Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat door het bovenstaande voldoende ie aangetoond, dat, waar art. 86 Strafvord. spreekt van „het misdrijf", daarmede bedoeld wordt het misdrijf, zooals het zich voordoet met zijne verlichtende en verzwarende omstandigheden ;

dat nu in het onderhavige geval „het misdrijf", zooals art. 141 j . 39 het omschrijven, was: „het openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen, door een kind beneden den leeftijd van 16 jaren" ;

dat het maximum der straf op dit „misdrijf" gesteld, gelijk boven is uiteengezet, in het voor requestrant ongunstigste geval, is 3 jaren ;

dat toch art. 39, 4e zinsnede, Strafrecht niet zegt, dat de rechter de straf, die hij anders zoude toepassen, nu een derde minder zal moeten stellen, maar dat het maximum der hoofdstraffen op het strafbaar feit gesteld, met een derde wordt verminderd;

dat derhalve art. 86 Strafvord. op dit misdrijf niet toepasselijk is, en dat mitsdien op requestrant ten onrechte en in strijd met de wet de preventieve hechtenis is toegepast geworden en nog wordt toegepast;

da'.77 na deze uiteenzetting, requestrant enkel nog te bewijzen overblijft voor het geval zulks betwijfeld zoude kunnen worden dat hij bevoegd is zich tot uw Hof te wenden op de wijze als hij i8 doende;

dat vooreerst door het ingestelde appel vaststaat, dat uw Hof van zijne zaak is gesaisisseerd;

o dat, dit vaststaande, hij zijne bevoegdheid ontleent aan art. 239 1 • 227 Strafvord., welk laatste artikel nog wel uitdrukkelijk is genoemd in art. 239 ;

dat hij immers niet verplicht is geduld te oefenen tot de openbare behandeling zijner zaak in appel, om tegen de bij gelegenheid het eindvonnis gegeven beschikking, waarbij zijne gevangenhouding is bevolen, indien hij zich daardoor bezwaard gevoelt, op komen, daar in eiken stand van het geding (art. 227) de Rechtbank (respectievelijk het Hof) op zijn verzoek zijne invrijheidstelling kan bevelen, en hij, requestrant, diensvolgens in eiken stand van het geding bevoegd is, dat verzoek tot de Rechtbank

(respectievelijk het Hof) te richten ;

Redenen, waarom requestrant zich wendt tot uw Hof, met eerbiedig verzoek, dat het den Hove behage alsnog te bevelen zijne onmiddellijke invrijheidstelling.

Hetwelk doende enz.

Namens den beklaagde, diens raadsman, s Hertogenbosch, 5 Dec. 1892. (w. g.) J. A. Loeff.

Het Hof enz.,

geding61* TOren8taand verzoekschrift en de processtukken van het

Stelt hetzelve in handen van het Openb. Min. ten fine van conclusien;

m!fe('aan ter raadkamer van voornoemd Gerechtshof den 9 Dec. 1892 enz.

De proc.-gen. enz.,

Gezien bovenstaande beschikking met verzoekschrift en bijbehoorende stukken ;

Overwegende dat de beklaagde op grond der artt. 239 j°. 227 Strafvord., in verband met het feit, dat het Hof door de inlevering van de stnkken ter griffie van de zaak is gesaisisseerd, geacht moet worden volkomen ontvankelijk te zijn in zijn verzoek;

Daarbij mede op den voorgrond stellende, dat het Hof, geheel afgescheiden van de ten requeste opgeworpen rechtsvragen, ook ambtshalve bevoegd is met of zonder motiveering de onmiddellijke invrijheidstelling van den bekl. te bevelen ;

O. evenwel dat er, des ongeacht, ook van rechtswege alleszins termen bestaan om het verzoek in te willigen ;

dat toch de regelen omtrent vermindering en verhooging der strafbaarheid gelden voor elk misdrijf in abstracto, zoodat tegen elk misdrijf niet één strafmaximum maar naar gelang van bijzondere omstandigheden, 2 of zelfs meer strafmaxima zijn bedreigd ;

dat zoo bijv. tegen gewone mishandeling als de dader is een toerekenbaar kind van tusschen 10 en 16 jaren, een strafmaximum van 1 iaar en 4 maanden, en als de dader is een ambtenaar die in het geval verkeert van art. 44 Strafrecht of ook wel als de dader is een recidivist, vallende onder art. 422 Strafrecht, telkens een strafmaximum van 2 jaar en 8 maanden is bedreigd ;

dat dus, waar gelijk hier, bij rechterlijke uitspraak is beslist: 1°. dat de dader is een kind van beneden de 16 en boven de 10 jaren, gehandeld hebbende met oordeel des onderscheids ; 2 . dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf voorzien bij art. 141 al. 1 Strafrecht; 3°. dat het meerdere hem ten laste gelegde, zijnde het misdrijf van wederspannigheid, 't welk had kunnen vallen onder het bereik van art. 182 Strafrecht, niet is bewezen, zoodat hij daarvan is vrijgesproken ; dat dus, waar dit alles vaststaat, voor de toepassing der voorloopige hechtenis, krachtens art. 227 j°. 86 Strafvord., slechts van een strafmaximum van 3 jaren de rede kan zijn en derhalve de bevoegdheid om die hechtenis op te leggen of haar te doen vooribestaan, volstrekt is uitgesloten ;

Heeft de eer te concludeeren en tevens te vorderen, dat het den Hove moge behagen het verzoek in te willigen.

De procureur-generaal, 's Hertogenbosch, 13 Dec. 1892. (w. g.) Reitsma, adv.-gen.

Het Hof enz.,

Nader gezien vorenstaand verzoekschrift en de stnkken van de appelzaak tegen W. F. van H.;

Gelet op de conclusie van den heer proc.-gen.;

Zich vereenigende met de gronden door dien ambtenaar aangevoerd, tot inwilliging van het verzoek;

Beveelt de invrijheidstelling van den bekl. W. F. van H.; Gedaan enz.

De bij bovenstaande arrest besliste vraag gaf reeds dadelijk na de inwerkingtreding van het gewijzigde Wetb. van Strafvordering aanleiding tot twijfel gelijk kan blijken uit eene aanteekening in 3I- I Van het T. v. Sr., bl. 590, van de hand van Prof. van Hamel, die haar beantwoordde in anderen zin dan thans door het Gerechtshof te 's He-togenbosch is geschied. Het gevoelen van den Amsterdamschen hooaleeraar werd later breedvoerig verdedigd door Mr. P. Polvliet in het T. v. Sr., VI, 215—224. Daarentegen vindt 's Hofs beslissing steun in een vonnis der arrondissements-rechtbank te Haarlem, zonder dagteekening vermeld in het T- v. Sr., V, 557, en in de conclusie van den Advocaat-Generaal Gregory, voorafgegaan aan 's Hoogen Raads arrest van 2 Mei 1887, w. no. 5427. Dat ook wij, bij de erkenning van het gewicht der gronden, die voor eene tegenovergestelde meening kunnen worden aangevoerd, liefst zouden medegaan met 's Hofs gevoelen, werd reeds opgemerkt in W. no. 6157 onder de rubriek Periodieke Literatuur. Redactie.

AKRONDISSEMENT8-RECHTBAN KEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE AMSTERDAM. Derde Kamer.

Zitting van den 30 Juni 1893.

Voorzitter, Mr. J. H. van Goor.

Rechters: Mrs. S. Sleeswijk en J. Dekino Düra.

Zichtbaar of verborgen gebrek 1

Tardiviteit van eene reclame ruim vier weken na de levering en nadat een groot deel der geleverde waar onder den kooper door brand was vergaan.

De handelsvennootschap onder de firma Stoffers & Co., gevestigd en lantoor houdende te Amsterdam, eischeres, procureur Mr. A. C. N. Pieren,

tegen

M. de Niet Azn, wonende te Scheveningen, gedaagde, procureur Mr. N. A. Calisch.

De Rechtbank enz.,

Gehoord partijen ;

Gezien de stukken ;

Overwegende ten aanzien der feiten ;

dat de eischeres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en bij lijfsdwang de veroordeeling van den gedaagde tot betaling tegen behoorlijke kwijting van eene som van f 1 148.53 met rente en proceskosten, op grond dat zij, eischeres, aan den ged. ten behoeve van diens affaire volgens specificatie aan het hoofd der dagvaarding gesteld, heeft verkocht en op den 9 Mei 1892 heeft geleverd 50 kisten cachou s. c. tot een bedrag van f 1103.08 en 2 kisten roet, tot een bedrag van f 45.45, welker gezamenlijk bedrag van f 1148.53, ged. tot heden nalstig is gebleven ondanks herhaalde aanmaning te voldoen ;

0. dat de ged. hierop heeft geantwoord, dat, ofschoon eischeres aan den ged. ten dienste van diens affaire beeft verkocht caoutchouc prima qualiteit, eischeres heeft geleverd caoutchouc, die voor den ged. onbruikbaar was, weshalve daar eischeres niet heeft voldaan aan hare verplichtingen als verkoopster, de ingestelde vordering niet voor toewijzing vatbaar is ;

O. dat eischeres hierop heeft gerepliceerd, dat aangezien de ged. geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van den tweeden post betreffende de 2 kisten roet, de vordering op uit punt voor directe toewijzing vatbaar is;

dat het bij antwoord beweerde omtrent de caoutchouc zeker bedoeld is als een verweer tegen de vordering betreffende de verkochte en geleverde cachou s. c.;

dat dit verweer gedaan, nu eischeres om betaling vraagt bijna een half jaar na de levering vooral nu ged. het geleverde heeft geaccepteerd en onder zich gehouden, als tardief moet worden beschouwd en derhalve ook die vordering direct voor toewijzing vatbaar is ;

dat eischeres voor het geval de Rechtbank ten deze van andere meening mocht zijn, opmerkt, dat zij sinds eenige jaren aan ongeveer alle reeders te Scheveningen, Katwijk, Noordwijk en andere plaatsen in ons land de cachou onder het merk s. c., uit Rongoon in den handel brengt en levert, welke cachou als naar gewoonte vau prima qualiteit is, terwijl door gein der andere reeders, die van dezelfde partij ontvingen, werd geklaagd;

dat wat de onbruikbaarheid betreft voor ged. dit begrip te vaag is om daarop te kunnen antwoorden daar bruikbaarheid afhangt van het doel, waarvoor iets moet worden gebezigd, en de wijze, waarop men het aanwe idt, en het bewijs der onbruikbaarheid in elk geval zou rusten op de v ged (aar de cachou voor andere reeders zeer bruikbaar was ;

dat eischeres subsidiair het bewijs harer posita door alle middelen rechtens, ook door getuigen a mbiedt, ook dat hare cachou s. c., is van prima qualiteit, bruikbaar voor het doel, waarvoor deze aan reeders wordt verkocht, tenzij de Rechtbank omtrent het laatste een deskundig onderzot k in deze materie wenscht, waartegen eischeres geen bezwaar heeft •

0. dat ged. hierop heeft gedupliceerd:

dat eischeres het wil doen voorkomen alsof zij eerst in dit proces heeft vernomen, dat zij niet naar behooren heeft geleverd, maar de ten deze overgelegde correspondentie bewijst, dat ged., zoodra de caoutchouc onbruikbaar en niet van prima qualiteit bleek te zijn, heeft gereclameerd, waarop het beroep van eischeres op acceptatie en tardiviteit van ged.'s reclame afstuit;

dat ged. zich reeds vóór zijn brief aan eischeres van den 13 Juni 189M bij den agent van eischeres, Karstens, door wiens bemiddeling de verkoop was geschied, had beklaagd en deze de ondeugdelijkheid van het geleverde niet kan ontkennen :

dat eischeres terecht heeft gesteld, dat de caoutchouc was geleverd voor ged.'s affaire, dit wil zeggen, voor het tanen van netten, en dit nu, toen een aanvang werd gemaakt met het smelten der waar, bleek dat deze niet was zuiver, maar met andere stoffen vermengd, waardoor de daarmede getaa ide netten niet tegen rotten en broeien werden beveiligd;

dat een groot deel der partij, welke voor rekening van eischeres bij den ged. is blijven staan, door brand is te niet gegaan, maar uit een deskundig onderzoek van het overblijvende deel de gegrondheid van des g. daagden reclame, welke inderdaad niet betreft de 2 kisten roet, zal kunnen blijken;

dat ged. heeft vernomen, dat ook ande:e reeders te Scheveningen zich over de in den laatsten t(jd door eischeres geleverde waar hebben beklaagd ;

dat het bewijs, dat eischeres Mg' te willen leveren, niet voor toewijzing vatbaar is;

O. in rechten ;

dat de vordering tot een bedrag van f 45.45 wegens de 2 kisten roet, als niet tegengesproken, voor onmiddellijke toewijzing vatbaar is;

O. nu omtrent de 50 kisten met de waar, door de eischeres „cachou"" en door den ged. „caoutchouc" genoemd, doch waarmede beiden kennelijk hetzelfde bedoelen;

dat de ged. heeft erkend 50 kisten cachou of caoutchouc van eischeres te hebben gekocht, welke hem op den 9 Mei 1892 z\jn geleverd, terwijl tusschen partijen vaststaat, dat ged. bij zijnen brief aan eischeres van 13 Juni 1892 zich over de slechte qualiteit der ;eleverde waar heeft beklaagd en verzocht heeft, die bij hem te laten weghalen, waarop de eischeres bjj brief dd. 15 Juni daaraanvolgende heeft geantwoord, dat zij overtuigd van de deugdelijkheid der geleverde cachou, aan dit verzoek niet wilde voldoen ;

dat eveneens tusschen partijen in confesso is, dat daarop de 50 ' kisten, behoudens een gedeelte van een kistje, hetwelk in bewerk¬

ten toestand aan eischeres was teruggezonden, in het bezit van ged. zijn gebleven ;

dat het niet duidelijk is, of de ged., bewerende, dat de cachou bij het smelten bleek niet zuivtr te zijn, maar met andere stoffen vermengd, zoodat zij niet geschikt was voor het gebruik waartoe zij bij hem moest dienen, namelijk het tanen van netten, daarmede een zichtbaar dan verborgen gebrek bedoelt;

dat in het eerste geval, waar de eischeres heeft ontkend vóór de ontvangst van den genoemden brief van den 13 Juni kennis te hebben gekregen vau de reclame van ged. — hebbende de eischeresse bij pleidooi alle bevoegdheid van haren agent om zich met reclames harer clientele in te laten ontkend — deze reclame ruim 4 weken nadat de ged. in het bezit van het geleverde was gekomen, ongetwijfeld als tardief zou moeten worden aangemerkt;

dat toch ged. zich alsdan vroeger van dit zichtbare gebrek had moeten overtuigen en zich vroeger tot de eischeresse zelf had moeten wenden, zoodat in dat geval de vordering van eischeresse tot voldoening van den koopprijs der cachou, zou moeten worden toegewezen ;

0. dat in het tweede geval, zoo de ged. deze beweerde onbruikbaarheid der waar voor z\jn doel, als een verborgen gebrek zou willen beschouwd zien, dit gebrek, gesteld het ware bewezen, evenmin in casu hem voor de verplichting tot betaling van den koopprijs zou kunnen ontheffen ;

dat toch volgens art. 1543 B. W. de kooper bij een bewezen verborgen gebrek slechts tegen teruggave van het goed, den reeds betaalden koopprijs kan terugvorderen, terwijl art. 1546 B. W. bepaalt, dat indien voor de teruggave, het goed door toeval is vergaan, dit verlies den kooper treft, die daardoor zijn recht op terugvordering van den koopprijs verliest;

dat aangezien de ged. heeft erkend dat een groot deel der 50 kisten door brand te zijnent is vernield, terwijl hij zelfs niet bij conclusie aanbiedt, het niet nader bepaalde kleiner deel aan eischeres terug te geven, het met het in bovengenoemde artikelen neergelegde beginsel der wet in strijd zou zijn door ontzegging der vordering van den nog niet betaalden koopprijs, op grond eener thans niet meer te constateeren onbruikbaarheid der geheele partij tijdens de levering den verkooper èn het goed èn zijn geld te doen verliezen;

dat derhalve, hoe ook de verdediging van ged. moet worden beschouwd, de ged, in casu tot betaling van den koopprijs der cachou gehouden is, zoodat de geheele vordering voor toewijzing vatbaar is *

Gezien, behalve de genoemde, artt. 1549 B. W., 56, 315,586 1°. en 616 B. R.:

Veroordeelt den ged. om aan de eischeres tegen behoorlijke kwijting ter zake bovenvermeld te betalen de somma van f 1148.53 met de rente van dien ad 6 pet. van af den dag der dagvaarding (22 Sept. 1892) tot aan dien der voldoening;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad mits stellende zekerheid, welke zal moeten worden aangeboden binnen 8 dagen na hooger beroep tegen dit vonnis en binnen 8 dagen na het aanbod aangenomen of betwist, alsmede bij lijfsdwang;

Veroordeelt den ged. in de kosten van dit rechtsgeding, begroot aan de zijde der eischeres tot op de uitspraak van dit vonnis op f 120.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTERDAM. Tweede Kamer.

Zitting van den 14 Juni 1893.

Voorzitter, Mr. Ph. A. J. Boüvin.

Rechters, Mrs.: E. Feith en B. J. A. Sterck.

Moet, wanneer overeengekomen is dat alle geschillen uit de overeenkomst voortvloeiende zullen beslist worden door een bepaald arbitraal college en dit college weigert van het geschil kennis te nemen, het geheele pactum de compromittendo geacht worden vervallen te zijn, zoodat de gewone rechter bevoegd wordt 1 — Ja.

De Handelsvennootschap onder de firma S. Z. Danon, gevestigd te Antwerpen, eischeres, advocaat en procureur Mr. J. Knottenbelt,

tegen

Joh. Hesen, koopman, wonende te Rotterdam, gedaagde, advocaat en procureur Mr. J. G. L. Nolst Tbenite.

De Rechtbank enz.,

Gehoord partijen in hare conclusien en pleidooien;

Gezien de stukken van het geding, alle voor zooveel noodig geregistreerd ;

Gehoord de conclusie van het Openb. Min,, strekkende tot verwerping van de voorgestelde exceptie van onbevoegdheid, met veroordeeling van den excipient en gedaagde in de kosten ;'

Overwegende dat de vordering der eischeres strekt, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en bij lijfsdwang zullen worden ontbonden verklaard na te melden overeenkomsten van koop en verkoop

op 24 en 28 Mei 1892 tusschen partijen gesloten, met veroordeeling

van ged. tot vergoeding van alle kosten, schaden en interessen tengevolge van zijne wanpraestatie door de eischeres reeds geleden of nog te lijden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet c. e.;

en zulks op grond, dat op gemelden dato de eischeres door tusschenkomst van de heeren Moormans & Co. te Rotterdam aan den ged. heeft verkocht en deze van haar heeft gekocht circa 210.000 KG. rogge, tegen den prijs van f 157 voor den eersten en f 158 voor den tweeden koop van 210.000 KG. tegen betaling op 3 maanden na den datum van het cognossement in wissels des verkoopers voor rekening des koopers, op bankiers door den verkooper goed te keuren, met bepaling dat de kooper zich verbindt om die wissels te doen accepteeren tegen overgaaf der documenten en verder op de condities, zooals die in de dagvaarding en de conclusie van eisch staan vermeld;

dat de eischeres de verkochte rogge op 29 Oct. 1892 verladen heeft van Braïla per het stoomschip „Franklin" en zij daarvan kennis heeft gegeven aan den ged., onder inzending der facturen, bedragende voor den eersten koop f 13436.10 en voor den tweeden koop f 13536.10, met verzoek de bankiers op te geven, op welke voor die koopprijzen getrokken zou moeten worden ;

dat echter de ged. onder terugzending der facturen geantwoord heeft, dat de zaak hem niet aanging en ook niet voldaan heeft aan de sommatie der eischeres dd. 7 Nov. 1892, waarbij de facturen op nieuw aan den ged. werden aangeboden en hij tevens werd gesommeerd om te voldoen aan het bij de overeenkomst

Sluiten