het loopend contract te doen beëindigen door een nieuw contract in tegenovergestelden ïin af te sluiten en de beide contracten tegen elkaar door de liquidatiekas te doen liquideeren ;

O. dat nevens het garandeeren tegenover de contractanten van de richtige nakoming der contracten, het juist het doel der oprichting der Liquidatiekassen is geweest om (gelijk ook hare benaming aangeeft), het liquideeren van loopende termijn-contracten gemakkelijk te makea, hetgeen op de in de vorige overweging omschreven wijze pleegt te geschieden, waarna de kas het prijsverschil aan den belanghebbende uitbetaalt of van hem ontvangt; zoodat terwijl het vroeger voor dengene, die een partij goederen op termijn had gekocht of verkocht, en zich vóór den leveringstijd wenschte te dekken, dat is zijn loopend contract wenschte 'te beeindigen, vaak moeielijk was een tegen-contractant te vinden ten einde met dezen op denzelfden termijn over dezelfde hoeveelheid een tegenovergesteld contract te sluiten, thans alle op dezelfde markt afgesloten transacties door de liquidatiekas gaan, die daardoor steeds bij machte is de gevraagde realisatien te effectueeren; .

0. dat in overeenstemming hiermede in § 14 van het Reglement der Hamburgsche Liqnidations Casse uitdrukkelijk is bepaald dat, wanneer een contractant 2 op denzelfden leveringstermijn loopende bewijzen van inschrijving, op één waarvan hij als kooper en op het andere als verkooper optreedt, ter afwikkeling inlevert, de Casse verplicht is de afrekening terstond op te maken, en voor het batig saldo den contractant te crediteeren of hem dit des verlangd uit te betalen; . T. . _

°- dat uit deze bepaling volgt, dat de Liquidations Casse niet alleen verplicht is om de 2 ingeleverde inschrijvingsbewijzen tegen elkaar te liquideeren maar ook om, wanneer iemand, die een contract in bepaalde'n zin bij haar heeft loopen, een contract in tegenovergestelden zin door haar wil doen sluiten, ten einde de transactie te beëindigen, deze order op te volgen, daar zij het anders geheel in hare macht zon hebben, om het bepaalde van § 14, waarin een voornaam deel van haren werkkring is neergelegd, tot een doode letter te maken;

0. dat alzoo volgens de bepalingen van haar Reglement, de Waaren-Liquidations Casse te Hamburg, verondersteld de geopposeerde had het contract van 17 Mei 1888 bij haar gesloten, zeer zeker gehouden zou zijn geweest op 3 Sept. 1888 op verlangen van geopposeerde de transactie af te wikkelen, door verkoop van dezelfde hoeveelheid op denzelfden termijn, beide contracten tegen elkaar te liquideeren en het surplus den geopposeerde uit te keeren, uit welk een en ander voortvloeit, dat ook de opposante, die zich tegenover den geopposeerde had onderworpen aan de bepalingen Van gemeld Reglement, verplicht was den wensch van den geop¬

poseerde om de zaak te liquideeren op te volgen, door zijn last tot verkoop der voorzegde 500 zakken uit te voeren en hem de saldo-winst uit te betalen ;

O. dat de opposante nog heeft aangevoerd, dat zij volgens het eigen sustenu van den geopposeerde de koffie in quaestie heeft gekocht voor rekening en op order van den geopposeerde, zoodat de verhouding van partijen onderling moet beoordeeld worden naar het Commissie-contract en de aard van deze overeenkomst niet medebrengt het ten uitvoer leggen van orders, welke de lastgever, nadat aan de door hem verstrekte order tot inkoop is voldaan, betreffende de gekochte goederen, wenschte te geven ;

0. echter dat, zooals boven is overwogen, de contractueele verhouding tusschen deze partijen werd beheerscht door de bepalingen van het Reglement der Waaren-Liquidations Casse te Hamburg, en uit dit Reglement voortvloeit, dat de geopposeerde het recht had ten allen tijde tegenover de Casse de afwikkeling van het contract te vorderen en de Casse deze order terstond had uit te voeren, welke bepaling in niet geringe mate in de gewone rechtsverhouding tusschen committent en commissiegever ingrijpt, zoodat reeds om die reden van een zuiver commissie-contract ten deze zeer zeker geen sprake is;

O. dat alzoo terecht bij het vonnis, waartegen verzet, de opposante is veroordeeld tot betaling der gevraagde 1337.68 R. M., of f 802.60 Nederlandsch als vergoeding der schade, geleden door het niet-uitvoeren van de order van geopposeerde tot verkoop der 500 zakken koffie, met de renten ad 6 pet. 'sjaars sedert 4 Sept. 1888 (b(j het vonnis waartegen verzet, abusievelijk gesteld op 2 Sept. 1888) tot aan de geheele voldoening, zijnde toch door de opposante de juistheid van deze rente-berekening niet tegengesproken en met van waardeverklaring van het door geopposeerde gelegd derde arrest;

Gezien artt. 56 en 89 B. R.;

Verklaart de opposante kwaad-opposante tegen het vonnis, waartegen verzet;

Bekrachtigt dat vonnis, behoudens dat de rente-berekening zal aanvangen 4 en niet 2 Sept. 1888, en verstaat dat het met inachtneming van deze wijziging volkomen effect zal sorteeren ;

Veroordeelt de opposante in de kosten, zoowel die van het verstek, als van het verzet, die voor zoover zij aan zijde des geopposeerden voor deze uitspraak gemaakt zijn, worden begroot op f 225.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE HAARLEM.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 27 April 1893.

Voorzitter, Mr. : L. E. A. Baron Si.of.t tot Oldhuis. Rechters, Mrs.: M. G. P. del Court van Krimpen en Jhr. Mr. F. W. van Styrum (plv.).

Subst.-Off. van Justitie, Mr. J. P. van Oüteren.

Schapen, als zijnde herkauwende dieren, zijn ingevolge art. 42, 1". der wet van 20 Juli 1870, Stbl. no. 131, onder vee begrepen.

Kwaadaardig klauwzeer (zoogenaamd rotkreupel) moet ingevolge de op dit stuk geldende verordeningen voor besmettelijk worden gehouden.

De beklaagde als dader veroordeeld wegens het doen plegen van het in de dagvaarding omschreven feil.

De ambt. van het O. M. bij het Kantongerecht te Purmerend, ambtshalve eischer,

tegen

D. S., 48 jaren, koopman en veehouder, te Beemster, geboren aldaar.

De Rechtbank enz.,

Gezien enz.;

Gehoord enz.;

Overwegende epz.;

0. dat den beklaagde bij introductieve dagvaarding is ten laste gelegd dat hij van de gemeente Oosthuizen naar en in de gemeente Purmerend in Dec. 1892 heeft vervoerd (althans heeft doen vervoeren) eenige schapen, aangetast (althans verdacht van te zijn aangetast) door kwaadaardig klauwzeer of zoogenaamde rotkreupel ;

0. dat blijkens een ter terechtzitting in hooger beroep voorgelezen procesverbaal der terechtzitting van het Kantongerecht te Purmerend dd. 16 Febr. 1893, de bekl. heeft bekend: dat hij den 24 Dec. 11. van J. M. te Oosthuizen op diens verzoek heeft gekocht 8 schapen en wel in rotkreupelen toestand ;

dat hij. die schapen op dat land heeft gelaten en den 26 Dec. d. a. v. heeft verkocht aan getuige v. G.;

dat hij die schapen den 27 Dec. gedeeltelijk per as zeZ/nameiyk 3 er van, welke hij meende rotkreupel te zij n, heeft vervoerd, en de 5 anderen heeft doen vervoeren en drijven door getuige B.;

O. dat ter terechtzitting in hooger beroep en onder eede is verklaard :

door den getuige C. B., dat hij den 27 Dec. 1892 op last van den bekl. 5 schapen van het land van J. M. te Oosthuizen naar Purmerend heeft vervoerd, alwaar zij nabij den stal van M. d. G. door v. G. zijn in ontvangst genomen ;

dat hij aldaar toen ook wel den wagen van bekl. heeft gezien met 3 schapen, die door v. G. zijn afgeladen doch dat hij van eenig persoonlijk vervoer dier schapen of besturing van dien wagen door den bekl. niets heeft gezien ;

door den getuige M. M. v. G.:

dat hij den 26 Dec. 1892 op last van J. M. te Oosthuizen van den bekl. (door middel van diens zoon) 8 schapen heeft gekocht die hem den 27 Dec. d. a. v. te Purmerend zijn geleverd; 5, die door B. gedreven waren en 3 uit een wagen, nabij den stal van M. d. G.;

dat hij deze schapen van daar naar de Amsterdamsche boot wilde brengen, doch dat zij onderweg daarheen door S. en B. zijn aangehouden;

door J. M. B., plaatsvervangend districtveearts en D. S., keurmeester van vee en buitengewoon gemeenteveldwachter van Purmerend, als getuigen ieder voor zich, doch eensluidend;

dat zij in den voormiddag van 27 Dec. 1892, ten ongeveer half 10 uur, M. M. v. G. in de Nieuwstraat te Purmerend hebben aangetroffen terwijl deze aldaarj 8 schapen dreef en vervoerde ;

en dat zij daarop na onderzoek alle 8 schapen hebben aangehouden en ter beschikking van den burgemeester te Purmerend hebben gesteld ;

en door J. M. B. voornoemd, als deskundige:

dat hem bij het onderzoek bovengenoemd gebleken is :

dat alle 8 schapen lijdende waren aan kwaadaardig klauwzeer (rotkreupel) en daarvan de kenmerkende verschijnselen vertoonden, daarin bestaande: dat de hoornband had losgelaten en zich daartusschen en de zool etter had gevormd, die de eigenaardig stinkende etterlucht verspreidde, terwijl sonmige schapen ook kreupel liepen ;

dat deze schapen toen reeds sedert geruimen tijd aan die ziekte moeten hebben geleden en blijkbaar daartegen reeds behandeld waren geworden — en eindelijk dat schapen herkauwende dieren zijn ;

O. dat door deze bewijsmiddelen zijnde de in eersten aanleg afgelegde en later niet herroepen bekentenis van den bekl. in verband met de verklaringen der getuigen en tevens met het behoorlijk met redenen van wetenschap omkleede gevoelen van den deskundige, waarmede de Rechtbank zich ten volle vereenigt en hetwelk zij tot het hare maakt, wettig en overtuigend is bewezen :

„dat de bekl. in de maand Dec. 1892 van de gemeente Oosthuizen naar en in de gemeente Purmerend heeft doen vervoeren eenige schapen, aangetast door kwaadaardig klauwzeer of zoogenaamde rotkreupel

zooals den bekl. onder meer is ten laste gelegd;

O. dat schapen als zijnde herkauwende dieren in den zin der wet van 20 Juli 1870 Stbl. no. 131, art. 42, 1°. als vee moeten worden aangemerkt;

dat kwaadaardig klauwzeer (zoogenaamd rotkreupel) ingevolge art. 1 no. 11 van het Kon. besluit van 27 Maart 1888 Stbl. no. 67 gewijzigd bij de Kon. besluiten van 12 Mei 1889 Stbl.no. 62, 9 Oct. 1889, Stbl. no. 128, 20 Mei 1890, Stbl. no. 92 voor besmettelijk moet worden gehouden ;

en dat mitsdien het vervoer van door deze ziekte aangetaste schapen, volgens de bepaling van art. 21, le lid j". art. 35 der aangehaalde wet een strafbaar feit is;

dat verder overeenkomstig het bepaalde bij art. 47, le lid Strafrecht (bij art 91 van hetzelfde wetboek toepasselijk verklaard op feiten, waartegen bij andere wetten straf is gesteld, tenzij de wet anders mocht bepalen, hetgeen in dezen het geval niet is) ook hij die een strafbaar feit doet plegen, als dader strafbaar is;

en dat mitsdien de bekl. door op zijn last de bedoelde schapen door C. B. te doen vervoeren, als de dader van dit vervoer moet worden aangemerkt;

zoodat het als bewezen aangenomen feit, beklaagdes schuld daaraan met zich medebrengende, behoort te worden gequalificeerd:

„vervoer van vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast;"

waartegen is voorzien en straf bedreigd bij artt. 21—35 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131)j°. art. 10 no. 29 der wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64);

O. ten aanzien der verbeurdverklaring :

dat blijkens de verklaringen der getuigen S., B. en v. G. zelve de bedoelde schapen zijn aangehouden en ter beschikking van den burgemeester gesteld, naar aanleiding en ter zake van het vervoer door laatstgercelden van den stal van M. de G. naar de boot, nadat de schapen hem geleverd waren en zich in zijn macht bevonden, maar niet ter zake van het vervoer door of namens dezen bekl. van Oosthuizen naar en in Purmerend tot den bedoelden stal;

dat in elk geval het procesverbaal, waarbij de daarop gevolgde in beslagneming der schapen is geconstateerd, niet op den ambtseed is opgemaakt, zoodat daarop, als zijnde geen wettig bewijsmiddel, geen recht mag worden gedaan ;

en dat mitsdien van verbeurdverklaring der schapen of van de waarde er van (daargelaten dat niet blijkt, dat de wetsbepalingen omtrent de waardeering zijn nageleefd) in dit geding geen sprake kan zyn ;

O. ten aanzien van het ten laste gelegde vervoer persoonlijk door den bekl.:

dat deze wel heeft bekend, zich daaraan te hebben schuldig gemaakt, doch dat deze bekentenis door niets wordt gestaafd ;

daar toch uit de aanwezigheid van bekl.'s wagen met 3 schapen b'j den stal van de G., nog niet volgt dat deze wagen persoonlijk door den bekl. zoude zijn bestuurd geweest, en verder desomtrent geen bewijs is aangevoerd;

zoodat dit deel der ten lastelegging niet wettig is bewezen en de bekl. mitsdien in zooverre behoort te worden vrijgesproken ; J5

0. met betrekking tot de subsidiaire ten lastelegging, als zouden de schapen althans verdacht zijn van door klauwzeer te zijn aangetast :

dat deze bij het bewezene der primaire ten lastelegging, dat de dieren door die ziekte waren aangetast, vervalt;

zoodat deswege geen uitspraak behoeft te worden gedaan ;

O. dat uit het bovenstaande volgt, dat de Rechtbank zich met het in eersten aanleg gewezen vonnis niet vereenigt, en dat dit derhalve behoort te worden vernietigd ;

Gezien art. 23 Strafrecht, 214, 215, 216, 256, 257 Strafvord., 37 en 24 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), benevens dé bereids aangehaalde artikelen;

Rechtdoende:

Vernietigt het vonnis waarvan hooger beroep ;

En opnieuw rechtdoende :

Verklaart den bekl. schuldig aan boven gequalificeerd feit • Veroordeelt hem deswege tot betaling eener geldboete van f 25 en in de helft der kosten van beide instantien, desnoods i. b. 1. van hoogstens 3 dagen ;

subsidiair 10 dagen hechtenis ;

Spreekt den bekl. vrij van het ten laste gelegde feit, betrekkelijk het persoonlijk vervoer der schapen ;

Bepaalt dat de andere helft der kosten van beide instantien gedragen zal worden door den Staat.

HOOGE RAAD. — BULLETIN.

(Burgerlijke Kamer.)

Zitting van Vrijdag, 6 October.

Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

I. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake: (cassatie) A. M. J. Th. van Rijckevorsel, eischer, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw, tegen J. van Buel, verweerder, advocaat Mr. J. Addink. Adv.-gen. Gregory concludeert tot vernietiging van het vonnis en terugwijzing der zaak naar de Rechtbank te 's Hertogenbosch. Uitspraak 10 November.

Sluiten