Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N". 6412.

Maandag, 20 November 1895.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIJF-EN- VIJFTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt des Maandags. Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. Prijs der

advertentiën, 50 cent* per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

WETGEVING.

Staatsbegroting voor liet dienstjaar 1894.

IVe HOOFDSTUK (Departement van Justitie).

VOORLOOPIG YERSLAG.

(Zie de Alg. Besch. in ons vorig nommer.)

Artikelen .

Ilde Afdeeling.

Kosten van de rechterlijke macht.

Art. 7. Verhooging van de rechterstraktementen in enkele groote steden, waar het leven duur is en een groot aantal zaken door de rechtbanken moeten worden afgedaan, werd door sommige leden billijk en noodzakelijk geacht. Bij de vervulling van vacatures heeft men thans dikwijls veel moeite de geschikte personen te vinden.

Hierop werd geantwoord, dat in den regel het aantal sollicitanten naar eene vacante rechtersplaats minder afhangt van het goedkoope leven in de stad, waar de rechtbank gevestigd is, of van de drukte der werkzaamheden aan de betrekking verbonden, dan van het meer of min aangename van het verblijf in eene dergelijke plaats. Verhooging der traktementen zou ten deze niet veel verandering brengen.

Bespoediging. Kon. goedkeuring van vereenigingen.

Art. 9. Ook nu kwam men terug op den wensch om aan de eerste-deurwaarders bij de arrondissements-rechtbanken of aan de deurwaarders, welke de strafzittingen moeten bijwonen, eenige bezoldiging toe te leggen. Onder verwijzing naar hetgeen over dit denkbeeld ten vorigen jare werd aangevoerd, maakten sommige leden de opmerking, dat op de tegenwerping des Ministers wel iets valt af te dingen. Immers de schadeloosstelling aan de deurwaarders der rechtbanken zou een zelfden maatregel ten opzichte van de deurwaarders bij cle kantongerechten niet noodzakelijk maken, daar deze laatsten, althans in de steden, in hnnne praktijk indirect vergoeding ontvangen voor den dienst bij de strafzittingen, terwijl zij bovendien minder met pro-deo-exploiten worden belast.

i„j.„ loden waren van gevoelen, dat ook voor de deurwaar¬

ders bii de kantongerechten de vergoeding in quaestie zeer billijk is te achten. In de groote steden ondervinden de deurwaarders bij de kantongerechten veel concurrentie van hunne ambtgenooten bij de arrondissements-rechtbanken, en ten platten lande worden zij wel degelijk herhaaldelijk geroepen om hunne diensten kosteloos te verleenen voor alle pro-deo-exploiten in het kanton (verg. art. 866 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en dit is meestal dubbel bezwarend, door de groote afstanden, die veel tijdverlies en niet zelden eenige reiskosten noodzakelijk maken.

Art. 14 Met het oog op de vele werkzaamheden, die van sommige ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kantongerechten wordt gevorderd, laat de vergoeding van bureaukosten, naar men meende, te wenschen over.

Daarentegen worden de reiskosten te veel opgedreven, bijv. door den ambtenaar voor de kantons Oostburg, Terneuzen en Hulst, bij voortduring Middelburg als standplaats aan te wijzen, waardoor deze nu met geen der kantonrechters, met wie hij moet samenwerken, in dezelfde gemeente woont.

lilde Afbeeung.

Kosten van het Boog Militair Gerechtshof en de auditiën in de militaire arrondissementen.

Naar de meening van sommige leden werkt het niet goed, dat de militaire gevangenisstraf in eene gewone strafgevangenis ondergaan wordt. Militairen die ter zake van dienstvergrijpen veroordeeld zijn, beklagen zich, dat zij als gewone misdadigers gestraft worden. Wordt het aanhangig Wetboek van Militair Strafrecht tot wet verheven, zoo zal het aantal gevangenisstraffen nog toenemen. Daarom zouden deze leden wenschen, dat, met wijziging, voor zooveel noodig, van de bestaande wettelijke bepalingen, voor het ondergaan van gevangenisstraf wegens zuiver militaire delicten weder eene afzonderlijke militaire strafgevangenis bestemd werd.

Andere leden achtten dezen wensch, die reageert tegen het hoofdbeginsel van het Wetboek van Strafrecht, dat de straf niet diffameert, en niet zonder wijziging der gestichtenwet ware te verwezenlijken, in elk geval ontijdig, zoolang omtrent het Wetboek van Militair Strafrecht geene beslissing gevallen is.

Verscheidene leden vroegen of het niet wenschelijk ware eene reorganisatie van het Hoog Militair Gerechtshof tot stand te brengen, waardoor ook het juridisch element, dat in het Hoog Militair Gerechtshof een zoo groote beteekenis behoort te hebben, volkomen tot zijn recht zou kunnen komen.

IVde Afdeeling.

Gerechtshoven.

Art. 18. Gevraagd werd, waarom dit artikel ruim f 39 000 ager geraamd is dan daarop in 1892 is uitgegeven.

Vde Afdeeling.

Kosten van algemeene of Rijkspolitie en in zake van jacht en visscherij.

Art. 22. Ten vorigen jare teekende de Minister in de Memorie van Antwoord aan : „Voor de betrekking van inspecteur, of hoe die anders moge aangeduid worden, zullen als maatregel van overgang, voor zoover zij daarvoor geschikt zijn, voorloopig allereerst in aanmerking komen de brigadiers-majoor, terwijl bij eventueele vacature het oog zou moeten worden gevestigd op gemeentelijke politie-ambtenaren van hoogeren rang, op gepensionneerde officieren en dergelijken". Met het oog op deze mededeeling had het bevreemding gewekt, dat tot inspecteurs uitsluitend gepensionneerde officieren zijn benoemd, en noch brigadiers-majoor noch gemeentelijke politie-ambtenaren van hoogeren rang in aanmerking schijnen te zijn gekomen.

Gevraagd werd, of de Minister zou willen mededeelen of de nieuwe organisatie goede resultaten afwerpt.

Gevraagd werd voorts, of de Minister niet voornemens is iets te doen ter tegemoetkoming aan de wenschen ten aanzien van vermindering der nadeelen, die uit de tegenwoordige jachtwet voortvloeien, met welke wenschen in de vergadering van 12 Mei 1892 zoovele leden der Kamer zich bleken te vereenigen.

Van andere zijden vroeg men naar de beteekenis van de circulaire omtrent het toezicht op de jachtvelden. Deze gaf, in verband met de vermindering van het aantal jachtopzieners, den indruk, dat aan de jachtwet niet meer als vroeger de hand zou worden gehouden. Waarom kwam dan de Minister niet met een voorstel tot afschaffing of wijziging van de wet ?

Nog wenschte men te vernemen tot welke conclusie de overwegingen ten aanzien van het verbod om premiën aan te nemen, door particulieren uitgeloofd, den Minister hebben geleid, en of eene oplossing van dit punt reeds gevonden is. (Zie de Memorie van Antwoord ten vorigen jare, bladz. 19).

Het werd wenschelijk genoemd speciale ambtenaren, welke de noodige technische kennis hebben, te belasten met het toezicht op de visscherij. De opzieners der jacht en visscherij, aan wie thans het doen der bekeuringen is opgedragen, missen doorgaans die kennis ten eenenmale, waardoor eenerzijds de handhaving der wet gebrekkig wordt, anderzijds aan het publiek veel noodelooze overlast wordt aangedaan.

Vide Afdeeling.

Kosten der gevangenissen en Rijks-opvoedingsgestichten.

Naar aanleiding van de uiteenzetting in de Memorie van Toelichting, omtrent de reorganisatie van de opleiding der verpleegden in de Rijksopvoedingsgestichten, spraken enkele leden als hun gevoelen uit, dat de Staat niet te veel aan die opleiding mag ten koste leggen. Het zou onbillijk zijn indien de kinderen, die, gewoonlijk ten gevolge van verwaarloozing door de ouders, in het Rijksopvoedingsgesticht geraken, eene betere opleiding ontvingen dan de minvermogenden, die de ouderlijke verplichtingen nauwgezet nakomen, in staat zijn aan hunne kinderen te geven. Op die wijze zou plaatsing in een Rijksopvoedingsgesticht voor de ouders eene premie worden op verwaarloozing van de opvoeding hunner kinderen. Deze leden wilden dien weg niet opgaan en waren daarom weinig ingenomen met de hoogere uitgaven voor de door den Minister voorgenomen reorganisatie der opleiding

Dit gevoelen ontmoette echter van vele zijden tegenspraak. Nu

de Staat zich met de opvoeding der in de gestichten verpleegden belast, moet hij trachten van dezen goede Staatsburgers en degelijke werklieden te maken. Het gaat toch niet aan te eischen, dat waar de Staat als opvoeder optreedt, hij met opzet die opvoeding gebrekkig zal doen z\jn.

Sommige leden vroegen, of het de bedoeling des Ministers is, dat het program, in de Memorie van Toelichting ontwikkeld, voor het vervolg aan de opleiding in de Rijksopvoedingsgestichten ten grondslag zal liggen, zoodat door het toestaan der aangevraagde gelden de Kamer geacht moet worden hare sanctie daaraan te geven. In dat geval zouden deze leden bezwaar maken tegen de classificeering der knapen volgens een gemengd stelsel, waarbij gedeeltelijk de leeftijd, gedeeltelik de capaciteiten beslissend zullen zijn. Beter zou hun voorkomen alleen met deze laatste rekening te houden.

Gevraagd werd of reeds eene oplossing gevonden is voor de bekende bezwaren, die de acoustiek in de cellulaire gevangenissen en huizen van bewaring oplevert.

Art. 32. Er werd bezwaar gemaakt tegen de toekenning van eene toelage aan slechts één Protestantsch godsdienstleearaar voor elke gevangenis. Hierdoor toch worden personen van uiteenloopende richting gedwongen een zelfden leeraar te ontvangen. In overweging werd gegeven, of niet de toelage aan den kerkeraad zou kunnen worden uitgekeerd, die deze dan onder de verschillende leeraren, die de gevangenis bezochten, zou kunnen verdeelen.

Dit denkbeeld ontmoette bedenking bij andere leden. De verdeeling zou voor den kerkeraad geen gemakkelijke taak zijn, en ook voor den dienst in de gevangenissen is het niet wenschelijk, aldaar zoo vele personen toegang te verschaffen.

b. en c. Volgens sommigen is het personeel, waaraan in de Rijksopvoedingsgestichten te Doetinchem en te Alkmaar het lager onderwijs is opgedragen, te gering in aantal. Zal bij de reorgasatie er voor worden zorg gedragen, dat in elke klasse niet meer leerlingen zullen aanwezig z\jn, dan volgens de wet op het lager onderwijs is toegelaten ?

d. Het ligt, volgens de Memorie van Toelichting, voorshands

niet in de bedoeling des Ministers het personeel voor het Rijksopvoedingsgesticht te Avereest dadelijk voltallig te maken. Waarom, aldus werd gevraagd, worden dan bij deze begrooting niet slechts uitgetrokken de gelden, die de Minister denkt noodig te hebben ? Indien de Minister in den loop des jaars meer personeel wilde aanstellen dan hij thans voornemens is, konden alsnog bij suppletoire begrooting de noodige gelden daartoe worden aangevraagd.

Gaarne zou men de verzekering ontvangen, dat na indienststelling van het gesticht voor jongens te Avereest, voldoende ruimte zal aanwezig zijn voor de plaatsing in een Rijksopvoedingsgesticht van de jeugdige personen, die daarvoor in de termen vallen.

Nog werd gevraagd, of het de bedoeling is een Protestantschen godsdienstleeraar en een Roomsch-Katholieken geestelijke bij het gesticht te Avereest aan te stellen op eene vaste jaarwedde. Verscheidene leden zouden dit verkeerd achten, omdat de Regeering dan eene keuze zou moeten doen ten aanzien van de richting van den aan te stellen godsdienstleeraar. Zij zouden de voorkeur geven aan het toekennen van toelagen aan de plaatselijke leeraars, welke toelagen nog iets lager zouden kunnen zijn dan de voorgestelde bedragen van f 500. Dit scheen zeer goed uitvoerbaar daar het gesticht „Veldzicht" niet zeer ver van de kom der gemeente verwijderd ligt.

Artt. 34 en 36. Deze posten zijn hooger geraamd dan ten vorigen jare, terwijl eene toelichting der verhooging ontbreekt.

Art. 37. De raming voor kosten van onderhoud der gevangenen, die f 24 000 hooger is dan voor het loopende dienstjaar is uitgetrokken, gaf sommigen leden aanleiding er op aan te dringen meer zuinigheid bij de voeding en verpleging in acht te nemen. De gevangenen behoeven het niet beter te hebben dan een groot gedeelte van het volk het zich door zijn arbeid kan verschaffen.

Art. 41. In de vergadering der Kamer van 29 Mei 1891 werd aangenomen de conclusie der commissie in wier handen waren gesteld de inlichtingen op het adres van van der Voort & Co. te Groningen en andere fabrikanten van stroohulzen. Deze conclusie strekte om onder dankzegging aan den Minister van Justitie voor de verstrekte inlichtingen, dezen in overweging te geven de benoeming eener commissie om te onderzoeken, in hoever door den arbeid in gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen afbreuk wordt gedaan aan den arbeid in de vrije maatschappij en door welke maatregelen de aldus gevoerde concurrentie tot zoo gering mogelijke afmetingen zou kunnen worden beperkt. Aan dien wensch der Kamer werd nooit gevolg gegeven. Sommige leden drongen daarop nogmaals aan, er aan herinnerende, dat op dit oogenblik

wederom een adres, ditmaal van den Borstelmakersbond bij de Kamer is ingezonden van soortgelijke strekking als het genoemde adres der stroohulzenfabrikanten. Indien de Minister tot de benoeming eener commissie, gelijk gewenscht wordt, mocht overgaan zoo werd in het bijzonder aanbevolen onder de leden verschillende' industrieelen te benoemen, wier nijverheid voor concurrentie door de gevangenissen vatbaar is.

Vilde Afdeeling.

Gebouwen, daaronder niet begrepen de Rijkswerkinrichtingen.

Sommige leden spraken hun leedwezen uit over de noodzakelijkheid om andermaal het aantal cellen uit te breiden, eene noodzakelijkheid die te bedenkelijker is te achten, nu in het algemeen minder lange straffen worden opgelegd.

Art. 44a. Klachten werden vernomen omtrent de gebrekkige verbouwing van het Paleis van Justitie te Amsterdam. De openbare gerechtszaal, nu gereed, heeft eene slechte acoustiek; in verschillende vertrekken heeft men last van tocht, en het geraas van de straat werkt zeer storend. Dtt laatste ware wellicht zonder ie groote kosten te verhelpen ; evenals de gasverlichting, die veel te wenschen schijnt over te laten.

Art. 44h. Omtrent het nieuwe huis van bewaring te Alkmaar voor de stichting waarvan als eerste gedeelte eene som van f35 ooo' wordt aangevraagd, werd de toelichting onvolledig geacht. In het bijzonder wenschte men te vernemen of het Rijk over het benoodigd terrein beschikt, dan wel hoe het dat verkrijgen zal welke de totale kosten zullen zijn en over hoe veel jaren zij zullen worden verdeeld.

Art. 44/. Wanneer aan de bewaarders te Groningen en te Rotterdam vrije woning zal zijn verschaft, zal dan minder behoeven te worden uitgetrokken voor de traktementen dier ambtenaren ?

Eene som van f 22 000, nog wel als eerste gedeelte, voor den bouw van twaalf bewaarderswoningen, kwam sommige leden zeer hoog voor. Men bewijst er den ambtenaren geen dienst mede, wanneer men te groote woningen voor hen bouwt. Dit brengt verhooging van allerlei uitgaven voor hen mede, hetgeen ten slotte op aandrang om tractementsverhooging uitloopt. Hoeveel zullen die woningen in het geheel kosten ?

Art. 45. De benoeming van een oud-consul te Liberia tot directeur der Rijkswerkinrichting te Veenhuizen, had vrij algemeen verbazing gewekt. Beide werkkringen toch loopen ietwat uiteen.

Art. 60. Gevraagd werd de jaarlijksche overlegging van een nominatieven staat van de personen aan wie toelagen of onderstand uit dit artikel wordt toegekend.

.nfldw vas'8este'd door de Commissie van Rapporteurs den lOden November 1893.

Hartogh. Veeoens. Rïnk.

IIübeu, Ferf.

Sluiten