Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bepaalt het saldo van rekening ten behoeve van eischer (gerendeerde) verschuldigd op f 554.375;

Veroordeelt den ged. (rendant) tot betaling van bovengenoemd bedrag tegen behoorlijk bewijs aan den eischer (gerendeerde), met de renten gerekend tegen 5 pet. 's jaars, sedert den dag der introductieve dagvaarding, 28 Nov. 1891, tot de geheele voldoening toe;

Wijst 't meer gevorderde (bij memorie van debat) van de hand;

Veroordeelt den ged- (rendant) in de proces-kosten, daaronder begrepen die welke bij bovenaangehaald vonnis werden voorbehouden tot de uitspraak dezes, aan zijde van eischer begroot op f 200. &

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN. Burgerlijk© Kamer.

Zitting van den 29 Juni 1893.

Voorzitter, Mr. B. W. N. Servatius.

Rechters, Mrs. : J. J. Gockinga en W. Kolff.

Art. 84 JB. R. laat toe, dat bij de daar voorgeschreven herhaling van het verzety de termijn van art. 81 wordt overschreden, zoo de buitengerechtelijke acte, waarbij het verzet dat werd gedaan, binnen dien termijn valt.

Bij handelingen, vallende binnen de grenzen eener contractueele verhouding, mag eene actie alleen worden gegrond op die ver houding, niet op onrechtmatige daad.

Wanneer een huurder het recht heeft om gedurende den huurtijd het houtgewas te kappen, doch van dit recht geen gebruik maakt, kan de verhuurder na het einde van den huurtijd over het aanwezige houtgewas beschikken.

K J. Steenbeek te Tietjerk, opposant en eischer, procureur Mr. B. Bleckmann,

tegen

Q TT ^

" * ,^an Knijff te Eestrum, geopposeerde en gedaagde, procureur Mr. H. Hiddinga.

Dg Rechtbank enz.,

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der daadzaken :

Overwegende dat bij voormeld vonnis dezer Rechtbank de conclusie van den eischer, thans geopposeerde, is toegewezen, mitsdien ten profijte van het verleend verstek, de gedaagde, thans opposant is veroordeeld om aan den eischer, thans geopposeerde, tegen kwijting te betalen de som van f 216, als uitmakende (e sc ade door ged.'s onrechtmatige daad, den eischer, thans geopposeerde, berokkend en gelijk staande met de waarde van " a ® koeien, gedurende den winterstaltijd van zich afwerpen egen f 12 per koe, en met derenten van dien naar 5 ten honin het jaar vanaf den dag der sommatie tot aan de betaling, voorts de ged.. thans ood.. is veroordeeld i» (l<. l-,

cedure, waarvan het bedrag, behoudens de kosten op dat vonnis, het lichten en de executie er van te vallen, werd bepaald op f 40.35, welk vonnis op den 13 Juli 1892 aan den ged., thans opp. in persoon behoorlijk is beteekend ;

0. dat de ged. bij gemeld vonnis, thans opp., bij exploit van den 27 Juli 1892 van deurwaarder v. d. Woude aan den eischer bij gemeld vonnis heeft doen aanzeggen, dat hij zich verzet tegen voormeld vonnis van den 30 Juni 1892, bij verstek tussehen partijen gewezen ;

O. dat de ged. bij gemeld vonnis, vervolgens bij exploit van den 29 Juli 1992 van genoemden deurwaarder aan den eischer bij gemeld vonnis heeft doen aanzeggen, dat hij daarbij herhaalt gelijk hij bij exploit van den 27 Juli 1892 heeft verklaard, dat hij zich verzet tegen gemeld tussehen partijen gewezen verstekvonnis en voorts bij datzelfde exploit van den 29 Juli 1892 den eischer, thans geopposeerde en ged. heeft gedagvaard en daarbij heeft gesteld, dat de geopposeerde, vroeger eischer bij exploit van dagvaarding van den 7 Juni 1802 daarbij heeft gevraagd de veroordeeling van opp. om de som van f 216 aan geopposeerde te betalen, als uitmakende de schade door ged.'s onrechtmatige daad aan den eischer berokkend;

dat er overigens in het geheel niet is gesproken in dat exploit van dagvaarding van eene onrechtmatige daad, die eischer zoude gepleegd hebben doch daarbij alleen gedoeld is op het niet voldoen aan eene op opp. rustende verplichting om de mesthoop gedurende den afgeloopen winter gemaakt op de zathe te doen verblijven ; dat dus veroordeeling wordt gevraagd op grond van onrechtmatige daad, die schade heeft berokkend, terwijl aan opp., toen ged., alleen wordt te laste gelegd het niet-nakomen van eene verplichting welke op opp. rusten zoude, uit kracht eener overeenkomst: dat verder in art. 16 van het huurcontract wel is bedongen, dat de mesthoop gedurende den winter gemaakt op de zathe moet verblijven ten voordeele van den verbuurder zonder eenige vergoeding aan den huurder, thans opp., doch geopposeerde in gebreke blijft aan te toonen 1". dat er mest door koeien aldaar is gemaakt ;

2°. het aantal koeien die mest hebben gemaakt;

3°. den tijd gedurende welken, koeien mest hebben gemaakt;

dat de aanwezigheid op de zathe van de mest van 18 koeien gedurende den winter gemaakt toch niet als van zelf sprekende kan worden aangemerkt, en de aanwezigheid van zulk een mesthoop in ieder geval door opp. wordt ontkend ; ten slotte dat opp. °P het land door hem van geopposeerde gehuurd, gebracht heeft °P verschillende tijden modder en wierde grond tot eene gazamenlijke hoeveelheid van 90 ton ten bedrage van f 90, ad f 1 per fsn modder en wierde grond; dat opp. verder ten bedrage van

oü aan arbeidsloon verricht heeft op datzelfde land zoodat het land zóó verbeterde, dat het haast niet meer herkenbaar was, dat , die bij het intreden van de huur door opp. nauwelijks

>. Ik g te schatten was, bij den verkoop eene waarde bleek te hebben van f 200 zoodat ook geopposeerde bij de verbetering door °pp. aan zijn land aangebracht f 175 voordeel heeft gehad, ongeveer overeenkomende met de kosten door opp. besteed aan de verbetering, zijnde f 170 ;

dat geopposeerde tegelijk met den verkoop van het land, door °PP' van hem gehuurd, heeft verkocht het daarop staande kaphout, welk kaphout volgens voormeld huurcontract opp. bevoegd was op gezetten tijd te kappen en eene waarde vertegenwoordigde van f 60, dat dus opp. en eischer van geopposeerde en ged. heeft te vorderen de som van f 230, concludeerende opp. en eischer als boven is gein-

«ereerd ;

O. dat nadat voor opp. ter terechtzitting conform de dagvaarding was geconcludeerd, de geopposeerde en ged. hierop heeft geantwoord, dat meergemeld verstekvonnis op den 13 Juli 189 2 aan ged., thans opp., in persoon is beteekend en het verzet daartegen nog op den 14en dag daarna, zijnde 27 Juli openstond ;

dat opp. op den 27 Juli nu wel heeft doen verklaren en aanzeggen dat hij zich tegen meergemeld vonnis verzet, maar bedoeld exploit geen enkel middel bevat, waarop het verzet steunt en alzoo niet aan de bepaling der wet voldoet;

dat opp. verder op den 29 Juli 1892 heeft doen aanzeggen en verklaren gelijk hij reeds den 27 Juli te voren heeft verklaard, dat hij zich verzet tegen het vonnis, tevens met dagvaarding hou¬

dende de middelen van verzet, maar dat op dien z» juii tegen gemeld verstekvonnis het middel van verzet was buiten gesloten, daar bij de wet geen 16 maar 14 dagen voor het verzet zijn gegeven ;

dat art. 84 ü. ü. wel spreekt van een verzei Dij Duitengerecntelijke akte onder verplichting om het verzet binnen 3 dagen te herhalen, maar ook dit verzet wordt beheerscht, wat de termijn daartoe betreft door art. 81 eodem, zoodat ook in dat geval op den 14en dag uiterlijk het verzet moet plaats hebben gevonden; dat opp. alzoo moet worden verklaard kwaad opp.; en wat het verzet zelve betreft, dat het niet nakomen van eene wettige verplichting als contractbreuk zich oplost in het geven van vergoeding der schade daardoor veroorzaakt, terwijl daar waar a priori die schade in eene bepaalde geldsom te fixeeren is, zooals in ca.su, het onnoodig is de omslachtige wijze eener liquidatieprocedure te volgen, te minder niet nu de schade op zich zelve niet is betwist geworden en gevraagd werd f 216 gelijkstaande met wat 18 koeien gedurende den winterstaltijd van zich afwerpen tegen f 12 per koe ; of zoodanige mindere schadesom als desnoods na deskundigen te hebben gehoord de rechter zal bepalen; dat de actie dus wel is ontvankelijk ;

dat de tweede grief wordt weerlegd, door de ten fine van bewijs door alle middelen rechtens, speciaal door getuigen aangeboden hier gestelde daadzaak, dat opp. door den notaris Sjerps te Leeuwarden op den 5en April 1892 publiek heeft doen verkoopen de op de zathe van geopposeerde aanwezige en aan opp. toebehoorende 21 stuks hoornbeesten, enz., zooals vermeld wordt in de Leeuwarder Courant van den 29 Maart 1892, welke daadzaak opp. wordt gesommeerd te erkennen of te ontkennen op straffe

rechtens ;

wat de tegenvorderingen betreft, dat de daarbij bedoelde feiten zooals ze werden gesteld, voor tegenspraak onvatbaar zijn, omdat geopposeerde, nu er niets werd gespecificeerd, de tijd zoo ruim gesteld, en alles zoo onbepaald en ongemotiveerd bij conclusie werd opgenomen, niet bij machte is dienaangaande iets te erkennen of te ontkennen ;

dat wat het sub 1°. vermelde betreft, geopposeerde daartoe nimmer last heeft gegeven, dat zulks ten allen overvloede wordt

ontkend, doch al ware het wel het geval, opp. daarvan dan zelf de vruchten heeft geplukt, en dus zijn eigen belang heeft bevorderd ; wat het sub 2°. vermelde betreft, dat de geopp. ook hiertoe nimmer last heeft gegeven, overigens dienaangaande alles wordt ontkend; wat het sub 3°. vermelde betreft, dat de rechten en verplichtingen tussehen verhuurder en huurder dienaangaande bij art. 11 van het huurcontract zijn omschreven en wanneer opp. dus — aangenomen dat hij daartoe wel het recht had, hetgeen wordt ontkend — niet heeft gekapt, dan mocht geopposeerde

de zathe verkoopende tegelijk het weinige houtgewas, daarop staande, verkoopen ;

dat overigens alle door opp. bijgebrachte feiten worden ontkend, concludeerende geopposeerde als boven is opgenomen ;

O. dat opp. en eischer heeft gerepliceerd, dat het gedaan verzet werkelijk nog op den 27 Juli 1892 is geschied bij buitengerechtelijke akte, terwijl de op opp. rustende verplichting om zijn

verzei, uiuueu j dagen op de wijze van art. 83 li. n. te nerhalen, werkelijk door opp. op dén 29 Juli d. a. v. is nagekomen, zoodat het verzet van den 27 Juli i8 gedaan volgens de wet;

dat voorts de door geopposeerde gestelde daadzaak van verkoop van hoornbeesten niet bewijst, dat opp. den 12 Mei 1892 bij het verlaten der boerenhuizinsre een mo.rinnn heeft achtergelaten ter

waarde van circa f 80, dat nu nog steeds op het erf staat een mesthoop van minstens 4 koeien terwijl over het land zelf, ook de mest van nog 4 koeien lag verspreid ;

dat opp. al deze feiten en omstandigheden door alle middelen rechtens, speciaal door getuigen te bewijzen aanbiedt;

wat de eisch in reconventie betreft, dat opp. door alle middelen rechtens, speciaal door eretuiapn aanbiedt te bewijzen dat

modder en wierde grond op het land zijn gebracht ter waarde van f 90; dat verder geopposeerde geen last heeft gegeven tot den op het land verrichten arbeid, doch dat ook zonder lastgeving, aan dengene die zijne belangen heeft waargenomen de nuttige en noodzakelijke uitgaven zijn te vergoeden ;

dat opp. het overige houtgewas waarvan in art. 11 van het hnurcontract sprake is, kappen mocht zoodra dit houtgewas 7 jaren oud was, volgens gebruik, terwijl dit hout juist gedurende den huurtijd van opp. 7 jaren oud was geworden, welk recht ge¬

schonden is door net vernoopen tegelijk met net land ook van dat houtgewas, waardoor opp. eene schade leed van f 60;

O. dat de geopposeerde en ged. heeft gedupliceerd: dat door de opvatting van opp. de algemeene regel van art. 81 B. R. zou worden geschonden, welke opvatting ook wordt gewraakt sedert de wet van 23 Dec. 1886 (Stbl. no. 230) waarbij nu een bepaalde termijn van 14 dagen na de beteekening van het vonnis is voorgeschreven, zooals nog blijkt uit de 2e alinea van genoemd artikel;

dat het niets afdoet dat een minder getal, 18 stuks, werd gesteld op de zathe aanwezig te zijn geweest, dan 21 stuks hoornvee, zooals blijkt het geval te zijn geweest; dat ook de beweringen van opp. omtrent het aanwezig zijn eener mesthoop en thet verspreiden van mest over het land niets ter zake afdoen omdat bij expiratie van den huurtijd de mesthoop gedurende den winter van het laatste huurjaar aanwezig moest zijn maar niet aanwezig was, persisteerende geopposeerde overigens bij zijne conclusie van antwoord;

O. dat de stukken van het geding vervolgens door partijen onder inventaris aan de Rechtbank zijn overgegeven ter beslissing ;

In rechten :

O. in conventie:

dat de geppposeerde de niet-ontvankelijkheid van het verzet beweert op grond dat het niet is gedaan binnen 14 dagen na de beteekening van het vonnis zooals art. 81 B. R. voorschrijft;

O. hieromtrent: dat het verstekvonnis van den 30 Juni 1892 aen den ged., thans opp., in persoon is beteekend op den 13 Juli d. a. v. zoodat het verzet daartegen, zou het geldig zijn, moest plaats hebben binnen 14 dagen na laatstgemelden dag, dat is, voor of den 27 Juli d. a. v.;

dat de opp. bij deurwaardersexploit van den 27 Juli 1892 aan den eischer, thans geopposeerde heeft doen aanzeggen, dat hij

zich verzet teeren voormeld vnnnis • dat dit verref n 11 wol ic nrao«

ïuiuuu! >au jpariiij ueueisi, met uagvuaruing van aen oor¬

spronglijken eischer overeenkomstig art. 83 B. R. doch, dat art. 84 van datzelfde wetboek bepaalt, dat het verzet ook kan gedaan worden bij buitengerechtelijke akte zonder inachtneming van de bepaling van genoemd art. 83 mits de opp. zijn verzet volgens de voorschriften van dat artikel binnen 3 dagen herhaalt;

dat opp. een en ander heeft nageleefd door na het exploit van den 27 Juli voormeld, zijn daarbij gedaan verzet te herhalen bij het exploit van den 29 Juli d. a. v., houdende middelen waarop het verzet is gegrond, tevens met dagvaarding van den geopposeerde ;

dat de geopposeerde nu wel beweert dat ook de herhaling van het verzet binnen den termijn van 14 dagen van art. 81 moet geschieden, doch dat zulks niet volgt uit het verband van de artt. 81, 83 en 84 van genoemd Wetboek, terwijl bovendien het eerste verzet gedaan volgens gemeld art. 84 alsdan geheel doelloos zoude zijn ;

0. dat het middel van niet-ontvankelijkheid mitsdien ongegrond is ;

0. omtrent den ingestelden eisch zeiven, dat blijkens de daadzaken, opgenomen in vermeld verstekvonnis de oorspronkelijke eischer thans geopposeerde by dagvaarding heeft gesteld dat de ged., thans opp., de mesthoop gedurende den winter van het laatste huurjaar gemaakt niet heeft doen verblijven op de zathe van den eischer en ten diens voordeele, zooals art. 16 van de tussehen partijen bestaande huurovereenkomst voorschreef en op grond daarvan heeft gevorderd veroordeeling van ged. om aan den eischer de schade te betalen door ged.'s onrechtmatige daad voormeld den eischer berokkend;

0. dat mitsdien de eisch is gegrond op niet-nakoming van de bedoelde huurovereenkomst, terwijl schadevergoeding wordt gevraagd wegens onrechtmatige daad;

0. dat bij handelingen vallende binnen de grenzen eener contranctueele verhouding van partijen, alleen eene actie mag worden gegrond op die verhouding maar niet op onrechtmatige daad ;

0. dat opp. alzoo behoort te worden verklaard goed opp., het vonnis van den 30 Juni 1892 tussehen partijen gewezen vernietigd en de eischer alsnog niet-ontvankelijk in zijnen eisch ;

0. in reconventie :

dat de reconventioneele eischer stelt: 1°. dat hij op het land van den reconventioneelen ged. gebracht heeft op verschillende tijden modder en wierde grond tot eene gezamenlijke hoeveelheid van 90 ton ten bedrage van f 90 en 2®. dat hij op datzelfde land aan arbeidsloon heeft laten verwerken eene som van f 80, zoodat het land zeer verbeterde ;

0. dat bij deze beide vorderingen ontbreekt zoodanige bepaalde

en ondubbelzinnige aanduiding van de middelen van den eisch

als de wet eischt opdat de tegenpartij weten kunne, waartegen zij zich heeft te verdedigen, zoodat de recon vent ion eelp

eischer ten dezen aanzien behoort te worden verklaard niet-ontvankelijk ;

O. dat de reconventioneele eischer teu 3e vordert eene som van f 60 op grond, dat de reconventioneele ged. bij den verkoop van het land heeft verkocht het na het einde der huur daarop staande kaphout, welk kaphout volgens voormelde huurovereenkomst de reconventioneele eischer bevoegd was op gezette tijden te kappen;

0. dat art. 11 van de tussehen partijen in confesso zijnde huurovereenkomst inhoudt, dat de huurder het houtgewas staande de huurjaren zal moeten behandelen zooals dat volgens costuum gebruikelijk is, zonder meerdere voorrechten dienaangaande te kunnen eischen of zich te mogen veroorloven ;

O. dat hieruit volgt, dat al moge de reconventioneele eischer als huurder het recht hebben gehad om gedurende den loop van zijn huurtijd het bedoelde houtgewas te kappen, indien hij zulks nalaat, de reconventioneele ged. na dien huurtijd dat houtgewas nog aanwezig vindende, bij den verkoop der zathe als eigenaar de bevoegdheid heeft om dat houtgewas mede te verkoopen ;

dat alzoo den reconventioneelen eiseher te d ezen aanzien «nn

eisch behoort te worden ontzegd ;

Gezien de artt. 56, 81 en vlg. 252 B. R. ;

Rechtdoende;

In conventie :

Verleent akte waarvan akte is gevraagd ;

Verwerpt het voorgestelde middel van niet-ontvankelijkheid •

Verklaart odo. sroed onn. te^en het. vnnnio sn r.,„:

door deze Rechtbank bij verstek tegen hem gewezen en ontheft hem mitsdien van de daarbij tegen hem uitgesproken veroordeeling behoudens dat de proceskosten op het vonnis bij verstek gevallen' ten laste van den opp. blijven;

Ontzegt den geopposeerde de oorspronkelijke door hem gedane vordering en veroordeelt hem in de kosten;

In conventie:

Verleent akte waarvan akte is gevraagd ;

Verklaart den reconventioneelen eischer niet-ontvankelijk in zijne 2 eerste reconventioneele vorderingen en ontzegt hem zijne derde reconventioneele vordering;

Veroordeelt hem in de kosten.

ARROroiSSEMENTS-RKCHTBANK TE ASSEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 2 October 1893.

Voorzitter, Mr. i. Roessingh.

Rechters, Mrs.: J. J. Willixge en R. A. Fockema.

Akt. 1200 B. W.

Een beding, dat het pand bij met-voldoening der schuld strekken zal tot betaling, is niet voor beide partijen, maar slechts voor den pandhouder nietig.

J. H., te Assen, eischer, procureur Mr. H. J. Carsten Bzn., tegen

H. v. d. B., te Assen, gedaagde, procureur Mr. M. Oldenhuis Gratama.

De Rechtbank enz.,

Overwegende ten aanzien van de daadzaken • dat de gedaagde op 28 Febr. 1893, ter zake van zijn bedrijf ten behoeve van den eischer heeft onderteekend en aan hem afgegeven een orderbiljet ten bedrage van f 550, vervallende 6 weken na de dagteekening;

dat de cischer dat biljet heeft geëndosseerd aan den heer E. A. S.

Sluiten